Congo 1960

Zijn verleden, zijn evolutie een wereld vol herinneringen, geschiedenis en nostalgie

Congo 1960: bulletin periodique
Het Donker Hart Van Afrika Ex-kolonialen over Ex-Belgisch Congo 25 jaar na de dipenda
© Getuigenissen verzameld door de auteur Gust Verwerft
Verschenen in het tijdschrift "DE POST" in 1985, ter gelegenheid van 25 jaar onafhankelijkheid. Niets uit deze webpagina mag op enigerlei wijze worden gekopieerd of vermenigvuldigd zonder uitdrukkelijke schriftelijke toestemming van de webcreator of de auteur. Ik dank Dhr Verwerft voor zijn toelating om te publiceren op de site. Indien uzelf een verhaal heeft geschreven over 1960 als reporter of journalist aarzel niet deze te laten publiceren op de website congo-1960.be Terug naar 25 jaar na de dipenda : Getuigenissen van : Jean, Ann, Madeleine, Ernest, Jos, Jack, Gusta, Piet, Gil en Bernard, Theo, Frans, Albert, Louis, André , René, Jan

Congo-1960: Jos en Maureen een levenslustige echtpaar.

Jo De Witte

  • Luxe ? comfort ? Ik heb daar nooit elektriciteit of stromend water gehad.
  • Stelen is een begrip uit het rijke westen.
  • Zwarten stelen niet, ze nemen gewoon
  • Ik heb geleerd dat een mens eigenlijk alles kan
  • Een land in de greep van het smeergeld
  • Toch merkwaardig dat Jef Geeraerts in Kongo de seksuele paradijzen heeft gevonden waarnaar vele generaties kolonialen vruchteloos hebben gezocht

Met de tekst van het lied «Naar Wijd En Zijd» en «Vers l’Avenir» als slogan, werden in België mannen naar Kongo gelokt. De kolonie had nood aan middenstanders. Niet alleen om de consumptie op te drijven of om de inlandse ste­den en dorpen een meer Europees uitzicht te geven. Vooral planters had men nodig als colons. Mannen met handen aan hun lijf, aangeboren gezag, kennis van de landbouwtechnieken, een onverwoestbare gezondheid en een onblusbaar optimisme. Zonder deze eigen­schappen was je, als colon, tot mislukking gedoemd bij het opzetten van een plantage. Geld had men niet nodig, wél veel moed om ergens in de brousse, ver weg van de bewoonde wereld, een paar honderd hectaren woest Kongo. om te vormen tot een florissante plan­tage voor thee, koffie, katoen, enz... De meeste planters zijn aan dit titanenwerk begonnen in de jaren vijftig. De vuistregel wil dat je tenminste zes, zeven jaar nodig had om de plantages rendabel te maken. Toen de dui­zenden colons dan na die tijd, letterlijk en figuurlijk, hun oogst wilden binnenhalen, trok de allesverwoestende orkaan van de Dipenda over Kongo. Maureen en Jos De Witte uit St. Niklaas. een levenslustig echtpaar dat pas in 1964 moest toegeven dat de Kon­golese Droom definitief voorbij was. In augustus 1954 naar Kongo vertrokken. tegen het advies in van de hele familie. Jos gaf zijn vaste betrekking als postbode te Mortsel op. Als zoon uit een landbouwersgezin trokken die verre einders hem aan. maar hij vond niet meteen zijn draai. Handels- en taalcursussen gevolgd aan de zondagschool. tegelijk met landbouwkunde in het avondonderwijs. Totdat het Studiecentrum Lodewijk De Raedt hem hielp de juiste mensen te ontmoeten. en de juiste documenten in te vullen. Jos De Witte moest in 1964 alles in de steek laten en vluchtte voor zijn leven. De zwarten op zijn plantage waren zijn beste verdedigers. maar de almacht en willekeur der Lumumbisten werd te vreesaanjagend om nog te blijven. Jos De Witte treurde in België nog lang na. Méér om de verloren vrijheid. dan wel om het verloren geld. Hij werkte als chef bij twee bedrijven en was een tijdlang gerant in een koffiehuis op de Grote Markt van St. Niklaas. Sedert kort is hij met brugpensioen. «Het eerste jaar kreeg ik een opleiding in de schoolhoeve van Mushweshwe, tussen Bukavu en Goma. Twaalf maanden waarin werd verondersteld dat we alles zouden leren over de Kongolese fauna en flora, het doen en denken der zwarten, de praktische organisatie van een plantage.

De eerste zes maanden bleven onze vrouwen in België. Vrij snel ondervonden we welke kloof er bestond tussen de zwarten en de koloniale nieuwelingen. Zij begrepen niets van ons, en omgekeerd. Op een late avond trokken we met de hele troep naar het dichtst bijgelegen zwarte dorp. We hadden voor de grap allemaal witte lakens over hoofd getrokken, met de bedoeling te gaan spoken. Ons gespook wekte evenwel geen enkele lachlust op bij de zwarten. Integendeel, een onbeschrijflijke paniek ontstond die uitdeinde over de hele streek. De schooldirectie was in alle staten. Wij kregen te horen dat wij de draagwijdte van onze daden niet beseften. Inderdaad, op het appèl daagde geen enkele zwarte op. En dat duurde dagen en dagen! De dorpen leken leeg. Directeur Hendrickx is toen zélf de brousse ingetrokken om de zwarten ervan te overtuigen dat het om een grap ging. Na een week kwamen ze terug, de ene na de andere. Maar het wantrouwen is nooit meer weggeweest.

Op school leerde ik vrij snel Swahili. Daarna kregen we onze eerste opdrachten: met een groep zwarten diverse karweien uitvoeren. Wij gaven richtlijnen, zij werkten af, de directeur maakte zijn beoordeling. De eerste dagen kreeg ik lof omdat het werk zo snel vorderde. De directeur wist niet dat ik er eigen methodes op na hield. Zo liet ik de zwarten na iedere serieuze inspanning een tijdlang rusten. Totdat de directeur dit opmerkte tijdens een inspectietocht! Hij was razend van woede! Eiste dat de zwarten één uur lange!’ zouden werken om de rusttijden in te lopen. Om 5 uur liet ik hen toch naar hun dorpen vertrekken, zoals altijd. Met de directeur heb ik daarover een hoogoplopende ruzie gemaakt, maar naderhand heb ik begrepen dat hij gelijk had. Geef de zwarte een vinger. en hij neemt dadelijk een hele arm. Geef hem nooit iets gratis. want hij zal zich bedrogen voelen. Die les is mij later, op mijn plantage, altijd goed bij gebleven.»

LUXE? COMFORT? IK HEB DAAR NOOIT ELECTRICITEIT OF STROMEND WATER GEHAD

Na één jaar en een lastige eindproef, was het zo ver: met mijn vrouw en twee kinderen mocht ik vertrekken, naar het aards paradijs dat voor mij Massisi heette, in Noord-Kivu. De rivier Kihimba bevloeide deze grond, en dat was ook de naam van het territorium dat ons werd toegewezen. Honderdtwintig hectaren. Aanvankelijk kregen de planters driehonderd of vierhonderd hectaren, maar daarvan bleef te veel onbenut zodat de loten kleiner werden. Het grondgebied kon je verwerven met een bail hypothecaire. Je betaalde een jaarlijkse huursom totdat alles je eigendom was geworden. Ik zie me nog arriveren: met mijn bestelwagentje, gekocht van het geld dat de planters bij de staat konden lenen, een vracht hout om een woning te bouwen, jerrycans, een geweer, noodrantsoenen eten en een stel kampeergerief. Er was daar mets. We waren volledig op onszelf aangewezen. Een andere colon woonde tien km verder. De stad Coma was alleen te bereiken na een helse tocht langs woeste wegen over ruim honderdtwintig km, iets wat dus ruim een halve dag duurde.

2Op haar Vespa scheurde Maureen De Witte door haar plantage, tot grote verbazing van de zwarten.

Een verraderlijk moeras lag tussen de en mijn gebied. We moesten eerst door een paar honderd meter moeras waden, vol ongedierte. Het heeft jaren geduurd voor ik daar een wegeltje van boomstammen kon aanleggen. Tien jaar lang heb ik dagelijks tegen de natuur moeten vechten. Mijn territorium, dat was zuivere brousse, aan de rand van het oerwoud waar overal het matetti groeide, olifantengras dat vier meter hoog wordt en de bergflanken bedekt. Volgens de prospecteurs van de staat was deze plantage uitermate geschikt voor koffieoogsten. Thee zouden we in het dal planten. Dat werd een eerste, ernstige misrekening. In het moeras bleef vaak tot 10 uur ‘s ochtends mist hangen.

Resultaat: mijn eerste koffieoogsten waren zogoed als waardeloos! In de streek woonden niet veel zwarten, alleen een paar dorpen met Bahundi’s en Badandies. Ik heb werkvolk een capita generale en enige andere capita’s bijeengezocht, en toen ben ik de strijd begonnen tegen het moeras. Het was voor mij duidelijk: dat vervloekt moeras weg, of ik weg. Als gekken hebben we gewerkt. Maanden, eigenlijk jaren. Met een systeem van drainages, soms in de vorm van grachten van drie km lengte, heb ik dat moeras bedwongen! Mijn plantage werd een échte theetuin, een theedroom, een theeparadijs. Vooraleer het zo ver was, moesten we uiterst spaarzaam leven. De lening van 1 miljoen Fr. die de staat beginnende planters toestond, smolt met verbijsterende snelheid weg.

Investeren, altijd maar investeren. Telkens in de hoop op betere tijden. Luxe heb ik nooit gekend. Elektriciteit of stromend water was er niet. Honger hebben we nooit geleden, en kou evenmin. Je leefde als een alleenheerser in je plantage. De zwarten hadden geen moeite met die verhouding. Ze voelden zich veilig bij de blanke die zich om hen bekommerde.

Zodra het moeras overwonnen was, kon ik de theeoogsten nauwelijks bijhouden. Zo’n moeras, dat steekt vol organische stoffen en dat is een ideale meststof.

Die thee leverden we in Goma. bij prins Sapia, een Poolse edelman die daar een theefabriek bouwde. Ik had na 1960 plannen om eveneens een fabriek op te richten, maar Kongo was niet meer leefbaar.»

De zwarten woonden bij mij in een kamp, op de plantage. Zo’n tweehonderdvijftig ingeschrevenen, maar op het appèl waren ze meestal met zo’n honderdvijftig. Het absenteïsme is eigenlijk een uitvinding van de zwarten. Alle redenen waren goed om niet te moeten werken. Mij maakte dat niets uit, wie niet werkte werd niet betaald Ze hadden een dagloon.»

Nadat de koffieoogsten mislukten, en in afwachting dat mijn thee zou opbloeien, moest ik andere middelen verzinnen om geld te verdienen. Zo’n groep werkvolk kost hopen geld. Daarbij kwam dat ze ook, wettelijk, kindergeld moesten ontvangen, te betalen door de planter. Vijftien, twintig kinderen, dat was niet ongewoon. Ze vergaten nooit een geboorte te melden, maar sterfgevallen werden vaak verzwegen. Ik kon het meestal met hen op een akkoordje gooien om niet alle kinderen in te schrijven... Ik begon hout te verkopen. Hout genoeg, in Kongo. Ik vormde een ploeg zagers, met de hand. Wij verkochten planken aan de nabijgelegen dorpen. Achter de plantage. kwam een schrijnwerkerij.» Behalve thee en planken, was er voor mij de jacht. Ik weet niet of het officieel mag of mocht, maar ik heb in alle geval jaren gejaagd op groot wild. Niet op ivoor, dat moest je declareren. maar omwille van het vlees. De Kihimba was een plantage voor lekkerbekken.

koffie oogsten tijdens de kolonieHonderden blanken zijn hier in de loop der jaren gepasseerd omdat ze onze kookmanskunst kenden en waardeerden. De wil van de planter was wet, maar wel een rechtvaardige wet Jos De Witte: Wat in den beginne een griezel lijkt te zijn, kan je na een tijdje niet meer afschrikken. Wanneer ik ‘s morgens vroeg, in het duister, de vijf km moest afstappen naar de plaats waar onze bestelwagen stond, zag ik in het schijnsel van mijn lamp tientallen ogen. Meestal antilopen of nachtwild. Na een paar maanden lette ik daar niet eens meer op.» In de literatuur en in de films worden planters meestal karikaturaal voorgesteld. Het ergerlijke is dat de buitenwereld zoiets gretig gelooft. De baas die zijn zwarten ranselt, of verkracht al naar gelang. Vergeet het! Zulke fabeltjes doen elke colon pijn, want wij waren juist de toevlucht voor alle zwarten. Tientallen kleine probleempjes moesten we dagelijks voor hen oplossen. Het is merkwaardig dat, zelfs in de donkerste dagen van Kongo, het personeel van de plantages de blanken met woord en daad bleef verdedigen. Ten koste van hun leven zelfs! Ook op mijn plantage: géén Lubumbist heeft ooit de moed gehad hier zijn preken te komen houden. Mijn zwarte capita’s joegen hen weg!» «De capita had een vertrouwenspositie. Hij bleef altijd op de plantage en verving de blanke. Hij had andere capita’s onder zich. Tussen die mannen heerste bijwijlen strijd om de macht, zoals in ieder bedrijf waar , je moet bevestigen via promoties.»

Een capita die je vertrouwen niet waard is, moet je dadelijk ontslaan. Een tweede kans. dat bestaat niet in de denkwereld der zwarten. De anderen zouden je die zwakheid nooit vergeven, en je prestige is verknoeid. «Capita’s kwamen zich zélf aanbieden. Je zag dadelijk of die mannen gezag bezaten. Meestal waren het leerlingen uit de missieschool. Ze kenden een mondvol Frans, en dat verhief hen boven de anderen. Wij spraken vloeiend Swahili. Communicatiestoornissen, om een modern woord te gebruiken, bestonden dus niet.» «Wanneer in de plantage overtredingen op het arbeidsreglement werden begaan, was IK het die besliste. Dat was de wet van de brousse. Meestal gebeurde dat in de vorm van een geldboete. Bijvoorbeeld: ze hadden maar tweederde van hun werk uitgevoerd, dus werden maar tweederde van het dagloon betaald. Of een zwarte had een andere zwarte verwond, of geslagen. Dat was 20 Fr. boete. Ik hield dat af van het loon van de ene, en betaalde het aan de andere, wegens pijnen en smarten. Tot de Dipenda heb ik op die manier alles kunnen oplossen. Nadien werd het een stuk moeilijker, want in de streek predikte de Jeunesse van Patrice Lumumba openlijk de ongehoorzaamheid en de opstand. Om toch tot een rechtspraak te komen, haalde ik er de chef van het dorp bij, en mijn capita, zodat ik zogezegd de beslissingen niet had genomen...» «Na de Dipenda werd rechtspreken op een plantage gaandeweg moeilijker omdat steeds meer buitenstaanders er zich mee gingen bemoeien. Ik herinner me die dag van de Dipenda uitermate goed. Dat was vanzelfsprekend een feestdag voor de zwarten, met veel drank. Een en ander was uit de hand gelopen. Een zwarte had de vrouw van een andere tot een slippertje kunnen verleiden, waren op heterdaad betrapt. Vóór de Dipenda zou géén zwarte zoiets aan een blanke ter beoordeling hebben voorgelegd, maar nu maakte de hoorndrager amok en beweerde dat de verleider ook al zijn geld had gestolen. De affaire werd opgeklopt tot een drama van formaat. De chef van het dorp maakte er een grandioze rechtszitting van, met getuigen, aanklagers, verweerders, enz... Een hele dag heeft dat geduurd. Palaberen is het liefste wat de zwarte doet. Hij heeft immers altijd tijd genoeg. Eén hele dag hebben ze dat volgehouden. Uiteindelijk moest de ene zwarte 50 frank betalen aan de andere. Hij had eigenlijk 100 Fr. gevraagd, maar de zwarte gemeenschap vond dit te veel omdat de vrijpartij overduidelijk was gebeurd met de instemming van de overspelige vrouw.»

Ik heb geleerd dat een mens eigenlijk alles kan

Op een plantage was niets onmogelijk. Je werd verondersteld alles te kunnen oplossen. Dokters? Nee, jezelf genezen of ziekte voorkomen. Apothekers? Ja, in Goma. Tien uren rijden. Auto defect? Hij móest gerepareerd worden, anders geraakte je nooit meer weg uit de brousse. Een planter was te langen laatste iemand die een specialist was in tien beroepen tegelijk. Het woord ‘onmogelijk’ neem ik nooit meer in de mond. Waar mensen ‘Zijn, is alles mogelijk.»

«Een theeplukker, een goeie, verdiende bij mij 450 frank per maand. Ik weet het, zo’n som klinkt belachelijk, maar de zwarte kan daar vlot van leven. Je moest hem elke zaterdag een voorschot, een pocho, geven, en het saldo aan het einde van de maand. Gaf je hem alles ineens, dan had hij ‘s anderendaags geen frank meer.»

«Wij brachten uit de stad olie, maniok, enz... voor de zwarten mee. Ze konden dat bij ons krijgen tegen inkoopprijs. Later, na de Dipenda, heb ik daar wel eens spijt van gehad. De Lumumbisten stelden het voor alsof wij rijk waren geworden op de rug van de zwarten. Ik weet dat het anders was. Zonder de blanke zou de zwarte in de grootste miserie leven, zoals de geschiedenis naderhand heeft bewezen.

«Iedere zwarte werd door ons in de plantage verplicht zélf een eigen stukje akker te bewerken, zodat ze toch een beetje in eigen onderhoud konden voorzien. De vrouwen knapten dat werk op, meestal zonder veel overtuiging.» ..Ze werkten zes dagen per week. ‘s Zaterdags tot na de middag, zoals dat in België ook de gewoonte was. Ze werden uitbetaald, trokken naar het nabijgelegen dorp en feestten de hele zondag...»

«De planter moest ook de burgerlijke stand van zijn zwarten bijhouden. Het begin van de bureaucratie. Zo kreeg ik een brief met de opdracht in het werkboekje van het werkvolk, de ‘quitable de travail’, voortaan de naam van zijn vrouw, zijn leeftijd en zijn aantal kinderen in te schrijven. Het heeft dagen geduurd vooraleer die aantekeningen waren gemaakt. Leeftijd? Dat is een uitvinding van de blanken. Zwarten rekenen niet.. Samen met mijn vrouw schatte ik iedere leeftijd, en we namen daarvan het gemiddelde...»

Het waren allemaal echt grote kinderen. Ik beweer niet dat ik de zwarten door en door ken, maar ik blijf erbij: het zijn sympathieke mensen. Ik kon er nooit kwaad op blijven. »

«Diefstallen? Och, eigenlijk alleen maar kruimeldiefstallen. De zwarte had niet écht de bedoeling om te stelen. Dat is ook weer zo’n begrip uit het rijke westen.Zwarten stelen niet, ze nemen gewoon.

«Op een dag was er uit mijn bestelwagen bier gestolen. Omwille van dat moeras, stond dat voertuig kilometers weg van mijn woning die, nota bene, volledig in hout was. Ik wilde achterhalen wie had gestolen, want je mag tegenover een zwarte nooit iets door de vingers zien. Ik vermoedde wie de schuldige was, maar hij verweerde zich met het merkwaardige argument dat hij geen leeggoed kan tonen omdat hij de flessen had opgegeten. Hij beweerde dat met een serieus gezicht. Nee, bwana, ik heb de flessen opgegeten. Om hem te laten zien dat ik wist dat hij loog verplichtte ik hem een andere fles op te eten. «Nee, bwana, dat gaat niet, want deze fles is veel harder dan die andere flessen. En, zoals de meeste incidenten in Kongo, eindigde alles met een schaterlach.

«Nee, volgens de zwarte is dat niet ‘stelen’. Hij wil gewoon eens tonen dat hij slimmer is geweest dan de blanke. Dat is alles. Het lukt zelden, maar als hij het een keer heeft gehaald, zal hij blijven proberen.» «Fantastische kerels. Jammer dat ze zo misleid zijn en dat valse profeten hen zoveel kwaadheid hebben ingefluisterd.»

«Wij hadden natuurlijk ook een voetbalploeg. Een plantageploeg. De ene plantage tegen de andere. ‘s Zondags. De zwarten speelden, de blanken deden alsof ze stonden te kijken. Daarna een lekker etentje. en de zondag was weer hemels geweest. Op de een of andere manier, in het zicht van de Onafhankelijkheid, moet men de zwarten hebben wijsgemaakt dat zij in feite voetbal speelden voor het plezier van de blanken en dat zij, in ruil, premies moesten vragen. Dat schokte ons, danig. Het was het begin van het einde van de plantageploegen die toch een tiental jaren de hele provincie veel vermaak hadden bezorgd. Die voetbalvelden verdwenen. Tenniscourts kwamen in de plaats.»

“Minister Van Hemelrijck was volledig fout toen hij zei dat je familiair met de zwarten moet omgaan. Als je dat doet verlies je alle krediet en respect van hen hen.”

De plantage tijdens de belgische kolonie «In tegenstelling tot wat Minister Van Hemelrijck voorhield, mag je met een zwarte nooit familiair omgaan. Doe dat nooit, hou afstand, want je zult geen dank krijgen. Tijdens de Ronde Tafelconferenties in Brussel hebben ze met de ‘platte-broodjes­bakken’ bij de zwarten, ook een averechts effect bereikt» «Tijdens de voetbalwedstrijden voelden we de voortekens van wat Kongo zou gaan worden. Meestal stond er een tribunetje, in hout.Eigenlijk was dat voorbehouden aan de blanken, doorgaans de vrouwen die liever niet in het gras zaten. Dat was zo’n gewoonte waar je niet bij stilstond. Nooit zou een zwarte daar gaan zitten.

En toen, die keer, zat de hele tribune vol zwarten. Eén van colons had de ongelukkige reactie daarover met de zwarten een discussie te beginnen. Zwarten in groep zijn onhandelbaar. Het ene woord bracht het andere mee. Wie toen goede oren had, kon weten hoe de ‘finale’ zou verlopen.» «Op mijn plantage is de Dipenda de grootste ontgoocheling voor de zwarten geworden. De hele dag gefeest, en ‘s anderendaags zou alles hen toebehoren. De blanke zou weg zijn, en zij zouden in zijn huis wonen. Niemand die eraan dacht dat ze toch niet met vijfhonderd in mijn huis konden wonen.

‘s Anderendaags zagen ze dat de blanke er nog steeds was, en nog één dag later, was het tot hen doorgedrongen dat ze opnieuw zouden moeten gaan werken, wilden ze niet van honger sterven. De capita ‘s waren slim genoeg om de waarheid te beseffen, maar ze verloren hun greep op de anderen. »

«Het enige verschil voor de zwarten was dat zij vóór de Dipenda makkelijk alles konden kopen, en dat er enkele dagen na de Dipenda nergens nog iets verkrijgbaar was. De corruptie deed het distributiesysteem’ ineenstorten. De zwarte moest bijgevolg zelfs voor de kleinste aankopen terecht bij de blanken die meestal een voorraadje bezaten. De zwarte legt nooit voorraden aan. Hij leeft van de ene dag in de andere...

«Vaak stonden de Kongolezen mij op te wachten om geld te lenen. Een voorschot op datgene wat ze later hoopten te verdienen. «S’il vous plaît. patron, s’il vous plaît». De reden van de paniek hoefde ik niet eens te vragen. De zwarte man kocht bij zijn schoonvader een zwarte vrouw zoals men hier bij ons een auto koopt: op afbetaling. Betaalbaar bij aflevering aan de vader, eigenaar van het meisje. Zo stonden dan, meer dan mij lief was, scheldende schoonvaders op de plantage om de achterstallige betalingen op te eisen. Werd hij niet betaald, dan nam hij eenvoudig zijn dochter. en haar kinderen, terug mee naar zijn stam...»

De plantages zijn zowat het laatste stukje Belgisch grondgebied’ gebleven in Kongo. Terwijl de territoriale agenten, staatsambtenaren, militairen, tewerkgestelden in privé bedrijven, enz... opnieuw in België waren, bleven de planters meestal koppig op hun barza. De Dipenda was hier ongemerkt voorbijgegaan, en ze leefden in de beste verstand houding met hun zwarten. Bovendien boden de oogsten uitzicht op fabelachtige winsten, na vaak vele jaren van labeur.

Zodra ook de plantages in de greep geraakten van de zwarte terreur, stortte het postkoloniaal Kongo in.

Jos De Witte: «In koloniaal Kongo bestond geen smeergeld of corruptie. Maar met de Dipenda begon het tijdperk van de matabich. De zwarte administratie functioneerde vrijwel uitsluitend na betaling van steekpenningen. Een document waarvoor je vroeger 30 Fr. betaalde, kostte officieel nog altijd 30 Fr. maar de zwarten zetten alleen stempels als je hen het tien­voudige toestopte. Politieagenten verrichtten de hele dag willekeu­rige aanhoudingen of controles die met een matabich konden worden afgekocht. De eerste blanken die, niets vermoedend. weigerden te betalen. bekochten deze houding meestal met de dood. Verscheidene vrienden werden om die reden afgeslacht.

Zodra de zwarten hadden aangevoeld dat angst de blanke heerschappij had uitgehold. stond er geen maat meer op hun schrokkigheid. Dit alles gebeurde onder aanmoediging van de Lumum­bisten die de zwarten hadden aangepraat dat die matabich hun RECHT was, omwille van de zoge­heten uitbuiting van de blanken, destijds. Zo lag, en ligt wellicht nog altijd Kongo in de greep van de matabich. Soldaten, muitend of niet, en zwarte politiemannen. waren de kampioenen van het smeergeld.

Rond de plantages begon een sfeer van afpersing te heersen. Politiemannen. échte of valse, hielden geregeld mijn zwarte werkers tegen en namen hun werk­boekje af. Ze konden die terugkrij­gen, tegen betaling van 200 Fr.. zeg maar het loon van een halve maand. Voortdurend stonden zwar­ten bij mij om een deli, een lening eigenlijk. ‘Onveranderlijk luidde het dan: ‘Kan ik 200 Fr. lenen, want ik ben mijn kitabia kodi, mijn werk­boekje kwijt?’. Omdat ik écht niet wist, hoe ik op zo’n situatie moest reageren,stond ik die leningen tel­kens toe, wetend dat mijn zwarten zoiets toch nooit zouden kunnen terugbetalen. Maar het ging van kwaad naar erger. Op een avond hadden zowat alle werkmannen tegelijk hun boekje moeten afge­ven. Ik voelde dat de zwarten van mij nu een fors optreden verwacht­ten. Als ik NU niet ingreep, was ik voorgoed mijn gezag kwijt. De capita vertelde me dat de politie­mannen bij Mukurutu zaten. Het was een keet waar ze zich bezatten en hennep rookten. Samen met mijn capita reed ik naar dat soortement bordeel, trapte de deur open, en stapte recht naar de twee agenten. De ene zat met een paar werkboekjes in zijn handen, de andere met een bundel bankbiljetten. Zonder één woord te zeggen pak ik én de boek­jes én al het geld mee, ik pareer een aanval. blaf hen af, en rij opnieuw naar de plantage waar ik de zwarten hun boekjes én hun geld terug gaf.  Een sterk nummer om het prestige te vermeerderen, maar een halfuur later drong het tot mij door dat ik met mijn leven had gespeeld. Nochtans, eens te meer was bewezen dat de zwarte respect betoont voor kordaatheid. Hoewel ik altijd heb gevreesd dat er wraak zou worden genomen, heb ik van die affaire niets meer gehoord, en nooit heb ik die zwarte agenten nog weergezien. Maar heel Kongo was aangetast door het gif van de opstand. In 1960 en begin 1961 geloofde ik nog dat wij op de plantages zouden overeind blijven omdat de hele streek ons steunde. Maar het kwaad zat te diep.

VETVRETEN

«Als ze in België iets over plantages horen, denken de mensen vaak aan film, zoals ‘Gejaagd door de Wind’. Schitterende witte paleizen, waarin de planters zich vet vreten. Of aan het boek over ‘De Negerhut van Oom Tom’, met verhalen over ranselingen en zwarte miserie. De Kongolese werkelijkheid was heel anders. Ik herhaal, elektriciteit of stromend water heb ik daar nooit gekend. Mijn huis was van hout. En de zeven plagen van Egypte bleef geen planter bespaard. Slangen, mieren, wilde dieren en finaal de Lumumbisten.

Mieren. Rode mieren. Dat was een gesel. Zo’n colonne was opper­machtig. Miljoenen? Nee, ik geloof honderden miljoenen. Door niets of niemand tegen te houden. Zelfs door geen rivier, en geen vuur. Ik heb dat eens geprobeerd, maar ze gooien zich zo massaal op het vuur dat het uitdooft door zuurstofge­brek. Daarover had ik nooit iets geleerd op de hoeveschool, waar ik mijn opleiding kreeg. Als ze op komst waren. kon je alleen wachten totdat ze waren voorbijgetrokken. Ze kwamen langs de voordeur binnen, en marcheerden langs de achterdeur weer de brousse in. Naderhand hebben we geleerd dat je ze met petroleumgeur kon wegjagen. De colonne veranderde in dat geval van richting. In de natuur zie je één wilde vlucht voor de mieren: wormen, sprinkhanen, kevers, hagedissen, kameleons, konden aan de mieren niet ontsnappen. Dat was één grote opruimbeurt. Mijn zoontje André, toen drie jaar oud, is ooit in zo’n colonne mieren terecht gekomen. Binnen de halve minuut waren ze met duizenden tot aan zijn middel opgeklommen. We hebben hem kunnen wegsleuren, de mieren met petroleum op zijn lichaam laten sterven. Daarna, één na één, de lijken van die griezels verwijderen want, stervend, bijten ze zich vast in hun slachtoffer.

Mijn zoontje is ook door een groene slang gebeten. Plots, een wild gekrijs onder de  bananen-bomen, ach­ter ons huis. In het Swahili stond hij te huilen: ‘Een slang, een slang’. Zijn beet was al opgezwollen. Ik sneed dadelijk zijn teen open, tot­dat de zwelling begon af te nemen. Hij was gered. Alsof het jongetje niet voldoende pech heeft gekend, is hij op het Kivumeer uit een bootje gevallen. Toen ik hem ophaalde, dachten we dat hij dood was. Vandaag is dat trauma bij hem nog altijd niet weg.Ik vertel dat om aan te tonen dat wij daar bijlange niet in de luxe leefden. De laatste jaren begonnen we geld te verdienen, maar toen leefden we alle dagen met de angst voor de dood. Naderhand beschouwd, hebben we daar ons leven op het spel gezet door zo lang te blijven.»

 

Slangen? Ik heb er mijn deel van gehad, zoals ten andere de meeste blanken. Merkwaardig dat een zwarte makkelijker kan leven met de gedachte aan de aanwezigheid van slangen. De blanke zit met één of ander oertrauma terzake. Tijdens het eerste jaar dat ik de plantage bouwde, is mij hetzelfde overkomen als wat Gil Smeets vertelde. Ik vind een grote, prachtige slang en ik gaf mijn boy de opdracht het vel op de barza te drogen te hangen. ‘Pas op’, waarschuwde hij! ‘de andere slang zal haar komen zoeken!’, Ik wuifde die opmerking weg. ‘Die zwartes altijd met hun praatjes.’ Maar, twee uur later wist ik beter! Ineens, komt een identiek exemplaar mijn huis binnengeslopen. Een geluk dat wij een cementen vloer hadden, zodat het slangenlijf begon weg te slippen, en onze aandacht trok. Wij springen op een stoel, ik grijp mijn geweer, maar het monster was weer buiten geglipt, en onvindbaar.

In onze theestruiken zaten veel slangen. Meestal groene, de gevaarlijkste. Als ik struiken zag die de zwarten niet hadden geplukt, wist ik dat daarin een slang zat.

De kihimbaVlak voor mijn plantage liep een rivier, de Kihimba.Na jaren had ik daarover een brug gelegd. Het moet zijn dat zich hier een ideale broeiplaats voor slangen bevond, want die brug lag altijd vol serpen­ten. Ze lagen, bij voorkeur, in de zon te slapen, opgerold tot een bol­letje. Om die pest uit te roeien, beloofde ik het personeel de premie van één dag loon als ze me een dode slang brachten. Sommigen begonnen zich daarin te specialise­ren, maar niet met de bedoeling geld te verdienen. Nee, zo denkt een zwarte niet. Als hij een slang bracht, en ik betaalde één dag loon, volstond dat voor hem om dezelfde dag niet te werken.»

 

ZWARTE HORDEN

Jos De Witte: «Als je zes jaar dag en nacht werkt om iets te bereiken, dan stap je niet zo maar op tijdens het zevende jaar op het moment dat de investeringen eindelijk beginnen renderen. De eerste zeven jaren zijn we niet eens naar België gekomen. Geen tijd en geen geld. Het zevende jaar namen we voor de eerste keer vakantie. Het was toen al 1961, en we hadden begrepen dat we onze huid riskeerden in Kongo. De kinderen lieten we in België achter, in een internaat. Tot de definitieve vlucht in 1964 pen­delden we de hele tijd tussen Brussel en Leopoldstad, telkens aange­lokt door de hoge winsten die de plantage begon op te leveren, maar evenzeer afgeschrikt door de zwarte terreur. De steden waren slechts door één smalle weg met de plantages verbonden. Ontsnappen aan de zwarte horden was onmoge­lijk. Ze versperden de weg, je kon niet anders dan stoppen, en je aan hen overleveren. Het is in die periode dat ik een dagboek heb geschreven en tientallen brieven heb verstuurd naar mijn schoon­zuster waarin ik mijn gevoelens de vrije loop liet. Als ik zoiets, jaren later, herlees besef ik met hoeveel wonden ik destijds heb rondgelo­pen. Hoe gek wij eigenlijk waren om daar te blijven! Maar ik was niet alleen. Het land was als een paradijs: Eén jaar Kongo was tien jaar België waard.

Géén van MIJN zwarten heeft mij ooit bedrogen, of bedreigd. Dat is mijn grote voldoening. Ik geloof dat alle planters in de beste verstand­houding leefden met de zwarten. Waarom moest dit worden vernietigd?

Wij hadden een radio, op batterijen. Dagelijks luisterden we naar Radio Leopoldstad, of Radio Usumbura. In geuren en kleuren werd daar beschreven welke haarden van opstand weer waren uitgebroken, en welke militaire taal deze of gene zwarte had ge­sproken. Het was schrikwekkend en ik vraag mij af of in die periode niet aan journalistieke overdrijving werd gedaan? Met alle gevolgen van dien. Niet vergeten dat de zwarten, laat ze me de ‘slechte zwarten’ noemen, in vergelijking met de ‘goede zwarten’, eveneens deze berichten hoorden!

De ONU had hele stammen Tutsi’s overgebracht naar Kivu omdat ze werden uitgemoord door de Hutsi’s. Ik heb ook zo’n dertigtal zwarten op mijn plantage aangenomen. Toen ik terugkwam van een vakantie in België waren ze uitgemoord. Ik heb nooit kunnen achterhalen wat er precies is gebeurd.

Bij rellen waren de missies meestal de eerste slachtoffers. Dat komt omdat de paters en de zusters zich miskeken op een oude zwartewijsheid: geef nooit iets kosteloos, want het zal niet worden gewaardeerd. Integendeel, het zal zich tegen je keren. De missies deden niets anders dan uitdelen. Dat maakte hen bij de zwarten verdacht. Bij ons, op de plantage, bestond het begrip ‘kosteloos’ niet. Lege blikken van conserven, of dozen: ik bood het de zwarten aan, in ruil voor zoveel eieren of ander “’, eetbaars, naargelang de grootte”” van de doos. Geef hen een doos gratis, en ze staan je te bekijken, alsof je hen hebt willen bedriegen. Het is voor hen een eer in de stam te kunnen vertellen dat zij van de blanke iets hebben GEKOCHT....

De ONU deelde destijds melkpoeder uit in Kongo. Grote dozen. Maar de zwarten stonden daags nadien reeds bij mij met de vraag ‘Bwana. wat geef je hier voor?’. Zij kregen de melkpoeder kosteloos voor hun vrouwen kinderen, maar ze kwamen het voor een paar frankskens aan ons verkopen. Vandaag zie ik dat soort goedbedoelde hulpacties nog altijd wordt voorgezet.

Indien ze iets van een blanke kochten, en ze hadden kunnen afbieden, dan was dat voor hen als een overwinning die alom moest worden rondverteld.

Wie dat allemaal weet beseft ook hoe waanzinnig het er is toegegaan tijdens die Rondetafelconferenties. Naderhand hebben mijn capita’s me nog brieven gestuurd in België, met pijnlijke verhalen over het verval van de plantage, hongersnood, massale sterfte, terreur. In naam van een hele streek smeekten ze ons, blanken, terug te keren. Ik ben daar veel te lang gebleven, maar je neemt niet zo makkelijk definitief afscheid, De productie bleef dezelfde, maar de afzet werd moeilijker, door de terreur op de wegen, en het ontbreken van materiaal. Toch gaf ik de hoop niet op: ik had stenen gereed liggen om, na tien jaar, een huis van steen te bou­wen, en een eigen fabriek op te richten. Helaas... Van 1961 af heerste in Kongo de chaos. Vroeger mocht ik onbeperkt geld naar België sturen. Nu werden de rekeningen geblokkeerd en voortdurend zaten de banken zonder geld omdat ze waren beroofd.

Telkens ik naar België vertrok, vond ik een andere blanke om tijdelijk de leiding van mijn plantage over te nemen. In die periode maakte ik nooit winst. Integendeel. VERMINKTE PARA

De gebeurtenissen volgden elkaar in steeds doller tempo op. Moorden op blanken werden legio. De zwarten voelden dat dit straffeloos kon gebeuren. Ook voor Jos De Witte, één der laatste planters die volhielden, werd de grond te heet onder de voeten.

Goma lag op Kongolees grondgebied, en was een vluchtpunt voor honderden blanken. Een paar km verderop lag Gisenye, maar dan wel op het grondgebied van het Rwanda-Burundi dat toen Belgisch protectoraat was gebleven. Iedere keer dat er opstanden uitbraken, of moordbenden op stap waren, betekende dit een massale vlucht van blanken van Goma naar Gisenye. Mijn vrouw woonde daar trouwens geruime tijd, met de kin­deren, omdat het in Kivu te gevaarlijk was. Ik woonde ginds ook geregeld, maar iedere keer trok ik terug naar de plantage, om te redden wat kon worden gered.

Zekere dag rij ik naar Goma, naar de bank, om 50.000 Fr. af te halen om mijn werkvolk te kunnen beta­len. Ik werd uitbetaald in wissel­geld, een zak vol! Ik had nauwelijks de bank verlaten, of ik werd in mijn VW-kever staande gehouden door een zwarte politiemacht. Onder­vraging, pesterijen. Het gebruike­lijk scenario dat prompt een happy end krijgt als je een matabich betaalt. Maar ze vonden die zak met geld. Geen groot bedrag, maar zwarten kunnen niet tellen en ze vermoedden dat ik een fortuin wilde oversmokkelen. Ik moest mee naar het camp militaire. Ik begreep dat dit mijn dood kon worden. Als bij wonder merkte een UNO patrouille ons op. Indonesiërs, correcte mensen die bovendien Nederlands begrepen en wellicht daarom partij voor ons kozen. Ze wilden mij meenemen naar HUN kamp. Ruzie, één uur lang. Uiteindelijk gaven de UNO soldaten toe, maar ze zouden me wél vergezellen om te verhinderen dat ik onderweg werd afgemaakt, zoals tientallen andere blanken was overkomen. De stoet vertrok. Ik in mijn VW-kever, met een zwarte naast mij, geweer in aanslag. Daarachter de zwarten vervolgens de UNO-macht. Het kamp van de UNO en de zwarte ANC lagen in dezelfde straat. Op een paar honderd meter van het zwarte kamp, gaf ik plankgas, met de bedoeling het UNO kamp binnen te rijden, uit de klauwen der zwar­ten. Het lukte niet, want hun auto was sneller dan de mijne, en ze reden me klem.

Opnieuw fel geruzie en dreigementen tussen zwarten en UNO. Ik was maar vijftig meter verwijderd van het UNO-kamp en ik begon plots te lopen, recht het domein der blauwhelmen binnen. Hier was ik gered, voorlopig.

‘s Nachts werd een vergelijk gevonden. Zowel de UNO als de ANC zouden me vergezellen naar de plantage, 150 km verderop, om na te trekken of dat geld inderdaad bestemd was voor mijn werkvolk. ‘s Anderendaags vertrok opnieuw die lachwekkende stoet: ik, in een Volkswagentje, met daarachter vrachtwagens, vol soldaten van de ANC en de UNO.

Een hele colonne die op deze wegen een volle dag nodig had voor de heen- en terugreis.

Naderhand heb ik de bevelvoerende officier van de UNO mijn geweer cadeau gedaan uit waardering voor zijn optreden. Ik schreef het in mijn dagboek: voor de bevrijding uit de handen van de Lumumbisten, voor luitenant Tom Harisman, 4 februari 1961.

Rwanda en Burundi zouden ook onafhankelijk worden. Voor de blanken bestond er bijgevolg geen vluchtweg meer. Dat moest het einde worden.

Om toch over de grens naar Gisenye te geraken. poogden we wel eens door de brousse te trekken, en dan het Kivumeer over te steken. In die periode bleef ik, omdat overal zwarten patrouilleerden, eens dagenlang onderweg juist toen de para Renard vermoord werd, de enige militair die in Rwanda, officieel, om het leven kwam. Naar vaste gewoonte bij de zwarten, was zijn lijk naakt en onherkenbaar verminkt. Wat niet verminkt is, is niet dood, volgens de zwarten. Niemand geloofde dat de zwarten een Belgische para­commando zouden hebben mee ge­sleept naar de brousse om af te maken, dus dacht men dat ik, Jos De Witte, broussard op de vlucht, in hun handen was gevallen. Wekenlang liep het gerucht dat ik was vermoord.

De allerlaatste keer dat ik door zwarten werd aangehouden, stond mijn besluit vast dat ik GEEN SECONDE LANGER DAN NODIG in Kongo zou blijven. Tijdens een tocht naar Goma, alweer om geld te halen om mijn zwarten te betalen. stond een versperring op de weg. De zoveelste. Ik toeter. Niemand te zien. Ik stap uit, open de barrage, maar plots springen zwarten uit de struiken. Ze pakken me vast, bedreigen me met een machinepistool. Mijn vrouw had de reflex de auto te sluiten, en onbeweeglijk te blijven zitten terwijl ik werd overgebracht naar een jite, een broussehuis, waar een commissaris met zijn politiemannen zich zaten te bezuipen. Ik moest me laten uitschelden. ‘Vijfhonderd Fr. amende’, zei hij. ‘Goed. ik zal betalen, mag ik van U een ontvangstbewijs?’ Nieuwe scheldpartijen en dreigementen. Ik dacht aan drie andere planters die kortgeleden aan stukken waren gehakt en in de rivier geworpen. ‘Vijfduizend Fr. amende’, zei hij plots. Om mijn leven te redden, begon ik hem te vleien, en hen naar de mond te praten. Het was mijn laatste verweermiddel, denkend aan mijn vrouw die, weerloos, in de auto zat. Ze verplichtten me bier te drinken uit smerige glazen. Op de verbroedering. Uiteindelijk mocht ik vertrekken, na uitdeling van de matabich. Ik zag dat ze mijn vrouw met rust hadden gelaten, maar dat ze de auto zwaar hadden beschadigd. Ik startte de motor, gaf plankgas en met de krop in de keel zei ik tegen mijn vrouw: ‘Dat is het einde. Niets kan ons hier nog houden.’.

Op de plantage heb ik al mijn werkvolk bijeen geroepen en ik heb vechtend tegen de emoties, verteld dat ik vertrok. Ik spoorde hen aan de grond verder te blijven bewerken.

Ik vertrok, met achterlating van al mijn materiaal, al mijn bezittingen. Huis, garage, schrijnwerkerij. Veel later heb ik bons gekregen van het Belgisch-Kongolees Fonds. Waardeloos eigenlijk. Een klein procentje kon ik recupereren. Pas op, ik verwijt niemand iets. Ik zou die jaren niet willen inruilen. We zijn naar daar vertrokken op eigen risico en op eigen initiatief. We hoeven dus naderhand niemand lastig te vallen om schadevergoeding. Ondanks alles, beweer ik vandaag nog altijd: het is de mooiste periode uit mijn leven geweest...

 

© 2002 Gust Verwerft - Congo-1960

SiteLock
share this - partager le site - deel dit document

About Us | Contact | Privacy | Copyright | Agenda  
Ook op het internet gelden de auteursrechten. Werken die auteursrechtelijk beschermd zijn, zoals tekeningen, foto's, muziek, film en software, mag u niet verspreiden via het internet zonder de uitdrukkelijke toestemming van de auteur. Delcol Martine