SiteLock
Livre du mois Le Petit futé Kinshasa 14,95 € Communiqué de presseGuide Kinshasa 2017 (petit futé)Neocity
Boek van de maand Zoon in Congo 15% korting + gratis verzending Zoon in Congo Lanoo Uitgeverij
   Webmasters Delcol Martine Eddy Van Zaelen De webmaster Delcol MartineEddy Van Zaelen
  Helpt U mee en stuur je ons uw boeken in ruil voor een publicatie op de site  Sponsor Site
Kasai Rencontre avec le roi des Lele Kasaï , rencontre avec le roi Prix exclusif Grâce a Congo-1960 Sans limite de temps 29.80 € frais de port inclus  -Editeur Husson
L'état indépendant du congo a la recherche de la vérité historiquecongo 1957-1966 TémoignageLes chemins du congoTussen vonk en omroep , draadloze communicatie in België en CongoLeodine of the belgian CongoLes éxilés d'IsangiGuide Congo (Le petit futé)Congo Ya Kalakala, avec mes remerciements a Mr Paul DaelmanCongo L'autre histoire, avec mes remerciements a Charles LéonardL'Héritage des Banoko , avec mes remerciements a Mr. Pierre Van BostL'année du Dragon avec mes remerciements a Mr Eddy Hoedt et Mr Peeters Baudoin

Titel : Huurlingen, geheim agenten en diplomaten

BoekLudoDeWitteHuurlingenGeheimAgentenDiplomaten

In 1999 publiceerde Ludo De Witte een voor de Belgische geschiedenis onmisbaar boek. Met 'De moord op Lumumba' was hij gangmaker voor de parlementaire Lumumba-commissie (2001-2002), die de Belgische betrokkenheid bij de moord op de eerste Congolese premier vaststelde. Vijftien jaar later heeft De Witte een complementair boek klaar, 'Huurlingen, geheimagenten en diplomaten', waarin hij inzoomt op een volgend hoofdstuk van de Congolese tragedie: de geboorte van de Mobutu-dictatuur.

 

 

PDF Bestand Knack :

 

congo 1960 image foto sans titre

© 2014

 

Ludo De Witte & Uitgeverij Van Halewyck

Diestsesteenweg 71a - 3010 Leuven

www.vanhalewyck.be

Cover: Stijn Anseel Foto’s

cover: Davignon (Belga Image),

Mobutu (Getty Images),

Lumumba (Getty Images)

Druk: Wilco, Amersfoort

ISBN : 978 94 6131 330 0

Pagina's :

Koop dit boek in een boekhandel bij jou in de buurt

 

 

 

 

 

 

 

Ludo De Witte (°1956) is socioloog en publicist.

 

Auteur van de volgende boeken:

 

  1. - Crisis in Congo (1996), over de VN-interventie in Congo in 1960 en 1961;

  2. - De moord op Lumumba (1999), over de rol van het Westen in de moord op de eerste Congolese premier (vertaald in het Frans, Duits, Engels, Portugees, Spaans en Arabisch)
  3. - Wie is bang voor moslims? (2004), over radicale moslimstromingen in België.
  4. Medewerker aan tv-documentaires over de Congocrisis van de VRT (1999), de ARD (2000) en de BBC (2000).
  5. Huurlingen, geheim agenten en diplomaten brengt verslag uit over de stormachtige gebeurtenissen in Congo in 1964 en 1965: de opstanden tegen de Congolese regering onder leiding van Pierre Mulele en Christophe Gbenye; het neerslaan van de opstanden en de Belgisch-Amerikaanse interventie in Stanleystad en Paulis, bolwerken van de rebellen; de Congomissie van Cuba onder leiding van Ernesto 'Che' Guevara in 1965; de staatsgreep van Mobutu op 24 november 1965.

 

 

Inleiding (bron Halewijck)

Congo, 24 november 1964: honderden Belgische paracommando's worden gedropt boven Stanleystad en Paulis, waar rebellen een onbekend aantal blanken gijzelen. In de grootste humanitaire reddingsoperatie ooit worden ongeveer 2000 mensen bevrijd, voornamelijk Belgen. Een week later paraderen diezelfde militairen triomfantelijk door Brussel, onder het oog van duizenden uitzinnige Belgen. Achter dit succesverhaal gaan echter gebeurtenissen schuil die voor de donkerste bladzijden van de Congolese geschiedenis zorgen. De bevrijdingsoperatie gaat hand in hand met een bloederige operatie over de weg, waarbij regeringstroepen tienduizenden Congolezen brutaal vermoorden. Elk verzet tegen het prowesterse regime in de hoofdstad wordt genadeloos verpletterd.

 

De ontwrichting van de economie, de chaos in rebellengebied en de bloeddorstige repressie van regeringstroepen hebben de bevolking platgeslagen. Het land is rijp voor een autocratisch bewind en in 1965 grijpt generaal Mobutu de macht, met steun van de CIA en onder applaus van de Belgische regering. Zij bereiken eindelijk hun doel: een stabiel neokoloniaal regime aan de macht helpen, met Mobutu als zaakwaarnemer van de westerse belangen. Pas in 1997 zal de dinosaurus, oud en ziek, zijn leeggeroofde land ontvluchten.

 

Huurlingen, geheim agenten en diplomaten is de neerslag van onderzoek in Belgische, Britse, Amerikaanse en Congolese archieven en getuigenissen van de gebeurtenissen die Congo tot aan de rand van de afgrond brachten.

 

Een must voor Congofielen, bestelbaar als e-boek bij Van Halewyck (geen €10).

 

Hieronder de inleiding, bij wijze van teazer...

INLEIDING

 

Congo … wij verbeelden ons het land door het prisma van kinderen in lompen, koloniale  ruïnes  en  onheilsberichten over de oorlog in het oosten  van  het  land. Een dantesk universum van halfnaakte, bezwete ertsendelvers; van  comptoirs waar  gewiekste handelaars met  obligate  Gucci-zonnebril en Rolex-dollars voor ertsen  inruilen;  van  krijgsheren,  milities  en regeringstroepen  die zich overgeven aan plundering, moord  en verkrachting.  Het levert  krachtige beelden op,  voer  voor tv-reportages en foto’s in magazines. Maar de crisis in Oost-Congo  duurt lang, erg lang, en licht aan het einde van de tunnel komt niet in zicht. Die penetrante beelden hebben almaar minder impact op  ons ingesleten collectieve geheugen. Gewenning doet haar  intrede. Het lijkt wel alsof het er  in Congo altijd zo is aan toegegaan. De impliciete boodschap van die humaninterestreportages luidt dat Congo allicht  nog voor lange tijd  een tranendal  zal zijn. Ergo, dat Congolezen zo zijn: naïef, een tikkeltje  onnozel, en ook corrupt, wreed,  hopeloos. Met als bijgedachte, voor  sommigen: dat gebeurt er wanneer  de schutsmantel van het kolonialisme (te  vroeg) wordt afgeworpen.  Maar  klopt dat wel? Het Congo dat  zich  vandaag  voor  ons  ontplooit, kreeg  vorm op het  einde  van vorige eeuw,  toen coalities van buitenlandse militaire  machten en lokale krijgsheren  profiteerden  van de liquefactie van het mobutisme en de zwakte van het nieuwe regime van Laurent-Désiré  Kabila om het terrein te  bezetten, liefst terrein met bodemschatten. Om  die afgelopen twintig jaar goed te kunnen analyseren, is het nodig die periode te objectiveren, vanop een  afstand te bekijken. We  moeten op  zoek  naar de  wortels ervan, en inzicht verwerven in het tijdperk dat eraan voorafgaat en waaruit het huidige Congo  is voortgekomen. Dat is de bedoeling van dit boek: diep  in  de  geschiedenis van Congo graven, op  zoek naar scharniermomenten  die hun schaduw ver hebben vooruitgeworpen.

Hier staan  de gebeurtenissen  centraal  die dateren van de tijd toen  generaal Mobutu met  een staatsgreep  de Tweede Republiek van Congo (1965-1997) vestigde. Ze zijn een  halve eeuw oud. Afgezien  van uitgedunde koloniale verenigingen die elk jaar de  bevrijding van enkele  duizenden blanken in Stanleystad (Kisangani) en omgeving uit handen van  Congolese rebellen  herdenken  (24 november  1964), zijn ze zo goed als vergeten.  Toch verdient het onderwerp nader onderzoek. Want de kanker  die  Mobutu’s regime in  de  eerste helft van  de jaren  90  fataal  werd, woekerde al van bij de geboorte ervan, 30 jaar eerder.  Wat de Congolese staat onder Mobutu uiteindelijk deed wegsmelten zat ook al  in de biotoop die de stichting  van de  dictatuur mogelijk, zelfs onvermijdelijk maakte: endemische corruptie en cliëntelisme, willekeur en terreur van militairen, de afwezigheid van ‘een civiele maatschappij’, economische  degradatie,  een verpauperd,  aan zijn lot overgelaten volk. Het failliet van het regime  lag al in zijn  concept besloten.

Tot vandaag blijft de  genese van de  dictatuur in de Congoliteratuur  onderbelicht. De Belgische en de Amerikaanse  elites die aan  het kraambed van  le système-Mobutu stonden, kijken  het liefst  weg van  hun kwalijke rol in  de affaire, en nogal wat invloedrijke academici en  opiniemakers waren en zijn geneigd hen daarin te volgen. Zolang de  dinosaurus leefde, was het voor onderzoekers en journalisten raadzaam  om de autocraat en  zijn westerse  vrienden  te sparen als men toegang  wou krijgen tot  visa en onderzoekskredieten.

1 Dat  veranderde  enigszins eind vorige eeuw.  Toen noopten het fiasco  van de VN-interventie in Rwanda  (1994)  en de  implosie van  het regime van  Mobutu (1996-1997) Brussel  tot bezinning over zijn plaats  op  het internationale schaakbord. Het waren  jaren van reflectie, met als ijkpunten de Rwanda- en Lumumbacommissies van het  parlement (1997 en  2001). De  Belgische  regering erkende een  zekere verantwoordelijkheid voor de moord op  Patrice Lumumba  (1961)  en de afwikkeling van de Rwandese genocide (1994). Aan  die periode  van relatieve openheid  kwam echter  al snel  een einde,  en  sinds een jaar of  tien  gaat  het weer  de andere kant op. Vandaag  staat het opnieuw goed om over  de  vervelende  aspecten  van de vaderlandse  geschiedenis te zwijgen. De nieuwe pensée unique maakt  een  kritische kijk op kolonialisme en neokolonialisme  verdacht,  als ‘negativistisch’, zelfs als ‘een verlangen naar  zelfkastijding’.

2 En  dat heeft  gevolgen. Het  in het zog  van de Lumumbacommissie aangekondigde Fonds  Lumumba, dat de democratie in Centraal-Afrika  moest ondersteunen, bleek een doodgeboren  kind. Het  is nog steeds  wachten op een betekenisvol  politiek gebaar waarbij een belangrijke plaats of  gebouw in België naar  Patrice Lumumba  wordt genoemd. Er is nog steeds geen  sprake van een  nieuwe  archiefwet  die  de toegankelijkheid van Belgische archieven  voor  onderzoekers verbetert, hoewel dat een van de aanbevelingen van  de commissie was.

De grote tentoonstelling over de  geschiedenis van  Congo in het  Afrikamuseum van Tervuren (Het  geheugen van Congo, 2005) is een  mooi  voorbeeld van  die  koudwatervrees voor  een vrijmoedige geschiedschrijving. Bezoekers vernamen niets  over de  rol van België in  de liquidatie van de eerste, democratisch aangestelde Congolese regering  en de  moord  op de eerste  minister, zeven maanden na  de onafhankelijkheid. Integendeel: op tekstborden werd  de  schuld voor  ‘chaos  en geweld’ in het eerste onafhankelijkheidsjaar bij premier Lumumba gelegd. De  staatsgreep van Mobutu (1965) werd voorgesteld  als een heilzaam ingrijpen, waarmee een einde kwam  aan de politieke chaos. Op plakkaten  kreeg Mobutu lof  toegezwaaid, want  hij gaf de  staat ‘een  nieuwe vorm’ en zorgde ‘voor een hechte samenhang tussen elites en volk’.  Dat de  initiële stabiliteit van zijn dictatuur was gevestigd op de repressie van opstanden die  tienduizenden  Afrikanen  het leven hebben gekost, en  welke rol Brussel daarin speelde, vernam de bezoeker  niet. Al even verhullend gaat  David Van Reybrouck  in  zijn succesboek  Congo (2010) te werk. Hij  presenteert  de aanloop naar de staatsgreep van  Mobutu als gekrakeel onder  Congolezen, hoewel een  beslissende rol voor Brussel en Washington  was weggelegd, zoals in mijn Lumumbaboek en hierna  wordt  aangetoond.

3 Auteurs als Manu  Ruys, Walter Zinzen en  David Van Reybrouck houden  hun  lezers voor dat die coup wenselijk en weldoend mag worden genoemd.

4 Ook op een officieel niveau wil  men geruststellen,  of,  als  het kan, vergeten. Zo publiceerde het  State Department pas  eind 2013 een volume van de Foreign Relations  of the  United States-serie over  het Amerikaanse Congobeleid in de jaren zestig, hoewel  een  Amerikaanse  wet het  ministerie oplegt om uiterlijk 30 jaar na de feiten een bloemlezing  van documenten te publiceren  die de  publieke  opinie  en onderzoekers in staat moet stellen de rol van de  VS in de gebeurtenissen  te begrijpen.  In uitvoering van  die wet werd  formeel  beslist om een FRUS-volume  aan het onderwerp te  wijden, met als  werktitel ‘Congo  1960-1968’. De publicatie  werd ingepland voor 2003.  Pas 10 jaar later gebeurde dat, na  hevig verzet van vooral de CIA tegen de vrijgave van een  aantal documenten. Het volume  is getekend door die strubbelingen: het  bevat weinig echt revelerend materiaal. Voorts houdt het de rol  van zijn Belgische bondgenoot in de Congocrisis mooi uit  beeld, precies zoals de Lumumbacommissie van het  Belgisch parlement die  van de VS  onbesproken liet.

5 Zoals  Washington heeft  ook  Brussel  een verwrongen relatie met ernstig onderzoek over  zijn rol  in  Congo. Denk maar  aan het  boek  Dans Stanleyville, het  semi-officiële ooggetuigenverslag van de Belgische  consul Patrick  Nothomb, die in 1964 in de hoofdstad van de opstandelingen zo goed en zo kwaad het ging de  belangen van de Belgen en andere buitenlanders  behartigde en ’s avonds op  een  Hermes Baby-typemachine zijn wedervaren noteerde. De tekst was in  1966 uitgeschreven, maar Buitenlandse Zaken gaf de auteur  pas in 1992, 26 jaar later, toestemming om het boek te publiceren …

6 De neerslag  van geschiedschrijving in de publieke opinie is nooit verworven: voortdurend zijn er krachten  aan  het werk  om die te  beïnvloeden,  op te schonen of uit te wissen.  Het neoliberalisme is in de publieke  opinie dominant geworden, en  dat zorgt voor  een wereldbeeld dat  een klare kijk op  imperialisme en  neokolonialisme vertroebelt.  De neiging om de geschiedenis  van interventionisme  en kolonialisme op te smukken neemt zelfs toe. Dat  heeft te maken  met de dadendrang van  Washington  en zijn bondgenoten om in het  Nabije  Oosten, in zwart Afrika en  rond  concurrenten als  Rusland  en China  prowesterse regimes  te versterken of er nieuwe te vestigen. Wie vandaag wil interveniëren, moet  echter een aarzelende publieke opinie  over de schreef  trekken. Daarom schermt men graag met humanitaire  motieven, zoals  Leopold II  en zijn koloniale rivalen in Londen  en Parijs tijdens hun Scramble for Africa in  de negentiende  eeuw deden. De zwarte bladzijden  over het oude kolonialisme, die als een schaduw over  nieuwe interventies hangen,  worden  zo mogelijk uit het collectieve geheugen weggevlakt.

7  Het  past dan niet om, zoals hier de bedoeling is, te focussen op  een tijdsgewricht waarin de Belgische  elite Congo opzadelde met een  dictator die de  beste garantie  voor de bescherming van  zijn economische belangen werd geacht. Tot slot nog  een  woord  over  de genese van dit boek. Hoewel het basismateriaal van deze studie  bestaat uit originele research in Belgische,  Britse  en Amerikaanse archieven (zie voor een overzicht de bronnenlijst), is het schatplichtig  aan de  research van drie personen die inmiddels  zijn  overleden. Het betreft, vooreerst,  professor Benoît Verhaegen en zijn  intellectuele compagnon de route Jules  Gérard-Libois, stichter van het  Centre de recherche  et d’information socio-politiques (CRISP). Verhaegen en Gérard-Libois begonnen  in de jaren 90  hun onderzoek over het Congolese avontuur van  de  Argentijns-Cubaanse revolutionair Che Guevara en meer dan honderd Cubaanse guerrillero’s die in  1965 ongeveer zeven  maanden aan de zijde  van de rebellen  in Oost-Congo vochten. Hun onderzoek waaierde onvermijdelijk uit naar  de gebeurtenissen in 1964,  en groeide de  bejaarde  mannen stilaan boven het  hoofd. Gérard-Libois en Verhaegen vroegen mij het onderzoek voort te zetten  en met een boek af te ronden –  een vraag waar ik  graag op  inging. Verhaegen bestookte mij tussen 2002 en 2006 met notities, suggesties  en unieke documenten, waaronder materiaal van de inlichtingendienst  van het Congolese leger en van Belgische bevelvoerende officieren  op  het  terrein. In 2007  bezorgde  Verhaegen me een  groot gedeelte  van zijn Congoarchief, dat inmiddels is  overgedragen aan  het Koninklijk Museum voor Midden-Afrika. In het KMMA heb ik aanvullend ook het  archief  van Jules  Gérard-Libois geconsulteerd. Als dit boek uiteindelijk het  licht ziet,  dan is dat mee dankzij  de aanzet en  steun  van beide mannen. Een  derde persoon  die niet onvermeld mag blijven, is een bevoorrechte getuige  en acteur van  de  hier besproken gebeurtenissen:  de  Belgische kolonel Frédéric Vandewalle. Deze  opperofficier gaf tussen 1960 en 1965 op het terrein gestalte aan het  Congobeleid van  de Belgische regering,  maar  zonder zijn kritische zin en afstandelijke reflectie  op te geven.  Jaren later,  nadat zijn Afrikaanse militaire  carrière  erop  zat, was  de kolonel op  rust wat verbitterd  geworden. Oud-minister  Spaak had in zijn memoires (1969)  niets dan lof voor Vandewalle, die van  eind 1960 tot begin  1963 in  het afgescheiden Katanga een belangrijke rol had  gespeeld –  eerst om  de kaduke koperstaat  overeind  te  helpen houden, als een wapen tegen de Congolese nationalisten  in de hoofdstad;  nadien, na de nederlaag van  Lumumba  en de zijnen,  om Katanga weer in de eenheidsstaat te  integreren. Maar over Vandewalles acties in 1964, toen hij op vraag van de  regering leiding  gaf  aan de vernietiging van een opstand  die Leopoldstad naar  het leven stond, is Spaak karig  met commentaar. De  minister  van Staat beperkt zich in zijn memoires tot de opmerking dat  de  rol  van  de  kolonel  in 1964 ‘aanzienlijk’  was, ‘en de  resultaten gunstig’.

8 Spaak heeft geen woord veil  voor Vandewalles aanvalstroepen, waarvan het speerpunt bestond  uit Belgische officieren, CIA-piloten en huursoldaten. Vandewalle  had dan wel de ruggengraat  van de  opstand gebroken, maar hij kreeg  achteraf niet de erkenning waar hij meende recht op te hebben.  Een compagnon van  Vandewalle zegt waarom: het was  ‘de staatsraison’ die  de kolonel  een promotie  tot generaal ontzegde.

9 De minister  van staat wou  niet herinneren aan een operatie die internationale, vooral Afrikaanse verontwaardiging had  opgewekt, wegens wreedheden waaraan mercenaires  en het  zwarte voetvolk in hun zog  zich te buiten  gingen. Er  kwam een compromis uit de bus: Vandewalle  werd niet tot generaal gepromoveerd, maar werd chef van de Infanterieschool  van  Aarlen, een functie die in een normale  officierscarrière  samenging met een  bevordering tot generaal. Het lag  evenwel niet in de aard van de kolonel om het daarbij te laten. Beslagen  in het archiveren van  informatie – hij had  jarenlang  de Sûreté coloniale geleid – waakte Vandewalle  erover  dat zijn  versie van  de geschiedenis, ondersteund door een  massa unieke documenten, voor de overlevering  is bewaard. Het is niet duidelijk of een  zucht naar objectiviteit dan wel rancune hem dreef,  maar Vandewalle durfde  daarbij zijn vroegere bazen weleens in verlegenheid te  brengen. Zo maakte hij in  zijn imposante, dertiendelige Mille et Quatre jours  (gepubliceerd in  de  jaren 1974  tot  1977) als eerste gewag  van de intenties  van  de Belgische minister van Afrikaanse  Zaken om premier  Lumumba te vermoorden. Over de  gebeurtenissen van 1964  bracht  hij  verslag uit in  zijn boek L’Ommegang (1970) en in  artikels in de tijdschriften  Bulletin du CRAOCA  en  Tam-Tam Ommegang. Ik ben ook schatplichtig aan  zijn  Le  Spicilège, een geordend geheel  van  archiefdocumenten  dat in de kelders van het  ministerie van  Defensie is opgeslagen en waarvan  een welwillende hand me een kopie bezorgde. Hoewel  kolonel Vandewalle  niet vrij  is van een parti-pris –  hij verdedigt ‘zijn’ huurlingen  en  zet de acties van  zijn  troepen  in het zonnetje – levert hij  essentieel materiaal om de gebeurtenissen te reconstrueren.

 

 

 

Congo … wij verbeelden ons het land door het prisma van kinderen in lompen, koloniale ruïnes en onheilsberichten over de oorlog in het oosten van het land. Een dantesk universum van halfnaakte, bezwete ertsendelvers; van comptoirs waar gewiekste handelaars met obligate Gucci-zonnebril en Rolex-dollars voor ertsen inruilen; van krijgsheren, milities en regeringstroepen die zich overgeven aan plundering, moord en verkrachting.

Het levert krachtige beelden op, voer voor tv-reportages en foto's in magazines. Maar de crisis in Oost-Congo duurt lang, erg lang, en licht aan het einde van de tunnel komt niet in zicht. Die penetrante beelden hebben almaar minder impact op ons ingesleten collectieve geheugen. Gewenning doet haar intrede. Het lijkt wel alsof het er in Congo altijd zo is aan toegegaan. De impliciete boodschap van die humaninterestreportages luidt dat Congo allicht nog voor lange tijd een tranendal zal zijn. Ergo, dat Congolezen zo zijn: naïef, een tikkeltje onnozel, en ook corrupt, wreed, hopeloos.

Met als bijgedachte, voor sommigen: dat gebeurt er wanneer de schutsmantel van het kolonialisme (te vroeg) wordt afgeworpen. Maar klopt dat wel? Het Congo dat zich vandaag voor ons ontplooit, kreeg vorm op het einde van vorige eeuw, toen coalities van buitenlandse militaire machten en lokale krijgsheren profiteerden van de liquefactie van het mobutisme en de zwakte van het nieuwe regime van Laurent-Désiré Kabila om het terrein te bezetten, liefst terrein met bodemschatten. Om die afgelopen twintig jaar goed te kunnen analyseren, is het nodig die periode te objectiveren, vanop een afstand te bekijken. We moeten op zoek naar de wortels ervan, en inzicht verwerven in het tijdperk dat eraan voorafgaat en waaruit het huidige Congo is voortgekomen. Dat is de bedoeling van dit boek: diep in de geschiedenis van Congo graven, op zoek naar scharniermomenten die hun schaduw ver hebben vooruitgeworpen.

Hier staan de gebeurtenissen centraal die dateren van de tijd toen generaal Mobutu met een staatsgreep de Tweede Republiek van Congo (1965-1997) vestigde. Ze zijn een halve eeuw oud. Afgezien van uitgedunde koloniale verenigingen die elk jaar de bevrijding van enkele duizenden blanken in Stanleystad (Kisangani) en omgeving uit handen van Congolese rebellen herdenken (24 november 1964), zijn ze zo goed als vergeten. Toch verdient het onderwerp nader onderzoek. Want de kanker die Mobutu's regime in de eerste helft van de jaren 90 fataal werd, woekerde al van bij de geboorte ervan, 30 jaar eerder. Wat de Congolese staat onder Mobutu uiteindelijk deed wegsmelten zat ook al in de biotoop die de stichting van de dictatuur mogelijk, zelfs onvermijdelijk maakte: endemische corruptie en cliëntelisme, willekeur en terreur van militairen, de afwezigheid van 'een civiele maatschappij', economische degradatie, een verpauperd, aan zijn lot overgelaten volk. Het failliet van het regime lag al in zijn concept besloten.

Tot vandaag blijft de genese van de dictatuur in de Congoliteratuur onderbelicht. De Belgische en de Amerikaanse elites die aan het kraambed van le système-Mobutu stonden, kijken het liefst weg van hun kwalijke rol in de affaire, en nogal wat invloedrijke academici en opiniemakers waren en zijn geneigd hen daarin te volgen. Zolang de dinosaurus leefde, was het voor onderzoekers en journalisten raadzaam om de autocraat en zijn westerse vrienden te sparen als men toegang wou krijgen tot visa en onderzoekskredieten.

 

 

 

  1. Dat veranderde enigszins eind vorige eeuw. Toen noopten het fiasco van de VN-interventie in Rwanda (1994) en de implosie van het regime van Mobutu (1996-1997) Brussel tot bezinning over zijn plaats op het internationale schaakbord. Het waren jaren van reflectie, met als ijkpunten de Rwanda- en Lumumbacommissies van het parlement (1997 en 2001). De Belgische regering erkende een zekere verantwoordelijkheid voor de moord op Patrice Lumumba (1961) en de afwikkeling van de Rwandese genocide (1994). Aan die periode van relatieve openheid kwam echter al snel een einde, en sinds een jaar of tien gaat het weer de andere kant op. Vandaag staat het opnieuw goed om over de vervelende aspecten van de vaderlandse geschiedenis te zwijgen. De nieuwe pensée unique maakt een kritische kijk op kolonialisme en neokolonialisme verdacht, als 'negativistisch', zelfs als 'een verlangen naar zelfkastijding
  2. En dat heeft gevolgen. Het in het zog van de Lumumbacommissie aangekondigde Fonds Lumumba, dat de democratie in Centraal-Afrika moest ondersteunen, bleek een doodgeboren kind. Het is nog steeds wachten op een betekenisvol politiek gebaar waarbij een belangrijke plaats of gebouw in België naar Patrice Lumumba wordt genoemd. Er is nog steeds geen sprake van een nieuwe archiefwet die de toegankelijkheid van Belgische archieven voor onderzoekers verbetert, hoewel dat een van de aanbevelingen van de commissie was. De grote tentoonstelling over de geschiedenis van Congo in het Afrikamuseum van Tervuren (Het geheugen van Congo, 2005) is een mooi voorbeeld van die koudwatervrees voor een vrijmoedige geschiedschrijving. Bezoekers vernamen niets over de rol van België in de liquidatie van de eerste, democratisch aangestelde Congolese regering en de moord op de eerste minister, zeven maanden na de onafhankelijkheid. Integendeel: op tekstborden werd de schuld voor 'chaos en geweld' in het eerste onafhankelijkheidsjaar bij premier Lumumba gelegd. De staatsgreep van Mobutu (1965) werd voorgesteld als een heilzaam ingrijpen, waarmee een einde kwam aan de politieke chaos. Op plakkaten kreeg Mobutu lof toegezwaaid, want hij gaf de staat 'een nieuwe vorm' en zorgde 'voor een hechte samenhang tussen elites en volk'. Dat de initiële stabiliteit van zijn dictatuur was gevestigd op de repressie van opstanden die tienduizenden Afrikanen het leven hebben gekost, en welke rol Brussel daarin speelde, vernam de bezoeker niet. Al even verhullend gaat David Van Reybrouck in zijn succesboek Congo (2010) te werk. Hij presenteert de aanloop naar de staatsgreep van Mobutu als gekrakeel onder Congolezen, hoewel een beslissende rol voor Brussel en Washington was weggelegd, zoals in mijn Lumumbaboek en hierna wordt aangetoond.
  3. Auteurs als Manu Ruys, Walter Zinzen en David Van Reybrouck houden hun lezers voor dat die coup wenselijk en weldoend mag worden genoemd.
  4. Ook op een officieel niveau wil men geruststellen, of, als het kan, vergeten. Zo publiceerde het State Department pas eind 2013 een volume van de Foreign Relations of the United States-serie over het Amerikaanse Congobeleid in de jaren zestig, hoewel een Amerikaanse wet het ministerie oplegt om uiterlijk 30 jaar na de feiten een bloemlezing van documenten te publiceren die de publieke opinie en onderzoekers in staat moet stellen de rol van de VS in de gebeurtenissen te begrijpen. In uitvoering van die wet werd formeel beslist om een FRUS-volume aan het onderwerp te wijden, met als werktitel 'Congo 1960-1968'. De publicatie werd ingepland voor 2003. Pas 10 jaar later gebeurde dat, na hevig verzet van vooral de CIA tegen de vrijgave van een aantal documenten. Het volume is getekend door die strubbelingen: het bevat weinig echt revelerend materiaal. Voorts houdt het de rol van zijn Belgische bondgenoot in de Congocrisis mooi uit beeld, precies zoals de Lumumbacommissie van het Belgisch parlement die van de VS onbesproken liet.
  5. Zoals Washington heeft ook Brussel een verwrongen relatie met ernstig onderzoek over zijn rol in Congo. Denk maar aan het boek Dans Stanleyville, het semi-officiële ooggetuigenverslag van de Belgische consul Patrick Nothomb, die in 1964 in de hoofdstad van de opstandelingen zo goed en zo kwaad het ging de belangen van de Belgen en andere buitenlanders behartigde en 's avonds op een Hermes Baby-typemachine zijn wedervaren noteerde. De tekst was in 1966 uitgeschreven, maar Buitenlandse Zaken gaf de auteur pas in 1992, 26 jaar later, toestemming om het boek te publiceren …
  6. De neerslag van geschiedschrijving in de publieke opinie is nooit verworven: voortdurend zijn er krachten aan het werk om die te beïnvloeden, op te schonen of uit te wissen. Het neoliberalisme is in de publieke opinie dominant geworden, en dat zorgt voor een wereldbeeld dat een klare kijk op imperialisme en neokolonialisme vertroebelt. De neiging om de geschiedenis van interventionisme en kolonialisme op te smukken neemt zelfs toe. Dat heeft te maken met de dadendrang van Washington en zijn bondgenoten om in het Nabije Oosten, in zwart Afrika en rond concurrenten als Rusland en China prowesterse regimes te versterken of er nieuwe te vestigen. Wie vandaag wil interveniëren, moet echter een aarzelende publieke opinie over de schreef trekken. Daarom schermt men graag met humanitaire motieven, zoals Leopold II en zijn koloniale rivalen in Londen en Parijs tijdens hun Scramble for Africa in de negentiende eeuw deden. De zwarte bladzijden over het oude kolonialisme, die als een schaduw over nieuwe interventies hangen, worden zo mogelijk uit het collectieve geheugen weggevlakt.
  7. Het past dan niet om, zoals hier de bedoeling is, te focussen op een tijdsgewricht waarin de Belgische elite Congo opzadelde met een dictator die de beste garantie voor de bescherming van zijn economische belangen werd geacht. Tot slot nog een woord over de genese van dit boek. Hoewel het basismateriaal van deze studie bestaat uit originele research in Belgische, Britse en Amerikaanse archieven (zie voor een overzicht de bronnenlijst), is het schatplichtig aan de research van drie personen die inmiddels zijn overleden. Het betreft, vooreerst, professor Benoît Verhaegen en zijn intellectuele compagnon de route Jules Gérard-Libois, stichter van het Centre de recherche et d'information socio-politiques (CRISP). Verhaegen en Gérard-Libois begonnen in de jaren 90 hun onderzoek over het Congolese avontuur van de Argentijns-Cubaanse revolutionair Che Guevara en meer dan honderd Cubaanse guerrillero's ie in 1965 ongeveer zeven maanden aan de zijde van de rebellen in Oost-Congo vochten. Hun onderzoek waaierde onvermijdelijk uit naar de gebeurtenissen in 1964, en groeide de bejaarde mannen stilaan boven het hoofd. Gérard-Libois en Verhaegen vroegen mij het onderzoek voort te zetten en met een boek af te ronden – een vraag waar ik graag op inging. Verhaegen bestookte mij tussen 2002 en 2006 met notities, suggesties en unieke documenten, waaronder materiaal van de inlichtingendienst van het Congolese leger en van Belgische bevelvoerende officieren op het terrein. In 2007 bezorgde Verhaegen me een groot gedeelte van zijn Congoarchief, dat inmiddels is overgedragen aan het Koninklijk Museum voor Midden-Afrika. In het KMMA heb ik aanvullend ook het archief van Jules Gérard-Libois geconsulteerd. Als dit boek uiteindelijk het licht ziet, dan is dat mee dankzij de aanzet en steun van beide mannen. Een derde persoon die niet onvermeld mag blijven, is een bevoorrechte getuige en acteur van de hier besproken gebeurtenissen: de Belgische kolonel Frédéric Vandewalle. Deze opperofficier gaf tussen 1960 en 1965 op het terrein gestalte aan het Congobeleid van de Belgische regering, maar zonder zijn kritische zin en afstandelijke reflectie op te geven. Jaren later, nadat zijn Afrikaanse militaire carrière erop zat, was de kolonel op rust wat verbitterd geworden. Oud-minister Spaak had in zijn memoires (1969) niets dan lof voor Vandewalle, die van eind 1960 tot begin 1963 in het afgescheiden Katanga een belangrijke rol had gespeeld – eerst om de kaduke koperstaat overeind te helpen houden, als een wapen tegen de Congolese nationalisten in de hoofdstad; nadien, na de nederlaag van Lumumba en de zijnen, om Katanga weer in de eenheidsstaat te integreren. Maar over Vandewalles acties in 1964, toen hij op vraag van de regering leiding gaf aan de vernietiging van een opstand die Leopoldstad naar het leven stond, is Spaak karig met commentaar. De minister van Staat beperkt zich in zijn memoires tot de opmerking dat de rol van de kolonel in 1964 'aanzienlijk' was, 'en de resultaten gunstig'.
  8. Spaak heeft geen woord veil voor Vandewalles aanvalstroepen, waarvan het speerpunt bestond uit Belgische officieren, CIA-piloten en huursoldaten. Vandewalle had dan wel de ruggengraat van de opstand gebroken, maar hij kreeg achteraf niet de erkenning waar hij meende recht op te hebben. Een compagnon van Vandewalle zegt waarom: het was 'de staatsraison' die de kolonel een promotie tot generaal ontzegde.9 De minister van staat wou niet herinneren aan een operatie die internationale, vooral Afrikaanse verontwaardiging had opgewekt, wegens wreedheden waaraan mercenaires en het zwarte voetvolk in hun zog zich te buiten gingen. Er kwam een compromis uit de bus: Vandewalle werd niet tot generaal gepromoveerd, maar werd chef van de Infanterieschool van Aarlen, een functie die in een normale officierscarrière samenging met een bevordering tot generaal. Het lag evenwel niet in de aard van de kolonel om het daarbij te laten. Beslagen in het archiveren van informatie – hij had jarenlang de Sûreté coloniale geleid – waakte Vandewalle erover dat zijn versie van de geschiedenis, ondersteund door een massa unieke documenten, voor de overlevering is bewaard. Het is niet duidelijk of een zucht naar objectiviteit dan wel rancune hem dreef, maar Vandewalle durfde daarbij zijn vroegere bazen weleens in verlegenheid te brengen. Zo maakte hij in zijn imposante, dertiendelige Mille et Quatre jours (gepubliceerd in de jaren 1974 tot 1977) als eerste gewag van de intenties van de Belgische minister van Afrikaanse Zaken om premier Lumumba te vermoorden. Over de gebeurtenissen van 1964 bracht hij verslag uit in zijn boek L'Ommegang (1970) en in artikels in de tijdschriften Bulletin du CRAOCA en Tam-Tam Ommegang. Ik ben ook schatplichtig aan zijn Le Spicilège, een geordend geheel van archiefdocumenten dat in de kelders van het ministerie van Defensie is opgeslagen en waarvan een welwillende hand me een kopie bezorgde. Hoewel kolonel Vandewalle niet vrij is van een parti-pris – hij verdedigt 'zijn' huurlingen en zet de acties van zijn troepen in het zonnetje – levert hij essentieel materiaal om de gebeurtenissen te reconstrueren.

 

 

Hier rest me nog een dankwoord uit te spreken voor de mensen die me de afgelopen jaren hielpen dit onderzoek te voeren.

Ik denk dan vooral aan

  • Ides Debruyne, van het Fonds Pascal Decroos, dat het onderzoek hielp financieren;
  • aan Françoise Peemans en Alain Gérard van het Archief van de FOD Buitenlandse Zaken in Brussel; aan de archivarissen van de National Archives in Londen en hun collega's van de Lyndon B. Johnson Library in Austin (Texas);
  • aan Elio Rodriguez, ambassadeur van Cuba in Brussel, en zijn medewerkers Raúl Gonzalez en Alexis Pereira;
  • aan Jorge Risquet Valdés, lid van het Centraal Comité van de Cubaanse Communistische Partij;
  • aan kruisheer Roger Janssen, die het archief van de orde in Maaseik beheert;
  • aan Benoît Verhaegen en Jules Gérard-Libois, die me het idee voor dit boek aan de hand deden en me met advies en archiefmateriaal bijstonden;
  • aan Guido Gryseels, Edwine Simons en Lore Van De Broeck van het Koninklijk Museum voor Midden-Afrika;
  • aan Paul Huybrechts van het Archief Walter De Bock (KU Leuven);
  • aan de mensen die me nuttige documenten en tips gaven, zoals Raphaël Olela, David Gibbs, Hans Kristian Simensen, Jean Van Lierde en Erik Kennes. Voorts dank ik de mensen die tijd vrijmaakten voor interviews en informele gesprekken over de gebeurtenissen,
  • zoals de Congolezen Placide Kitungwa,
  • Onadikondo Wung'a Lomami,
  • Christophe Gbenye en Albert Kisonga Mazakala;
  • CIA-officier Lawrence 'Larry' Devlin;
  • huurling en CIA-piloot Roger Bracco;
  • de priesters van het Heilig Hart (SCJ) Jacques Steffen en Gerard Stevelink;
  • zuster van het Heilig Hart van Maria (Berlaar) Enodia (Mien) van Elten;
  • kruisheer Jan Gorissen;
  • de Belgen die in die jaren in Congo als actor of getuige aanwezig waren: Jacques Hauwaerts, Baudouin Schmidt, het echtpaar Aimé Havrez en Gabrielle Voussure, de Belgische coöperant Yves Verreydt;
  • en, ten slotte, de Cubanen Harry Villegas, Emilio Mena, Oscar Fernández Mell en Rafael Zerquera, die met Che Guevara in 1965 in Oost-Congo aan de zijde van de rebellen vochten. Zonder hun belangeloze inbreng en hulp zou dit boek nooit zijn geschreven
Ludo de witte

opsgestuurd via mail door een lezer van de website.

door Ludo De Witte Een must voor Congofielen, bestelbaar als e-boek bij Van Halewyck (geen €10).

Hieronder de inleiding, bij wijze van teazer...