De strijd om het Nederlands in Belgisch-Congo

Een symbooldossier uit de jaren vijftig

Logo Congo-1960

De zaak van Rechter Grootaert en de strijd om het Nederlands in Belgisch-Congo

Auteur : Bert Govaerts (°1952)

Bert studeerde Germaanse filologie aan de Universiteit Antwerpen. Van 1992 tot 1997 was hij redacteur van Boulevard, het historische tv-magazine van de VRT en van 1997 tot 2002 was hij eindredacteur van het Canvas-programma Histories.

In 1908 verwierf België de souvereiniteit over de voormalige Congo Vrijstaat, die particulier bezit van koning Leopold II was geweest. De nieuwe kolonie kreeg een soort grondwet, het Koloniale Charter. Artikel 3 daarvan bepaalde dat er in Belgisch-Congo taalvrijheid heerste, maar ook dat de Belgen er dezelfde taalrechten en -bescherming zouden genieten als in het moederland. Uiterlijk tegen 1913 moesten speciale decreten de taalregeling in rechtszaken en in de administratie vastleggen. Die afspraak werd niet gehonoreerd. De decreten kwamen er niet en de kolonie werd in de praktijk exclusief Franstalig.

Een klein aantal Vlaamse koloniale ambtenaren verzette zich daar tegen en boekte ook beperkte successen, op plaatselijk niveau. Een doorbraak kwam er pas in de nadagen van de kolonie, toen een Vlaams magistraat, Jozef Grootaert, het recht opeiste om in het Nederlands te vonnissen. Pas na een lang en bitter gevecht, uitgevochten tot op regeringsniveau en mee gekleurd door allerlei persoonlijke motieven, werd uiteindelijk in 1956, meer dan veertig jaar later dan afgesproken, een decreet over het gebruik van de talen bij het koloniale gerecht goedgekeurd.

Over een decreet i.v.m. bestuurzaken raakte men het niet meer eens voor de onafhankelijkheid van de kolonie in 1960. In het onafhankelijke Congo was er voor het Nederlands geen (officiële) plaats.

The Case of Judge Grootaert and the struggle for Dutch in the Belgian Congo In 1908 Belgium acquired the s¨
overeignty over the former Congo Free State, which had been the private property of king Leopold II. The new colony was granted a kind of constitution, the Colonial Charter. Article 3 of this charter provided not only that there would be freedom of language in the Belgian Congo, but also that the Belgians in that country would enjoy the same rights and protection of their language as they had in their motherland. The language regulation for court cases and the administration was to be laid down in special decrees by 1913 at the latest. That agreement was not honoured. The decrees failed to be drawn up and in practice the colony became exclusively French speaking. A small number of Flemish colonial officials resisted against this situation and in fact obtained some limited successes on a local level. A breakthrough finally occurred in the latter years of the colony, when a Flemish magistrate, Jozef Grootaert claimed the right to pronounce judgement in Dutch. Only after a long and bitter struggle that was fought out until the bitter end on a governmental level and that was also characterized by all kinds of personal motives, a decree about the use of languages at the colonial court was finally approved in 1956, more than forty years after it had been agreed. It proved to be no longer possible to reach agreement about a decree concerning administrative matters before the independence of the colony in 1960. In the independent Congo Republic no (official) role was reserved for Dutch.

 

Op 28 november 1907 sloten de Etat Indépendant du Congo en het koninkrijk België een verdrag waarbij Leopold ii de soevereiniteit over zijn Afrikaanse bezittingen afstond aan de Belgische staat. De 'Congostaat' zou een kolonie worden. Pas een jaar later, op 15 november 1908, was de overdracht helemaal rond.

"Het Belgische Congoland" moest een "eigen persoonlijkheid" krijgen, "onderscheiden van die van het moederland" . Het parlement in Brussel hield lange debatten over een soort Congolese grondwet, het Koloniale Charter ( ook wel Koloniale Keure genoemd). De Vlaamse beweging was in 1908 al sterk genoeg om daar haar stempel op te drukken. Artikel 3 van het charter bepaalde uitdrukkelijk dat er in de kolonie taalvrijheid heerste, maar ook dat het gebruik der talen "(...) wordt geregeld door decreten, zoodanig dat de rechten der Belgen en Congoleezen zijn gewaarborgd (...).

Op dat gebied genieten de Belgen, in Congoland, eene gelijke bescherming als die in hun land verzekerd is. Met dat doel worden decreten, uiterlijk binnen vijf jaren na de afkondiging van deze wet uitgevaardigd. (...)" 1

Volgens de letter van de wet waren alle verworvenheden van de Vlaamse beweging van toepassing in de kolonie, maar in de praktijk was de bestuurstaal het Frans en alleen het Frans.

Een klein aantal Vlaamse ambtenaren verzette zich daartegen en dwong in 1939 de principiële erkenning af van het recht om het Nederlands te gebruiken in hun ambtelijke correspondentie. Maar daar bleef het bij.

Na de Tweede Wereldoorlog werd de Vlaamse druk op de kolonie sterker. De roep om eindelijk de sinds 1908 beloofde decreten uit te vaardigen, werd alsmaar luider.

Het eerste (en enige) koloniale taaldecreet (over het gebruik der talen in het gerecht) zou uiteindelijk pas in 1957 worden goedgekeurd, liefst vierenveertig jaar later dan afgesproken.

Het kwam tot stand na een jaren aanslepende 'affaire', die grote ruchtbaarheid kreeg: de zaak van rechter Grootaert. Jozef Grootaert (1913-1989) liet op 9 januari 1952 in Elisabethstad, hoofdstad van de provincie Katanga, als rechter van de rechtbank van eerste aanleg een proces volledig in het Nederlands verlopen.

Daarna velde hij ook het vonnis in die taal. Volgens de Nieuwe Encyclopedie van de Vlaamse Beweging kostte hem dat bijna zijn baan: "Het Hof van Beroep van Elisabethstad stelde de minister van Koloniën, Auguste Buisseret, (...) voor de magistraat ambtshalve te ontslaan." 2 Op het hoogtepunt van de 'Zaak Grootaert', in de zomer van 1956, schreef René Victor in zijn Rechtskundig Weekblad : "Dat zoiets thans nog mogelijk is (...) al gebeurt het dan ook in Congo, moet tenslotte elk Vlaming met verstomming slaan en een krachtdadig verzet is geboden." 3

De affaire Grootaert groeide tussen 1952 en 1956 uit tot een symbooldossier voor de opnieuw aanzwellende Vlaamse beweging en liberale, christendemocratische en socialis tische politici spanden zich in voor de zaak van de rechter.

Lode Craeybeckx, de burgemeester van Antwerpen, vond het "niet ongepast" om over een "nieuwe zaak Dreyfus" 4 te spreken . De Standaard meende "dat de gehele Vlaamse bevolking in rechter Grootaert werd getroffen".

In het najaar van 1956 noemde minister Buisseret het dossier Grootaert een van de drie meest brandende agendapunten van het koloniale beleid. De zaak werd uiteindelijk ook beslecht op het hoge niveau van de kabinetsraad van de regering Van Acker iv (1954-1958). Maar wat stond er precies op het spel in dit drama?

Nederlands in de koloniale school

Jozef Grootaert behoorde in 1938 tot de tweede 'Vlaamse' lichting van de Koloniale School in Brussel. Die instelling vormde één van de twee grote poorten die toegang verleenden tot een carrière in het bestuur van Belgisch-Congo. De tweede poort was de Koloniale Hogeschool in Antwerpen. Brussel bood een soort stoomcursus aan die maar één academiejaar duurde en die in de eerste plaats bedoeld was voor wie al een universitair basisdiploma had behaald. De meeste afgestudeerden van de hogere afdeling gingen aan de slag als assistent-gewestbeheerders. Onder hen waren er ook talrijke juristen, voor wie de gewestdienst de opstap naar de koloniale magistratuur was.

Antwerpen had een echte koloniale hogeschool, met een meerjarige opleiding en een lagere drempel.

Tot in 1936 werden de colleges in de Koloniale School exclusief in het Frans gegeven.

Maar in 1935 was de portefeuille 'Koloniën' toegewezen aan een politicus met een uitgesproken Vlaams profiel: de christendemocraat Edmond Rubbens (1894-1938). Volksvertegenwoordigers van het Vlaams Nationaal Verbond legden de nieuwe minister van Koloniën in het parlement meteen het vuur aan de schenen.

Ze vroegen wat hij zou ondernemen om het Franstalige bastion dat de kolonie was, te slopen.

Ze stelden zelf in alle ernst voor om het territorialiteitsbeginsel ook in Congo toe te passen en de kolonie op te delen in Vlaamse en Franstalige provincies. 6

Dat wees Rubbens af, maar hij kondigde wel een reeks kleinere maatregelen aan, zoals de oprichting van een Nederlandse afdeling in de Koloniale School. Dat zag hij als een logisch verlengstuk van het pas vervlaamste onderwijs. Zijn voornemen lokte meteen een reactie uit binnen het Ministerie van Koloniën. Directeur-generaal Michel Halewyck de Heusch probeerde in een nota de minister op andere ideeën te brengen.

Zijn tekst is een merkwaardig document, omdat er een Franstalige in aan het woord is die vurig pleit voor algemene tweetaligheid: "(...) om voldoening te geven aan de betrachtingen van de twee belangrijkste groepen binnen de moederlandse bevolking, is er voor de administratie maar een regime mogelijk, dat van de tweetaligheid, dat van elke ambtenaar zowel de kennis van het Frans als van het Vlaams eist. Het werk van het koloniale onderwijs moet er dus in bestaan om dat tweetalige regime voor te bereiden en zo snel mogelijk in de praktijk te brengen." 7

Maar Rubbens zette zijn zin door en in oktober 1936 werd een aparte Nederlandstalige afdeling geopend. Een jaar later meldde Jozef Grootaert zich als kandidaat-student. Hij bezat op dat ogenblik al drie universitaire diploma's. Grootaert had aan de pas vervlaamste universiteit van Gent rechten én notariaat én bestuurswetenschappen gestudeerd. In Brussel slaagde Grootaert met een score van 286/360 punten. Hij kreeg een voorlopige benoeming als assistent-gewestbeheerder en mocht op 20 mei 1938 uit Antwerpen naar Congo vertrekken met de Thysville. Op hetzelfde schip reisden ook Wilfried Borms 8 en Desiré-Jozef Braeckman mee, twee andere assistent-gewestbeheerders van dezelfde lichting, die elk op hun manier van zich zouden doen spreken in de koloniale taalstrijd

Taalstrijd aan de evenaar

Jozef Grootaert behoorde niet tot de best geklasseerden van zijn groep en had daardoor geen voorkeur mogen uitspreken voor het ene of het andere gewest. Hij werd naar de weinig aantrekkelijke, bloedhete provincie Coquilhatville 9 (de latere Evenaarsprovincie) gestuurd, meer bepaald naar het gewest Bongandanga in het district Tshuapa, zo'n 100 kilometer onder de machtige noordelijke boog van de Congostroom. Hij arriveerde daar in juli 1938. Het eerste takenpakket van de 25-jarige nieuweling: de lokale boekhouding, toezicht op de gevangenis en beheer van het gewestbureau in het algemeen.

De gewestbeheerder en directe chef van Grootaert was Fernand Lecerf, een Luxemburger (van het Groot-Hertogdom), die geen woord Nederlands sprak of zelfs maar verstond. Lecerf vond de nieuwe assistent-gewestbeheerder geen grote aanwinst. De jonge Vlaming gedroeg zich volgens hem uiterst arrogant, moeide zich met alles en zat voortdurend met zijn neus in het Bulletin Officiel . De nieuwe assistent behandelde zijn zwarte kantoorbediende volgens Lecerf ook op een vernederende manier: hij belde de man wel vijftig keer per dag, o.a. om een lineaal aan te reiken dat net buiten handbereik lag, om een stoel bij te schuiven, om een versgeplaatste handtekening op een document te doen drogen in de zon... Een nota die Grootaert in september 1938 naar het parket stuurde, spreekt dat beeld alvast niet tegen: Grootaert vroeg de substituut-procureur daarin of zwarten die een 'Europese' hoed droegen, moesten vervolgd worden als ze die niet afnamen wanneer een blanke passeerde. 10

De conflictstof stapelde zich op tussen de twee mannen, maar het was de taalkwestie die ze, al na een paar maanden, tot explosie bracht. Grootaert had gemerkt dat een van zijn drie diploma's niet vermeld werd in het benoemingsbesluit op zijn naam. Hij wilde dat laten rechtzetten en kreeg als antwoord dat hij dat ofwel tijdens zijn vakantie in België moest regelen (na zijn eerste 'termijn' van drie jaar), ofwel een verzoekschrift tot de minister moest richten. Grootaert koos voor het laatste en schreef een brief naar de nieuwe minister van Koloniën, de Vlaming Albert De Vleeschauwer. 11 Hij deed dat in het Nederlands. En dat was meteen het begin van een hevig en principieel gevecht op papier over de status van het Nederlands in de kolonie. Grootaerts brief moest natuurlijk langs hiërarchische weg worden doorgegeven. Maar de eerste in die keten, gewestbeheerder Lecerf, hield hem al meteen tegen. Lecerf nam het traditionele Franstalige standpunt in: artikel 3 van het Koloniale Charter bepaalde weliswaar dat het taalgebruik "vrij" was in Belgisch-Congo, maar zolang er geen aanvullende decreten waren getekend, moest de administratie, naar aloud gebruik, het Frans hanteren. Grootaert mocht volgens hem wel in het Nederlands naar de minister schrijven, maar hij moest er een vertaling in het Frans aan toevoegen. Grootaert liet het daar vanzelfsprekend niet bij. Hij legde uit dat hij met de gewoonte gebroken had, omdat de minister een Vlaming was, professor aan dezelfde Vlaamse universiteit waar hij, Jozef Grootaert, in het Nederlands gestudeerd had 12 en "omdat ik zelf hier naartoe ben gestuurd als Vlaams [ambtenaar] " . 13

De hiërarchie liet zich niet vermurwen. Districtscommissaris Jules Vanderhallen, een Vlaming, stond erop dat Grootaert zélf een vertaling maakte, omdat er geen officiële vertalers beschikbaar waren. Grootaert weigerde, met het argument dat hijzelf ook geen vertaler was. En daarna dreef hij de zaken op een absurde spits: "doordat ik onder andere de twee talen in kwestie beheers, zou ik twee originelen kunnen maken en dus een origineel in het Frans toevoegen. Maar ik heb de indruk dat het niet dat is wat de Heer Districtscommissaris mij vraagt." 14

Grootaert ging nog verder. Hij schortte zijn oorspronkelijke verzoek i.v.m. de correctie van zijn benoemingsbesluit op en wilde eerst een principiële vraag aan de minister voorleggen. Hij verzocht De Vleeschauwer om richtlijnen en verduidelijkingen omtrent de situatie van de Vlaamse ambtenaren in Belgisch-Congo: "Tenslotte, als we u willen schrijven in onze taal, als Belgisch ambtenaar en Nederlandstalig Vlaming, zijn we dan in onze Belgische Kolonie verplicht om twee keer te schrijven, d.w.z. in de twee talen?" 15

En nu de kwestie toch op tafel lag, vroeg Grootaert meteen ook maar hoe De Vleeschauwer dacht over het taalgebruik tussen particulieren en de koloniale administratie. De administratie verzocht de burgers geregeld om formulieren in te vullen die in twee talen opgesteld waren. Moesten de Vlamingen die dan twee keer invullen? Waren ze wel geldig als dat niet gebeurd was?

Het gewest Bongandanga zat duidelijk met een 'geval'. De administratie stelde een 'Dossier Grootaert' samen. Het werd helemaal een 'affaire' toen ook nog een tweede nieuwe assistent-gewestbeheerder de taalkwestie in het gewest Tshuapa op de agenda plaatste. Désiré-Jozef Braeckman ( ° 1910) was samen met Grootaert in Congo aangekomen en aan het werk gegaan in het naburige gewest Basankusu. Hij wachtte niet op een richtlijn van de minister om te breken met het gebruik om de correspondentie alleen in het Frans te voeren. Braeckman had zelfs op zijn allereerste werkdag, toen hij op 18 juni 1938 de eed van trouw aflegde, de eedformule al in het Nederlands opgeschreven. En in het evenaarsgebied ging hij gewoon consequent door. Zijn omgeving keek een tijdje verbaasd toe. Na twee maanden vroeg provinciecommissaris Eugène Henry of Braeckman er echt op stond om Nederlands te blijven gebruiken in zijn correspondentie, zo ja, dan zou hij verplicht zijn om hem te verplaatsen naar een ander gewest. Braeckman was niet onder de indruk: "Ik houd er inderdaad obsoluut [sic] aan gezegde taal als voertaal 13 in mijn dienstaangelegenheden te gebruiken. Ik wil er hier echter op wijzen dat deze houding geenendeele door eenige politieke bedoeling ingeven [sic] is? Het gaat hier voor mij noch min noch meer om een gewetenszaak." 16

Braeckman was radicaler en consequenter dan Grootaert, maar hij verschilde nog op een andere manier van hem. Hij werkte zeer hard in een moeilijk gewest en zijn chef, Victor Brebant, apprecieerde dat. Hij wilde Braeckman gewoon niet kwijt en nam zijn taalactivisme er bovenop. Hij was bereid tot een compromis. Braeckman mocht van hem doorgaan met zijn Nederlandse correspondentie met hém, als hij bereid was om de overige (en lagere) Nederlandsonkundige ambtenaren en agenten in het Frans te woord te staan. Braeckman ging akkoord en "Verder wil ik, daar waar het objectief belang het vergt, mij in bizondere [sic] omstandigheden, naar de feitelijke toestanden schikken." 17

De mannen op het terrein hadden hun gezond verstand getoond, maar de hogere hiërarchie volgde hen niet. De districtscommissaris bleef aandringen op Franse vertalingen, zelfs van banale zaken zoals een "motovergoeding" . Op de laatste dag van het jaar 1938 vroeg Désiré Braeckman daarom de hoogste gezagsdrager in de provincie om een principiële uitspraak over het taalgebruik. In een (Franse) brief aan provinciecommissaris Henry verwijst hij uitdrukkelijk naar de vernederlandsing van de Koloniale School: "Aangezien ik de opleiding die me voorbereidde op mijn koloniale carrière in het Vlaams heb gevolgd, bevind ik me nu in een valse situatie." 18 De dossiers van Grootaert en Braeckman, actief in dezelfde provincie, werden samengevoegd en voorgelegd aan gouverneur-generaal Pierre Ryckmans. De twee jonge Vlamingen lokten een 'historisch' antwoord uit. In zijn repliek erkende Ryckmans zonder enige reserve het recht van de Vlaamse ambtenaren om hun taal te gebruiken in hun administratieve correspondentie:

"Wat betreft de taal die voor de officiële correspondentie tussen de leden van de administratie dient gebruikt te worden, moet het recht van de ambtenaar om in zijn eigen taal te corresponderen erkend worden." Maar aan die historische erkenning voegt Ryckmans meteen ook een dwingend verzoek toe: "maar ik vraag dat elke ambtenaar rekening houdt met deze superioriteit die hij bezit ten opzichte van zijn eentalige collega's en met de broederlijke samenwerking die hij verschuldigd is aan zijn minder bedeelde medeburgers door zich in zijn correspondentie 14 met zijn chefs, collega's of ondergeschikten te bedienen van de taal die zij begrijpen als ze er maar één begrijpen. Ik ben zelfs van oordeel dat het belang van de dienst dat voor elk ambtenaar tot een gewetensplicht maakt." 19

Braeckman en Grootaert hadden op papier gelijk gehaald. Braeckman werd niet overgeplaatst. Zijn carrière werd in de eerste daaropvolgende jaren ook niet getekend door zijn taalactivisme, waar hij, met onderbrekingen, mee doorging. Op 7 juni 1941 werd hij definitief benoemd als assistent-gewestbeheerder. Het stageverslag maakte wél melding van Braeckmans gewoonte om in het Nederlands te schrijven: "Omdat deze ambtenaar de twee talen perfect kent hebben we hem, op dit ogenblik van personeelstekort en zware werklast, gevraagd om ons voor het ogenblik in het Frans aan te schrijven. Hij deed dat een tijd, maar begon dan opnieuw in het Vlaams te schrijven." 20

Maar die 'vervelende' gewoonte woog niet op tegen zijn talrijke verdiensten en zijn formidabele werkkracht. Grootaert ondervond wel meteen de kwalijke gevolgen van zijn gedrag. Hij kreeg het 'historische' antwoord van Ryckmans pas begin juni 1939 onder ogen en nam meteen de strijdbijl weer op.

Hij dwong zijn chef tot een praktische interpretatie van de richtlijnen van de gouverneur-generaal. Ook hij verwees weer naar de Nederlandstalige opleiding in de Koloniale School en beschouwde zich als een 'Vlaams' ambtenaar voor wie het een "gewetensplicht" was om het Nederlands te gebruiken. Hij wilde wel rekening houden met de aanbeveling van de gouverneur-generaal, maar zou graag van Lecerf horen of "l'intérêt du service" hem toestond om in het Nederlands met hem te corresponderen. Lecerf antwoordde botweg: "Uw correspondentie zal in de Franse taal aan mij gericht moeten worden." 21

Daarop duwde Grootaert nog wat harder door. Hij leidde uit Lecerfs antwoord af dat die het gebruik van het Frans zag als een "positieve verplichting" . En dat kon hij niet aanvaarden, want dat betekende dat de "broederlijke samenwerking" maar van één kant kwam, zonder appreciatie van de andere kant. En dus schreef Grootaert zijn laatste zin in het Frans aan Fernand Lecerf: "J'userai donc (...) de mon droit strict et employerai à l'avenir pour la correspondence que j'ai à vous adresser la langue néerlandaise." 22

Daarop voegde hij de daad bij het woord en Lecerf begon de eerste reeks in het Nederlands gestelde documenten toegestuurd te krijgen. Tien dagen later trok hij aan de alarmbel bij de districtscommissaris en vroeg wat hem te doen stond "gezien de delicate situatie waarin ik mij bevind". 23

Grootaert had het te bont gemaakt. Hij moest weg uit de provincie Coquilhatville. Zijn nieuwe bestemming werd het gewest der Bayaka in de provincie Léopoldville. Hij werd doorgestuurd met een laatste, vernietigende evaluatie: "Mijnheer Grootaert heeft tot nu toe weinig diensten bewezen: er is een speciaal rapport opgesteld over zijn manier van dienen en het toont aan dat hij niet geschikt is voor de gewestdienst. Zijn aanwezigheid in een gewest zorgt voor wanorde omdat hij door zijn houding en geschriften de goede werking van de dienst verhindert."

Provinciecommissaris Henry gaf persoonlijk de laatste ezelsstamp: "Mijnheer Grootaert heeft talrijke diploma's behaald, maar ik geloof niet dat hij erg intelligent is. Zijn hoogmoed en zijn gebrek aan zin voor maat maken van hem een ongedisciplineerde vitter. Als beheerder lijkt hij mij geen grote aanwinst voor de kolonie en ik meen dat hij als magistraat een vloek zou zijn als hij niet helemaal verandert." 24

Begin oktober 1939 bereikte Grootaert zijn nieuwe standplaats. In Europa was de Tweede Wereldoorlog uitgebroken.

Oorlogstijd

Was het de oorlogstijd? De schok van de bijzonder negatieve evaluatie? De 'schande' van de overplaatsing of de gedachte aan mogelijke stageverlenging of mogelijk zelfs ontslag? In ieder geval onderging de weerbarstige "indiscipliné" Jozef Grootaert een ware gedaanteverwisseling op zijn nieuwe post. Een half jaar na zijn vertrek in mineur uit het gewest Bongandanga, schreef zijn nieuwe baas een opvallend positieve beoordeling: "Mijnheer Grootaert is een zeer goed ambtenaar die zich meteen heeft aangepast aan zijn nieuwe functies en het bewijs heeft geleverd van zin voor initiatief en organisatie in de streek die hem is toevertrouwd." 25

De hogere overheid merkte de verandering op, maar de districtscommissaris wilde zélf eerst eens gaan kijken of de 'bekering' van Jozef Grootaert wel écht was, vooraleer hem een kleine promotie te gunnen. Toen Grootaert zich in mei 1940kandidaat stelde voor een overstap naar de magistratuur, opperde alvast niemand een bezwaar. Grootaert gebruikte op geen enkel ogenblik nog het Nederlands. Tegen het einde van zijn stage als gewestbeheerder waren alle plooien gladgestre- ken: "Mijnheer Grootaert wijdt zich helemaal aan de ontwikkeling van de streek die hem is toevertrouwd. Hij heeft er interessante resultaten behaald op het gebied van de belastinginning, het onderhoud van het wegennet en de strijd tegen de profetische beweging. Alle Europeanen in de streek loven zijn activiteit. Hij moet beschouwd worden als een elite-element." 26

Het taalactivisme werd nergens meer vermeld. De 'incidenten' in Coquilhatville hadden Grootaert uiteindelijk maar zes maanden uitstel van een kleine tussentijdse promotie gekost. Zijn definitieve benoeming als assistent-gewestbeheerder volgde zonder problemen en zonder verwijl, net als die van Braeckman op 7 juni 1941.

Terwijl Jozef Grootaert zijn best deed om zijn verleden als taalmilitant te doen vergeten, ging zijn 'wapenbroeder' Désiré Braeckman gewoon voort met zijn eenzame strijd voor het Nederlands. Maar de koloniale overheid had geluk: Braeckman hield van zwaar werk, liefst zo diep mogelijk in de brousse. Zoals hijzelf in een brief schreef: "Ik kan zelfs zeggen dat ik een diepste medeleven met den zwarte in zijn zuiverste midden verreweg het interessantste vind." 27

Hij meldde zich vrijwillig voor een hels karwei: de voorbereiding van het tracé voor de weg Coquilhatstad - Boende, dwars door een groot moeras. De klassieke gewestbeheerderscorrespondentie viel daarmee weg. Braeckman bleef zijn beperkte administratie onverstoord in het Nederlands voeren, maar zijn werk in de brousse was zo opvallend goed, dat ook hij in 1941 de best mogelijke evaluatie kreeg: "élite!".

Het werk in het moeras was zo slopend dat Braeckman er bijna aan bezweek. Hij werd geplaagd door een hele reeks tropische ziektes, die hij liet behandelen tijdens een welverdiende vakantie in Zuid-Afrika. Bij zijn terugkeer naar Belgisch-Congo, via Leopoldstad, werd hij opgemerkt als een van de zeldzame bezoekers van Wilfried Borms, die op dat ogenblik, in februari 1942, als "vrijwillig gedetineerde" in de centrale gevangenis van N'Dolo op een beslissing in zijn dossier wachtte. 28 De gouverneur van Léopoldville meldde aan zijn collega in Coquilhatville --- dat een gewestbeheerder op terugreis van de Kaap Borms een aantal dagen na mekaar was gaan opzoeken. Het tweetal had zich naar het Guest House van de Sabena begeven en had daar zeer lange gesprekken gehad: "Het gaat waarschijnlijk om de Gewestbeheerder Tweede Klasse Brackman [sic]." 29

Bij de eerstvolgende evaluatieronde zakte de score van Braeckman naar "très bien" en gouverneur Henry vermeldde persoonlijk dat hij "mensen frequenteert wier vaderlandsliefde twijfelachtig is". 30

Het ging van kwaad naar erger met Braeckmans gezondheid en de overheid besloot hem naar een "gezonde provincie" te sturen. Hij kreeg "zittend" werk in Goma, aan het Kivumeer. Maar dat betekende dat hij opnieuw veel zou moeten corresponderen en ook weer gerechtelijk werk diende op te nemen (onder meer als politierechter). Toen hij de traditionele 'aankomstbezoeken' aflegde in Goma liet hij bij het parket meteen noteren dat hij daarvoor het Nederlands zou gebruiken in zijn relatie met de overheid zelf. Zijn standpunt kwam hierop neer: "Het komt me voor dat de eerste officiële taal deze der inboorlingen moet zijn, de tweede die van de rechtsonderhoorigen en rechtssubjecten en dan die van de oversten." 31

Het parket was ziedend toen het merkte dat Braeckman dit consequent toepaste, en bijvoorbeeld een van de partijen in het Frans aanschreef om daar vervolgens in het Nederlands over te rapporteren aan het gerecht zélf. De procureur, Jean de Merten, was verbaasd toen hij hoorde dat Braeckman al jaar en dag het Nederlands gebruikte en vroeg de gouverneur van Costermansville of zijn nieuwe medewerker daarvoor nooit terechtgewezen was. Hij begreep ook niet dat Braeckman ooit vast benoemd was geraakt. Evenmin had hij ooit gehoord van de historische brief van Ryckmans uit 1939. Hij liet daar meteen een kopie van opsturen. Het zwaarste juridische geschut werd nu opgesteld. De discussie werd toegespitst op de vraag of Braeckman als politierechter en als officier van justitie het Nederlands mocht gebruiken voor pv's en vonnissen. Na onderzoek van alle precedenten en richtlijnen besloot de procureur i.v.m. de keuze voor het Nederlands: "Hierna gaat het niet meer over een vergissing maar over kwade wil of onbekwaamheid." 32

Braeckman stond op het punt om zijn gevecht op te geven. Als hij geen steun kon krijgen van het gouvernement-generaal, dan wenste hij eervol ontslag om desnoods als landbouwer zijn brood te verdienen. Maar het parket zette door, begon een disciplinaire procedure tegen de weerbarstige Vlaming en de procureur gebruikte daarvoor de zwaarste woorden die in oorlogstijd kunnen vallen: "Uw acties vormen een sabotage van de taken die u zijn toevertrouwd. Ik nodig u uit om mij in het Frans en in vier exemplaren uw verklaringen te bezorgen over het voorgaande onderwerp." 33

De botheid van de procureur gaf Braeckman nieuwe veerkracht. Hij antwoordde o.a. met een lang opstel vol juridisch-filosofische bedenkingen, in het Nederlands, waarin hij zijn houding verklaarde: "Moreel en rechtskundig zijn wij gebonden en verantwoordelijk in onze natie, zegge in onze natuurlijke oorsprongscel (familie, ras en sociaal milieu). De plicht van solidariteit tegenover diegenen, die de eerste oorzaak reden en voorwaarde van ons bestaan en ontwikkeling zijn, is een werkelijkheid." 34

Voor procureur Raoul Sindic vormde dit antwoord een nieuw bewijs van "sabotage" en hij vroeg de gouverneur van Costermansville om een "voorbeeldige" straf toe te passen. Maar de gouverneur had intussen ook een kopie van Ryckmans' richtlijnen uit 1939 gekregen en hij kwam tot het besluit dat er niet veel te straffen viel. De these van "ongehoorzaamheid" vanwege het gebruik van het Nederlands was niet houdbaar, schreef hij aan de gouverneur-generaal: "Men zou deze thesis moeilijk kunnen ondersteunen omdat, zoals u zelf citeert, het recht van de ambtenaar om in zijn eigen taal te corresponderen, erkend is." 35

De gouverneur zag in die omstandigheden maar één oplossing: Braeckman naar een gebied sturen waar hij omringd werd door medewerkers die Nederlands spraken of minstens verstonden. En dat deed Pierre Ryckmans dan ten slotte ook, al was het knarsetandend. In de brief waarin hij die oplossing aan Braeckman meldde, verwees hij naar zijn oude stelling: Vlamingen en Franstaligen moesten in Congo "broederlijk" samenwerken. Maar: "U wilde mij in dien wensch niet tegemoet komen" en "in dezen zwaren tijd, dien wij doormaken, had ik van u een wijzer houding verwacht." 36

Braeckman mocht naar Stanleystad vertrekken, waar een volledig Nederlandstalige werkkring voor hem gevonden was. Hij werd vertaler op het districts-commissariaat en zorgde zo mee voor de praktische meertaligheid van het district, tot grote tevredenheid van commissaris Stan Lauwers. 37 Blijkbaar moest hij soms toch nog wat gerechtelijk werk op zich nemen. Op 11 mei 1945 veroordeelde hij als plaatsvervangend politierechter een ongeletterde Congolees tot veertig dagen gevangenisstraf voor het gebruik van valse stukken en stelde zijn vonnis in het Nederlands op. Het werd ter "revisie" naar de parketrechtbank gestuurd. Maar de revisierechter, André Schoeller, bevestigde dat Braeckman het volste recht had om die taal te gebruiken. Dat tastte de openbare orde niet aan en het eeuwige beroep op de "aloude gewoonte" om Frans te gebruiken was volgens Schoeller niet terecht. Volgens hem hadden sinds lang al koloniale ambtenaren gepoogd om hun werk in het Nederlands te doen. 38 De gezaghebbende Revue Juridique du Congo-Belge publiceerde Schoellers revisievonnis twee jaar later 39 , met een bestraffend commentaartje. Braeckmans individuele strijd had een klein stukje afwijkende jurisprudentie opgeleverd, maar verder vooral het terrein voorbereid dat zijn medestander Grootaert pas na een lange 'winterslaap' als taalactivist, opnieuw zou betreden. Braeckman zelf kreeg in 1946 eervol ontslag om gezondheidsredenen en werd naar België gerepatrieerd.

De gewestbeheerder-etnograaf

20 de gewestbeheerder-etnograaf Belgisch-Congo stond vanaf juni 1940 ten dienste van de geallieerde oorlogsvoering. Van de zwarte bevolking werd opnieuw een vreselijke inspanning gevraagd. Het areaal voor de dwangteelten werd bijvoorbeeld bijna verdriedubbeld. Jozef Grootaert werkte een tijdlang enthousiast mee aan de ' effort de guerre '. Hij onderscheidde zich o.a. in de grote rubbercampagne van 1943 en bij het onderdrukken van een profetische sekte. Maar halverwege 1943 begon zijn administratieve ster alweer van haar glans te verliezen. De jurist Grootaert was zich in de brousse beginnen interesseren voor de "politieke" structuren van de bevolkingsgroepen waar hij mee te maken kreeg. Hij noemde zichzelf ineens een "professioneel gevormd etnograaf" en begon ongevraagd allerlei "politieke studies" uit te voeren. Grootaert was ervan overtuigd dat de – in zijn ogen – uitstekende resultaten die hij in het Kwango-district behaalde, te danken waren aan de manier waarop hij inspeelde op de gewoonterechtelijke machtsstructuren. Hij wierp zich op als een voorbeeldig uitvoerder van de officiële politiek inzake 'indirect bestuur' 41 , die volgens hem op het terrein, door zijn collega's dus, gesaboteerd werd. Omdat Grootaert zijn meningen hogerop in de hiërarchie liet noteren, kreeg hij opnieuw problemen met zijn directe omgeving. De taalkwestie had met dat alles niets meer te maken. Grootaert correspondeerde exclusief in het Frans. Op een averechtse manier dook zijn Nederlandstaligheid nog één keer op. Toen het dispuut over de praktische uitvoering van het 'indirecte bestuur' naar een kookpunt ging, dreigde Grootaerts overste met een officiële "reprimande" voor onbeleefdheid en gebrek aan discipline in de officiële correspondentie. Grootaert had er intussen een gewoonte van gemaakt om zichzelf te verschansen achter eindeloos lange opstellen vol juridisch geredekavel.

In een daarvan voerde hij aan dat, mocht hij al de indruk van onbeleefdheid gewekt hebben, dat waarschijnlijk het resultaat was van zijn zwakke beheersing van het Frans: "Ik heb geleerd om het Frans te gebruiken, in Congo, gedurende vijf jaar in afgelegen streken, d.w.z. met weinig contact met Europeanen en bijgevolg weinig gelegenheid het Frans te leren. Ik ben ervan overtuigd dat ik nog niet alle nuances ken, die de woorden en de zinswendingen die ik gebruik in het Frans kunnen hebben voor de lezers." 42 Het hielp niet. Grootaert kreeg de "reprimande" wel degelijk op zijn 'strafblad'. Bovendien ontnam de districtscommissaris hem op 24 maart 1944 al zijn functies als adjunct-gewestbeheerder. Hij mocht voortaan alleen nog wat rapporten schrijven tot aan het einde van zijn driejarentermijn. Aan het slot daarvan was het oordeel van zijn oversten voor de tweede keer zeer negatief: "Deze ambtenaar geeft ons helemaal geen voldoening. Hij werkt volgens zeer specifiek-persoonlijke methodes en doet in het algemeen alleen het werk dat hem interesseert. (...) Ik ben zeer ontevreden over zijn manier van werken. Mijnheer Grootaert verandert niet. Hij past helemaal niet als assistent in Moyen-Kwilu." 43 Grootaert wenste zijn grote vakantie op te nemen in Zuid-Afrika, wat hem zonder problemen werd toegestaan. Hij ging enthousiast in op een oproep van het gouvernement-generaal om aan de Kaap propagandaconferenties te geven over Belgisch-Congo. Hij stelde daarvoor zelfs een aantal zelfgemaakte filmpjes over de rubberwinning en over tribale feesten ter beschikking. In deze periode, waarin hij zich opstelde als een ijverige patriot, werd zijn familie in België zwaar getroffen door de repressie. Een jongere broer van Jozef Grootaert, Eduard, had dienst genomen in de Waffen- ss en was in 1942 gesneuveld aan het oostfront. Na de bevrijding werd de familie, die enige materiële voordelen had genoten vanwege het militaire engagement van Eduard, daarvoor zwaar aangepakt. Twee familie- leden moesten voor de krijgsraad verschijnen. 44 Deze feiten worden nergens vermeld in de Congolese dossiers van Grootaert. We mogen aannemen dat ze destijds niet bekend waren in de kolonie. Grootaert had genoeg vijanden om ervoor te zorgen dat ze op een of andere manier tegen hem zouden gebruikt zijn. Hij zag zijn familie overigens pas in 1948 voor het eerst terug.

Grootaert had duidelijk weinig zin om na zijn vakantie weer aan de slag te gaan in de gewestdienst. Hij greep elk alibi aan om de terugkeer naar de brousse uit te stellen. In Leopoldstad probeerde hij bij het gouvernement-generaal belangstelling op te wekken voor zijn etnografische werk. Hij lanceerde een voorstel om een wetenschappelijk instituut op te richten dat op systematische wijze het gewoonterecht, de machtsstructuren en de besluitvorming bij de Congolese volkeren zou bestuderen. Gouverneur-generaal Ryckmans had daar zeker oren naar, wat niet hoeft te verwonderen.

Ryckmans was zelf gefascineerd door het Bantoe-gewoonterecht en vroeg zich af hoe het kon ingepast worden in het koloniale project. 45 Grootaert zag zichzelf al als directeur van dat nieuwe instituut, maar zover kwam het niet. 46 Hij moest uiteindelijk toch weer aan de slag als gewestbeheerder, deze keer in de provincie Lusambo (het latere Kasaï). Ook daar irriteerde hij al heel snel zijn nieuwe collega's door zijn eigenzinnige gedrag en zijn neiging om de etnografie te laten voorgaan op het vele, puur praktische werk van de gewestbeheerder. Pas in januari 1946 werd hij uit de gewestdienst verlost. Hij kreeg een baan op het algemene secretariaat van het gouvernement-generaal in Leopoldstad, op de dienst vertalingen.

De vlaamse golf

Met het einde van de oorlog in Europa, kwam er ook een einde aan de overspannen patriottische sfeer in Belgisch-Congo. De ambtenaren konden eindelijk weer eens naar huis en nieuwe lichtingen agenten, beheerders en missionarissen arriveerden. La grande relève heette dat in de kolonie. Belgisch-Congo werd op slag veel Vlaamser. Jef Van Bilsen noemde het fenomeen "demografische taaldruk" . 47

De meeste 'nieuwe' Vlamingen in Congo hadden hun vorming volledig in het Nederlands gekregen en dat liet zich voelen. De Vlaamse ambtenaren begonnen onderwijs in het Nederlands te vragen voor hun kinderen in de kolonie. In de grote centra ontstonden Vlaamse Vriendenkringen. Het culturele tijdschrift Band , dat al in 1942 was opgericht, kreeg ineens een veel groter publiek. Er ontstond m.a.w. een Nederlandstalig openbaar leven en een Vlaamse publieke opinie in Belgisch-Congo. De eerste reacties op de Vlaamse golf waren zeker niet vijandig.

Minister Wigny bevestigde het recht op het gebruik van het Nederlands door de Vlaamse ambte naren en zorgde voor de eerste Nederlandstalige schoolklassen vanaf september 1948. Toch bleef gevoel van algemene achterstelling nog altijd heel sterk. Toen prins-regent Karel op bezoek was geweest in de kolonie schreef senator Maurice Steyaert hem: "De Vlamingen zijn beroofd van al hunne rechten op taalgebied en zien zich genoodzaakt over te gaan tot het Franse taalregieme [sic] van zoodra zij een voet in de kolonie zetten. Deze vernederende toestand is onduldbaar en ten andere hoogstens [sic] onrechtvaardig, des te meer dat de Belgische bevolking voor 70% uit Vlamingen bestaat." 48

Naast de sociologische vervlaamsing van het koloniale apparaat, voltrok er zich in Belgisch-Congo een veel diepere verandering, waar maar weinig Vlamingen, volop in de weer met hun eigen eisen, oog voor hadden. De scherpzinnige gouverneur-generaal Pierre Ryckmans had de tekenen van de tijd wél gezien en in zijn laatste grote toespraak letterlijk gezegd: "De dagen van het kolonialisme zijn voorbij." 49 De tijd van de Vlaamse emancipatie in Belgisch-Congo was misschien nabij, maar het kader waarin die bevochten werd, vertoonde hoe langer hoe meer scheuren. Jozef Grootaert speelde geen opvallende rol in het Vlaamse cultuurleven.

Hij publiceerde weliswaar een aantal stukken in Band (en in 1951 trad hij zelfs toe tot de redactie van dat tijdschrift), maar die gingen altijd over zijn geliefde etnografische kwesties, nooit over de situatie van de Vlamingen of van het Nederlands. 50 Zijn etnografische 'hobby' leverde hem wel enige bekendheid op.

De redactie van de Vlaamse uitzendingen op Radio Belgisch Congo vroeg hem een paar keer om een radiopraatje. De dienst vertalingen bij het gouvernement-generaal in Leopoldstad was een goede uitkijkpost voor een volgende carrièresprong. Etnografie bleef een groot deel van Grootaerts tijd opeisen, maar die discipline leek op korte termijn geen perspectief te bieden. Grootaert stond ook al sinds 1940 op de lijst van kandidaat-magistraten en toen het koloniale gerecht in de jaren vlak na de oorlog met personeelstekort kampte, kreeg hij een nieuwe kans. Die verknoeide Grootaert bijna nog door een vreemd stukje 'huisvlijt'. Via een anonieme postbus werd er in die dagen in een krant van Leopoldstad door een zekere Jean Manie, in het Frans, een soort praktische "vruchtbaarheidskalender" te koop aangeboden aan liefhebbers van periodieke onthouding. De Sûreté liet uitzoeken wie er zich achter postbus 88 verstopte en kwam uit bij een ambtenaar van de dienst vertalingen van de gouverneur-generaal: Jozef Grootaert. 51

Hoewel Grootaerts 'handeltje' niet echt strafbaar was, vonden zijn oversten het wel zéér ongepast voor een ambtenaar, een kandidaat-magistraat bovendien. De zaak werd geklasseerd en – zeer belangrijk voor Grootaert – niet doorgegeven aan het parket. Zelfs zonder de kalenderperikelen lagen Grootaerts kaarten slecht. Hij sleepte een reeks middelmatige beoordelingen met zich mee. Toch plaatste de procureur-generaal hem in 1946 op de lijst van mannen die in aanmerking kwamen voor een voorlopige benoeming als magistraat. Maar in Brussel schrapte de minister Grootaerts naam weer, precies vanwege zijn ontoereikende scores. Grootaert betwistte de interpretatie van zijn notes biographiques met succes en vice-gouverneur-generaal Léon Petillon gunde hem een tweede kans. Maar intussen was het parket-generaal, overgenomen door een interimaris, van idee veranderd. Het advies van de procureur-generaal ad interim, Léon Maffei, was vernietigend. En Grootaerts verleden als taalactivist speelde na al die jaren nog wel degelijk een rol, al waagde Maffei zich aan niet meer dan een laffe allusie: "Hij is gekend in de gebieden Coquilhatville, Lusambo en Kwango. Hij behoorde er, volgens de magistraten uit die gebieden, tot de slechtste gerechtelijke agenten en politierechters. Ik wil hier geen allusie maken op opinies van politieke en taalkundige aard die niet geuit zouden mogen worden." 52

Maffei verklaarde dat hij nog liever een vacature in zijn parket liet bestaan dan Grootaert te accepteren. Maar Petillon vond zijn argumenten ongegrond en hield Grootaert een hand boven het hoofd. Op 30 januari 1947 benoemde de prins-regent de 35-jarige Jozef Grootaert "ten voorlopigen titel" toch als magistraat. En het parket van Leopoldstad was verplicht om hem als substituut te aanvaarden. Om definitief benoemd te worden moest Grootaert o.a. nog een examen afleggen en een soort 'thesis' komen verdedigen in Brussel. Grootaert produceerde een werkstuk van 25 bladzijden over een aspect van het strafrecht 53 en slaagde ook voor zijn mondelinge examen. Heel de procedure verliep exclusief in het Frans. Grootaert maakte daarover geen enkele opmerking. Hij werd definitief benoemd op 11 september 1948. Zijn directe omgeving, het parket van Leopoldstad, was overigens niet onder de indruk van de benoeming. Grootaert bleef een omstreden substituut. Zijn oversten hadden vooral kritiek op zijn hang naar "eindeloze" onderzoeken en zijn zucht naar "nieuwe" interpretaties van wetteksten. Ook Grootaerts rendement was altijd weer een bron van discussie. Hij pareerde opmerkingen daarover met oeverloze statistieken, die de procureur-generaal op den duur ongelezen liet.54

De examencommissie in Brussel had al vastgesteld dat Grootaert wellicht geschikter was voor het werk van 'zittend' magistraat en in juli 1951 stelde het gerecht hem effectief aan als rechter bij de rechtbank van eerste aanleg in Elisabethstad.

De taal van vondel in de rechtszaal

De Vlaamse belangstelling voor de kolonie was intussen nog sterker geworden. De grote culturele verenigingen hielden er zich alle actief mee bezig. Vooral het Davidsfonds liet van zich horen. Op het jubileumcongres in september 1950 keurde de algemene vergadering van het fonds een lange motie over de kolonie goed waarin ze o.a. de Vlaamse kolonialen aanspoorde om "zonder aarzelen en zonder uitstel" 55 gebruik te maken van de taalvrijheid, die het Koloniale Charter hen bood en er bij de cvp op aandrong om werk te maken van de decreten die artikel 3 van het charter in de praktijk en zonder dubbelzinnigheid zouden omzetten in gelijkberechtiging van het Nederlands. De belangrijkste 'koloniale' spreker op het congres was de scheutist (en oud-missionaris) Paul Van Reeth geweest. In zijn referaat Kongo, Rijksgebied ook voor Vlaanderen had die o.a. gewezen op het bestaan van de Ryckmans-richtlijnen uit 1939 inzake taalgebruik, die tot dan toe nauwelijks bekend waren in koloniale kringen.

In de maanden die volgden op het congres voerde het Davidsfonds actie in de kolonie zelf. De tekst van Van Reeth werd op ruime schaal verspreid en de Vlaamse kolonialen werden uitgenodigd om een voorgedrukt 'verzoek' te ondertekenen waarin de gelijkberechtiging van het Nederlands "in rechte en in feite" werd gevraagd. Het fonds garandeerde de ondertekenaars "strikte geheimhouding" 56 en beloofde alleen het aantal ondertekenaars bekend te zullen maken.

De cvp ondersteunde de acties van het Davidsfonds en stelde einde 1950 een studiegroep samen o.l.v. oud-minister Albert De Vleeschauwer. Een paar maanden later bezorgde de groep ( cvp )-minister van Koloniën De Quae een voor- ontwerp van decreet, o.a. over het gebruik van de taal in rechtszaken. De groep was voorstander van een "gematigde tweetaligheid" , die een minimale kennis van de tweede landstaal veronderstelde bij alle ambtenaren. Maar zelfs in 1951 was dat geen haalbare kaart. Toen De Quae het voorontwerp voor advies aan zijn administratie bezorgde, was de reactie zéér lauw en de tekst bleef liggen. 57 Eugène Jungers, die Pierre Ryckmans in juli 1946 was opgevolgd als gouverneur-generaal, kwam de aanrollende Vlaamse golf een eindje tegemoet. Ineen zeer belangrijke omzendbrief gaf hij zijn interpretatie van de Ryckmans- richtlijnen, die intussen algemeen bekend waren. De taalvrijheid was volgens hem "totaal" . De restricties die Ryckmans nog had opgelegd, hadden geen wettelijke basis. De stukken van de burgerlijke stand mochten voortaan bijgevolg ook in het Nederlands worden opgesteld. Veel Nederlandstaligen beschouwden de omzendbrief van de Franstalige Jungers als een flinke steun in hun streven. 58 Een aantal hoge koloniale ambtenaren vond dat Jungers véél te ver ging en dat zijn circulaire méér problemen zou uitlokken dan oplossen. 59 Op 1 juli 1951 kwam er nog een belangrijke speler bij op het Congolese terrein: het Vlaamse weekblad De Week , o.l.v. Jos Lamote. Het blad werd gefinancierd door de christelijke arbeidersbeweging. Minister De Quae begroette met veel hoop het eerste nummer: "Ook het vraagstuk der Vlamingen in Kongo nadert zijn bevredigende oplossing. Een Vlaams weekblad is een nieuwe stap vooruit en de waarborg der toekomst." 60 Rond deze tijd werd de flamingant in Jozef Grootaert opnieuw wakker. Als rechter moest Grootaert zich gereserveerd opstellen in de 'taalstrijd', maar het is duidelijk dat hij vanuit Elisabethstad achter de schermen betrokken was bij allerlei initiatieven. Nog voor zijn benoeming als rechter was hij lid geworden van koluc (Koloniaal Universitair Centrum), een organisatie die vanuit Leuven geleid werd door pater Paul Van Reeth (de spreker op het Davidsfondscongres in 1950). 61 Grootaert correspondeerde vanaf 1950 intensief met Van Reeth. Hij signaleerde hem wantoestanden en deed suggesties voor verbeteringen. Hij dacht mee na over taaldecreten en schreef er volledige ontwerpen voor uit. Geregeld kwamen ook zijn eigen carrièrekansen ter sprake. Van Reeth had blijkbaar toegang tot het kabinet van De Quae en hield Grootaert op de hoogte van wat er in Brussel gebeurde: "Voor de akten van de burgerlijke stand zal het zijn zoals u het voorstelt: recto nl. verso fr. Zo had ik het hem [= Dequae, B.G.] voorgesteld (...)." Van Reeth meldde in dezelfde brief ook nog dat er geen vooruitgang was in het dossier van de decreten over het taalgebruik.

"Voor de dekreten geen vordering. De minister had nog het advies niet gekregen van de administratie van Kongo. Hij zou onmiddellijk aandringen. Ik denk eraan om 27 ene nieuwe actie te beginnen om de zaak te bespoedigen. Wij moeten het halen onder deze regering en minister Dequae. Beginnen met Davidsfonds – en heb getracht het A.C.V. er ook aan te spannen. Dit begint kordater op te treden voor de Vl. Problemen. Konden de Vl. Groeperingen van Kongo ook eens eensgezind aandringen bij minister en misschien bij regering!!! Span u daar eens aan." 62

In december 1951 deed er zich een gebeurtenis voor die mogelijk de vonk heeft geleverd die Grootaert ertoe bracht om de taalkwestie opnieuw op zijn eigen werkterrein aan te pakken, zoals hij het vele jaren daarvoor, als assistent- gewestbeheerder al had gedaan. Rechter Deneuville van de rechtbank van eerste aanleg in Coquilhatstad verklaarde op 4 december een dagvaarding onwettelijk, omdat ze in het Nederlands was opgesteld. 63

Dat was op zich niets nieuws, maar de uitspraak stond wel haaks op de recente omzendbrief van Jungers. De rechter was zich daarvan bewust en verklaarde dan ook uitdrukkelijk dat hij zich niet gebonden achtte door de wensen van de gouverneur-generaal. Korte tijd later moest Grootaert een eenvoudige strafzaak voorzitten over een verkeerskwestie. Het ging o.a. over de manier waarop de 'openbare weg' al dan niet met verkeersborden diende gemarkeerd te zijn.

De gedaagde was een Vlaming, de missionaris Ambroos De Lille. Die vroeg om de zaak in het Nederlands te behandelen. De procureur en de advocaat gingen daarmee akkoord en Grootaert sprak op 9 januari 1952 ook een Nederlandstalig vonnis uit. 64 Het eerste deel van zijn tekst was een uitvoerige uiteenzetting over de geldigheid van die taalkeuze, een kwestie die hij intussen bestudeerd had met de verbetenheid die hij tot dan toe gereserveerd had voor zijn etnografische werk. 65

Het slot van de inleiding luidde: "Verklaart dat de in het Nederlands gedane rechtspleging wettig is; Verklaart dat wettelijk onderhavig vonnis in het Nederlands moet gesteld en openbaar gemaakt worden." 66

Er stak géén tropische storm van Franstalige woede op nadat Grootaert zijn historische vonnis had geveld. Een journalist van L'Essor du Congo , die de zitting had bijgewoond, signaleerde wel de "ongewone sfeer" in de zittingzaal, waar iedereen "de taal van Vondel" had gebruikt, maar hij wees zijn lezers er meteen op dat ze zich daar niet over hoefden te verwonderen, omdat de Belgen in Congo dezelfde taalrechten genoten als in België. 67

Grootaert kon zich achter dat ene krantenartikel verstoppen om zelf zijn vonnis ook in Vlaanderen bekend te maken zonder meteen ontmaskerd te worden als rechter-taalactivist. Het instrument voor de verspreiding van zijn tekst was natuurlijk koluc . Een dag na het verschijnen van het artikeltje in de Essor kreeg Van Reeth al een lange brief van Grootaert, met precieze richtlijnen om het vonnis onder de aandacht van de publieke opinie te brengen.

"Het ware nu wenselijk dat daaraan zoveel mogelijk ruchtbaarheid zou gegeven worden (Publicatie in het rechtskundig Weekblad b.v. enz. melding in de kranten) (...) Van zodra mogelijk zal ik u een afschrift sturen. Dat moogte ge echter niet publiceren zonder toelating (...) (Gebaar niet dat ik u een afschrift heb gestuurd.)" 68

De strategie werkte. De Vlaamse kranten volgden. Eduard Amter, voorzitter van het Davidsfonds, had het in De Nieuwe Gids over een "kentering" en prees de "daad" van rechter Grootaert, procureur Zuyderhoff en advocaat Rubbens: "Zij hebben een daad gesteld die verdragende gevolgen zal hebben." 69 In Elisabethstad bleef het stil.

De 'Zaak Grootaert' kwam pas op gang toen de rechter een paar maanden later zijn koffers begon te pakken om met vakantie naar Europa te vertrekken. Bij die gelegenheid moesten over hem de traditionele notes de fin de séjour geschreven worden, al was hij nog maar een goed half jaar actief geweest in Elisabethstad. De notes bestonden uit drie verschillende evaluaties, geschreven door respectievelijk de rechter-voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg, de procureur-generaal en de voorzitter van het hof van beroep. Grootaerts directe collega bij eerste aanleg, François Richir, een Franstalige, was zéér positief over hem, prees zijn werkkracht, gewetensvolheid en onafhankelijkheidszin. Maar procureur-generaal Désiré Merckaert en voorzitter Paul Hamoir, nuanceerden dat beeld behoorlijk. Volgens Hamoir maakte Grootaert geregeld fouten tegen elementaire rechtsprincipes en ook Merckaert stipte aan dat hij al te vaak beroep diende aan te tekenen tegen Grootaerts vonnissen, hoewel die meestal over relatief eenvoudige strafzaken handelden. En allebei haalden ze het oude verwijt van de "zucht naar originaliteit" weer boven. Geen van beiden waagde het (of vond het nodig) om uitdrukkelijk naar het Nederlandstalige vonnis te verwijzen. Maar de allusies van Hamoir waren niet mis te verstaan: "(...) systematisch afwijken van oplossingen waar de jurisprudentie zich in het algemeen en niet zonder ernstige redenen in gevonden heeft getuigt niet van een lovenswaardige onafhankelijkheid van geest. (...) Het min of meer geruchtmakende succes dat bepaalde van deze originaliteiten buiten de rechtszaal kunnen boeken, dreigt een magistraat, aan wie het overigens niet ontbreekt aan bepaalde kwaliteiten die een goed rechter van hem maken, op een slecht spoor te zetten." 70

Grootaert reageerde furieus en volgens zijn inmiddels beruchte 'modus operandi': met een zeer lang en gedetailleerd opstel (met kopie aan de gouverneur-generaal en de minister) vol 'persoonlijke' statistieken waarin hij alle opmerkingen probeerde te ontzenuwen. Tal van zijn vonnissen hadden zonder problemen 'kracht van gewijsde' gekregen. Hoe kon Hamoir dan volhouden dat hij "systematisch" afweek van de jurisprudentie? En ja, zijn Nederlandstalige vonnis was "origineel" geweest, maar dat mocht men hém niet verwijten. Het kabaal buiten de rechtszaal was veroorzaakt door een journalist, de zittingen waren nu eenmaal publiek.

Grootaert vertrok voor zes maanden op vakantie naar België en gebruikte die tijd o.a. om een slepende discussie over de herziening van zijn anciënniteit en de bijhorende aanpasssing van zijn wedde weer aan te zwengelen. Hij maakte zich daarbij bijzonder ongeliefd bij de administratie. Een ambtenaar vond dat Grootaert zich gedroeg zoals die "inboorlingen" die hun oude grieven weer boven halen bij elke nieuwe chef die zich aanbiedt en stelde zich vragen bij de waardigheid van deze rechter. Minister van Koloniën, Andries De Quae, noemde Grootaerts gedrag in deze zaak "laakbaar" . 71

Terwijl Jozef Grootaert in België op vakantie was, publiceerde de Revue Juridique du Congo Belge het Nederlandstalige vonnis van 9 januari 1952 met – wat niet gebruikelijk was – een aanvullende kritische tekst, getekend "X.Y." . Grootaert ging ervan uit dat "X.Y." niemand minder dan Paul Hamoir zelf was, de voorzitter van het hof van beroep van Elisabethstad. Hamoir was hoe dan ook hoofdredacteur van het blad en dus minstens verantwoordelijk voor de commentaar van "X.Y.". Die commentaar bevestigde volgens Grootaert dat Hamoir, langs de omweg van de beoordeling van een rechter, op het Nederlands zélf gemikt had. "X.Y." vond de redenering van Grootaert waarmee hij de rechtsgeldigheid van het Nederlands had aangetoond "helemaal fout" en in strijd met zowat de hele jurisprudentie. En net zoals Hamoir verwees "X.Y." ook naar de "tapage" , het kabaal dat het vonnis veroorzaakt had. Grootaert kon de publicatie niet zomaar laten passeren. Hij dwong een (zeer ongebruikelijk) 'recht op antwoord' af in de Revue en deed vervolgens rechtstreeks zijn beklag bij minister De Quae. In zijn brief van 9 februari 1953 beschuldigde hij Hamoir o.a. van "opzettelijk gebrek aan objectiviteit" en plaatste hij de hele affaire in het perspectief van de 'Vlaamse Kwestie' in Belgisch-Congo: "Het [is] een voorbeeld (...) van de moeilijkheden die de Vlamingen ontmoeten ten gevolge van het gebrek aan taaldecreten, alsook van de belemmering die de daardoor geschapen toestand is voor het normaal gebruik van de Nederlandse taal in onze kolonie. Wat mezelf betreft veroorloof ik me eerbiedig uedele te bidden, voor zover zulks mogelijk is, de nodige maatregelen te nemen opdat het advies van de Heer Voorzitter, nu, noch in de toekomst, het nagetreeft [sic] opzet wat betreft mijn loopbaan niet [sic] zou hebben." 72

Grootaert zag het onweer opsteken en zocht alvast politieke dekking bij cvp -minister De Quae. Maar die liet zich niet zomaar op sleeptouw nemen. Grootaert probeerde in de komende maanden en jaren altijd weer de aandacht te vestigen op wat volgens hem de bron van al zijn problemen was: de onwil van het hof van beroep van Elisabethstad om het Nederlands als rechtsgeldige taal te erkennen. Maar de aaneenschakeling van feiten die de eigenlijke 'Zaak Grootaert' vormden, was veel ruimer dan dat.

Einde 1953 moest over Grootaert opnieuw een beoordeling worden opgesteld. En die viel, zoals te verwachten was, niet helemaal positief uit. Voorzitter Hamoir verweet Grootaert o.a. zijn directe correspondentie met de gouverneur-generaal en de minister over kwesties die de organisatie van de rechtspraak aanbelangden. Hij wees er ook op dat er voor een rechter die nog promotie wilde maken maar één waardige manier was om de aandacht op zich te vestigen, namelijk door de kwaliteit van zijn werk. In zijn repliek op deze nieuwe evaluatie liet Grootaert zijn zaak weer wat verder escaleren. Hij ging opnieuw rechtstreeks bij De Quae aan de klaagmuur staan en noemde Hamoirs evaluatie een onwaardig stuk, dat zich tot de rechter richtte en niet, zoals het hoorde, tot de minister. In een afzonderlijke brief ging hij nog een stap verder en vroeg hij zonder meer om de afschaffing van de jaarlijkse beoordeling, die volgens hem de onafhankelijkheid van de rechter aantastte. Vooral de tweede brief, waarin Grootaert een verband legde tussen de volgzaamheid van de rechters en de score waarmee ze beoordeeld werden, schoot in het verkeerde keelgat bij procureur-generaal Merckaert en voorzitter Hamoir. Grootaert had over Merckaert geschreven: "Een rechter die wenst een gunstig advies van hem te krijgen, doet thans goed niemand vrij te spreken, die het Parket vervolgt, altijd het requisitoir of het advies van het openbaar ministerie in te willigen enz." 73

Merckaert signaleerde alleen dat het de eerste keer was dat iemand zijn onpartijdigheid in twijfel trok. Maar voor Hamoir was de maat vol. Hij vroeg De Quae om een tuchtprocedure tegen Grootaert te beginnen "(...) gezien de onbeschoftheden, de onbetwistbaar beledigende houding die hij zichzelf heeft toegestaan t.o.v. de voorzitter van het Hof van Beroep, waarbij hij niet geaarzeld heeft om formeel te liegen (...)." 74

Bij het gouvernement-generaal werden de dossiers van de magistraten gevolgd door de vice-gouverneur-generaal en sinds 1 oktober 1953 was dat Hendrik Cornelis, boegbeeld van het Vlaamse cultuurleven in Leopoldstad, stichter en oud- hoofdredacteur van het tijdschrift Band waar Grootaert zelf aan meewerkte. Cornelis' eerste tussenkomst in de 'Zaak Grootaert' was sussend. Hij wees een tuchtprocedure af: "Ik meen dat deze maatregel niet geschikt is en dat het zal volstaan de aandacht van de heer Grootaert te vestigen op zijn ongepaste en onwelvoeglijke uitlatingen over de rechterlijke autoriteiten van het Hof en hem te verwittigen dat ik, in geval van herhaling, niet zal aarzelen tuchtmaatregelen voor te stellen." 75

Minister De Quae sloot zich daarbij aan, hoewel hij ook benadrukte dat Grootaert wel degelijk een straf verdiende, "alleen al om de kwetsende toon van zekere delen van zijn brief" . En hij stond er, net als Cornelis, ook op om Grootaert formeel te verwittigen dat hij dit geen tweede keer mocht uithalen: "Nochtans zou ik u dank weten indien u de heer Grootaert ter kennis zoudt willen brengen dat ik volledig zijne vijandige en oneerbiedwaardige houding van deze laatste maanden afkeur ten opzichte van de hooggeplaatste magistraten van zijn rechtsgebied. Daarenboven zou ik u willen vragen hem te willen verwittigen (...) voor het geval dat hij opnieuw zou tekort komen aan de eerbied die hij verschuldigd is aan de magistraten van het Hof van Beroep, dat er tuchtmaatregelen tegen hem zullen genomen worden." 76

Een bijkomdende reden om af te zien van een échte tuchtprocedure vond De Quae in het feit dat Grootaert intussen een verzoekschrift had ingediend bij de Raad van State i.v.m. de afschaffing van de jaarlijkse beoordelingen. Hij zou een tuchtprocedure kunnen interpreteren als een reactie op dat verzoekschrift en dat wilde De Quae vermijden.

En zo ontsnapte Grootaert een eerste maal aan een strafprocedure.

Het hof van beroep spreekt alleen frans

Toen Andries De Quae op 22 april 1954 de plaats moest ruimen voor de nieuwe liberale minister van Koloniën, de Luikenaar Auguste Buisseret, waren er nog altijd geen taaldecreten goedgekeurd. Geen van de drie homogene cvp - psc -regeringen die tussen 1950 en 1954 hadden geregeerd, waren daarin geslaagd. Nu was het de beurt aan de rood-blauwe regering Van Acker iv . In Belgisch-Congo bleef de dubbelzinnigheid over de taalvrijheid bestaan. Het perspectief van de Vlaamse koloniale emancipatie was ook weer wat complexer geworden door de ideeën die de nieuwe gouverneur-generaal, Léon Petillon, had gelanceerd over een toekomstige Belgisch-Congolese gemeenschap en de noodzakelijke zwarte emancipatie. Op een dag zouden ook de Congolezen zélf gesprekspartners zijn in dit debat.

Rechter Grootaert zwengelde de discussie in 1954 opnieuw aan met twee nieuwe vonnissen in het Nederlands, deze keer in burgerlijke zaken. Het hof van Elisabethstad reageerde nu niet alleen met een academisch stukje in de Revue Juridique , maar ook met twee keiharde arresten die Grootaerts vonnisen uitdrukkelijk verwierpen vanwege de taal waarin ze gesteld waren. Het hof stelde op 9 november 1954 dat het principe van de taalvrijheid "vreemd" was aan de gerechtelijke organisatie in Congo, dat artikel 3 van het Koloniale Charter om decreten vroeg en dat, zolang die er niet waren "(...) het Frans de enige taal blijft voor de procedure voor Europese tribunalen in Congo". 77

In Grootaerts persoonlijke archief steekt een kladblaadje waarop hij de vernietiging van zijn vonnissen becommentarieert. Volgens hem zouden de vonnissen nooit verworpen zijn door een college met twee Vlamingen en één Franstalige, in plaats van omgekeerd. "De gehele oplossing van de Vl. Kwestie in het Belgisch staatsverband komt er op neer: overtuigde Vlamingen moeten de 'vestingen' bezetten. Dit zijn de eentale [sic] besturen en instellingen in Kongo. De overtuigde Vl. Jeugd moet in overheidsdienst treden." 78

Ook roept hij op tot een soort volksnepotisme: "De Vlaamse gezagsdragers moeten (...) de personeelsleden die van hun Vlaamse overtuiging in de dienst bewijs leverden bij voorkeur bevorderen, met of zonder gunstige signalementen." 79

De arresten kwamen niet alleen bij Grootaert bijzonder hard aan. Het bestuur van de Vlaamse Vrienden Kring van Elisabethstad schreef in een brief aan de voorzitter van de Kamer in Brussel: "Deze arresten zijn een kaakslag voor alle Belgen-Vlamingen. Ze hebben de Belgen-Vlamingen in Kongo diep ontstemd." 80

Terwijl het moederland meer dan ooit oog had voor het taalkundig aspect van wat stilaan de 'Zaak van Rechter Grootaert' aan het worden was, ging in het hof van Elisabethstad het principiële armworstelen gewoon door. Voorzitter Hamoir had einde 1954 geweigerd om over Grootaert een beoordeling te schrijven. Hij wilde de uitspraak van de Raad van State afwachten, na het verzoekschrift dat de rechter i.v.m. de wettelijkheid van die jaarlijkse evaluaties had ingediend.

Grootaert bleef intussen zijn superieuren tergen, ondanks de formele verwittiging die De Quae hem gegeven had. Een terugkerend motief in zijn polemieken met de voorzitter van het hof en de procureur-generaal was zijn strikte interpretatie van de onafhankelijkheid van de rechter. Grootaert trok die door in de administratieve praktijk en weigerde bijvoorbeeld om de gebruikelijke reisformulieren in te vullen wanneer hij voor zijn werk in het binnenland moest zijn. Hij vond het ook niet oorbaar dat de procureur-generaal de kredieten van de 'zetel' beheerde. De administratie stelde op basis van een reeks van die feiten en feitjes een nieuw dossier tegen hem samen en onderzocht opnieuw of er geen tuchtprocedure kon gestart worden. Het nogal flauwe nieuwe dossier werd ineens veel steviger toen er rapporten uit Elisabethstad kwamen over de eigengereide manier waarop Grootaert zijn werk organiseerde. Belast met tientallen nieuwe dossiers had hij gewoon aangekondigd dat alle zittingen een maand werden uitgesteld tot hij klaar was met de zesentwintig zaken die hij in beraad had. Hij schrapte ook zonder overleg een aantal zittingsdagen, wat tot een collectieve reactie van de balie leidde. Grootaert beweerde later dat zijn overste de chaos bewust geschapen had om hem in de val te lokken.

Minister Buisseret begon zich te beraden over de manier waarop hij zich van Grootaert kon ontdoen

Grootaert zal kunnen volharden in zijn uitdagende en brutale houding t.o.v. de hoge gerechtelijke en administratieve autoriteiten (...)." 82 Gewoon ontslag was wél nog altijd mogelijk, maar dat was veel "schandelijker" en kon alleen voor de allerzwaarste feiten. Het hof zou zeker aarzelen om daarvoor positief te adviseren. Het zat de administratie vooral dwars dat de druk van buiten, vooral vanuit Vlaanderen, had meegewogen in de beslissing om Grootaert voorlopig met rust te laten: "Het zou onbillijk en voor de toekomst gevaarlijk zijn om een magistraat toe te staan om ongestraft de meest elementaire regels van de gerechtelijke deontologie met voeten te treden omdat hij, terecht of onterecht, een bepaald politiek etiket draagt. Kan de hoge taak die aan de hogere autoriteiten werd toevertrouwd inzake de discipline van magistraten geïnterpreteerd worden in functie van de politieke kleur of de houding inzake taalkwesties van de betrokken magistraat?" 83

In september en oktober 1955 gooide Grootaert zélf nog wat olie op het vuur. Hij gaf o.a. een soort 'persconferentie' voor de advocaten van Elisabethstad waarop hij toelichtingen verschafte over zijn discussies met zijn superieuren en zijn verzoekschriften bij de Raad van State. Hij bezorgde hen ook stukken uit het dossier. Procureur-generaal Merckaert was woedend. Maar begin oktober overspeelde Grootaert zijn hand. Ongevraagd stuurde hij minister Buisseret een lange brief waarin hij de standpunten toelichtte die hij zou (laten) innemen bij de Raad van State, in het dossier over de jaarlijkse beoordelingen. De wijdlopige brief ging daar nauwelijks over, maar bevatte zéér algemene beschouwingen over de toekomst van de kolonie. Die kon volgens Grootaert alleen maar veilig gesteld worden als de Congolese samenleving werd ingericht volgens aloude liberale principes. Een van de lezers van zijn brief, misschien Buisseret zelf, heeft het woord "liberaal" of daarvan afgeleide woorden onderstreept. Grootaert gebruikt de term liefst zestien keer, op vijf bladzijden. Grootaerts 'bekering' tot een liberalisme dat spoedig ook virulent antiklerikale trekken zou krijgen, moet heel recent zijn geweest. Zijn correspondent in Leuven, pater Van Reeth, had in oktober 1951 nog een brief afgesloten met de wens "God zegene u en uw werk" . 84

Buisseret voelde zich allesbehalve aangesproken door de nieuwbakken liberaal en vond dat de brief vooral Grootaerts "geestesgesteldheid" illustreerde en daar bedoelde hij duidelijk niets positiefs mee. Marquet ging verder en zag in de tekst een bewijs van Grootaerts "psychische onevenwichtigheid". Een paar weken later beval Buisseret om de procedure tot ontslag of afzetting 85 toch in gang te zetten.

De rechter moet weg

Adviseur Marquet van 'Koloniën' vestigde de aandacht van de minister op artikel 12, alinea's 2 en 55 van het statuut van de magistraten. Die tekst stelde de overheid in staat om na 16, 19 of 21 dienstjaren "ambtshalve" een einde te maken aan de carrière van een rechter. Dat zestiende dienstjaar was net begonnen voor Grootaert. De procedure om de rechter op die manier buiten te werken was dezelfde als voor een reguliere tuchtzaak: het hof van beroep van Elisabethstad moest eerst om advies worden gevraagd. In augustus 1955 reisde Buisseret naar Belgisch-Congo en had daar o.a. een gesprek met vice-gouverneur-generaal Hendrik Cornelis over het dossier Grootaert. Cornelis adviseerde opnieuw om de zaak voorlopig in beraad te houden omdat "(...) een dergelijke maatregel in sommige kringen mogelijk als een straf van politieke aard zou kunnen geïnterpreteerd worden". 81

Cornelis raadde ook aan om even te wachten tot er tweetalige magistraten waren aangesteld bij het hof van Elisabethstad. Buisseret volgde die goede raad op, maar kreeg daarvoor meteen bitse kritiek vanuit zijn eigen administratie. Adjunct-adviseur Nestor Cornet zette in een lange nota uiteen dat de tijd begon te dringen: als Grootaert niet werd aangepakt in zijn zestiende dienstjaar, dan kreeg hij de kans om nog minstens drie jaar door te gaan met zijn tergerijen: "het is gedurende drie jaar dat mijnheer Grootaert zal kunnen volharden in zijn uitdagende en brutale houding t.o.v. de hoge gerechtelijke en administratieve autoriteiten (...)." 82

Gewoon ontslag was wél nog altijd mogelijk, maar dat was veel "schandelijker" en kon alleen voor de allerzwaarste feiten. Het hof zou zeker aarzelen om daarvoor positief te adviseren. Het zat de administratie vooral dwars dat de druk van buiten, vooral vanuit Vlaanderen, had meegewogen in de beslissing om Grootaert voorlopig met rust te laten: "Het zou onbillijk en voor de toekomst gevaarlijk zijn om een magistraat toe te staan om ongestraft de meest elementaire regels van de gerechtelijke deontologie met voeten te treden omdat hij, terecht of onterecht, een bepaald politiek etiket draagt. Kan de hoge taak die aan de hogere autoriteiten werd toevertrouwd inzake de discipline van magistraten geïnterpreteerd worden in functie van de politieke kleur of de houding inzake taalkwesties van de betrokken magistraat?" 83

In september en oktober 1955 gooide Grootaert zélf nog wat olie op het vuur. Hij gaf o.a. een soort 'persconferentie' voor de advocaten van Elisabethstad waarop hij toelichtingen verschafte over zijn discussies met zijn superieuren en zijn verzoekschriften bij de Raad van State. Hij bezorgde hen ook stukken uit het dossier. Procureur-generaal Merckaert was woedend. Maar begin oktober overspeelde Grootaert zijn hand. Ongevraagd stuurde hij minister Buisseret een lange brief waarin hij de standpunten toelichtte die hij zou (laten) innemen bij de Raad van State, in het dossier over de jaarlijkse beoordelingen. De wijdlopige brief ging daar nauwelijks over, maar bevatte zéér algemene beschouwingen over de toekomst van de kolonie. Die kon volgens Grootaert alleen maar veilig gesteld worden als de Congolese samenleving werd ingericht volgens aloude liberale principes. Een van de lezers van zijn brief, misschien Buisseret zelf, heeft het woord "liberaal" of daarvan afgeleide woorden onderstreept. Grootaert gebruikt de term liefst zestien keer, op vijf bladzijden. Grootaerts 'bekering' tot een liberalisme dat spoedig ook virulent antiklerikale trekken zou krijgen, moet heel recent zijn geweest. Zijn correspondent in Leuven, pater Van Reeth, had in oktober 1951 nog een brief afgesloten met de wens "God zegene u en uw werk" . 84 Buisseret voelde zich allesbehalve aangesproken door de nieuwbakken liberaal en vond dat de brief vooral Grootaerts "geestesgesteldheid" illustreerde en daar bedoelde hij duidelijk niets positiefs mee. Marquet ging verder en zag in de tekst een bewijs van Grootaerts "psychische onevenwichtigheid". Een paar weken later beval Buisseret om de procedure tot ontslag of afzetting 85 toch in gang te zetten..

Een college van drie raadsheren van het hof van beroep van Elisabethstad 86 hield vier zittingen over de zaak. Grootaert verscheen vrijwillig en presenteerde een Mémoire de Défense van liefst 200 bladzijden. Maar op 14 maart 1956 luidde het advies van de raadsheren dat er inderdaad best een einde kon gemaakt worden aan de carrière van de rechter. Het belangrijkste argument daarvoor was het lage rendement van Grootaert. Het hof had uitgerekend dat het werk waar hij een heel jaar voor nodig had gehad, in vijf maanden had kunnen gebeuren. Het lage aantal vonnissen werd niet gecompenseerd door hoge kwaliteit. Daarvoor waren er te veel zaken in beroep behandeld . Het hof hechtte veel minder belang aan de nochtans "onduldbare" manier waarop Grootaert "onafhankelijkheid" bleef verwarren met "opstandigheid", maar wees wel uitdrukkelijk de bewering van de hand dat de kwestie van de Nederlandstalige vonnissen een rol had gespeeld. Onduldbaar waren bijgevolg ook Grootaerts "(...) beledigende en puur gratuite beweringen, tekenend voor zijn pretentie, dat de oorzaak voor zijn slechte evaluaties en door zijn oversten uitgebrachte appreciaties te wijten zou zijn aan de houding die hij had aangenomen op taalkundig gebied en zijn beroep bij de Raad van State." 87

Het werk van rechter Grootaert verklaarde volgens zijn collega's voldoende wat er aan de hand was, zonder dat men de verdenking kon uiten dat de taalkwestie er voor iets tussen zat. Toch bleef ook hier weer wat dubbelzinnigheid bestaan. Want van de arresten die procureur-generaal Merckaert bij het dossier had gevoegd om Grootaerts onkunde te bewijzen, had er één betrekking op een Nederlandstalig vonnis dat uitdrukkelijk vanwege die taalkeuze hervormd was. Het hof verwees alleen in het algemeen naar de arresten als bewijslast, maar Grootaert bleef er bij dat daar de kern van de zaak lag . Hij weerde zich bijzonder fel en had in mei 1956 al vijf verschillende dossiers bij de Raad van State lopen, o.a. tegen beslissingen ge- nomen in de ontslagprocedure zélf. Toch moet hij ook gevoeld hebben dat de grond onder zijn voeten heet werd. Hij begon uit te kijken naar ander werk en probeerde een aanstelling als hoogleraar koloniaal recht aan de universiteit van Gent uit de brand te slepen. Hij werd daarbij méér dan een handje geholpen door rector Gillis, die hem zelfs toestond om te solliciteren nadat de raad van bestuur al een oordeel had geveld over de andere kandidaten. 88

Met het advies van het hof van beroep in de hand stond er niets nog in de weg om Grootaert "ambtshalve" te ontslaan. Toch gebeurde dat niet. En het was nog altijd niet gebeurd toen de rechter op 13 april voor zes maanden op vakantie naar België vertrok. De administratie had Grootaerts dienstjaren opnieuw onderzocht en was tot de conclusie gekomen dat zijn zestiende dienstjaar pas één maand en vijftien dagen ná die vakantie zou aflopen. Er was dus nog wel wat tijd, maar André Marquet wilde niet meer wachten. Hij was er intussen van overtuigd dat Grootaert een psychisch probleem had en dat zijn professionele falen het resultaat was van "(...) de versnippering en de verwarring van zijn brein". 89

Hij liet het Koninklijk Besluit waarmee een einde werd gesteld aan Grootaerts carrière letterlijk klaarmaken. Het bestaat dus wel degelijk, als een ongedateerd, ongetekend document. 90

Marquet stelde voor om er de datum 14 april 1956 op te plaatsen, de dag nadat Grootaert met vakantie was vertrokken.

De grote finale

Buisseret wilde eerst het héle dossier lezen. Gouverneur-generaal Petillon stuurde het hem vrijwel meteen toe, samen met een brief waarin hij zich nogmaals achter het advies van het hof van Elisabethstad plaatste. In die uiteenzetting is geen sprake van het Nederlandstalige vonnis, maar de gouverneur-generaal gebruikt wel zinnen die akelig dicht in de buurt komen van wat voorzitter Hamoir daarover in 1952 geschreven had: "Zijn zucht naar originaliteit, zijn zoektocht naar oplossingen die systematisch afwijken van stellingen die in het algemeen werden aangenomen door de jurisprudentie (...) hebben er voor gezorgd dat mijnheer Grootaert een doodlopende weg is ingeslagen." 91

De zaak lag nu bij Buisseret op tafel. Maar de minister ondernam geen actie. De administratie van Koloniën werd ongeduldig. Om Buisseret te overtuigen dat hij moest doorbijten liet Marquet een bloemlezing samenstellen uit de talrijke negatieve beoordelingen die in de loop der jaren over Grootaert waren neergeschreven. Ze leest als een echt 'zwartboek'. 92 De goede, tot soms zeer goede evaluaties die Grootaert ook wel eens had gekregen, ontbraken volledig. Maar nog kwam Buisseret niet in beweging.

Grootaert verbleef in de zomer van 1956 met zijn familie in Oostende. Volgens De Standaard verhinderde zijn bescheidenheid hem om zich waar dan ook "op te dringen" voor de minister een besluit had genomen. In werkelijkheid gebruikte hij zijn vakantie wel degelijk om aan allerlei touwtjes te trekken. Hij speelde op een steeds driestere manier de (antiklerikale) liberale partijkaart uit en stond er blijkbaar geen ogenblik bij stil dat dat slecht rijmde met zijn voortdurende gehamer op de 'onafhankelijkheid van de rechter'.

In een brief aan Victor Sabbe, ondervoorzitter van de Liberale Partij, luidde het: "Is het niet mogelijk om, mits de nadruk te leggen op de liberale beginselen, de steun te bekomen van de liberale partij in haar geheel om minister Buisseret te doen beslissen géén gevolg te geven aan het advies van het (katholiek) Hof van Beroep in Elisabethstad?" 93

Grootaert slaagde er zelfs in om een keer door Buisseret zelf ontvangen te worden, maar dat leverde weinig op: de minister beweerde (op 17 juli 1956!) dat hij het dossier nog niet gezien had. 94

Het kabinet van Buisseret en het gouvernement-generaal in Leopoldstad zagen met lede ogen aan dat Grootaerts versie van de feiten zonder meer werd overgenomen door de Vlaamse kranten. Gouverneur-generaal Petillon voelde zich verplicht om een perscommuniqué te verspreiden: "Bepaalde persorganen hebben onlangs aan mijnheer Petillon een interventie bij de hogere rechtsmacht toegeschreven die er toe diende te leiden dat een in het Nederlands uitgesproken gerechtelijke beslissing zou herzien worden. Dezelfde bronnen brachten het bericht dat er zou overwogen worden om maatregelen te nemen tegen de auteur van dit vonnis. Dergelijke berichten missen elke grond. Geen enkele interventie van de gouverneur-generaal is mogelijk in een zaak die uitsluitend tot de competentie van de gerechtelijke macht hoort." 95

Deze verklaring was koren op de molen van Grootaert die Buisseret van op zijn vakantieadres meteen schreef dat Petillon nu zélf bewees dat de gevolgde procedure om hem uit de magistratuur te verwijderen onwettig was. De wet schreef immers wél een demarche van de gouverneur-generaal voor om zo'n procedure in gang te zetten. Buisseret antwoordde niet meer.

De druk op de minister van Koloniën werd groter. De Vlaamse kranten berichtten uitvoerig en vol sympathie voor Grootaert over de affaire. Op 23 juli bood zich een groep Vlaamse volksvertegenwoordigers (van bsp , cvp en de Liberale Partij) o.l.v. Lode Craeybeckx in zijn kabinet aan om Grootaerts zaak te verdedigen en aan te dringen op taaldecreten.

Buisseret beloofde er werk van te maken na zijn al lang geplande reis naar Congo. Victor Sabbe bood Buisseret een "elegante oplossing" aan: hij moest er bij zijn collega van onderwijs gewoon op aandringen om Grootaert in Gent te benoemen. Hij gaf hem de verzekering dat Grootaert een onverdachte liberaal was en wees hem erop dat "we er verkeerd aan zouden doen om onze mannen het leven moeilijk te maken en nodeloze problemen te scheppen daar waar we er in tegendeel trots op zouden kunnen zijn om zulke karaktervolle lieden als hij bewezen heeft te zijn onder ons te hebben." 96 Buisseret hapte niet toe.

Het werd september 1956 en nog altijd was de knoop niet doorgehakt. De tijd begon nu echt te dringen. Als Grootaert de kans kreeg om terug te keren naar Congo, dan bleef er daarna nog net anderhalve maand over van zijn zestiende dienstjaar. Marquet vroeg zich hardop af of het wel verantwoord was om reiskosten te maken (niet alleen voor Grootaert, maar ook voor zijn vrouw en vier kinderen), als hij daarna toch zou 'ontslagen' worden. Hij drong nog maar eens aan op een dringende beslissing. In de marge van zijn nota heeft een kabinetsmedewerker genoteerd: "Deze zaak heeft een politiek aspect gekregen. De huidige situatie vergt dus grote omzichtigheid. Laten we geen martelaar scheppen. Ik meen dat het aangewezen is dat M. Grootaert naar Afrika terugkeert, zelfs voor een korte tijd." 97

Ook Grootaert zelf werd onrustig. Het was hem duidelijk geworden dat de operatie om hem aan een benoeming aan de universiteit van Gent te helpen mislukt was. Hij schreef eerste minister Van Acker op 9 september daarom rechtstreeks aan: "Normaal moet ik midden November terug in Kongo zijn. Normaal zou ik nu mijn afreis moeten beginnen voorbereiden (...) Ik kan toch geen uitgaven doen om terug naar Kongo te gaan die dan nutteloos zijn als ik hier moet blijven, vooral niet omdat ik zonder broodwinning zal zijn met vier kinderen ten laste." 98

Buisseret kwam onder steeds grotere druk te staan, van zijn eigen administratie, maar ook van de pro-Grootaert lobby in Vlaanderen. Hij kreeg opnieuw een groep Vlaamse Kamerleden op bezoek, weer onder leiding van Lode Craeybeckx. De Vlaamse Conferentie van de balie bij het hof van beroep in Gent keurde een motie goed die ze aan koning Boudewijn liet bezorgen. Dat laatste had dan weer als gevolg dat de kabinetschef van de koning, René Lefébure, in naam van de vorst aan Van Acker om "(...) bijzondere aandacht (...) voor de taaltoestanden in Kongo [vroeg] " . 99 Een opvallend terughoudende stem was die van Jos Lamote in De Week .

Lamote verzocht zijn lezers bij herhaling om de 'Zaak Grootaert' te scheiden van de strijd om het Nederlands en om van de rechter geen martelaar te maken. In een reeks van drie lange artikels probeerde hij een inzicht te verschaffen in het 'échte' dossier Grootaert.

Buisseret vroeg Van Acker einde september om de 'Zaak Grootaert' op een speciale zitting van de kabinetsraad te behandelen, samen met twee andere 'brandende' zaken: het Ingaproject 100 en de regeling van het vakbondsstatuut. De notulen van de kabinetsraden zijn nog altijd niet toegankelijk 101 , maar losse stukken uit het archief van Achille Van Acker leren dat de zaak uiteindelijk in de eerste week van oktober 1956 door de regering werd besproken.

Buisseret had de discussie grondig voorbereid en al zijn collega's 102 een nota bezorgd met achtergrondinformatie over Grootaert. Het 'zwartboek' dat Marquet over de rechter had opgesteld, kwam nu goed van pas. Buisseret had zijn keuze gemaakt: aan de carrière van Grootaert moest nu een einde gemaakt worden: "Weigeren te handelen t.o.v. een man wiens professionele gedrag iedereen kent door de ruchtbaarheid die hij zelf aan zijn geval gegeven heeft, zou moeilijk verdragen worden door de magistratuur en door de balie. Dit niets doen zou een zeker verlies van autoriteit met zich mee brengen en zou trouwens de betrokkene aanzetten om te volharden in zijn houding." 103

En natuurlijk bevestigde Buisseret ook nog eens dat de taalkwestie in wezen niets te maken had met heel de affaire. Hoe de discussie in de kabinetsraad verlopen is, weten we (nog) niet. Het resultaat kennen we wel: de regering volgde Buisseret niet en besloot om Grootaert naar Congo te laten terugkeren, zondere enige formele straf of berisping. Buisseret stelde Grootaert daar op 11 oktober al "vertrouwelijk" van op de hoogte toen hij hem op zijn kabinet ontving en hem bij die gelegenheid opnieuw "verwittigde". 104 Met zijn beroemde 'gezond verstand' zal premier Van Acker ook wel geweten hebben dat rechter Grootaert een 'geval' was. Wellicht heeft hij de balans opgemaakt: door de bijzonder krachtige Vlaamse lobby voor het hoofd te stoten, konden zijn partij en de liberale coalitiepartner méér schade oplopen dan door de koloniale hiërarchie in de steek te laten. Lode Craeybeckx verwittigde Van Acker daarvoor: "Het ware werkelijk hoogst spijtig, dat de regering in de zaak Grootaert aan de C.V.P. een welkome gelegenheid zou schenken om weer eens als 'redresseur des torts' op te treden en de publieke opinie in beroering te brengen." 105

De man die het grootste gezichtsverlies leed was gouverneur-generaal Petillon, maar die stond aan het einde van zijn carrière en was geen partijgenoot. En Van Acker wist ook heel goed dat de krachten die in Belgisch-Congo sinds kort aan het werk waren, de traditionele hiërarchie hoe dan ook in de hoek zouden drijven.

Petillon was in feite de laatste gouverneur-generaal. Zijn opvolger zou alleen nog de overgang naar de nieuwe politieke structuren moeten begeleiden. Hoewel de zaak begin oktober afgehandeld was, bracht Buisseret Petillon officieel niet meteen op de hoogte. Het manoeuvre was nogal doorzichtig: door Grootaert na het einde van zijn vakantie niet zomaar naar Congo te laten vertrekken, maar hem "ter beschikking" te houden in België, gaf de minister de buitenwereld de indruk dat hij toch op een of andere manier was 'opgetreden' tegen de rechter.

Om die maskerade effectief te laten zijn, moest Grootaert dat spel meespelen. En dat deed hij blijkbaar ook, wat ervoor zorgde dat zijn vurige verdedigers nog een tijdje met hun acties doorgingen toen dat al lang niet meer nodig was. Lode Craeybeckx belegde begin november nog een grote bijeenkomst bij hem thuis met een groep parlementsleden van de drie grote partijen, waarop hij ook Grootaert en Buisseret uitnodigde. Bij zijn invitatie voegde Craeybeckx ook een bladzijde uit de Max Havelaar van Multatuli: de Barbertje moet hangen -passage. 106

Jos Lamote van De Week hoorde uit Brusselse bronnen over de beslissing en vroeg Grootaert om een bevestiging. Die antwoordde dat hij nog altijd niets gehoord had van Buisseret. 107

Pas op 22 december deelde Buisseret de beslissing in de 'Zaak Grootaert' officieel mee aan gouverneur-generaal Petillon, in een zeer beknopte nota. Hij zegt daarin het voorstel tot beëindiging van Grootaerts carrière niet uit te voeren "conform het advies van de Kabinetsraad". Hij had Grootaert op het matje geroepen: "Ik heb mijnheer Grootaert vermanend toegesproken." 108 Daar moesten Petillon en het hof van Elisabethstad het mee stellen.

De terugkeer en het naspel

Grootaert keerde uiteindelijk pas op 23 januari 1957 terug naar Elisabethstad. Kort voor zijn vertrek had een kennis hem geschreven: "Gij hebt uw grote strijd gestreden van met uw aankomst in Kongo en hebt hem nu voltallig gewonnen en 't is wel dank aan uw klare geest, klare dialectiek, wijze redekaveling. Wees nu kalm en bezadigd op voorbeeldige wijze zodat uw loopbaan bekroond weze als deze van een oude in jaren." 109

De krant L'Avenir Colonial , die in Leopoldstad werd uitgegeven, vestigde de aandacht van haar lezers op de terugkeer van de rechter met een groot stuk onder de titel: Ce qu'est exactement l'Affaire Grootaert .

Een "correspondent uit Katanga" feliciteerde Grootaert voor de kunstige manier waarop hij zijn persoonlijke capriolen had weten om te zetten in "heldendaden voor de moedertaal" en daarbij, voor zijn eigen profijt maar in naam van de heilige zaak een grote groep goedbedoelende Vlamingen had weten te mobiliseren: "(...) de pastoors van de Kempense dorpjes, de socialisten van de gemeenteraad van Antwerpen, de liberale vakbonden en de redenaars van de IJzer." 110

Volgens L'Avenir was de grote les van deze geschiedenis dat men zich in 'Congolië' alles kon permitteren, als men er maar de politiek en de politici bij betrok.

Jos Lamote van De Week juichte Grootaerts terugkeer toe als een nederlaag voor Buisseret, maar zijn reserve t.o.v. de persoon Grootaert bleef opvallend sterk. Hij hoopte dat de parlementaire Grootaert-lobby zich in de toekomst ook zou blijven inspannen voor "kleine mensen" die niet over de middelen van een Grootaert beschikten, om daarna abrupt afscheid van heel de affaire te nemen: "Daarmee is het persoonlijk geval van Rechter Grootaert van de baan. We spreken er niet meer over." 111

Aan kamerlid Hilaire Lahaye, een van zijn liberale vrienden, schreef Grootaert in een dankbrief voor zijn inspanningen dat de regering een "les in civisme" had gegeven aan de bevolking en de magistratuur door hem niet af te danken. "Het is te hopen dat ze deze les van liberalisme zullen begrijpen." 112

Tegenover Lode Craeybeckx, die ook bedankt werd, klonk het natuurlijk anders: "Ik druk hier nogmaals mijn gelukwensen uit voor de krachtdadigheid en de standvastigheid waarmede U mijn persoonlijke zaak en onze Vlaamse belangen in het algemeen geleid hebt . " 113

De hele historie had geen ander mens gemaakt van Jozef Grootaert.

Hij nam bijna meteen zijn oude gewoonte weer op om brieven te sturen naar Buisseret en Van Acker, om hen erop te wijzen dat hij telkens weer gepasseerd werd als er benoemingen voor het hof van beroep dienden te gebeuren.

Ook Piet Vermeylen, minister van Binnenlandse Zaken, kreeg brieven.

Grootaert meende te weten dat Vermeylen een van zijn belangrijkste pleitbezorgers in de kabinetsraad was geweest.

Het hielp allemaal niet veel. Bijna twintig jaar na zijn aankomst in Belgisch-Congo was Jozef Grootaert nog altijd 'alleen maar' rechter en dat zat hem dwars.

Het dossier van het Nederlands in de kolonie was door het hele gedoe overigens wél wat in beweging gekomen. Op 5 februari 1957 werd eindelijk het decreet over het gebruik der talen in rechtszaken getekend, 44 jaar te laat. Het decreet plaatste het Nederlands en het Frans op gelijke voet in de procedure, maar het legde geen tweetaligheid op aan rechters. Rechters die geen Nederlands verstonden, m ochten vertalers inschakelen of de zaak doorgeven aan een andere rechter. 114

Vier maanden later volgde een echt gloriemoment voor Grootaert. Het Hof van Cassatie verwierp op 27 juni 1957 de stelling van het hof van beroep van Elisabethstad dat het Nederlands als ongeldige taal had afgewezen. 115

De redenering van Cassatie was uiterst simpel en helder: een decreet en a fortiori de afwezigheid van een decreet, kon nooit afbreuk doen aan een fundamenteel recht. Het waren vijgen na Pasen, omdat er intussen een decreet was, maar voor Grootaert smaakten die bijzonder zoet. Hij liet dan ook niet na om zijn oversten met de grootste nadruk op de uitspraak van Cassatie te wijzen. Vanzelfsprekend las hij het arrest als een afwijzing van de voorgenomen tuchtprocedure in haar geheel: "Mijn geval illustreert de noodzaak om de onafhankelijkheid en de onafzetbaarheid van rechters te garanderen." 116

Voorts ging hij nog maar eens aan de klaagmuur staan: de affaire had zijn carrière gebroken en hem een vakantie en veel geld gekost.

De koloniale administratie toonde zich een slechte verliezer. Omdat Cassatie maar in tweede orde over het Nederlands geoordeeld had, meende Marquet dat er nog altijd geen uitspraak was over de grond van de zaak.

En wat Grootaert zélf aanging, bleef hij bij zijn oude oordeel dat rechter Grootaert had moeten afgezet worden vanwege de verwarring in zijn hoofd. Het waren hoe dan ook alleen nog maar schermutselingen in de achterhoede. Belgisch-Congo denderde nu met grote snelheid op zijn onafhankelijkeid af en het zag er niet naar uit dat er in de nieuwe Congolese staat veel plaats voor het Nederlands zou zijn.

De eerste keer dat de Congolese elite daarover meepraatte, toen de provincieraden mochten adviseren over de talen die in het onderwijs zouden gebruikt worden, nam zij een overwegend afwijzende houding aan.

Vijf van de zes provincies kozen voor het Frans als eerste, verplichte taal.

Alleen Katanga, waarschijnlijk met de hete adem van de Vlaamse Vrienden Kring in de nek, wilde de keuze laten tussen Frans en Nederlands. De afkeer van de Congolese elite voor een mogelijke tweetaligheid zou in de daaropvolgende maanden alleen maar sterker worden.

De kwestie hield Grootaert in de laatste jaren van zijn koloniale carrière ook nauwelijks nog bezig. Hij bleef achter een bevordering jagen en haalde die uiteindelijk ook binnen: op 16 juli 1957 werd hij benoemd als plaatsvervangend raadsheer aan het hof van beroep in Leopoldstad.

In de laatste maanden voor de onafhankelijkheid stortte hij zich, met een uitgesproken liberaal profiel, in het politieke gewoel. Hij probeerde een liberaal instituut voor de vorming van zwarte politieke kaders ( ifpa ) 117 van de grond te krijgen en vatte een grote studie van de hervormingen van de Congolese rechtbanken aan.

Dat belette hem allemaal niet om tegelijk te hengelen naar een benoeming bij de Raad van State in Brussel. 118

Hij zocht contact met verschillende zwarte leiders en slaagde er ten slotte in om adjunct-kabinetschef te worden van de eerste Congolese premier, Patrice Lumumba, die nauwelijks twaalf weken aan de macht zou blijven.

Grootaert deelde dan ook in Lumumba's politieke lot, al bracht hij het er wel levend vanaf.

Na Lumumba's afzetting en arrestatie probeerde hij zijn werk als raadsheer weer op te nemen, maar op 6 januari 1961, twaalf dagen voor de moord op Lumumba, deed de eerste Congolese president, Joseph Kasavubu iets waar Auguste Buisseret was voor teruggedeinsd: hij ontsloeg raadsheer Grootaert.

Grootaert raakte daarna zelfs nog even in gevangenschap, maar wist te ontsnappen.

Op 6 maart 1961 bevond hij zich, onder een valse naam, op het schip *Charlesville, op weg naar Antwerpen. (119) Anderhalve ton bagage en archief reisden hem achterna, op een ander schip.

 

Nabeschouwingen

Toen Vlamingen en Franstaligen er in 1932 voor kozen om België administratief op te delen in homogene taalgebieden, creëerden ze in één klap een groot probleem voor de Belgische kolonie, waar zo'n opdeling redelijkerwijze niet viel te realiseren.

Bovendien bepaalde het Koloniale Charter van 1908 dat er in Congo taalvrijheid heerste en dat de taalrechten van Vlamingen en Franstaligen er op dezelfde manier beschermd waren als in België.

Dat bleef lange tijd dode letter, maar na de opening van een aparte Nederlandstalige afdeling van de Koloniale School begon de 'moederlandse' administratieve logica zich te laten gelden in Belgisch-Congo.

De eerste in het Nederlands opgeleide koloniale ambtenaren arriveerden in 1937 en van dan af kwamen er scheuren in het monopolie van het Frans als koloniale bestuurstaal. De koloniale biografie van Jozef Grootaert en een paar van zijn generatiegenoten stelt ons in staat om een paar beelden i.v.m. de Vlamingen in Belgisch-Congo te verfijnen.

Dat het cliché van de tot na de Tweede Wereldoorlog in de kolonie 'slapende' Vlaamse beweging niet helemaal klopte, wisten we al, o.a. door de studie van het dossier van Wilfried Borms. Maar dat de Vlaamse 'agitatie' zo sterk was geweest dat ze in 1944 al (even) een volledig tweetalig geleid district (Stanleystad) had weten af te dwingen is wellicht nieuw.

Bijgevolg moeten we ook het beeld van de starre Franstalige koloniale administratie enigszins bijschaven. In sommige van haar lokale geledingen was ze soepel genoeg om de Vlaamse eisen van een aantal individuen (die nauwelijks contact met mekaar hadden) op te vangen.

Zeker is dat gouverneur-generaal Ryckmans niet van plan was om daar een 'systeem' van te maken. Het valt op dat zijn belangrijke richtlijnen i.v.m. de erkenning van het Nederlands, die hij al in 1939 formuleerde, niet algemeen bekend gemaakt waren. Hooggeplaatste functionarissen moesten die, tot hun verbazing, zelf ontdekken in conflictsituaties.

De gouverneur van Lusambo (in de zaak Borms in 1941), noch de gouverneur van Costermansville (in de zaak Braeckman in 1943) hadden er ooit van gehoord. De meeste Vlaamse kolonialen ontdekten de richtlijnen pas in 1950, toen pater Van Reeth ze bekend maakte op het Davidsfondscongres. 12

De details van de eigenlijke 'Zaak Grootaert' bieden dan weer een blik op de dynamiek van een stukje Vlaamse beweging.

De harde, reactionaire arresten van het hof van beroep van Elisabethstad, die bepaalden dat het Frans de enige geldige taal voor de 'Europese' rechtbanken in Belgisch-Congo was, brachten de beweging in het moederland in een toestand die men zou kunnen omschrijven als een 'kaakslagroes'.

De stukken van het dossier Grootaert laten er geen twijfel over bestaan: rechter Grootaert was wel degelijk een 'geval'. Hij was allesbehalve de onkreukbare rechter wiens enige fout het was geweest om in het Nederlands recht te spreken.

Toch namen zowat alle Vlaamse woordvoerders dat beeld over, soms letterlijk tegen beter weten in. 121

Grootaert was een complexe figuur, niet wars van intriges.

In de jaren vijftig spoorde zijn nationalistische engagement, dat hij lang te slapen had gelegd, opvallend goed met zijn carrièrezucht. Zijn problemen met de overheid waren ook véél ouder dan zijn Nederlandstalige vonnissen.

Hij vocht die conflicten ook niet exclusief met Franstaligen uit.

Zijn houding heeft zeker de Vlaamse emancipatie in Belgisch-Congo bevorderd, maar dat gebeurde in een roes die niet alleen politici en juristen, maar ook journalisten meesleurde.

Men kan alleen vaststellen dat de combinatie van een vermeend 'martelaarschap' met een rationele eisenbundel effectief 'werkte'.

De regering deinsde terug voor een beslissing die ze in een nuchtere sfeer zonder aarzelen zou genomen hebben en voelde zich langs de andere kant door de herrie verplicht om eindelijk werk te maken van de taaldecreten.

Met de comfortabele marge die we nu hebben om achterom te kijken, stellen we natuurlijk ook vast dat het hele geval Grootaert en de Vlaamse strijd in het Congo van de jaren vijftig in het algemeen hopeloze gevechten aan de voet van een vulkaan zijn geweest.

De Vlaamse en de Congolese emancipatiebeweging stonden in de nadagen van de kolonie met de rug naar mekaar.

Na de explosie van de onafhankelijkheid was artikel 3 van het Koloniale Charter écht niet meer aan de orde.

Congo's eerste 'grondwet', de Loi Fondamentale van 19 mei 1960 122 , liet het aan de Verenigde Kamers van het onafhankelijke Congolese parlement over om te bepalen in welke taal het zou vergaderen.

Tot die keuze zou gemaakt zijn, werd er in het Frans vergaderd. Maar wie dat wilde kon een beroep doen op tolken die van en naar het Swahili, Lingala, Tshiluba of Kikongo zouden vertalen.

Van de Loi Fondamentale , die een zuiver Belgische wet was, bestaat er een Nederlandse tekst.

Die vormt in zekere zin het officiële afscheid van het Nederlands in Congo.

Het onafhankelijke Congolese parlement begon in het Frans te vergaderen zonder daar ooit uitdrukkelijk voor te kiezen. In de verslagen van de historische zittingen van de Verenigde Kamers duikt het taalgebruik een enkele keer op: de procedure om de president te verkiezen, werd ook in de vier 'officiële' inlandse talen uitgelegd 123

Daarna vergaderde het parlement nog uitsluitend in het Frans.

Dat was ook de taal waarin premier Lumumba en president Kasavubu hun mededelingen deden.

De Congolezen hadden spoedig andere dingen aan hun hoofd dan officiële taalregelingen.

De oude slogan "de taal is gans het volk" werkte in de ex-kolonie op een 'perverse' manier: als er nog iets was wat de vele Congolese volkeren bij mekaar hield na 30 juni 1960, dan was het juist een taal die 'niet' de hunne was, maar die van hun ex-kolonisator.

 


 
Wenst U meer hierover te lezen bekijk pdf op deze link
http://www.wt.be/index.php/wt/article/viewFile/4370/267

WT. Tijdschrift over de geschiedenis van de Vlaamse beweging WT. Tijdschrift over de geschiedenis van de Vlaamse beweging verschijnt driemaandelijks en stelt zich tot doel de geschiedenis van de Vlaamse beweging in de breedste zin van het woord te behandelen op een academisch niveau. WT is opgenomen in het Vlaams Academisch Bibliografisch Bestand voor de Sociale en Humane Wetenschappen. WT wordt uitgegeven door het ADVN (Antwerpen). Op inhoudelijk vlak werkt de redactie volkomen autonoom. Zij wordt in haar taak bijgestaan door de internationale adviesraad en de bureauredactie.

Bureauredactie & abonnementen ADVN Lange Leemstraat 26 | 2018 Antwerpen [T] ++32 (0)3 225 18 37 [E] info@wt.be

Bijschriften :

  • 1. Zie Bulletin Officiel/Ambtelijk Blad , jg. 1908-1909, voor de volledige tekst van het Koloniale Charter
  • 2. W. Geerts & M. Ruys, Kongo , in: R. De Schryver, e.a. (red.), Nieuwe Encyclopedie van de Vlaamse Beweging (NEVB) , Tielt, 1998, dl. 2, p. 1743. Het tekstgedeelte over Grootaert is zeer onnauwkeurig. Zijn naam is fout gespeld en het beroemde vonnis is fout gedateerd. Dat vonnis was ook niet het eerste dat in Belgisch-Congo in het Nederlands werd uitgesproken.
  • 3. Rechtskundig Weekblad , jg. 19, 1956, nr. 42.
  • 4. Rijksarchief Brugge (RB), Archief Van Acker/1779B: Brief van L. Craeybeckx aan A. Van Acker, 28 september 1956.
  • 5. De Standaard , 25 juli 1956
  • 6. Even later diende een groep volksvertegenwoordigers van het VNV tot tweemaal toe een rationeler wetsvoorstel in, dat o.a. voorzag in algemene, verplichte tweetaligheid van de koloniale ambtenaren, die zouden verdeeld worden over twee taalgroepen. (Wetsvoorstel nr. 122 van de zittingsperiode 1937-1938, opnieuw ingediend als nr. 53 tijdens de 'buitengewone zitting' van 1939). Het voorstel om Belgisch-Congo op te delen in Vlaamse en Waalse delen was eerder al geformuleerd door Herman Vos in zijn Federaal Statuut , een ontwerp voor een nieuwe grondwet, ingediend in de Kamer op 25 maart 1931. Artikels 152 en 153 beschrijven wat er met Belgisch-Congo precies moet gebeuren.
  • 7. Ministerie van Buitenlandse Zaken, Afrika-Archief (AA)/PPA/111 (3335): Nota 12/32304/2854 van 28 november 1935. M. Halewyck de Heusch, auteur van een gezaghebbende studie over het Koloniale Charter , had ook ernstige bedenkingen bij een andere maatregel van Rubbens. In december 1936 had die opdracht gegeven om de convocaties voor de Koloniale Raad, het hoogste orgaan in Belgisch-Congo, zowel in het Nederlands als in het Frans te versturen. Halewyck vond dat onwettig en wees erop dat het zware praktische gevolgen kon hebben. Hij was voorstander van tweetaligheid, maar die moest geleidelijk ingevoerd worden op een wettelijke basis. Door plots te breken met de gewoonte om alleen Frans te gebruiken gaf de Koloniale Raad een slecht voorbeeld, dat individuele ambtenaren zouden kunnen aangrijpen. "Er zou geen middel meer zijn om wie dan ook in Congo te verhinderen zijn zin te doen. De koloniale agent, de beheerder zouden kunnen profiteren van het door de hogere instantie toegepaste regime om zich van de Vlaamse taal te bedienen zonder rekening te houden met de taalkennis van zijn chefs. (...) Zowel bij de administratie als in de rechtsuitoefening zou er zich een wanorde (...) voordoen die niet zou bedwongen kunnen worden." Zie: AA/PPA/110 (3335), nota 12/CC/2398 van 14 december 1936. (Citaten in het Frans zijn vertaald naar hedendaags Nederlands. Citaten in het Nederlands zijn in hun oorspronkelijke spelling overgenomen.) Het Afrikaans Archief is een afdeling van het Ministerie van Buitenlandse Zaken in Brussel. De auteur dankt mevrouw Françoise Peemans en haar medewerkers, in het bijzonder de heer Alain Gérard, voor hun medewerking.
  • 8. Zie hiervoor: B. Govaerts, Wilfried Borms in Belgisch-Congo, in: Wetenschappelijke tijdingen , jg. 61, 2007, nr. 1.
  • 9. In Belgisch-Congo droegen een aantal provincies lange tijd de naam van hun hoofdstad. Om verwarring te vermijden gebruiken we de Franse naam (bv. Coquilhatville) voor de provincie en de Nederlandse (bv. Coquilhatstad) voor de hoofdstad.
  • 10. Archief Université Libre de Bruxelles, Archief Grootaert (ULB)/ULB 12: Nota van J. Grootaert aan de substituut-procureur, 30 september 1 938. De documenten in het archief van de Université Libre de Bruxelles, die samen het persoonlijke archief van Jozef Grootaert vormen, zijn nog niet geïnventariseerd. Ze zijn zonder veel ordening opgeborgen in twintig genummerde dozen. De nummers in de voetnoten verwijzen daar naar.
  • 11. Edmond Rubbens was plots overleden op 27 april 1938, op 44-jarige leef tijd.
  • 12. Grootaert vergist zich. Albert De Vleeschauwer doceerde nooit in Gent. Hij verwart hem waarschijnlijk met diens neef, de filosoof Herman Jan De Vleeschauwer.
  • 13. AA/SPA 1146/6825: Brief van J. Grootaert aan F. Lecerf, 27 oktober 1938. Citaat opgenomen in een brief van J. Grootaert aan de minister van Koloniën, A. De Vleeschauwer, 11 januari 1939.
  • 14. AA/SPA 1146/6825: Maar nu een citaat uit een brief van J. Grootaert aan F. Lecerf, 11 januari 1939.
  • 15. AA/SPA 1146/6825: Citaat uit de brief van J. Grootaert aan A. De Vleeschauwer zélf (in het Frans), 11 januari 1939.
  • 16. AA/SPA 18401 (K2930), brief zonder referentienummer: Brief van D-J. Braeckman aan de provinciecommisaris van Coquilhatville, 18 september 1938. Een ambtenaar van het provincie-secretariaat schreef in de marge: "Hij is geheel gans gek. (ggg). Hoe aanmatigend!" . 'Provincie-commissaris' was tot in 1941 de hoogste graad in de koloniale provincies. Om het prestige van de functie te verhogen gebruikte men vanaf dat ogenblik de titel 'gouverneur'.
  • 17. AA/SPA 18401, brief zonder referentienummer: Brief van D.-J. Braeckman aan V. Brebant, 4 november 1938.
  • 18. AA/SPA 18401, brief nr. 7: Brief van D.-J. Braeckman aan de provinciecommissaris, 31 december 1 938.
  • 19. AA/SPA 18401, brief nr. 2962: Brief van gouverneur-generaal P. Ryckmans aan de provincie-commissaris van Coquilhatville, 11 maart 1939. Uit deze brief is later dikwijls geciteerd, maar alleen hier is hij in zijn geheel terug te vinden. Dit belangrijke document werd niet meteen algemeen verspreid. Het provinciesecretariaat van Coquilhatville stuurde het alleen nog door naar het gewest Congo-Ubangi.
  • 20. AA/SPA 18401: Stagerapport over D.-J. Braeckman, opgesteld door G. De Brier, hoofd-gewestbeheerder, 29 november 1939.
  • 21. AA/SPA 1146/6825, nota 492/Sec/P-I: Nota van F. Lecerf aan J. Grootaert, 9 juni 1939.
  • 22. AA/SPA 1146/6825, brief 3/5/R/Sec: Brief van J. Grootaert aan F. Lecerf, 12 juni 1939
  • 32. AA/ SPA 18401, brief 1643/P/Pers: Geciteerd in brief van procureur des Konings R. Sindic aan "mijnheer de politierechter" (in dit geval Braeckman), 23 april 1943.
  • 33. AA/SPA 18401, brief 2795/P/Pers: Brief van procureur R. Sindic aan D.-J. Braeckman, 5 juli 1943.
  • 34. AA/SPA 18401, nota gevoegd bij Brief 155: Brief van D.-J. Braeckman aan procureur des Konings, 12 juli 1943.
  • 35. AA/SPA 18401, brief 911/Sec Pers: Brief van gouverneur J. Noiret aan de gouverneur-generaal, 31 juli 1943.
  • 36. AA/SPA 18401, brief 8106 (Personeelsdienst): Brief van P. Ryckmans aan D.-J. Braeckman, 17 juli 1943.
  • 37. AA/SPA 18401: Notes Biographiques door districtscommissaris Lauwers, 16 oktober 1944. Lauwers schreef: "Hij is toegewijd en bewijst grote diensten, meer bepaald op juridisch vlak. Hij geef t een legale vorm aan de beslissingen en handelingen van het districtshoofd. Hij vertaalt de beslissingen van de districtscommissaris in het Vlaams en maakt daardoor het tweetalige beheer van het district perfect mogelijk."
  • 38. Schoeller zal zeker ook gedacht hebben aan het Nederlandstalige vonnis dat Roger De Maegd in 1941 al had uitgesproken in de politierechtbank van Kasenga. Het had voor een klein 'incident' gezorgd. Albert De Vleeschauwer was persoonlijk tussengekomen en had De Maegd geschreven dat hij géén fout had gemaakt, maar de zaak moest laten rusten tot na de oorlog. (Kopie van De Vleeschauwers brief in het dossier Braeckman)
  • 39. Revue Juridique du Congo Belge , jg. 23, 1947, nr. 1, pp. 74-78.
  • 40. De consequente houding van Braeckman doet de vraag naar de bron van zijn engagement rijzen. Zoals bij alle kandidaat-gewestbeheerders waren zijn achtergronden gecontroleerd bij zijn inschrijving in de Koloniale School. Alle referenties waren positief, maar één daarvan was wel politiek getint. Braeckman was van 1 juli 1936 tot 1 maart 1937 de privésecretaris geweest van Rex-senator Paul De Mont. Correspondentie hierover in Bibliotheek Buitenlandse Zaken (BZ), N 9258. De bibliotheek van het Ministerie van Buitenlandse Zaken in Brussel bewaart het zogenaamde archief van de coöperatie, waarin zich aanvullende personeelsdossiers bevinden van koloniale ambtenaren en ontwikkelingswerkers.
  • 41 , die volgens hem op het terrein, door zijn collega's dus, gesaboteerd werd. Omdat Grootaert zijn meningen hogerop in de hiërarchie liet noteren, kreeg hij opnieuw problemen met zijn directe omgeving. De taalkwestie had met dat alles niets meer te maken. Grootaert correspondeerde exclusief in het Frans. Op een averechtse manier dook zijn Nederlandstaligheid nog één keer op. Toen het dispuut over de praktische uitvoering van het 'indirecte bestuur' naar een kookpunt ging, dreigde Grootaerts overste met een officiële "reprimande" voor onbeleefdheid en gebrek aan discipline in de officiële correspondentie. Grootaert had er intussen een 41. In 1933 had de koloniale overheid een decreet uitgevaardigd over de vorming van lokale bestuurlijke eenheden. Het drong aan op het behoud van bestaande, traditionele 'chefferieën' en delegatie van lokale, koloniale macht naar de chefs. Maar die politiek stond haaks op de grootschalige oorlogseconomie en werd in de praktijk inderdaad niet gevolgd. In 1937 telde de provincie Lusambo bv. nog 435 chefferieën, in 1944 nog 62.
  • 42. AA/ SPA 1146, brief 2118/Pers BI: Brief van J. Grootaert aan de Districtscommissaris, 17 april 1944.
  • 43. AA/SPA 1146: Notes Biographiques door L. De Craene, 19 maart 1944. Moyen-Kwilu was een van de gewesten van het Kwango-district.
  • 44. De strafdossiers van Eduard, Achille en Daniël Grootaert berusten in het archief van het College van Procureurs-generaal op het Justitiepaleis in Brussel
  • 86. De Raadsheren waren M. Dermaut, P. Hardy en F. Richir. Voorzitter P. Hamoir had zichzelf gewraakt. Richir was de (Franstalige) collega die Grootaert in 1952 een zeer positieve beoordeling had gegeven. Dermaut was de Nederlandstalige.
  • 87. BZ/SPA 48: Advies van het hof van beroep van Elisabethstad, 14 maart 1956
  • 88. Correspondentie hierover in ULB 14.
  • 89. BZ/SPA 48, nota 123/2083/Pers: Nota door A. Marquet, 14 mei 1956.
  • 90. Kopie in BZ/SPA 48.
  • 91. BZ/SPA 48, brief 11/014 232: Brief van de gouverneur-generaal aan de minister van Koloniën, 21 april 1956. Voor de volledigheid moet erop gewezen worden dat Grootaert ook een paar écht 'originele' vonnissen had uitgesproken. In een daarvan had hij bijvoorbeeld bepaald dat een arbeidscontract waarin het woord "employé" was gebruikt, niet van toepassing kon zijn op een vrouwelijke bediende, vanwege de enkele e aan het einde van het woord.
  • 92. BZ/SPA 48, nota 123/2676/ Pers: Nota van 22 juni 1956
  • 93. Liberaal Archief (LA), Archief Van Werveke 4.5.3: Brief van J. Grootaert aan V. Sabbe, 3 juni 1956. Het persoonlijke archief van Hans Van Werveke is een deelarchief.
  • 94. ULB 13: Brief van J. Grootaert aan de Voorzitter van het Vlaams Pleitgenootschap in Brussel, 18 juli 1956.
  • 95. Gepubliceerd in La Libre Belgique , 20 juli 1956.
  • 96. LA, Archief Van Werveke 4.5.3: Brief van V. Sabbe aan A. Buisseret, 20 augustus 1956.
  • 97. BZ/SPA 48: Nota van A. Marquet aan de minister, 6 september 1956. De notitie in de marge is van 11 september.
  • 98. RB/Archief Van Acker/1779B: Brief van J. Grootaert aan A. Van Acker, 9 september 1956.
  • 99. RB/Archief Van Acker/1779B: Brief van R. Lefébure aan de Eerste Minister, 20 september 1956
  • 100. Het Ingaproject was een grootscheepse onderneming om een Congolees 'Ruhrgebied' te scheppen rond een stuwdam op de Congostroom.
  • 101. In zijn inleiding bij de inventaris van het archief Van Acker schrijf t Michel Nuyttens: "notulen van na 1945 zijn in geen geval raadpleegbaar" . Volgens een mededeling van de rijksarchivaris aan de auteur zullen de notulen uit de periode 1949-1959 pas in 2010 raadpleegbaar zijn.
  • 102. De kabinetsraad van 28 september 1956 had beslist dat alle beslissingen i.v.m. de kolonie voortaan collegiaal zouden genomen worden. (Zie RB/ 1779B)
  • 103. RB/Archief Van Acker/1779B: Note pour le conseil des ministres, s.d.
  • 104. De onverbeterlijke Grootaert deed daar dan weer meteen zijn beklag over bij premier Van Acker: "Deze verwittiging is me zeer pijnlijk geweest, vermits ik alleen gehandeld had mijn plicht van rechter te vervullen..." . RB/Archief Van Acker/1779B: Brief van J. Grootaert aan A. Van Acker, 3 november 1956
  • 105. RB/Archief Van Acker/1779B: Brief van L. Craeybeckx aan A. Van Acker, 28 september 1956.
  • 106. RB/Archief Van Acker/1779A: Brief van L. Craeybeckx aan A. Buisseret, 31 oktober 1956. Craeybeckx vermeldt in de brief o.a. dat Grootaert hem pas nog gebeld heeft om de laatste stand van zaken door te geven...
  • 107. De Week , 9 december 1956.
  • 108. BZ/SPA 48, brief Apajm-23/5567/Pers: Brief van minister Buisseret aan de gouverneur-generaal, 20 december 1956.
  • 109. ULB 14. We konden de identiteit van de schrijver niet achterhalen. De brief draagt als datum 4 december 1956.
  • 110. L'Avenir Colonial , 22 januari 1957. 111. De Week , 13 januari 1957.
  • 112. ULB 14: Brief van J. Grootaert aan H. Lahaye, 17 februari 1957. De brief bevat meer details over Grootaerts politieke engagement. Tijdens zijn vakantie heef t hij liberale partijbijeenkomsten bijgewoond (de Permanente Commissie van Koloniën) en in Elisabethstad heeft hij zich meteen aangesloten bij een pas opgerichte Cercle Libéral.
  • 113. ULB 14: Brief van J. Grootaert aan L. Craeybeckx, 14 februari 1957
  • 114. Bulletin Officiel du Congo Belge , 1957, pp. 432 e.v. Dit is ook het enige taaldecreet dat ooit ingevoerd is. Een werkgroep die een gelijkaardige tekst moest voorbereiden voor een regeling in de administratie vergaderde nog tot 20 mei 1958. Lode Craeybeckx speelde er een belangrijke rol in. Hij stelde uiteindelijk voor om overal de inlandse talen te laten voorgaan, maar in tweede orde Frans en Nederlands op gelijke voet te behouden. De Waalse deelnemers stelden zich bijzonder koppig op. Toen ze na lang aandringen eindelijk met een ontwerp kwamen dat hun mening weerspiegelde, bleek het uit drie korte artikels te bestaan. Het eerste bepaalde dat Frans de taal van de Congolese administratie was. Het tweede dat elk ambtenaar die taal diende te beheersen en het derde dat er in de grote centra speciale diensten voor de Nederlandstaligen zouden worden opgericht. Eduard Amter, die ook deel uitmaakte van de werkgroep, was daarover zo woedend dat hij voorstelde om de Walen te "straffen" door in het vervolg alleen nog Nederlands te gebruiken in de vergaderingen... Zie hiervoor: AA/PPA 107 (3334), met o.a. de notulen van alle vergaderingen van de werkgroep.
  • 115. BZ/SPA 48, kopie van Arrest nr. 1964: Arrest Van den Weghe Jan contre Michiels Albert, 27 juni 1957. Het arrest werd nauwelijks opgemerkt in Vlaanderen. René Victor, die nochtans zijn nek voor Grootaert had uitgestoken, repte er met geen woord over in zijn Rechtskundig Weekblad .
  • 116. BZ/SPA 48: Brief van J. Grootaert aan de minister van Koloniën, 13 oktober 1957.
  • 117. ULB 18 bevat allerlei documenten over IFPA (Institut pour la Formation Politique Accelérée).
  • 118. LA/Van Werveke 4.5.3: Brief van J. Grootaert aan H. Van Werveke, 7 januari 1960. Grootaert vraagt om een "uitzonderlijk krachtige tussenkomst" van de liberale familie.
  • 119. ULB 14: Brief van J. Grootaert ( "alias Janssens" ) aan de Agence Maritime Internationale in Antwerpen, geschreven op de Charlesville, 6 maart 1961. In België schreef Grootaert zich in bij de balie en begon een advocatenpraktijk in Brussel. Hij beëindigde zijn beroepsleven als rechter in de Kamer van Koophandel. In zijn woonplaats Sint-Stevens-Woluwe was hij gemeenteraadslid voor de PVV. Daarnaast engageerde hij zich o.a. ook nog in verschillende vrijzinnige verenigingen. Toen hij in 1979 een curriculum moest schrijven voor het naslagwerk Wie is Wie in Vlaanderen? , besteedde hij nog een heel tekstblok aan de taalstr ijd in Congo. (Zie: R. Decan, Wie is wie in Vlaanderen? , Brussel, 1980, pp. 475-476). De Raad van State was nog tot in 1964 in de weer met de behandeling van zijn verzoekschrif ten. Ze werden alle afgewezen.
  • 120. Toen Grootaert de passage over de Ryckmansrichtlijn in het congresverslag las, meldde hij Van Reeth met karakteristieke overdrijving: "De Heer Ryckmans heeft deze circulaire voor mij opgesteld. (...) Thans is deze 'circulaire' alleen een middel om de mond te stoppen aan diegenen die zeggen dat het Nederlands verboden is." Zie AD/NS 9.6.5: Afschrif t van een brief van J. Grootaert aan P. Van Reeth, 29 januari 1951. In feite ging het zelfs niet om een circulaire, maar om een eenvoudige brief.
  • 121. Het meest frappante geval is dat van Albert Maertens, directeur van Het Laatste Nieuws , die van Buisseret zeer vroeg inzage kreeg in het volledige dossier en tot de conclusie kwam dat de minister eigenlijk gelijk had om Grootaert te willen afdanken: "De Heer Grootaert wordt niet op pensioen gesteld wegens het feit dat hij [deze] vonnissen heeft uitgesproken, maar wel omdat hij, waarschijnlijk door oververmoeidheid en door het klimaat dat hem heeft aangetast, zijn functie niet meer behoorlijk kan vervullen. (...) De bewijzen, die mij werden voorgelegd zijn van die aard, dat ik tot tegenbewijs hiervan, de minister niet in het ongelijk kan stellen." Toch bleef Maertens Grootaert tot het einde toe steunen. Zie hiervoor LA/Van Werveke 4.5.3: Brief van A. Maertens aan H. Van Werveke, 8 juni 1956.
  • 122. Moniteur Congolais/Congolese Moniteur , jg. 1, 1960, nr. 21bis, pp. 1535 e.v. Wet van 19 mei 1960 betreffende het Staatsbestel in Congo
  • 123. Chambre de Représentants du Congo. Annales Parlementaires , nr.1, Séance publique du lundi 20 juin 1960

    GOVAERTS, B.. De zaak van Rechter Grootaert en de strijd om het Nederlands in Belgisch-Congo. Een symbooldossier uit de jaren vijftig.

    WT. Tijdschrift over de geschiedenis van de Vlaamse beweging, Noord-Amerika, 67, jan. 2008. Beschikbaar op: <http://wt.be/index.php/wt/article/view/4370/267>. Datum gebruik: 25 okt. 2016

  • SiteLock
    share this - partager le site - deel dit document

    About Us | Contact | Privacy | Copyright | Agenda  
    Ook op het internet gelden de auteursrechten. Werken die auteursrechtelijk beschermd zijn, zoals tekeningen, foto's, muziek, film en software, mag u niet verspreiden via het internet zonder de uitdrukkelijke toestemming van de auteur. Delcol Martine