Een congolese genocide ?

Is deze aanklacht gretig overgenomen de media historisch gefundeerd ?

Een Congolese genocide.

Bron : [ link KMMA zie PDF (2010) ]

De beschuldiging van genocide, ingebracht tegen de Onafhankelijke Congostaat, werd verspreid door recente populair-geschiedkundige werken en gretig overgenomen door de media.

Is deze aanklacht historisch gefundeerd?

De eerste schattingen van het bevolkingscijfer van Midden-Afrika gaan terug tot het einde van de 19de eeuw. Ze berustten op extrapolaties van reizigers die hun ramingen baseerden op de plaatsen die ze bezochten.

Hoge schattingen zouden, zo dacht men toen, een gunstig effect hebben op de Europese publieke opinies betreffende de kolonisatie. Een groot aantal arbeidskrachten zou heel wat perspectieven bieden, zoals het openen van afzetgebieden voor de Europese uitvoer en de ontwikkeling van de tropische producten, dit zou kortom een waarborg vormen voor de toekomst van de Europese investeringen.

Tussen 1885 en 1910 werd er gewag gemaakt van 20 tot 30 miljoen inwoners in Congo en van 8 tot 15 miljoen in het latere Frans-Equatoriaal-Afrika.

De aanklachten tegen het leopoldiaanse bewind omvatten een demografisch luik.

In 1906 publiceerde Edmund Morel Red Rubber. The Story of the Rubber Slave Trade Flourishing on the Congo in the Year of Grace 1906 waarin hij als eerste voor Congo een cijfer naar voren schoof over het aantal verloren mensenlevens. Zijn willekeurige raming stelde dat er tussen 100.000 en 500.000 doden vielen per jaar. Uitgaande van een bevolkingscijfer van 20 miljoen, berekende hij ten slotte dat er in de periode 1890–1910, 10 miljoen slachtoffers vielen, die hij allemaal toeschreef aan koloniaal geweld.

Later vond deze schatting ingang in de internationale vulgariserende literatuur. In dezelfde periode werden vergelijkbare cijfers gehanteerd voor de periode van de veroveringen in onder meer Soedan en in Frans Equatoriaal-Afrika.

De jaren 1920 brachten een nieuwe golf van beschuldigingen over de ontvolking in Midden-Afrika, ditmaal met de bedoeling te wijzen op de urgentie van programma’s van openbare gezondheidszorg en van een natalistisch beleid. Hoofdbekommernis werd vanaf dan het behoud van het ‘menselijk erfgoed’ van de streek.

In deze periode stelden waarnemers, zonder betrouwbare volkstelling, dat de bevolking van Belgisch-Congo waarschijnlijk met 50% was afgenomen. Deze berekening ging uit van een (hypothetisch) bevolkingscijfer van 18 miljoen in 1885.

De ontvolking werd geweten aan epidemische catastrofes, aan de ontwrichting teweeggebracht door de rekrutering van arbeidskrachten en door de volksverhuizingen. Ook in buurlanden werden gelijkaardige stellingen over de bevolkingsafname naar voren gebracht.

Gezien de geringe demografische kennis baseerden al deze schattingen zich op niet verifieerbare uitgangspunten. Vandaag bestaat er voor heel Afrika een wetenschappelijke consensus. De historisch-demografen verwerpen unaniem de schattingen van de jaren 1890. Toch houden ze rekening met, niet eens door cijfermateriaal gestaafde, concordanties op het vlak van de waarnemingen wijzend op een regressie in de loop van de jaren 1920.

De oorsprong van deze bevolkingsafname gaat echter verder terug in de tijd.
Ze stellen eveneens, en opnieuw unaniem, een fase vast van ononderbroken demografische groei vanaf de jaren 1930. Vandaag plaatst de geschiedenis van de op 20 % geschatte demografische regressies

in de jaren 1875–1925/1930, de gewelddaden van de leopoldiaanse tijd in een bredere context van gezondheidsomstandigheden en van volksverhuizingen, zonder aan een van deze factoren een exclusief belang toe te kennen.

De huidige mediatisatie legt deze conclusies echter naast zich neer, beperkt zich tot de schattingen van de verliezen gemaakt vóór 1920 en schrijft ze exclusief toe aan menselijke factoren. Vandaag spreekt men over een opzettelijke ‘genocide’, met andere woorden een geprogrammeerde en systematische uitroeiing van een groep mensen. Deze interpretatie heeft geen enkele wetenschappelijke fundering.

Bibliografische nota :
De publicaties over de historische demografie stemmen overeen wat het scenario betreft van een evolutie van de Midden-Afrikaanse bevolking in drie fases:

– zeer trage groeifase in de loop van de 19de eeuw

– omgekeerde curve tijdens een crisis (1875–1930?) die resulteert in een merkbare regressie: het cijfer van 20 % lijkt aannemelijk.

– gestage groei vanaf de jaren 1930 C. Sautter, De l’Atlantique au fleuve Congo. Une géographie du sous-peuplement, 2 vol., Paris-La Haye,Mouton, 1966 B. Fetter, Demography from Scanty Evidence. Central Africa in the Colonial Era, Boulder, Colorado, Lynne Rienner, 1990: in het bijzonder, voor Congo en Frans Equatoriaal-Afrika,
bijdragen van L. de Saint Moulin, R. Headrick, J. Sabakinu en
J. Stengers B. Etemad, La Possession du monde. Poids et mesures de la colonisation (XVIIIe-XXe siècles), Bruxelles, Complexe, 2000

Queen Nenzima of the Mangbetu people of Congo. || From the Secret Museum of Mankind Volume 2. Published 1935Gewelddaden en wreedheden In de loop van de jaren 1900 werd de Onafhankelijke Congostaat aangeklaagd wegens het tolereren, of zelfs organiseren, van een uitgebreid ‘systeem’ van gewelddaden en wreedheden, verminkingen, kannibalisme, grootschalige represailles enz.

Wat staat er in het dossier van deze aanklacht en hoe werd het gebruikt? Laat de geschiedenis toe deze gebeurtenissen te verklaren zonder ze te rechtvaardigen?

Het dossier ten laste is uitgebreid en overtuigend. Het dossier bestrijkt de periode van de twintig jaar durende internationale rubberexpansie. Zowel privé als in het openbaar deden honderden Afrikaanse en Europese getuigen – dorpelingen, mannen, vrouwen, militairen, magistraten, functionarissen van alle graden, en religieuzen – melding van geweldplegingen begaan door de Afrikaanse milities in dienst van de Staat en de concessiehoudende maatschappijen.

Ondanks de verboden in de wetgeving van de Staat was er sprake van geweld in uitgestrekte gebieden. Ook Frans-Congo en Katanga leken besmet door de gewelddadigheid en het kwaad bleek moeilijk uit te roeien.

Ten gevolge van de weerklank die het verslag van de Britse consul Roger Casement had, aanvaardde Leopold II dat er een Onderzoekscommissie werd gestuurd. In 1904 verzamelde en zette deze commissie talrijke verklaringen op papier, ook stelde ze de onmacht vast van een embryonale rechtspraak ten overstaan van dit gewelddadige klimaat. De openbare zittingen van de Onderzoekscommissie vervulden een pioniersrol in de geschiedenis van de mensenrechten in MiddenAfrika.

Haar verslag lag aan de basis van de Belgische beslissing om Congo te annexeren en zodoende een einde te maken aan een bewind van ‘georganiseerde en systematische bescherming van onrechtvaardigheid’ (Félicien Cattier).

Het dossier van de wreedheden kende een bewogen geschiedenis. Nog voor de publicatie van het commissieverslag door de Staat onderging het interventies die de nadruk legden op verzachtende omstandigheden. De belastende campagne die Edmund Dene Morel vanaf 1904 in Engeland op touw zette, gebruikte dit verslag als een van haar voornaamste bronnen. Morel weerhield in zijn aanklacht tegen de Congostaat enkel de bezwarende elementen en zweeg over de meer algemene context van diverse moordende ‘systemen’ die de streek in deze periode teisterden. Hij liet nog een andere, eveneens reële factor buiten beschouwing namelijk het gevoel van emanciperende vooruitgang dat de Onafhankelijke Congostaat belichaamde voor vele getuigen en medewerkers van het eerste uur, zowel Europeanen als Afrikanen. Tegenover dit gedeeltelijke geheugenverlies staat de in België georganiseerde amnesie, vooral na de annexatie van Congo. De politiek, de pers en het onderwijs zwegen in alle talen over de dwalingen van het verleden en bleven zich heftig verzetten tegen de kritieken op het leopoldiaanse bewind. In België zelf werd dit negationisme slechts zelden in vraag gesteld, des te minder omdat de toegang tot de archieven ofwel vergrendeld was ofwel onder willekeurig beheer stond. Ondertussen cultiveerde de internationale pers Congo als een soort ‘lieu de mémoire’ van koloniale misbruiken en van westerse opvattingen betreffende menslievendheid.

De geschiedschrijving van de gruweldaden in Congo is vandaag een volwaardig genre geworden. Vooraanstaande auteurs doen het kapitaal van de gruwel opbrengen.

De meest onbeschaamde of heftigste onder hen kaderen het nu in een uitgebreid verhaal over de wreedheden van de 20ste eeuw, meer bepaald in de geschiedenis van de massamoorden. Ook hier is amnesie de regel. Het gaat hier inderdaad om een zwarte legende die een hele geschiedenis reduceert tot het demonische karakter van één man, koning Leopold II.

Elke sociale en culturele analyse van het toenmalige Congo wordt uit de weg gegaan en de Onafhankelijke Congostaat wordt herleid tot een schouwtoneel van gruwelijkheden.

Kan het traumatisme van de rubberjaren historisch worden benaderd?

Ook Afrika heeft recht op historisch onderzoek dat geen rekening houdt met gevoeligheden, geheugenverlies of censuur vanuit alle hoeken.

De fundamentele vereiste van het historisch onderzoek is ook hier de identificatie van de contexten die toelaten plausibele verklaringen naar voren te brengen.

Waar het de Onafhankelijke Congostaat betreft, blijft dit identificatiewerk over het algemeen uit.

Het verleden van Congo dient als voorwendsel voor controversen die er vreemd aan zijn en die ofwel te maken hebben met de Belgische identiteit, ofwel dienen als ‘meaculpistisch’ oefenterrein voor de westerse intelligentsia.

Dat het Congobekken een eigen volwaardige geschiedenis kan hebben, schijnt niet in beschouwing te worden genomen en al evenmin bestaat er belangstelling voor de mondiale context van de crisisjaren die de streek in de jaren 1870–1920 doormaakte.

De misbruiken tijdens het rubberbewind kaderen namelijk in een algemener hoofdstuk, dat van de veelvormige crisis die, in een tijdperk van versnelde mondialisering, de ‘tribale volkeren’ in Afrika maar ook in Oceanië en in de Nieuwe Wereld heeft uitgedund.

In Midden-Afrika waren de factoren die een rol speelden in deze vijftig jaar durende crisis veelvoudig: de gewelddadigheid van de ‘pre-koloniale’ slavenhandel en van de koloniale oorlogen, toegenomen in tijden van speculatie, epidemiologische rampen, hongersnoden, enz.

De dwangarbeidstelsels vormden een van de talrijke hoogtepunten in deze periode van gewelddadigheid.

Roger Casement was eerst in Congo en vervolgens in de Amazone, de minutieuze verslaggever van de gruweldaden gepleegd tegen de ‘ tribale volkeren’ en dit in de marges van de internationale rubbermarkt, en in contexten waarin al geweld heerste.

In Congo werden vormen van met de plaatselijke historische context verbonden geweld – zoals verminkingen – overgenomen door de ‘beschaafden’ en hun onontbeerlijk en actieve plaatselijke bondgenoten.

De wreedheden in Congo vonden plaats in een context van extreme gewelddadigheid die kadert in een bredere geschiedenis van crisissen in deze periode. Het is een feit dat, zelfs de uitzonderlijkheid van de contexten in acht genomen, de drempel tussen menselijke waardigheid en barbaarsheid vaak werd overschreden. De geschiedenis leert ons ook dat deze grens steeds in beide richtingen wordt overschreden.

Hier ligt de toekomstige opdracht van het onderzoek naar de jaren van geweld in de geschiedenis van Congo.

Bron [KMMA zie pdf 2010 ]

SiteLock
share this - partager le site - deel dit document

About Us | Contact | Privacy | Copyright | Agenda  
Ook op het internet gelden de auteursrechten. Werken die auteursrechtelijk beschermd zijn, zoals tekeningen, foto's, muziek, film en software, mag u niet verspreiden via het internet zonder de uitdrukkelijke toestemming van de auteur. Delcol Martine