Wilfried Borms

Een eenmansgevecht voor het Nederlands in de kolonie ?

Wilfried Borms in Belgisch-Congo

Auteur : Bert Govaerts (°1952) studeerde Germaanse filologie aan de Universiteit Antwerpen. Van 1992 tot 1997 was hij redacteur van Boulevard, het historische tv-magazine van de VRT en van 1997 tot 2002 was hij eindredacteur van het Canvas-programma Histories.

Photo hieronder : Adjunct-gewestbeheerder Wilfried Borms op zijn motorfiets, Kasaï 1940. [Collectie Frieda Borms]

De biografie van August Borms door Christine Van Everbroeck is behalve een degelijk, ook een goed leesbaar boek. (01)

Dat komt o.a. omdat de auteur het politieke portret van haar hoofdpersonage heeft aangevuld met een schets van zijn familiekring. De lotgevallen van mevrouw Borms en haar zes kinderen zorgen voor reliëf en relativering. Over de oudste zoon van Borms, Wilfried (1907-1990), meldt Van Everbroeck dat hij, na moeilijke jaren in de middelbare school, uiteindelijk rechten is gaan studeren in Leuven en Gent.

In 1933 liet hij zich inschrijven bij de balie in Antwerpen. De advocatuur werd geen succes, volgens Van Everbroeck omdat de naam van vader Borms cliënten afschrikte. Hoe dan ook, in 1937 trok Wilfried Borms naar de Koloniale School voor een opleiding tot gewestbeheerder.

Dat ambt oefende hij een aantal jaren uit, waarna hij ontslag nam, maar in Congo bleef. In 1944 zou hij daar het slachtoffer geworden zijn van de repressie en opgesloten worden in de gevangenis van Elisabethstad. Die gegevens kloppen maar gedeeltelijk. Het persoonlijke dossier van adjunct-gewestbeheerder Wilfried Borms brengt een veel ingewikkelder verhaal aan de dag. (02)

Een verhaal dat te maken heeft met de status van het Nederlands in de kolonie, met de overspannen patriottische sfeer in Belgisch-Congo in de oorlogstijd, maar ook met de manier waarop de kwalijke reputatie van een vader het leven van een zoon kan bepalen.

Een ideale koloniale ambtenaar Wilfried

Wilfried ('Willy' in familiekring) Borms was al dertig jaar oud toen hij in september 1937 terug naar school moest. Dat de beslissing om zijn jonge advocatenpraktijk op te geven te maken had met gebrek aan cliënten, bevestigt zijn zus Anita onrechtstreeks in een brief aan haar broer Herman: "Ik ben Maandagmorgen naar Brussel gereisd in gezelschap van Wilfried, die zijn schooljaar inzette (...) helaas...heeft hij nog nooit zoveel klanten gehad als de laatste tijd.

Het is of de duivel er mee speelt. (03) Vader August Borms beschreef het begin van het academiejaar in een andere brief: "Er zijn een 40-tal ingeschrevenen voor het Vlaamsche regiem; Nederlandsche boeken kan men hun evenwel nog niet bezorgen, zoodat ze het voorloopig met Fransche zullen moeten doen.

Men had nog geenen tijd gehad om die te vertalen. Echt Belgisch." (04) Hoe dan ook, Wilfried Borms slaagde schitterend in de cursus van zes maanden aan de Koloniale School in Brussel (05) en werd als tweede van zijn groep geklasseerd (met een score van 306,8 op 360 punten). De 15 geslaagden waren volgens de lesgevers allemaal "bezield met een ware koloniale roeping" . (06) Dankzij zijn uitstekende resultaat mocht Borms vrijwel meteen naar de kolonie vertrekken.

Op 20 mei 1938 scheepte hij met zijn vrouw, Frederica ('Frieda') Waelbers, een onderwijzeres uit Zandvliet, in Antwerpen in op de ss Thysville, met bestemming Matadi. Het paar was nog maar net een maand getrouwd. Borms had zelf een voorkeur uitgesproken voor werk in de provincie Lusambo (later omgedoopt tot Kasaï), met een niet al te zwaar savanneklimaat. Hij werd er benoemd als adjunct-gewestbeheerder tweede klasse 'ten voorlopigen titel', met een wedde van 50 000 Belgische frank per jaar. Zijn eerste standplaats was Dibaya, langs de grote spoorweg die dwars door Kasaï naar Katanga loopt. De koloniale overheid wist natuurlijk wie de vader van Wilfried Borms was.

Toen hij zijn studies aan de Koloniale School begon, had iemand de minister van Koloniën daar nadrukkelijk op gewezen. Die had droogweg geantwoord dat de kandidatuur van Borms diende behandeld te worden als elke andere. (07)

Maar de schaduw van vader August Borms reisde toch mee naar Afrika.

De provincie- commissaris (08) van Lusambo stuurde op 7 juni 1938 een 'persoonlijke en vertrouwelijke' brief naar hoofdgewestbeheerder Antoine Lemborelle, onder wiens gezag Borms zou gaan werken.

Hij wijst erop dat de nieuwe adjunct een doctor in de rechten is, die al zijn studies in het Nederlands heeft verricht.

De commissaris heeft het gewest Dibaya (district Kasaï) voor hem uitgezocht, omdat hij weet dat Lemborelle goed Nederlands spreekt. Verder is hij er zeker van dat "u met tact en intelligentie zal rekening houden met deze situatie." (09)

De nieuwbakken adjunct-gewestbeheerder ging ijverig aan het werk. Het viel zijn overste op dat hij tijdens de eerste twee maanden van zijn opleiding ter plaatse al handig gebruik wist te maken van zijn juridische opleiding. Gewestbeheerders hadden een brede waaier van taken en waren o.a. ook officier van justitie en zelfs (lagere) magistraat als het moest. In een eerste beoordeling, na zes maanden dienst, schrijft Lemborelle dat Borms "voldoening" heeft gegeven, dat hij een "bedachtzaam en gewetensvol medewerker is" , die wel nog moet leren om sneller door de papieren te gaan. (10) Na een half jaar verhuist Borms naar een naburig gewest, Kanda-Kanda in het district Sankuru, eveneens vlak bij de grote spoorweg. Het gezin Borms- Waelbers is inmiddels uitgebreid. Op 19 januari 1939 is dochter Wilfrieda geboren.

Borms' nieuwe overste, Marc Crèvecoeur, is zonder meer in de wolken met zijn adjunct. Hij schrijft een uiterst lovende beoordeling over hem. Wilfried Borms munt niet alleen uit in het gerechtelijk werk, maar kwijt zich ook voortreffelijk van al zijn andere taken: wegen aanleggen, bruggen herstellen, bevolkingsregisters bijhouden, belastingen heffen enz. Ook zijn houding en karakter worden geprezen als "wonderlijk evenwichtig" , "idealistisch en praktisch" . Kortom: "Wij menen in hem al de kwaliteiten te herkennen die nodig zijn voor een perfect koloniaal ambtenaar. (11)

Ondanks die uiterst prijzende woorden had Borms blijkbaar toch al voor zichzelf besloten dat de gewestdienst niet zijn eindbestemming in Congo kon zijn. Hij heeft zijn oversten formeel laten weten dat hij graag een aanvullende opleiding tot magistraat wil volgen van zogauw hij daarvoor in aanmerking komt. De ambitie om magistraat te worden moet van bij het begin in zijn hoofd hebben gezeten, want hij had er al voor zijn vertrek over gecorrespondeerd. In februari 1940 moet Borms alweer verhuizen.

Deze keer iets meer naar het oosten van het district Sankuru, naar een andere stopplaats van de trein naar Katanga: Luputa, een klein centrum van veeteelt. Naast zijn gewone besognes heeft Borms er ook het beheer van een reusachtig jachtreservaat bij gekregen. Borms houdt zijn kansen om magistraat te worden gaaf. Hij reageert on- middellijk op een uitnodiging van gouverneur-generaal Pierre Ryckmans, gericht tot de doctors in de rechten onder het koloniale personeel, om hun intenties i.v.m. een overstap naar de koloniale magistratuur kenbaar te maken: "Ik heb de eer u te laten weten dat het tot mijn toekomstperspectieven hoort om mijn carrière in de richting van de magistratuur te sturen." (12)

Oorlog in europa, oorlog in de kolonie?

Op 10 mei 1940 vallen de Duitsers België binnen. Achttien dagen later legt koning Leopold III de wapens neer, tegen de zin van zijn ministers. De Belgische regering raakt op de dool in Frankrijk. De kolonie is korte tijd op zichzelf aangewezen. Gouverneur-generaal Ryckmans loopt vooruit op de ministers. Terwijl zij nog aar- zelen, kiest hij er al voor om de strijd voort te zetten. Voor minister van Koloniën Albert De Vleeschauwer is het al snel duidelijk dat België niet volledig uitgespeeld is zolang Congo in Belgische handen blijft. Premier Pierlot stelt voor om hem met een supermandaat en met de titel van administrateur-generaal van Belgisch-Congo naar Engeland te laten vertrekken. De overige ministers stemmen na wat discussie in. De Vleeschauwer krijgt zijn titel op 18 juni en zal bijna twee jaar lang zowel de uit- voerende als de wetgevende en de rechterlijke macht in zijn persoon verenigen. (13)Vanuit Londen zal De Vleeschauwer met gouverneur-generaal Pierre Ryckmans, in een soms moeizame samenwerking, de kolonie besturen en resoluut ten dienste stellen van de geallieerden.

Op de dag van de Duitse inval in België, 10 mei 1940, is de vader van Wilfried, August Borms, gearresteerd door de Belgische Staatsveiligheid. Hij wordt samen 11 met duizenden andere 'verdachten' naar Frankrijk gedeporteerd en daar geïnter- neerd. Wilfried Borms zal daar pas later van op de hoogte zijn gebracht, maar zijn superieuren wisten het duidelijk heel vroeg en lieten dat doorwegen in hun be- oordeling. Op 14 mei adviseert districtscommissaris Edmond Verhegge negatief over Borms' kandidatuur als magistraat. Hij heeft geen klachten over hem als adjunct- gewestbeheerder, maar "gezien de algemene actuele omstandigheden, en meer be- paald de specifieke van mijnheer Borms, kan ik op dit ogenblik geen gunstig gevolg geven aan zijn vraag om over te stappen naar de magistratuur" . (14) Hogerop, in Leopoldstad, is men het volmondig eens met het negatieve advies. Staatsinspecteur Robert Reisdorff wijst Wilfried Borms zonder meer af, op politieke gronden: "De huidige omstandigheden (arrestatie en gevangenneming van vader Borms) zorgen er inderdaad voor dat het niet aangewezen is om zijn zoon plaats te zien nemen in de Congolese magistratuur." (15)

Reisdorff gaat nog verder en beschuldigt Wilfried Borms van cryptoflamingantisme: "(...) over de flamingantische gevoelens van mijnheer Borms, die weliswaar niet publiek veruiterlijkt worden, bestaat geen twijfel. Zijn inspecties als magistraat zouden hem in contact brengen met talrijke leden van het personeel en op die manier zou hij de gelegenheid krijgen om zich over te geven aan een gevaarlijke propaganda. Mijnheer Borms verbergt in intieme kring niet dat hij de ideeën van zijn vader deelt. Dat is me verklaard door een van zijn collega's." (16) Verder dan het dwarsbomen van de ambities van Wilfried Borms gaat de overheid voorlopig niet, hoewel hij in een gebied werkt dat militair niet onbelangrijk is. Borms moet o.a. een belangrijke spoorwegbrug over de Lubilash doen bewaken en toezien op wapentransporten voor de Force Publique. Maar daar staat niemand bij stil.

In het gewest Kanda-Kanda is een nieuwe hoofdgewestbeheerder aangetreden: Jan-Hendrik ('Jean') Paelinck. En die heeft het duidelijk niet begrepen op zijn adjunct Borms, die op 1 januari 1940 een trapje hoger is geklommen op de hiërarchische ladder (hij is adjunct-gewestbeheerder eerste klasse geworden).

Een eerste conflictje tussen de twee mannen ontstaat al in december 1939. Twee Vlaamse landbouwkolonisten, Frans Buysse en Cyriel De Doncker, hebben van Borms een proces-verbaal in het Nederlands geëist over een grondkwestie. Borms is daar op ingegaan, naar eigen zeggen zonder veel animo, omdat het een heel karwei was om het juridische jargon te vertalen. Hij wijst er zijn baas wel op dat hun eis gerechtvaardigd was. Paelinck is geïrriteerd, noemt Buysse en De Doncker "primairen" , die weliswaar in hun recht zijn, maar zich nu, daartoe geprovoceerd 12 door de 'persoonlijkheid' van Borms, onnodig weerbarstig opstellen.

Vroeger hebben ze nooit geklaagd over Franstalige documenten. (17)

De toon is gezet.

Rond de tijd dat Borms zich opnieuw meldt als kandidaat- magistraat, vecht hij met zijn baas alweer een gevecht op papier uit over een administratieve affaire. Paelinck beschuldigt Borms van nalatigheid en dreigt daarmee rekening te houden bij zijn jaarlijkse beoordeling. De heren schrijven elk een lange nota in het register dat bij hun rang past. Borms beleefd, maar kordaat. Paelinck agressief, op het arrogante af. Het zal niet meer goed komen tussen de twee mannen. Paelinck blijft Borms op de huid zitten. Allicht hebben de gebeurtenissen in Europa en de reputatie van vader Borms daar ook mee te maken. Het valt anders moeilijk uit te leggen hoe de 'ideale koloniale ambtenaar' die Wilfried Borms (bijna) was, ineens verandert in een, in de ogen van Paelinck, ondermaatse, blunderende medewerker van de gewestdienst. Paelinck zoekt Borms e n grijpt futiele tekortkomingen aan om hem te berispen. Borms doet daarover zijn beklag bij districtscommissaris Verhegge en deze geeft hem gelijk. In een nota aan Paelinck schrijft de commissaris: "Ik ben het een beetje eens met deze ambtenaar dat de gemaakte fouten deze excessief strenge termen niet verdienen, ook al omdat, voor zover ik weet, hij altijd zijn uiterste best heeft gedaan om voldoening te geven." (18)

Het mag niet baten. Paelinck blijft Borms in zijn vizier houden.

Het kan niet moeilijk geweest zijn om een adjunct-gewestbeheerder het leven zuur te maken. Er is zoveel te doen in de gewestdienst dat er altijd ook wel wat blijft liggen. In augustus 1940 superviseert Borms de bouw van een brug, ergens ver weg op het platteland, op 100 km van zijn vaste standplaats. Hij kan het werk niet in de steek laten en vraagt Paelinck om een ambtenaar naar Luputa te sturen, omdat er op 19 augustus 1940 een zitting moet plaatshebben van de rechtbank van eerste aanleg. Paelinck laat verstaan dat Borms zijn zaken slecht geregeld heeft en antwoordt dat hij dan wel zelf zal gaan.

Even later heeft Borms een tamelijk zwaar ongeval met zijn motorfiets. Op doktersbevel moet hij zes weken rusten. Zijn scheenbeen is geraakt. De brief waarin hij dat aan Paelinck uitlegt, lijkt niet geschreven door een lijntrekker. Hij kondigt erin aan dat hij, ondanks zijn gezondheidstoestand, gewoon zal doorgaan met het papierwerk. En na drie weken rusten zal hij zich in een hangmat naar het vliegveldje van Luputa laten dragen om daar de werken te inspecteren. Paelinck is niet onder de indruk. Op 30 augustus 1940 schrijft hij de eerste beoordeling van zijn adjunct in Luputa. Hij verwijst naar Borms' wens om over te stappen naar de magistratuur en stelt dat zijn medewerker juist gehinderd wordt door zijn juridische vorming. Hij analyseert te veel in situaties die om praktisch handelen vragen. "Als hij een obstakel ontmoet dan zal hij nooit proberen er over heen te raken, zelfs niet er omheen te lopen: na het nauwkeurig beschreven, beoordeeld, zelfs over-beoordeeld te hebben, zal hij het signaleren aan zijn oversten en zal hij wachten op hun beslissing." (19) Borms moet het stellen met een mager "bon" als algemene beoordeling. Commissaris Verhegge haast zich om in een handgeschreven toevoe- ging toch nog maar eens te vermelden dat "Mijnheer Borms op een mij bevredigende manier doorgaat met het vervullen van al de taken die hem zijn toevertrouwd" . (20) Met zijn aanvulling wil Verhegge duidelijk de volgens hem veel te strenge toon van Paelinck corrigeren, maar het helpt niet.

De eindeloze stage

De stageperiode van Wilfried Borms loopt einde 1940 af en er moet een verslag over hem opgesteld worden, met het oog op een definitieve benoeming. Vanzelf- sprekend moet Paelinck daar ook zijn advies over geven. Hij herneemt grotendeels letterlijk de kritiek die hij in zijn beoordeling had geuit en onderstreept nog eens dat het vooral in Luputa is opgevallen dat Borms te weinig slagkracht heeft. In zijn voorlaatste alinea bevestigt Paelinck ineens het vermoeden dat de schaduw van dr. August Borms tot in Afrika reikt: "Wij zijn nooit volledig overtuigd geweest van het loyalisme van mijnheer Borms. We hebben ons constant moeten dwingen om zijn afstamming en zijn ideeën te vergeten om niet te streng te oordelen over een duidelijk gebrek aan enthousiasme, een totale afwezigheid van 'heilig vuur'." (21)

Districtscommissaris Verhegge is niet tevreden met de vage insinuatie aan het adres van Borms en vraagt meer uitleg. Blijkbaar heeft hijzelf Borms ook wel in de gaten laten houden, maar er is hem nooit iets ernstigs gesignaleerd. Volgens hem heeft de zoon van August Borms zich juist 'gecantonneerd' in een uitgesproken gereserveerdheid. Een keertje, bij de opening van een café-restaurant in Luputa, heeft hij zich eens een beetje laten gaan. Hij zou (22) toen samen met een paar Vlaamse spoorwegmannen... De Vlaamse Leeuw hebben gezongen.

Verhegge adviseert zelf om Borms definitief te benoemen, "onder voorbehoud nochtans van speciale beschouwingen die voortvloeien uit zijn afstamming en uit de actuele internationale omstandigheden" . (23) Het zal niet geholpen hebben dat de koloniale kranten geregeld nieuws brachten over de collaboratie in België en dat de naam van vader Borms daar soms bij opdook. (24) Toch adviseerde ook de pro- vinciecommissaris positief inzake een definitieve benoeming.

Het stagerapport van Paelinck, geschreven op 26 november 1940, moet bij Wilfried Borms de veer gebroken hebben. Hij zal er later over klagen dat hij de tekst nooit te zien heeft gekregen, maar allicht heeft Paelinck hem de teneur en de conclusies wel doorgegeven. De kalme, gereserveerde gewestbeheerder grijpt naar een actiemiddel dat in de gegeven omstandigheden wel tot zijn ondergang moet leiden: de Nederlandse taal.

Op 5 december 1940 schrijft hij voor het eerst in zijn moedertaal aan gewestbeheerder Paelinck (overigens ook een Vlaming). In het Nederlands en over het Nederlands in de kolonie. Borms deelt zijn baas eenvoudig mee dat hij besloten heeft om voortaan "al mijn dienststukken in de Nederlandsche taal te behandelen ". Hij geeft daarvoor twee redenen op. De eerste is dat hij geen vooruitgang ziet in het dossier van de rechten van de Nederlandssprekenden in de kolonie. Als tweede reden geeft Borms de onrechtvaardigheid op die schuilt in de feitelijke verplich- ting om alles in het Frans af te handelen, ook als men als ambtenaar Nederlands- talig is: "Iedereen zal het er mee eens zijn dat het gebruik van een vreemde taal ontegenzeggelijk een rem is die storend moet werken op de klare en vlugge uitdrukking van de geest en dusdoende den ambtenaar of beambte die verplicht is er zich van te bedienen, handicapeert." Op het te verwachten bezwaar dat het er de tijd niet voor is om de taalkwestie ter sprake te brengen, anticipeert Borms: "Op de opwerping, die ik verwacht, dat mijn beslissing in ontijdige omstandigheden wordt genomen,kan ik enkel dit doen opmerken dat in de oorlogsjaren 1914-1918 ditzelfde argument werd aangevoerd; sedertdien werd er gedurende 22 jaren dat de omstandigheden wél gunstig waren, niets gedaan om deze kwestie te regelen, dit is niet mijn schuld."

Overigens stelde Borms zich niet extreem hard op. Hij liet weten er geen bezwaar tegen te hebben om stukken die in het Frans werden doorgegeven gewoon te behandelen, "niet dat ik zulks normaal vind, maar omdat ik mij rekenschap geef van de materiële moeilijkheden die een tweetalige opstelling van alle administra- tieve dienststukken 'hic et nunc' zou meebrengen." (25)

De lange nota van 5 december sloeg natuurlijk in als een bom en was waarschijnlijk ook zo bedoeld. Borms' superieuren gingen meteen op zoek naar juridisch advies. Borms, zelf ook jurist, had fijntjes verwezen naar artikel 3 van de Koloniale Keure , dat de keuze van de taal in de kolonie "vrij" noemt, in afwachting van een wettelijke regeling. De koloniale juristen moesten toegeven dat de kwestie inderdaad niet ten gronde geregeld was, maar stelden dat, in afwachting daarvan, de gewoonte moest gevolgd worden. D.w.z. dat de koloniale administratie het Frans als voertaal had. (26)

Borms was na zijn principiële stellingname consequent in het Nederlands beginnen corresponderen. Zo had hij meteen een aantal processen-verbaal in die taal opgesteld en doorgestuurd, wat vrijwel op slag tot problemen leidde bij zijn eentalig Franstalige collega's. Gouverneur-generaal Ryckmans in hoogsteigen persoon werd om advies gevraagd om de weerbarstige adjunct-gewestbeheerder van antwoord te kunnen dienen. Ryckmans' standpunt is genuanceerd. Hij stelt dat het gebruik van het Frans in dienststukken slechts als verplicht kan beschouwd worden in omstandigheden waar het echt noodzakelijk is, zoals bijvoorbeeld in stukken van de burgerlijke stand. Daarbuiten moet het recht van de ambtenaar op correspondentie in de eigen taal erkend worden. Maar, vond Ryckmans, tweeta- lige ambtenaren moeten zich rekenschap geven van hun superioriteit t.o.v. hun "minderbedeelde" eentalige collega's en zich in "broederlijke samenwerking" tot hen richten in de taal die zij verstaan. "Ik meen dat in het belang van de dienst dat voor elk ambtenaar een gewetensplicht is." (27)

De brandbrief van 5 december en zijn praktische gevolgen waren natuurlijk niet van aard om H.J. Paelinck van gedachten te doen veranderen i.v.m. het stageverslag. In de toelichting die commissaris Verhegge geëist had, ging hij er nog wat harder tegenaan. Hij voert nu een echt intentieproces tegen zijn onderge- schikte, iets wat inspecteur Reisdorff hem overigens had voorgedaan. Het "totale gebrek aan heilig vuur" dat hij bij Borms constateert, kan hij alleen verklaren vanuit een geheime agenda. Als Borms er zo weinig om geeft om door zijn directe chef geapprecieerd te worden, dan kan dat alleen betekenen dat hij rekent op een regimewissel, op "machtige, occulte beschermheren, of, wie weet, nieuwe meesters op wier komst hij wacht en hoopt." Voorts meldt Paelinck nog dat Borms nooit een overuur heeft willen kloppen op het bureau in Kanda-Kanda, dat hij zich verliest in onnodige juristerij enz. En, vraagt hij ten slotte luidop: "Bevestigt mijnheer Borms 16 28. AA/SPA 25.015: Aanvullende nota bij het stagerapport van W. Borms door H.J. Paelinck, getekend op 3 januari 1941. Paelinck (1906-1961) was een Limburger, geboren en opgegroeid in Hasselt en sinds 1928 in Congo. De steile ambitie die uit zijn correspondentie met Borms spreekt, is later geheel vervuld. Hij beëindigde zijn carrière in 1958 als gouverneur van Katanga, overladen met hoge Belgische eretekens. Zie hiervoor: Belgische overzeese biografie , Brussel, 1968, dl. VI, pp. 802-803. 29. Afschrif t in AA/SPA 25.015. 30. AA/SPA 25.015, Nota 54/Pers, Gebruik der Nederlandsche Taal in Dienststukken: Nota van W. Borms aan de gewestbeheerder, 5 februari 1941. 31. AA/SPA 25.015, Nota 24/Pers: Nota van W. Borms aan substituut van Kabinda, 21 januari 1941. niet op afdoende wijze mijn reserve t.o.v. zijn persoon door op het 'MINST OPPORTUNE MOMENT' in de kolonie de 'irritante taalkwestie' op te roepen? Mijn verontwaardigde protest tegen dergelijke handelswijze zal juist luider klinken omdat het geuit wordt door een zuivere Vlaming, die er prat op gaat dat hij zijn moedertaal even goed spreekt en schrijft als mijnheer Borms, maar die, anders dan mijnheer Borms, het geluk heeft gehad om in zijn jeugd van ouders en leraars te leren dat hij, als hij Vlaming was, hij eerst en vooral BELG was." (28)

Daar was de schaduw van vader Borms weer, met zijn volle, donkere gewicht. Paelinck haalde zijn slag thuis: de stagetermijn van Wilfried Borms werd "voor onbepaalde tijd" verlengd door gouverneur-generaal Ryckmans (verordening nr. 10 van 16 januari 1941). (29)

De binnenlandse verbanning

De stageverlenging deed Borms niet inbinden. Hij bleef consequent in het Nederlands corresponderen, o.a. ook in rechtszaken, tot grote woede van Paelinck. Wilfried Borms heeft uit de brief van gouverneur-generaal Ryckmans natuurlijk vooral onthouden dat hij het recht heeft om in het Nederlands te corresponderen. De aanbeveling om dat juist niet te doen, negeert hij. Paelinck ziet zich verplicht om een hele reeks boekhoudkundige stukken, die Borms naar een eentalige collega heeft gestuurd, persoonlijk te vertalen en maant hem aan om ermee op te houden. Borms geeft niet toe: "U zult begrijpen dat de uitoefening mijner taalrechten een zaak is waarover ik niet kan transigeeren." (30)

Behalve de boekhouding verstoort het Nederlands van Borms ook de rechtsgang, want hij stelt ook zijn processen-verbaal in die taal op. Bijna tergend vraagt hij aan een subsituut van het parket: "Gelieve mij derhalve te laten weten of uw schrijven moet aanzien worden als een verbod om de Nederlandse taal te gebruiken in mijn gerechtelijke functies; indien dit zo is, dan zie ik geen andere oplossing dan dat ik mijn activiteit als politierechter en officier van Gerechtelijke Politie staak tot dat een meer categorische wettelijke regeling voor het taalgebruik in gerechtelijke zaken zal zijn getroffen door den wetgever." (31)

Wilfrief Borms een eenmansgevecht voor het  nederland in belgisch congoPaelinck vraagt zijn oversten om zo snel mogelijk een einde aan deze toestand te maken. Hij waarschuwt voor een olievlekeffect. Districtscommisaris Verhegge treedt hem nu volledig bij en vraagt een "onmiddellijke" overplaatsing van de weerbarstige gewestbeheerder. (32)

Borms heeft inmiddels uitzicht op het einde van zijn eerste (en wat hem betreft ook laatste) termijn van drie jaar gewestdienst. Op 7 juni 1941 zal hij zijn derde jaar volgemaakt hebben en dat geeft hem dan recht op zes maanden betaalde vakantie. Hij wil die met zijn gezin in Portugal, desnoods op Madeira doorbrengen en vraagt daartoe de nodige paspoorten aan. Maar voor die drie laatste maanden wordt hij nog naar een andere, onaangename post overgeplaatst, veel dichter tegen de evenaar aan: Nkole (ook Kole gespeld). Paelinck heeft zijn zin gekregen. Borms reageert onmiddellijk en zeer heftig, per telegram: "Protesteer onzinnige mutatie Luputa Nkole duizend kilometer binnenland dan wanneer einde termijn binnen drie maand. Stop. Vraag toelating termijn te eindigen te Luputa of in vervroegd verlof te gaan." (33) Er kwam geen antwoord.

Het is 17 februari 1941.

Een maand later verlengt de gouverneur van Lusambo eenzijdig de driejarige termijn van Borms met drie maanden. In een klap weigert hij ook het verlof van zes maanden in Portugal. Borms zal pas op 6 september 1941 einde termijn zijn.

Zulke eenzijdige termijnverlengingen en opschortingen van verlof waren zeker niet uitzonderlijk. De kolonie kampte nu eenmaal met gebrek aan personeel in de oorlogstijd. Maar voor Wilfried Borms moet het een extra klap in het gezicht geweest zijn.

Nkole, de nieuwe standplaats van Wilfried Borms, is niet bepaald de vriendelijkste plek in het district Kasaï. Het klimaat is er veel drukkender dan in Dibaya of Luputa en de spoorweg is ver weg. Nkole ligt in een bocht van de Lukenie en er is wel boot- transport. Leopoldstad is "maar" twaalf dagreizen van Nkole verwijderd. Borms zelf noemt het een "verlaten gewest" , een bedreiging voor de gezondheid van zijn vrouw, zijn driejarig dochtertje en ook van hemzelf. En dat allemaal terwijl hij op een vakantie in Portugal gerekend had.

De 'verbanning' van dwarsligger Borms naar een vergeten hoekje van Congo volstond blijkbaar niet voor het koloniale bestuur. Het 'zocht' hem nog langs andere wegen. In Luputa waren al geruchten verspreid over een anti-Belgische en pro-Duitse kliek waar Borms toe zou behoord hebben. Het gerecht had er een onderzoek naar ingesteld, maar niets bezwarends gevonden.

Wilfried Borms bleek wel eens een kaartje te gaan leggen met een paar mannen van de bck -spoorwegmaatschappij, o.a. met de stationschef, maar die laatste was "...pur Wallon et nullement flaman- disant" . (34)

De geruchtenmolen bleef draaien en op 17 maart 1941 beval de provincie- gouverneur van Lusambo dat alle voorwerpen en correspondentie die Borms per post bereikten of door hem verstuurd werden, langs de lokale censuurcommissie dienden te passeren.

Wilfried Borms was voortaan blijkbaar ook een 'verdachte', zoals zijn vader een jaar eerder in het moederland al was geweest. Het gerecht spaarde geen moeite, stuurde zelfs een rogatoire commissie naar het verre binnenland en vond het nodig om de zware reisagenda van de gewestbeheerder te verstoren.

Omdat hij zich moest melden voor een ondervraging, diende Wilfried Borms zijn (verplichte) inspectiereis op het platteland te onderbreken en 120 km in een draagstoel te reizen. Het kostte hem vier werkdagen. Het onderzoek leverde niets op.

Ook de censuur kon niets verdachts ontdekken, maar de administratie had nog andere middelen om het leven van de koppige ambtenaar te verzuren. Het parket van Kabinda diende in juni 1941 een formele klacht tegen hem in op basis 19 van de militiewetgeving. Borms had blijkbaar een aangetekende brief van de bataljonscommandant van Lusambo onbeantwoord gelaten. De commandant achter- volgde hem met de Wetgevende Verordening 420/Quinquies/F.P. van 31 oktober 1940. Die tekst verplichtte "alle in de Kolonie verblijfhoudende Belgische burgers van 17 tot 36 jaar" die nog geen lid waren van de Force Publique om zich tegen 1 januari 1941 in te schrijven voor de werfreserve bij de plaatselijke commandant. Wie dat niet deed, zoals de 34-jarige Wilfried Borms, werd ambtshalve ingeschreven en kreeg een boete. In feite ging het om een formaliteit. De ingeschrevenen 'konden' worden opgeroepen voor militaire oefeningen. Het ging zeker niet om een regu- liere mobilisatie.

Borms is niet met zijn hoofd bij de militiewetgeving. Hij kijkt alweer uit naar het (nieuwe) einde van zijn termijn en is alvast begonnen met de voorberei- ding van de vakantie. Portugal is niet meer haalbaar. Hij vraagt paspoorten aan voor Zuid-Afrika. De bataljonscommandant en de militiewet komen nu nieuw roet in het eten strooien. Want de provinciecommisaris grijpt de gerechtelijke klacht en het bijhorende 'onderzoek' aan om opnieuw een eenzijdige verlenging met drie maanden van de 'termijn' op te leggen, blijkbaar om te voorkomen dat Borms het land zou verlaten. Wanneer Borms beseft dat hij een nieuwe ' extra-time ' aan het been heeft, is de maat vol. Hij zet zich aan zijn schrijfmachine en richt zich, welis- waar via hiërarchische weg, tot het allerhoogste gezag in de kolonie. In 1941 is dat administrateur-generaal Albert De Vleeschauwer. (35) Borms deelt De Vleeschauwer mee dat hij ontslag neemt uit de koloniale dienst. Dan volgt een uiteenzetting van twee lange bladzijden waarin hij het relaas doet van de voorbije maanden. Hij beschuldigt zijn oversten van "anti-statutaire en willekeurige maatregelen" , toege- past nadat hij bekend heeft gemaakt dat hij alleen nog in het Nederlands wenste te corresponderen. De stageverlenging, de opgelegde extratermijnen, de verlof- weigeringen, de overplaatsing naar Nkole, de censuur beschouwt hij als even zovele vormen van contractbreuk vanwege de overheid en bijgevolg een recht- vaardiging voor zijn ontslag. Als oorzaak van alle ellende ziet Borms de aanspraak op het recht om Nederlands te gebruiken in de kolonie.

"Ik voorzie thans dat men mij in dit ongezonde en verlaten gewest voor onbe- paalden tijd wil vastleggen, zonder zich te bekommeren om het feit of mijn gezondheids- toestand en die mijner vrouw en driejarig dochtertje daartegen bestand is (...) Ik kan in die omstandigheden mijn huisgezin niet langer aan dit moordend klimaat blootstel- len en ben verplicht mij naar een gezonder streek te begeven." (36)

Borms verwerpt de militieverplichting die op hem zou wegen: "Nog [sic] bij de koloniale weermacht (art. 1 van de Belgische Grondwet), nog [sic] bij het moeder- landsch leger (art. 57 al. 1 ° militiewet)." Ten slotte vraagt Borms om met zijn gezin gerepatrieerd te worden "om in meer gematigde streken een nieuwe werkkring [te] kunnen vinden." (37)

Borms meent wat hij schrijft. Hij gunt zich zes dagen om alle administra- tieve stukken op zijn post op orde te brengen. Op 10 augustus krijgt hij bezoek van een politieofficier die hem komt ondervragen in het kader van het gerechtelijk onderzoek inzake de militiewet. Borms beseft dat hij niet in orde is, maar zegt dat hij die wet ongrondwettelijk acht. Daarop biedt de politieman hem aan om een boete van 1000 frank te betalen, waarmee de zaak zou afgesloten worden. (38) Borms betaalt en stapt een paar uur later, in de nacht van 10 op 11 augustus op zijn motorfiets en rijdt uit Nkole weg om er nooit meer terug te keren. Een dag later komt een vrachtwagen langs om de spullen van het gezin op te halen. Frieda en de kleine Wilfrieda stappen daar ook in.

Op 12 augustus is het gezin weer samen in Luluaburg, de belangrijkste stad van de streek. Toevallig is provinciegouverneur François Wenner daar net op inspectiebezoek. Hij merkt de familie Borms op en stuurt er meteen een politie- agent op af. De onrechtmatige aanwezigheid van de adjunct-gewestbeheerder wordt formeel vastgelegd en vervolgens handelt de gouverneur bijzonder snel: hij schorst Borms op staande voet uit zijn functie wegens "ambtsverlating" . In de brief waarin hij dat aan de gouverneur-generaal meldt, adviseert hij Ryckmans ook om Borms effectief af te zetten en hem vervolgens onmiddellijk te mobiliseren en naar Engeland te sturen. de hoeveknecht Borms trekt met zijn gezin terug naar zijn eerste standplaats, het gewest Kanda- Kanda, waar hij onderdak zoekt bij vrienden, mannen wier naam ook voorkwam in het gerechtelijk onderzoek naar de "pro-Duitse kliek" , waar hij zou bijgehoord hebben en die ook vervolgd werden op basis van de militiewetgeving: de land- bouwers Buysse en De Doncker, de mannen die per se een proces-verbaal in het Nederlands wilden hebben in 1939. Hij hoopt er in de luwte met zijn gezin de oorlogstijd door te komen met hoevewerk en hulp bij de administratie van het veeteeltbedrijf van zijn vrienden in Tshabobo. De overheid vindt de keuze van dat toevluchtsoord extra belastend voor alle betrokkenen. Wenner krijgt al een spook- beeld voor ogen van een "opstandige en defaitistische kern" in zijn provincie (39) en is ook bang dat Borms via Angola en Portugal naar België zal proberen terug te keren.

Twee weken na de schorsing zet gouverneur-generaal Ryckmans de gewest- beheerder eerste klas Wilfried Borms officieel af. Hij verliest zijn functie en zijn graad. (Verordening nr. 293 van 26 augustus 1941). Een beslissing die Ryckmans later zelf als onrechtmatig zal bestempelen (40)en zal omzetten in "ter beschikking stelling" (Verordening nr. 74 van 7 maart 1942). (41) Het document wordt Borms op 30 augustus persoonlijk ter betekening aangeboden door zijn ex-chef en kwelgeest H.J. Paelinck, voor de gelegenheid met de pet van deurwaarder op (een van de talrijke ambten die een gewestbeheerder kon bekleden). Ook in de tropen werd wraak soms koel geserveerd.

Borms-de-jurist ging meteen in het verweer, rechtstreeks bij Albert De Vleeschauwer in Londen. Dat was zijn recht. Tegen de zwaarste tuchtstraffen konden ambtenaren beroep aantekenen bij de minister van Koloniën (artikel 70 van het statuut). Borms vroeg De Vleeschauwer om de afzetting om te zetten in een eenvoudig ontslag, waarbij hij het recht op repatriëring op kosten van de overheid zou behouden. Maar hij voegt eraan toe dat hij altijd bereid is om zijn ontslag weer in te trekken "...bijaldien het onrecht ten mijnen opzichte gepleegd hersteld wordt, namelijk wanneer de definitieve benoeming waarop ik na een proeftijd van meer dan drie jaar recht heb mij wordt toegestaan en ik een statutair verlof zal hebben mogen genieten dat mij na mijn eerste dienstperiode toekomt." Hiermee wil Borms duidelijk maken dat zijn ontslag niet zuiver 'politiek' gemotiveerd was, zoals volgens hem werd "geïnsinueerd" . (42)

De Vleeschauwer zat met het dossier duidelijk in zijn maag en vroeg Ryckmans om een volledige uitleg. En Borms zal het nooit zelf geweten hebben, maar zijn gedrag leverde al een eerste historisch resultaat op. De Vleeschauwer stond erop dat het dossier in het Nederlands behandeld werd en verplichtte zo de gouverneur-generaal zélf om zijn correspondentie over Borms uit het Frans te laten vertalen.

Un traitre au Lomami De gewestdienst was een lastpost kwijt, maar niet iedereen vond dat voldoende. Er was nu een "Affaire Borms" in Congo en die werd ook min of meer publiek gemaakt. De krant L'Avenir Colonial Belge begon er zich mee te moeien en werd daarin niet gehinderd door de nochtans straffe censuur. Op 10 september 1941 eiste de krant "strenge maatregelen" tegen deze "verrader en nako- meling van een verrader" in een stukje onder de welsprekende titel Un traître au Lomami . (43.) Een maand later volgt nog een waarschuwing aan het adres van Borms. Dezelfde krant schrijft dat "Kalina" oog heeft gehad voor de aanklacht van 10 september en dat er een "dwangmaatregel" in de maak is: "Zoveel te beter! Mogen we weten welke?" (44)

Even later wordt duidelijk wat het antwoord is: Borms wordt opgeroepen voor mogelijke legerdienst in Groot-Brittannië. Hij moet zich melden bij een plaatselijk rekruterings- bureau, maar wordt doorverwezen naar Leopold- stad. Daar zal hij in observatie genomen worden in een ziekenhuis, waarna de artsen definitief zullen beslissen over zijn fysieke geschiktheid voor de dienst. Engeland was een bekend reisdoel voor de "onge- wensten" van de kolonie, maar in het geval van Borms lijkt de overheid allesbehalve gehaast geweest te zijn om hem daar af te leveren. Ryckmans voorvoelde wellicht dat Londen niet al te zeer gesteld zou zijn op deze rekruut. Er gaan nog maanden overheen eer de ex-gewestbeheerder wordt opgenomen in het ziekenhuis Koningin Elisabeth in Leopoldstad. (45) Het is dan al 2 februari 1942. Omdat er helemaal niets gebeurt in zijn dossier, verzoekt de directrice van het ziekenhuis hem na 11 dagen om plaats te maken voor zwaar zieke patiënten. Borms gaat op zoek naar logies, maar in geen enkel hotel is hij welkom. De hoteliers vertellen hem dat ze bang zijn voor represailles vanwege een vereniging van oud-strijders, die weet dat Borms in de stad is. Een stadsambtenaar vindt uiteindelijk de oplossing: Borms moet zich als "vrijwillig gevangene" melden in de centrale gevangenis, waar hij wordt opgesloten bij gevangenen van gemeen recht. (46) Hij zal daar vier maanden blijven, schijnbaar 'vergeten' door de overheid. Om uit de impasse te raken, vraagt hij een audiëntie aan bij de gouverneur-generaal om met hem te spreken over "de mogelijkheid mijner herindiensttreding in den dienst der Koloniale administratie" en over het fatale stage- verslag, waarvan hij nog altijd geen inzage heeft gekregen. De audiëntie wordt toegestaan. Borms wordt in de loop van maart ontvangen door Léon Pétillon, de kabinetschef van Ryckmans. Hij blijkt niet eens te weten dat Borms noodgedwongen in de gevangenis verblijft en onderneemt ook niets om daar verandering in te brengen. Hij bevestigt wél dat de overheid van plan is om Borms naar Engeland te sturen.

Frieda Borms komt met haar dochtertje ook naar Leopoldstad. Borms' vrienden Buysse en De Doncker zijn inmiddels ook gemobiliseerd en ze kan niet langer op de hoeve in Tshabobo blijven. In de hoofdstad wordt ze op dezelfde hatelijke manier ontvangen als haar man. In Leopoldstad kent iedereen iedereen.

Pas op 1 april 1942 bezorgde Ryckmans het volledige dossier-Borms aan De Vleeschauwer. Ryckmans herhaalde nog eens dat de zogenaamde "tergerijen" perfect statutair waren en "... zoo de heer Borms argwaan heeft opgewekt, dan is dit niet 'a priori' wegens zijn afstamming (...) maar wel wegens de gevoelens die hij niet heeft geaarzeld tot uiting te brengen. Het is wegens zijn houding, welke voor 't minst als ongepast kan worden bestempeld, dat tot de verplaatsing van den Heer Borms naar Nkole werd besloten (...)" . Ryckmans verwees ook naar het gesprek dat Borms met Pétillon had gehad. Borms zou bijzonder harde taal gesproken hebben:

"'Men gebruikt geweld tegen mij', was zijn verklaring, 'maar het rad van de fortuin draait snel, en zij die thans geweld beoefenen zouden later wel eens zelfde hardheid ervan kunnen ondervinden 24 Ik weet welk lot mij in Engeland wacht: voorzeker hetzelfde als dat wat mijn geest- verwanten werd beschoren, die in België en Frankrijk, tijdens de gebeurtenissen van 1940, spoorloos verdwenen'. Toen hem de opmerking werd gemaakt dat hij er verkeerd aan deed om zulke taal te voeren, antwoordde hij dat hij sprak in de volste overtuiging en dat niets hem ervan kon doen afwijken." (47) (Borms herinnerde zich het gesprek later anders. Hij zou Pétillon hebben aangeboden om burgerdienst te verrichten i.p.v. militaire dienst, waarvoor hij nooit opgeleid was.) (48) "Om te besluiten, stel ik U voor, mijnheer de Minister, den heer Borms af te zetten wegens in den steek laten van den dienst. Het Bestuur heeft er geen enkel belang bij om in zijn dienst elementen te behouden zooals betrokkene, die trouwens nooit had moeten opgeroepen worden naar de kolonie, waar het er op aankomt, tot elken prijs, dat ons werk zou worden doorgezet buiten de verpestende atmosfeer der moederlandschen partijtwisten." (49)

Afzetting en internering

De Vleeschauwer volgde Ryckmans. Hij vroeg zijn administratie om een ministe- rieel besluit klaar te maken dat de afzetting van Borms definitief zou regelen, met in acht neming van alle procedureregels. Dat vroeg tijd. Maar wat moest Ryckmans intussen aanvangen met Borms? De Vleeschauwer had immers laten weten dat hij de komst van Borms naar Engeland "niet opportuun" achtte. Verplichte tewerkstelling was een mogelijkheid, maar Ryckmans koos uiteindelijk voor een straffere maat- regel: internering. Dat was nodig, vond hij, voor het prestige van de overheid, voor het publieke moreel, maar ook om "betrokkene tegen de verontwaardigde bevolking te beschermen" . Sinds het begin van de oorlog beschikte Pierre Ryckmans over een verordening die hem toeliet om een waaier van maatregelen te nemen tegen "verdachte personen" (50) , van om het even welke nationaliteit. Internering (en onder sekwester plaatsen van de bezittingen) was de strafste maatregel in het pakket. Ryckmans had een kleine groep Duitsers en enige honderden Italianen doen interneren. Ryckmans legde er de nadruk op dat die geen straf uitzaten, maar alleen uit voorzorg opgesloten waren. De documentatie over de 'interneringskampen' is nogal schaars, maar alles wijst erop dat de 'geïnterneerden' uiterst voorkomend behandeld werden en overdag het kamp vaak mochten verlaten. De 'kampen' waren soms gewoon civiele gebouwen (zoals het voormalig Italiaanse consulaat) of schepen in de haven van Leopoldstad. (51) Veel Italianen kwamen na korte tijd overigens weer vrij, sommigen nadat ze een loyauteitsverklaring hadden afgelegd. Ryckmans had bij het begin van de oorlog zijn provinciecommisarissen opgeroepen tot uiterste waakzaamheid. Mensen die een naturalisatieprocedure hadden lopen, maar ook Belgen, met name de mensen uit de Oostkantons, konden in zijn ogen ook verdacht zijn. Toch is Wilfried Borms vermoedelijk de enige Belgische onderdaan die in Congo ooit geïnterneerd is. Op 12 juni 1942 valt de beslissing. (52) Borms wordt nu 'officieel' geïnterneerd in de gevangenis van N'Dola in Leopoldstad en wat later met de boot terug naar Kasaï gebracht, waar hij zal opgesloten worden in het kamp van Luebo. (53) Het bericht haalt de pers, zij het met vertraging. Le Courrier d'Afrique zal zijn lezers op 12 augustus melden dat "... Borms, de waardige zoon van een te beroemde vader, naar Luebo is overgebracht, waar hij geïnterneerd is in een concentratiekamp" (54) Borms krijgt in Luebo een speciale behandeling. Voor hem wordt er een bij het kamp gelegen woning gereserveerd, waar een hoog hek (2m50) wordt rondgeplaatst. Elk contact met mede-geïnterneerden is verboden, ook tijdens de 'wandelingen'. Borms moet zelf voor beddengoed, keukengerei en lampen zorgen, want dat is allemaal niet te krijgen in Luebo. Zo hij dat wenst mag hij een zwarte dienaar laten inwonen. Frida en haar dochter gaan 'vrijwillig' mee in internering. Frieda heeft weinig keuze. Ze heeft geen middelen van bestaan. De familie arriveert in het kamp op 14 juli 1942. Borms reageert met grote opluchting op de internering. Hij meent er de humanitaire hand in te zien van Albert De Vleeschauwer, die op bezoek is in Congo en aan wie hij een brief had laten bezorgen met de vraag om zijn lot te verzachten. Het stelt hem vooral gerust dat zijn gezin nu bij mekaar kan blijven. Ongewild zorgde de geïnterneerde overigens alweer voor problemen. De kampreglementering is niet voorzien op zo'n speciaal geval. Het bezit van de geïnterneerden valt onder het sekwester, maar dat geldt in principe alleen voor niet-Belgen. Voor Borms wordt een uitzondering gemaakt want, zegt gouverneur Wenner, het kan niet de bedoeling zijn dat er gunsten worden verleend "aan een Belg die geweigerd heeft zijn land te dienen" . (55) Wenner gaat iets te snel, want Borms is alleen maar geïnterneerd bij wijze van ordehandhaving, niet wegens dienstweigering. Hoe dan ook, de directeur van het kamp zal voortaan de goederen van Borms beheren. Het gezin bezit nog net 26 000 frank. Borms mag per week over 250 frank beschikken.

Einde augustus brengt er iemand het ministerieel besluit met definitieve afzetting (nr. 8 van 10 augustus 1942) ter betekening naar het kamp. (56)

De dienstweigeraar

De maanden tikken weg in Luebo, vermoedelijk in de grootste verveling. Borms mag alleen contact hebben met een dokter en met een pater-scheutist, Albert Van Haelst (57) , van wie de gevangenisdirectie vermoedt dat hij soms post smokkelt. De man die de Borms-pakjes moet controleren is blijkbaar volledig Nederlands- onkundig. Hij meldt o.a. dat hij in een verdacht pakje van de pater een boek heeft aangetroffen met de titel: Winden waaien om de rotsen van Trygve Gulbranssen. (58) Vele maanden gaan voorbij zonder beweging in het dossier Borms, tot er iemand op het idee komt om de militiewetgeving nog eens onder zijn aandacht te brengen. Op 20 mei 1943 moet Borms zich opnieuw melden voor het rekruterings- bureau van Lusambo. Was het een spel dat met hem gespeeld werd? Draaide de administratieve molen gewoon door? De overheid in Leopoldstad wist intussen dat Londen Borms niet wilde voor het Belgische leger en wenste hem zelf ook niet meer op te nemen in de koloniale Force Publique. Maar een eventuele veroorde ling wegens dienstweigering kon natuurlijk wel de deur openen voor een hardere aanpak van de 'geïnterneerde'. Blijkbaar beschouwde de overheid Wilfried Borms nog altijd als een groot gevaar. Voor het transport van kamp Luebo naar Lusambo (450 km) golden speciale veiligheidsmaatregelen. De chauffeur die Borms wegbracht naar de zitting van de rekruteringscommissie mocht in geen geval halt houden in Luluaburg "... of in een plaats waar er Europeanen zijn. Mijnheer Borms mag met niemand contact hebben, op geen enkele manier" . (59)De keuringsraad had deze keer geen bijkomend onderzoek nodig: Wilfried Borms werd "geschikt voor den dienst" verklaard.

Op 27 juli 1943 kreeg Borms van de directeur van het interneringskamp in Luebo een marsbevel om naar Engeland te vertrekken, zonder zijn familie. Hij weigerde: "Ik weiger mij naar Engeland te begeven, maar ik stel me ter beschikking van de Krijgsraad als de overheid meent mij te moeten vervolgen wegens dienstweigering of desertie." (60)

Met Frieda Borms ging het intussen slecht. Ze stuurde op 13 mei 1943 via het Rode Kruis in Genève een wanhopig telegram naar haar schoonzuster Alice Goesaert in Deurne, met de vraag om haar repatriëring op gang te brengen. Zij leed aan kwaadaardige chronische malaria en dysenterie en verwachtte bovendien een tweede kind. (61) De slechte gezondheidstoestand van zijn vrouw (die hij moest achterlaten) was voor Borms een bijkomend motief om de reis naar Engeland af te wijzen.

De gevangene

De nieuwe weigering maakt van Borms een deserteur en zijn status in het kamp wordt aangepast: van 'geïnterneerde' wordt hij nu 'preventief gearresteerde'. Frieda en haar dochtertje moeten het kamp verlaten. Borms wordt nu voor de Krijgsraad gedaagd en Frieda zoekt voor hem een advocaat. Zij vraagt Jules Campill om die taak op zich te nemen. De keuze van Campill was opmerkelijk, op zich een soort politieke geste. Campill was in 1942, na een lange carrière als beroeps- magistraat, door Albert De Vleeschauwer afgezet in een geruchtmakende affaire over de veroordeling van een andere dienstweigeraar. Als voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg had Campill de moed gehad om rechtsregels te doen respecteren boven de patriottische koorts en had de gouverneur van de provincie Costermanstad, die de zogenaamde dienstweigeraar op arbitraire wijze had doen arresteren tot een gevangenisstraf veroordeeld. Eerder al had hij de publieke opinie getrotseerd door een Belgisch oud-strijder te veroordelen die een Italiaan had beledigd. Kort daarop was hij zelf afgezet. Hij was, net als Borms, maar na een veel langere carrière, zijn functie, graad én pensioenrechten kwijtgeraakt. Na zijn ontslag moest hij weer aan de slag als advocaat en kreeg nu als een van zijn nieuwe cliënten... de afgezette Wilfried Borms. Campill accepteerde de opdracht zonder problemen, maar moest verstek laten gaan in eerste aanleg, omdat zijn dossier bij de balie nog niet in orde was. Borms verdedigde daarom zichzelf. In zijn persoonlijk dossier steekt het typoscript van een in een bijna smetteloos Frans geschreven Note de Plaidoirie . De tekst is een vrij getrouw relaas van wat hem tussen 1940 en 1943 is overkomen. Alleen de bewering dat hij het "zeer moeilijk" had gehad met de Franse taal klinkt ongeloofwaardig, want de klacht is in volmaakte Franse volzinnen gesteld. Borms wijst o.a. ook op de absurditeit om iemand naar het front te sturen, terwijl men het op 10 000 km daarvandaan te gevaarlijk vindt om hem zijn vrijheid te gunnen en besluit daaruit dat de mobilisering niet uit militaire noodzaak gebeurt, maar een pure dwangmaatregel is, zoals L'Avenir Colonial Belge al had geweten. Ten slotte roept hij nu ook de gestalte op van de vader wiens schaduw hem al de hele tijd achtervolgt in Congo. Voor het eerst klinkt zijn stem echt schril en bitter: "Men moet een morbide en door de laagste politieke haat verblinde geest hebben om er aan te denken om een zoon, die men eerst vervolgd heeft en verantwoordelijk gesteld voor de daden van zijn vader, onder dwang te mobiliseren in een leger waarvan hij weet dat het, als het de overwinning behaalt, niet zal aarzelen om de executie van die vader te bevelen." (62) In een "beschaafd land" zou hij voor zichzelf de vrijspraak hebben gevraagd, handelend onder de "onweer- staanbare drang" van een hogere morele wet. Maar in de "wilde kolonie" die Congo is, zal hij zijn twee jaar gevangenisstraf moedig en met een "gerust geweten" uitzitten.

De Krijgsraad moest er niet lang over nadenken. Op 24 augustus 1943 werd Wilfried Borms tot twee jaar veroordeeld wegens dienstweigering.

Campill pakt het drie weken later in beroep anders aan. Hij heeft een hele reeks procedurefouten ontdekt. De Krijgsraad van de provincie Lusambo waar Borms voor verschenen was, bleek bijvoorbeeld een instelling die administratief niet bestond. Maar Campills interessantste argument om het vonnis nietig te doen verklaren, berustte op het bekende artikel 3 van de Koloniale Keure , dat het gebruik van de taal regelde in Belgisch-Congo. Volgens Campill had Borms recht op een proces in het Nederlands. Artikel 3 bepaalt immers dat Belgen in Congo dezelfde taalrechten en bescherming genieten als in België zelf. Dat formele principe gaat boven de 'gewoonte' om in Congo Frans te gebruiken. (63) Het beroep op artikel 3 dwingt de Krijgsraad-in-beroep in zijn arrest tot een uitspraak over het statuut van het Nederlands. Het hof neemt gewoon de 'botte' houding van de administratie over: ja, de Koloniale Keure bevestigt dat Belgen in Congo dezelfde taalbescherming genieten als in België, maar alleen als principe. En zolang er geen decreten zijn goedgekeurd om de zaak praktisch te regelen, moet de rechtsgang in het Frans verlopen, de taal die in Congo in gebruik was op het ogenblik dat de Keure werd opgesteld en sindsdien volgens ongewijzigde traditie in gebruik is gebleven.

Artikel 3 staat iedereen toe in Congo de taal van zijn keuze te 'spreken', maar heeft niet tot doel, noch tot resultaat dat processen in het 'Vlaams' of het Frans dienen te verlopen, naargelang van de wensen van de betichte. (64)

Het hof bevestigde de eerste uitspraak: Borms werd veroordeeld tot twee jaar effectieve gevangenisstraf op 14 september 1943.

Wilfried Borms is nu een 'volwaardig' gevangene. Hij verhuist naar de regu- liere gevangenis van Luebo. Bezoek is beperkt tot twee uur op zondag. Eten wordt voor hem klaargemaakt door de nonnen van Luebo. Frieda bevalt op 1 oktober van een tweede kind, Erik. In de gevangenis moet Borms wat administratief werk doen (papieren klasseren) en de zwarte gevangenen surveilleren bij hun corvees. Twee keer per dag mag hij met een gewapende bewaker een wandeling op straat maken, maar alleen op verlaten wegen en ver van de huizen.

Einde oktober verneemt hij ook dat een broer van de kolonist Frans Buysse (met wie de perikelen in 1939 waren begonnen), hem tot mede-erfgenaam heeft gemaakt van de twee grote landbouwbedrijven die hij bezat. Borms ziet af van het legaat. Er rust een zware hypotheek op de eigendommen en hun waarde vermindert met de dag, want de hoeves worden niet meer beheerd. Frans Buysse en mede- uitbater Cyriel De Doncker zijn immers naar Engeland gestuurd. Het legaat bewijst wel dat er tussen Borms en de mannen 'van het eerste uur' een diepe band was gegroeid. (65)

Einde januari 1944 polst de overheid nog eens of Borms, als hij voorwaar- delijk zou vrijgelaten worden, bereid zou zijn om zich bij het Belgische leger in Groot-Brittannië te voegen. Het antwoord is nog altijd neen. Borms verklaart zich wél bereid om zich bij de Force Publique te voegen, op voorwaarde dat men hem niet verplicht om Afrika te verlaten. Voorts verklaart hij zich bereid om te gehoorzamen aan gelijk welk bevel tot civiele mobilisatie. Daarop stelt de procureur de voorwaardelijke vrijlating voor. Maar daar gaat het gerecht niet op in.

Even later moet Borms nog eens verhuizen. Deze keer naar een totaal vreemde omgeving, duizend kilometer meer naar het zuid-oosten: naar Katanga. Een motief voor zijn overplaatsing is niet bekend. Ze paste mogelijk in een ruimere operatie van hergroepering van 'politieke' gevangenen in Katanga. Zijn nieuwe bestemming is de gevangenis van Elisabethstad. Maar omdat die net in quarantaine gehouden wordt, moet hij tijdelijk in de gevangenis van Jadotstad verblijven. Het moreel van Borms begint scheuren te vertonen. Op 2 februari 1944 stuurt hij, in het Frans, een smeekbrief naar de apostolische vicaris in Katanga. Hij vraagt hem om voor hem tussen te komen bij de Belgische regering in Londen

Zo gauw de sanitaire toestand het toelaat, wordt Borms in Elisabethstad opgesloten. Mevrouw Borms reist hem achterna en gaat met haar twee kinderen in een piep- klein hotelkamertje in Elisabethstad wonen. Ze klaagt haar grote nood bij Ryckmans en verzoekt hem om Borms vrij te laten en het gezin naar de hoeve Vermeersch te laten vertrekken, waarvan de eigenaar bereid is om hen op te vangen. (66) strenger regime dan in Luebo. Het bezoek is er beperkt tot een half uur per week. De cellen hebben geen elektriciteit. De dag eindigt om 18u. De gevangenen mogen geen papieren of schrijfgerei in hun cel bewaren. Ze mogen geen tafelmes gebruiken bij het eten.

De koloniale overheid heeft het echtpaar Borms helemaal op de knieën. In mei 1944 verplicht een bewaker Frieda om de Franse taal te gebruiken tijdens haar wekelijkse bezoek. Ze schrijft daarover een klachtbrief in het Frans naar de districtscommissaris: "Ik verzoek uwe hoge welwillendheid om mij toe te staan me in de Vlaamse taal uit te drukken, zoals onze Koloniale Keure ons wettelijk toestaat. De Vlaamse taal is een van onze twee nationale talen. Zelfs de inboorlingen hebben het recht om hun moedertaal te spreken in dezelfde omstandigheden." (67)

De districtscommissaris geeft op dit punt toe, maar aan het strenge gevange- nisregime (waarvan Frieda had geschreven dat het Borms' dood zou betekenen) wordt niets gewijzigd. De gevangenisdirecteur heeft overigens geen klachten over gevangene Borms, die hij zeer "volgzaam" noemt. Borms passeert het grootste ge- deelte van zijn tijd al schaakspelend met zijn drie blanke medegevangenen (nog een Belg, een Griek en een Italiaan). Soms wordt de jurist in hem nog eens wakker, zoals in een brief waarin hij klaagt over het verschil in behandeling in de vier gevange- nissen waar hij verbleven heeft. Dat kan niet de bedoeling van de wetgever geweest zijn. En hij verwijst ook grimmig naar een k.b. uit 1927 waarin bepaald was dat er 45 frank per dag en per (Europese) gevangene beschikbaar was: "Ik denk dat de som van 45 frank (...) voorzien voor de verzorging van een Europese gevangene in Congo het mogelijk maakt om hem één keer per dag koffie met melk en suiker aan te bieden." (68)

Het voorstel tot voorwaardelijke vrijlating blijft maanden liggen. Na een half jaar laat Ryckmans toch nog eens nagaan of Borms intussen niet murw is. Opnieuw wordt hem, op 14 juli 1944, officieel gevraagd of hij bereid is om zijn militaire dienstplicht in Groot-Brittannië te vervullen. En deze keer gaat hij door de knieën.

Hij antwoordt positief en zelfs in het Frans en vraagt alleen beleefd of zijn vrouw en twee kinderen meemogen

Ryckmans heeft Borms waar hij hem hebben wilde. Op 28 juli 1944 beveelt hij per telegram de voorwaardelijke vrijlating van gevangene Wilfried Borms. (69)

Was het de bedoeling van Ryckmans om Borms écht naar Engeland te sturen?

Vertrek naar Engeland was niet opgenomen in de voorwaarden tot vrijlating. Wel had de gouverneur zich gehaast om te bepalen dat in geen geval de reiskosten voor mevrouw Borms en haar twee kinderen zouden betaald worden, als het zover zou komen.

Epiloog.

De personages van dit verhaal werden uiteindelijk voorbijgestoken door de geschiedenis.

Op 3 september 1944 reden de eerste geallieerde eenheden het bezette België binnen. Brussel, Antwerpen en het grootste gedeelte van het land werden snel bevrijd.

Op 8 september 1944 keerde de oorlogsregering Pierlot uit ballingschap terug.

De familie Borms bleef al die tijd op de hoeve Vermeersch in Kimanda wonen.

Vermeersch leverde groenten aan de wijde omgeving.

Borms zorgde mee voor de distributie en het transport.

Op 27 maart 1945 overleed het zoontje Erik, ten gevolge van bloedvergiftiging. De hoeve in Kimanda lag op 200 km van het eerste grote ziekenhuis. De kleine Wilfrieda werd daarom naar een nonneninternaat in Kamina gestuurd.

In de loop van 1945 krijgt de familie weer brieven uit België. Zo verneemt Frieda dat haar vader intussen overleden is. Borms heeft in Congo opgevangen dat vader August gearresteerd is en samen met zuster Anita is opgesloten in de gevangenis van Sint-Gillis (wat overigens niet klopt op het ogenblik dat de brief geschreven is) en schrijft aan zijn zus Rosita: "Onze gedachten gaan aanhoudend naar den droeven burcht die we reeds kennen van in onze kinderjaren en waar nu twee duurbare wezens in plaats van een verblijven." (70)

Borms hoopt nu op spoedige repatriëring, maar beseft dat dat geen prioriteit zal zijn voor de overheid: "Ze moeten hier nu eerst nog al de zotten zien repatriëren eer de beurt zal komen aan de 'indésirables', categorie onder dewelke ik naar alle waarschijnlijkheid zal naar huis geëxporteerd worden." (71)

Gouverneur-generaal Ryckmans was de onwaardige ambtenaar en ex- gevangene niet vergeten. Borms had nog een verordening te goed.

Op 9 januari 1946 verordende Ryckmans dat "Wielfried" [sic] Borms het territorium van de kolonie diende te verlaten zogauw dat mogelijk was.

Elk toekomstig verblijf in Congo of Ruanda-Urundi wordt hem verboden, omdat hij "een bedreiging is voor de publieke orde en rust" . (72)

Tot aan zijn vertrek moet hij verplicht verblijf blijven houden in Kimanda, Katanga.

Het doek was gevallen over het Congolese leven van Wilfried Borms. Het gezin reist naar België met het passagiersschip Copacabana, dat op 22 juli 1946 uit Matadi vertrekt. Wilfried heeft zijn vader, die zijn hele Congolese carrière had bepaald, nooit meer teruggezien.

August Borms was op 12 april 1946 geëxecuteerd.

In België moest Wilfried Borms weer van nul vertrekken.

In augustus 1946 schrijft hij vanop zijn nieuwe Antwerpse adres een nederige brief naar de administratie van het ministerie van Koloniën.

Hij heeft een attest nodig om zijn werkloosheidsdossier in orde te brengen.

De brief is in het Frans gesteld... (73)

Nabeschouwingen

Manu Ruys en Walter Geerts noemen in hun bijdrage over Kongo in de Nieuwe Encyclopedie van de Vlaamse Beweging de stichting van het Vlaamse tijdschrift Band in 1942 "de eerste opvallende uiting van protest" (74) tegen de miskenning van het Nederlands in Belgisch-Congo.

Ze konden niet weten dat een eenzaam individu, Wilfried Borms, oudste zoon van August Borms, een jaar eerder al een soort kamikaze-aanval op het bolwerk van de Franstalige koloniale administratie had uitgevoerd.

Toen Wilfried Borms aan zijn koloniale carrière begon zal het ook nooit zijn bedoeling geweest zijn om de Vlaamse beweging naar Afrika te exporteren. Niets in zijn gedragingen wijst daarop. Hij zou trouwens nooit zijn toegelaten tot de Koloniale School, indien er ook maar een negatief getuigschrift door een schooldirectie of door een van de twee universiteiten waar hij college had gelopen, was opgesteld.

Wilfried Borms had de ambitie om magistraat te worden en hij zal beseft hebben dat zijn familienaam daarvoor geen troef was in België.

Hij was zo naïef om te denken dat het in de kolonie wél zou lukken.

De koloniale samenleving, aangestoken door oorlogskoorts, toonde zich van haar lelijkste en meest irrationele kant in haar behandeling van het 'geval Borms', dat er helemaal geen had hoeven te zijn als men de moed had gehad om de daden van de zoon te beoordelen zonder voortdurend aan die van de vader te denken. Borms' superieuren bezondigden zich aan intentieprocessen en groteske overdrijvingen.

Dat leidde van zijn kant tot een even irrationeel als opportunistisch eenmansgevecht voor het Nederlands. Vervolgens kreeg een krant en een deel van het publiek de kans om een soort veemgericht tegen Borms en zijn gezin te organiseren.

De Congolese historie van Wilfried Borms roept in haar verloop vage echo's op van de biografie van vader Borms.

Met wat kwade wil en overdrijving zou men er de beroemde woorden van Karl Marx kunnen bijhalen:

"Hegel merkt ergens op dat alle grote wereldhistorische feiten en personen als het ware tweemaal optreden. Hij vergat er aan toe te voegen: de ene keer als tragedie, de andere keer als klucht." (75)

Wat Wilfried Borms overkwam, was natuurlijk geen klucht, eerder een inktzwarte tragikomedie, onder de tropische zon.

En nog een groot verschil met de historie van de vader is, dat de zoon niet 'voor de tribune' speelde, hij moest het zonder sympathiserend publiek stellen.

Tot vandaag wist haast niemand iets af van zijn eenzame gevecht.

Ook in zijn grote zorg voor zijn gezin onderscheidt hij zich van de vader, die hij overigens nooit verloochend heeft. Aan zijn zoontje Erik, geboren toen hij in de gevangenis van Luebo zat, gaf hij de namen Erik Frans 'August'...

Juridisch vertoont dit verhaal een aantal trekken die bekend zijn in de geschiedenis van de Vlaamse beweging:

een wet bood de Vlamingen taalbescherming van op de eerste dag dat Belgisch-Congo bestond, maar in de praktijk was diezelfde wet vijfendertig jaar later nog altijd niet afdwingbaar.

Zich bewust van die lacune deed de overheid een beroep op de goede wil van de 'superieure' tweetaligen zolang dat ging.

Maar in naam van het hogere staatsbelang aarzelde ze niet om de wet tégen hen te gebruiken als het er echt op aankwam.

Niet alleen België, ook Belgisch-Congo "was gebouwd op het geduld van de Vlamingen" .

Door haar 'ontijdigheid' werpt de taalactie van Wilfried Borms een schril licht op de toestand van de Vlamingen in de kolonie in de vroege jaren veertig. Een simpel proces-verbaal in het Nederlands kon al ontreddering veroorzaken. Het Neder- lands als officiële taal was toen de échte publieke vijand in Belgisch-Congo, veel meer dan het individu Wilfried Borms.

ABSTRACT

Govaerts (Bert), Wilfried Borms in Belgisch- Congo. Een eenmansgevecht voor het Nederlands in de kolonie?, in: Wetenschappelijke tijdingen , LXVI, 2007, nr. 1, pp. 6-33 Bert Govaerts, Wilfried Borms in the Belgian Congo. A one-man crusade for the Dutch language in the colony? Wilfried Borms was a competent colonial official in the Belgian Congo at the end of the 1930s, who fought a battle on principle to defend his legal rights as a Dutch speaker.

For this reason, but also because of the shadow cast by his father, the controversial Flemish nationalistic leader August Borms, he was crushed by the repressive hierarchical system, particularly when during the Second World War the governor general placed the Belgian colony unconditionally at the disposal of the Allies, whilst father Borms collaborated for the second time with the German occupying forces.

Bert Govaerts describes this unsavoury and chiefly deeply sad tale, characterised by vile prejudice and naïve self-confidence

Lees ook Het boek : ISBN: 9085420210 ; 9789085420217
Auteur : Van Everbroeck, Christine
Uitgever: Antwerpen : Meulenhoff/Manteau, 2005.

Beschrijving: 480 p.: ill.

    • 01. C. Van Everbroeck, August Borms. Zijn leven, zijn oorlogen, zijn dood , Antwerpen-Amsterdam, 2005.
    • 02. Van dit dossier bestaan twee, niet geheel identieke exemplaren. Het eerste, met als refe- rentie SPA 25.015 (R 4156) berust in de Afrikaanse Archieven (AA) van het ministerie van Buitenlandse Zaken, Karmelietenstraat 7-15, Brussel. Het tweede exemplaar wordt bewaard in de bibliotheek van Buitenlandse Zaken (BZ), op hetzelfde adres, in een collectie met archief- stukken 'Ontwikkelingssamenwerking'. Referentie 9245. Naast deze twee administratieve dossiers bestaat er over Wilfried Borms nog een kleiner dos- sier met stukken over zijn internering en opsluiting, eveneens in het Afrikaanse Archief en met referentie GG 13.435. Alle citaten in dit artikel komen uit het dossier SPA 25.015, tenzij anders aangegeven. Naar het tweede dossier wordt verwezen als naar BZ 9245. Wilfried Borms bewaarde zélf ook een 'koloniaal dossier'. Het bleef in de familie en werd ons ter beschikking gesteld door zijn dochter Frieda Borms. We verwijzen er naar als Persoonlijk Dossier Wilfried Borms (PDWB). We hebben ten slotte ook gebruikgemaakt van het strafdossier van Wilfrieds broer Herman Borms, dat bij het College van Procureurs-Generaal berust in het Justitiepaleis in Brussel.Verwijzing: Strafdossier Herman Borms (SHB). Teksten van (besluit)wetten en verordeningen (soms ook ordonnanties genoemd) zijn geput uit de verzamelde jaargangen van het Bulletin Administratif et Commercial du Congo Belge en het Bulletin Officiel/Ambtelijk Blad voor den Belgischen Congo , die eveneens bewaard worden in de bibliotheek van Buitenlandse Zaken. Documenten in het Frans zijn naar hedendaags Nederlands vertaald. Van documenten in het Nederlands is de oorspronkelijke spelling bewaard. De auteur dankt Françoise Peemans, Christine Van Everbroeck en Frieda Borms voor hun hulp.
    • 03. SHB: Brief van Anita Borms aan Herman Borms, 21 september 1937.
    • 04. SHB: Brief van August Borms aan Herman Borms, 21 september 1937.
    • 05. Niet te verwarren met de Koloniale Hogeschool in Antwerpen, waar de opleiding vier jaar duurde. De hogere cursus in Brussel was gereserveerd voor kandidaten die al een universitair diploma hadden of reeds in dienst waren van de kolonie met een lagere graad.
    • 06 . BZ 9245: Toelichting bij de examenresultaten, 18 maart 1938.
    • 07. BZ 9245: Briefje gehecht aan het formulier waarmee Wilfried Borms zich kandidaat stelde voor de cursus aan de Koloniale School. Een anoniem personeelslid schrijft: "Ik acht het nuttig de aandacht van M. de minister erop te vestigen dat de candidaat de zoon van 'Borms' is" , 18 augustus 1937. Minister van Koloniën was op dat ogenblik de christendemocraat Edmond Rubbens. Antwoord van de minister in de marge.
    • 08. De hoogste post in de provincie in die tijd. De graad van 'gouverneur' werd pas op 15 februari 1941 ingevoerd door Albert De Vleeschauwer. Vanaf dat ogenblik noemt men de provincie- commissaris 'gouverneur' en de adjunct-provinciecommissaris 'provinciecommissaris', zonder dat er iets aan hun bevoegdheid veranderd werd. Zie: Bulletin Administratif et Commercial du Congo Belge , Boma, 1941, dl. 1, pp. 205-206.
    • 09 Provinciesecretariaat van Lusambo, nr. 3150: Brief van C. Wauters aan A. Lemborelle, 7 juni 1938.
    • 10. AA/SPA 25.015, Notes Biographiques: Evaluatie door A. Lemborelle, getekend op 1 september 1938.
    • 11. AA/SPA 25.015, Notes Biographiques: Evaluatie door M. Crèvecoeur, getekend op 30 au- gustus 1939
    • 12AA/SPA 25.015: Brief van Wilfried Borms aan de provinciecommissaris van Lusambo, 29 maart 1940.
    • 13. Bulletin Officiel/Ambtelijk Blad voor den Belgischen Congo , 1 januari 1941: Besluit-wet van 18 juni 1940.
    • 14. AA/SPA 25.015, Nota 1535/Pers/B.13: Nota van E.Verhegge aan de provinciecommissaris van Lusambo, 14 mei 1941 (eigenlijk aan de gouverneur, Verhegge gebruikt de oude titel).
    • 15 BZ 9245: Doorslag van een nota van R. Reisdorff, 7 juni 1940.
    • 16. BZ 9245: Doorslag van een nota van R. Reisdorff, 7 juni 1940.
    • 17. PDWB, Kopie van Nota 156/S.T.: Nota van H. Paelinck aan de districtscommissaris van Sankuru, 16 december 1939
    • 18. AA/SPA 25.015, Nota 2408/Pers/B.13: Nota van E. Verhegge aan de gewestbeheerder van Kanda-Kanda, 22 juli 1940
    • 19. AA/SPA 25.015, Notes Biographiques: Evaluatie getekend door H.J. Paelinck op 30 augustus 1940
    • 20. AA/SPA 25.015, Notes Biographiques: Evaluatie getekend door H.J. Paelinck op 30 augustus 1940, toevoeging door E. Verhegge.
    • 21. AA/SPA 25.015: Rapport de Stage , getekend door H.J. Paelinck op 26 november 1940.
    • 22. Onderstreping door Verhegge zelf, om duidelijk te maken dat de informatie tweedehands is.
    • 23. Toevoeging door E. Verhegge, getekend op 11 december 1940
    • 24. Zie bijvoorbeeld Le Courrier d'Afrique , 30 oktober, 14 november en 3 december 1940 met berichten over de culturele collaboratie, o.a. over de Rembrandtprijs 1940 voor Raf Verhulst. Op 23 oktober had L'Avenir Colonial Belge de installering van de zogenaamde 'Bormscommissie' gemeld en daarbij benadrukt dat de schadevergoeding voor de ex-activisten zou betaald wor- den door de Belgische belastingbetalers.
    • 25. AA/SPA 25.015: Alle citaten uit nota 468/Pers met als referentie Gebruik der Nederland- sche taal inzake dienststukken van W. Borms aan H.J. Paelinck, 5 december 1940
    • 26. Zie Bulletin Officiel/Ambtelijk Blad , jg. 1908-1909, p. 67 voor de volledige tekst van de Wet op het Beheer van den Belgischen Congo. Artikel 3 luidt : "Het gebruik der talen is vrij. Het wordt geregeld door decreten, zoodanig dat de rechten der Belgen en der Congoleezen zijn ge- waarborgd, en alleen voor de akten van het openbaar gezag en voor gerechtelijke zaken. Op dat gebied genieten de Belgen, in Congoland, eene gelijke bescherming als die in hun land verzekerd is. Met dat doel worden decreten, uiterlijk binnen vijf jaren na de afkondiging van deze wet uitge- vaardigd. (...)"
    • 27. AA/SPA 25.015, Brief 27/Pers: Brief van 3 januari 1941, geciteerd door E. Verhegge in zijn nota 317/Sec-Pers/ "Emploi langue Flamande" , 27 januari 1941. Letterlijk schreef Ryckmans: "En ce qui concerne la langue à employer dans les correspondances officielles à échanger entre les membres de l'administration, le droit pour le fonctionnaire de correspondre dans sa langue doit être reconnu
    • 28 AA/SPA 25.015: Aanvullende nota bij het stagerapport van W. Borms door H.J. Paelinck, getekend op 3 januari 1941. Paelinck (1906-1961) was een Limburger, geboren en opgegroeid in Hasselt en sinds 1928 in Congo. De steile ambitie die uit zijn correspondentie met Borms spreekt, is later geheel vervuld. Hij beëindigde zijn carrière in 1958 als gouverneur van Katanga, overladen met hoge Belgische eretekens. Zie hiervoor: Belgische overzeese biografie , Brussel, 1968, dl. VI, pp. 802-803.
    • 29. Afschrif t in AA/SPA 25.015. 30. AA/SPA 25.015, Nota 54/Pers, Gebruik der Nederlandsche Taal in Dienststukken: Nota van W. Borms aan de gewestbeheerder, 5 februari 1941. 31. AA/SPA 25.015, Nota 24/Pers: Nota van W. Borms aan substituut van Kabinda, 21 januari 1941. ...
      • 16 28. AA/SPA 25.015: Aanvullende nota bij het stagerapport van W. Borms door H.J. Paelinck, getekend op 3 januari 1941. Paelinck (1906-1961) was een Limburger, geboren en opgegroeid in Hasselt en sinds 1928 in Congo. De steile ambitie die uit zijn correspondentie met Borms spreekt, is later geheel vervuld. Hij beëindigde zijn carrière in 1958 als gouverneur van Katanga, overladen met hoge Belgische eretekens. Zie hiervoor: Belgische overzeese biografie , Brussel, 1968, dl. VI, pp. 802-803. 29. Afschrif t in AA/SPA 25.015.
    • 30. AA/SPA 25.015, Nota 54/Pers, Gebruik der Nederlandsche Taal in Dienststukken: Nota van W. Borms aan de gewestbeheerder, 5 februari 1941.
    • 31. AA/SPA 25.015, Nota 24/Pers: Nota van W. Borms aan substituut van Kabinda, 21 januari 1941
    • 32. AA/SPA 25.015, Nota 488/sec: Nota E. Verhegge aan de provinciecommisaris van Lusambo, 5 februari 1941.
    • 33. AA/SPA 25.015: Telegram van W. Borms aan Congo Progov. afgestempeld op 4 maart 1941.
    • 34. AA/SPA 25.015: Transcriptie van een gecodeerd telegram van E. Verhegge, 5 februari 1941. Op "defaitistische toespraken en gesprekken op welke plaats ook" stonden gevangenisstraffen van één maand tot twee jaar. (Wetgevende Verordening nr. 83/P.A.J. van 27 mei 1940)
    • 35. De jurist Borms zal wel geweten hebben dat hij zijn ontslag volgens het statuut bij de gouverneur-generaal diende in te dienen, niet bij de minister. Misschien heeft hij op een 'Vlaamse' reflex bij De Vleeschauwer gerekend. 36. AA/SPA 25.015, 361/Pers: Brief van W. Borms aan den Administrateur-Generaal der Kolo- nie Belgisch Congo, 5 augustus 1941.
    • 36. AA/SPA 25.015, 361/Pers: Brief van W. Borms aan den Administrateur-Generaal der Kolo- nie Belgisch Congo, 5 augustus 1941.
    • 37. AA/SPA 25.015, 361/Pers: Brief van W. Borms aan den Administrateur-Generaal der Kolo- nie Belgisch Congo, 5 augustus 1941. Borms was in België vrijgesteld van legerdienst als oudste zoon in een gezin van zes kinderen en meende dat hem dat voor altijd onrekruteerbaar ge- maakt had. De Besluit-wet van 30 januari 1941, die ook vrijgestelden weer opriep, was in Bel- gisch-Congo nog niet gepubliceerd. Borms erkende de Londense regering overigens sowieso niet als 'wettig'.
    • 38. Het parket tilde duidelijk niet zwaar aan de zaak. De man die in opdracht van de substituut bij Borms kwam aankloppen, had duidelijke richtlijnen gekregen om de zaak met een betaling af te ronden "dont le paiement endéans le délai de 10 jours, mettra fin aux poursuites." (AA/SPA 25.015, Nota nr. 1816/8656 van 1 augustus 1941. Op 2 september volgde een "note de fin d'instruction" met de off iciële seponering (AA SPA 25.015, nr 1990/R.M.P. 8656).
    • 39. AA/SPA 25.015, 109/Sec: Nota van gouverneur F. Wenner aan P. Ryckmans, 14 augustus 1941. Borms' vrienden De Doncker en Buysse werden effectief op transport naar Engeland ge zet. Van De Doncker hadden getuigen gehoord dat hij zich in het publiek "anti-Belgisch" en "pro-Duits" had uitgelaten toen het nieuws van Borms' overplaatsing naar Nkole bekend was geraakt.
    • 40. AA/SPA 25.015: Afschrif t.
    • 41. AA/SPA 25.015: Afschrif t. Afzetting van een ambtenaar diende volgens het statuut (arti- kel 66) te gebeuren met een Koninklijk Besluit. Ryckmans erkende zijn vergissing zelf. Zijn tweede verordening verzacht ook de fout die Borms zou gemaakt hebben. Ryckmans vermeldt uitdrukkelijk dat Borms in de mening verkeerde dat zijn ontslag aanvaard was. De tekst van het statuut van de koloniale ambtenaren vindt men in elke editie van het "Officieel Jaarboek" voor Belgisch-Congo .
    • 42. BZ 9245: Brief van W. Borms aan de Administrateur-Generaal der Colonie Belgisch-Congo, 3 september 1941. De Vleeschauwer heeft deze brief overigens pas op 10 november 1941 voor "gelezen" geparafeerd
    • 43. L'Avenir Colonial Belge , 10 september 1941, p. 2. Lomani was een oudere naam voor het gebied waar Borms verbleef. Op 23 september publiceerde dezelfde krant op haar frontpagina ook nog een artikel over een reportage van Zender Brussel, waarin vader Borms prominent figureerde en "le vendu de 1914, le traître de 1940" werd genoemd. De auteur besluit zijn arti- kel met volgende tirade: "Borms, Degrelle, de Man, Staf Declerq [sic] et consorts, traîtres à votre pays vous avez bien mérité de l'ennemi! Mais patience. Si vous survivez à la débacle qui attend vos maîtres, les Belges vous feront: Koppeken af..." .
    • 44. L'Avenir Colonial Belge , 4 oktober 1941, p. 2. Kalina is de overheid in Leopoldstad, ge- noemd naar het stadsdeel waar het paleis van de gouverneur-generaal stond
    • 45. PDWB: Certificat Médical getekend door dr. Pauly, 13 februari 1942.
    • 46. Of ficiële stukken over de "vrijwillige" gevangenschap van Borms ontbreken. Maar zijn re- laas wordt bijna letterlijk bevestigd en herhaald door L'Avenir Colonial Belge in haar editie van 2 april 1942, p. 2. Zijn versie van de feiten is te vinden in PDWB, met name in een Note de Plaidoirie . Daarvan bestaan twee versies, een geschreven voor het pleidooi in eerste aanleg en een lichtjes aangepaste versie voor de behandeling in beroep
    • 47. BZ 9245: Nota van P. Ryckmans aan A. De Vleeschauwer, 1 april 1942, pas op 8 mei 1942 door het secretariaat van De Vleeschauwer ontvangen.
    • 48. PDWB: Note de Plaidoirie.
    • 49. BZ 9245: Nota van P. Ryckmans aan A. De Vleeschauwer, 1 april 1942.
    • 50. AA/SPA 25.015, Wetgevende Verordening nr. 62/P.A.G. van 14 mei 1940
    • 51. AA/GG 7326 en GG 6930: Lijsten van geïnterneerden, kampreglementen en andere informatie.
    • 52. AA/GG 13.435: "Décision" nr. 372 van 12 juni 1942, getekend door de gouverneur van Leopoldstad, graaf Albert de Beauffort.
    • 53. "Kamp" is ook voor Luebo waarschijnlijk een hachelijke benaming. Borms woonde er in een gewoon huis. De overige geïnterneerden, die in 1942 niet talrijk meer geweest zullen zijn, vermoedelijk in een civiel gebouw. Op het 'hoogtepunt' van de anti-Italiaanse actie, in juni 1940, verbleven er in het kamp van Luebo 25 Italianen en, hoewel Ryckmans een uitzondering had gemaakt voor religieuzen, één protestantse Duitse missionaris. Die man, Kurt-Karl Kramer was nog in het kamp toen Borms arriveerde. Toevallig waren daar ook de Belgische vakbonds- mannen Heynen en Dutron, die het gewaagd hadden om in oorlogstijd een staking te leiden in Katanga. Maar zij waren wel voor een reguliere rechtbank veroordeeld wegens defaitisme.
    • 54. Le Courrier d'Afrique , 12 augustus 1942, p. 4. Titel van het stukje: "Sous les Verrous" .
    • 55. AA/GG 13.435, Nota 158/Sec.Sq. I: Nota van Gouverneur Wenner aan districtscommissaris Kasaï, 27 juli 1942.
    • 56. AA/SPA 25.015: Afschrif t van Besluiting [sic] nr. 8 van 10 augustus 1942. De Vleeschauwer nam letterlijk de tekst van de tweede verordening van Ryckmans over.
    • 57. De scheutist Albert Van Haelst (1903-1976) werd na de oorlog bekend als cineast van tal- rijke films met de figuurtjes Mata-Mata en Pili-Pili.
    • 58. AA/GG 13.435, Nota nr. 199: Nota van Leon Thommès, directeur van het kamp van Luebo, 15 juli 1943.
    • 59. AA/GG 13 435: Nota 765 Just/Inter.: Nota van de assistent-districtscommissaris aan gewestbeheerder Phariseau, 5 mei 1943.
    • 60. AA/GG 13.435, geciteerd in Nota 1397 Just/20: Nota van districtscommissaris Sand aan gouverneur-generaal Ryckmans, 6 augustus 1943.
    • 61. Het telegram van Frieda werd vanuit België via Genève beantwoord door Alice Goesaert op 28 augustus. Ze schrijft dat de hele familie in goede gezondheid verkeert en stappen zal zetten om de repatriëring op gang te brengen. Dit antwoordtelegram is het enige stuk in al de dossiers dat wijst op communicatie met de familie Borms in België tijdens de oorlogsjaren.
      • 62 ?
      • 63?
      • 64 ?
      • 65?
    • .... AA/GG 13.435. De voorwaardelijke vrijlating werd formeel geregeld met een "décision" van provinciecommissaris H.L. Keyser op 4 augustus 1944.
    • 66. AA/GG 13.435: Brief van Frieda Borms aan gouverneur-generaal Ryckmans, geschreven in Grand Hotel Kemps, kamer nr. 9 in Elisabethstad. In het dossier steekt alleen een niet geda- teerde kopie, door Ryckmans doo
    • 67 .AA/GG 13.435: Brief van Mme. W. Borms aan de districtscommissaris, 24 mei 1944.
    • 68 .PDWB: Handgeschreven kopie van brief van W. Borms aan de districtscommissaris van Elisabethstad, 5 mei 1944.
    • 69 . AA/GG 13.435. De voorwaardelijke vrijlating werd formeel geregeld met een "décision" van provinciecommissaris H.L. Keyser op 4 augustus 1944.
    • 70. PDWB: Brief van W. Borms aan 'Roosje', 8 juli 1945.
    • 71. PDWB: Brief van W. Borms aan Edmond Borms, 6 augustus 1945.
    • 72. AA/SPA 25.015: Afschrift van de verordening.
    • 73. BZ 9245: Brief van W. Borms aan de directeur van de Dienst Personeel van de Kolonie, 16 augustus 1946.
    • 74. W. Geerts & M. Ruys, Kongo , in: R. De Schryver, e.a. (red.), Nieuwe Encyclopedie van de Vlaamse Beweging , Tielt, 1998, dl. 2, pp. 1741-1744.
    • 75. K. Marx, De Achttiende Brumaire van Louis Bonaparte , Moskou, s.d. Nederlandse tekst op www.marxists.org.

Info

Ook op het internet gelden de auteursrechten. Werken die auteursrechtelijk beschermd zijn, zoals tekeningen, foto's, muziek, film en software, mag u niet verspreiden via het internet zonder de uitdrukkelijke toestemming van de auteur.
Een auteur van een programma kan de namaker van zijn werk strafrechtelijk laten vervolgen, maar dat kan alleen als het namaken kwaadwillig of bedrieglijk is gebeurd. Niet alleen de namaker is strafbaar, ook wie namaakprogramma's voor handelsdoeleinden verkoopt, in voorraad heeft voor verkoop of invoert in België, overtreedt het auteursrecht.
Delcol Martine