SiteLock
Livre du mois Le Petit futé Kinshasa 14,95 € Communiqué de presseGuide Kinshasa 2017 (petit futé)Neocity
Boek van de maand Zoon in Congo 15% korting + gratis verzending Zoon in Congo Lanoo Uitgeverij
   Webmasters Delcol Martine Eddy Van Zaelen De webmaster Delcol MartineEddy Van Zaelen
  Helpt U mee en stuur je ons uw boeken in ruil voor een publicatie op de site  Sponsor Site
Kasai Rencontre avec le roi des Lele Kasaï , rencontre avec le roi Prix exclusif Grâce a Congo-1960 Sans limite de temps 29.80 € frais de port inclus  -Editeur Husson
L'état indépendant du congo a la recherche de la vérité historiquecongo 1957-1966 TémoignageLes chemins du congoTussen vonk en omroep , draadloze communicatie in België en CongoLeodine of the belgian CongoLes éxilés d'IsangiGuide Congo (Le petit futé)Congo Ya Kalakala, avec mes remerciements a Mr Paul DaelmanCongo L'autre histoire, avec mes remerciements a Charles LéonardL'Héritage des Banoko , avec mes remerciements a Mr. Pierre Van BostL'année du Dragon avec mes remerciements a Mr Eddy Hoedt et Mr Peeters Baudoin

SCANDINAVEN IN DE CONGO VRIJSTAAT

Het Hoge Noorden mee aan de onderhandelingstafel
© auteur Eddy Merveillie

 

Foto boven Kolonies en handelsrouters in 1910

 

In het laatste kwart van de 19e eeuw was zowat heel Europa in de ban van de "scramble for Africa". Daarbij waren het vooral de traditionele koloniale grootmachten Frankrijk en Groot – Brittannië die aanvankelijk de toon aangaven en probeerden hun respectievelijke reeds bestaande invloedsferen uit te breiden. De Fransen opereerden daarbij vooral vanuit hun bezittingen in Noord- Afrika en aan de Afrikaanse westkust waarbij zij de blik zo ver mogelijk oostwaarts richtten. Groot-Brittannië van zijn kant droomde er van om een noord –zuid verbinding te realiseren wat hen een gebied kon opleveren dat strekte van Caïro tot aan de Kaap. Na de eenmaking van het Duitse rijk en de Frans – Duitse oorlog van 1870 was er echter een 3e belangrijke speler op het veld gekomen. Ook het economisch en militair steeds sterker wordende Duitsland begon koloniale ambities te koesteren. Ondertussen had de Belgische koning Leopold II, dankbaar gebruikmakend van de diensten van de Brits-Amerikaans ontdekkingsreiziger H.M Stanley, een begerig oog laten vallen op het gebied rondom het Congobekken en was hij er in geslaagd om via de creatie van de Association Internationale du Congo stelselmatig zijn greep op het centraal Afrikaanse grondgebied te verstevigen. Deze koloniale wedloop kende haar beslissend moment in 1885 tijdens de conferentie van Berlijn onder de leiding van Kanselier Bismarck. Veertien landen waren vertegenwoordigd toen de conferentie op 15 november 1884 van start ging : Oostenrijk - Hongarije, België, Denemarken, Frankrijk, Duitsland, Groot-Brittannië, Italië, Nederland, Portugal, Rusland, Spanje, Zweden, Noorwegen, Turkije en de Verenigde Staten. Van deze landen waren Frankrijk, Duitsland, Groot-Brittannië en Portugal de belangrijkste aangezien zij toen al het meeste gebied bezetten en het zijn dan ook de politieke standpunten van deze landen die steeds ter sprake komen wanneer men het heeft over het ontstaan van de Congo Vrijstaat, de diplomatieke krachttoer van Leopold II.

 

 

De rol van de kleinere Europese staten bij deze besprekingen is een aspect dat steeds onderbelicht is gebleven terwijl ook zij toch elk hun, weliswaar beperkte, agenda nastreefden met de bedoeling een kruimeltje van de gigantische Afrikaanse taart mee te pikken. Een van de kleinere staten die zich hierbij heel actief opstelden was het Zweeds-Noorse Koninkrijk. In het collectief geheugen van de internationale gemeenschap komen de scandinavische landen naar voren als verlichte naties met een maagdelijk koloniaal verleden. De waarheid is echter anders. Landen als Zweden, Noorwegen en Denemarken waren dan wel geen grote veroverende, gebiedsbezettende kolonisatoren, toch lieten ook zij zich niet onbetuigd bij de exploitatie van het Afrikaanse continent en andere tropische streken. (*1).

Het optreden van het Zweeds-Noorse koninkrijk (*2) op de conferentie van Berlijn leert ons meer over hoe en waar de scandinavische landen hun profijt wisten te trekken uit de kolonisatie.

De Zweeds-Noorse spilfiguren in de diplomatieke demarches waren Koning Oscar II, de minister van buitenlandse zaken Graaf Carl Fredrik Lotharius Hochschild en de Zweedse afgevaardigde te Berlijn Gillis Didrik Anders Bildt.

 
<== foto : Oscar II Frederik (Stockholm, 21 januari 1829 - aldaar, 8 december 1907) was, in opvolging van zijn oudere broer Karel, van 18 september 1872 tot zijn dood in 1907 koning vanZweden en tot 18 november 1905 koning van Noorwegen. Hij was de derde zoon van koning Oscar I van Zweden en koningin Josephine van Leuchtenberg. Via zijn moeder was Oscar een afstammeling van koning Gustaaf I van Zweden. Zijn moeder was een stiefkleindochter van keizer Napoleon I van Frankrijk.
 
 
==> foto : Carl Fredrik Scheffer (28 april 1715 - 27 augustus 1786) was een Zweeds graaf, diplomaat en politicus. Hij was een van Zwedens meest invloedrijke sinofielen van zijn tijd. Van 1743 tot 1752 was hij minister voor Frankrijk (ambassadeur in Parijs). In 1753 werd hij verkozen tot Nationale Grootmeester, en werd hij lid van de Serafijnenorde.

 

De Zweden die door Duitsland aan de conferentietafel waren uitgenodigd zagen de bijeenkomst vooral als een opportuniteit om hun handelsbelangen verder uit te breiden. Op het einde van de 19e eeuw bezat het Zweeds-Noorse koninkrijk één van de belangrijkste koopvaardijvloten en was het handelsvolume in Afrika vooral met de Kaapkolonie toch wel van enige betekenisvolle omvang. Uit de briefwisseling tussen Graaf Hochschild, de minister van Buitenlandse Zaken, en de onderhandelaar Bildt blijkt echter ook dat de Zweden zich nadrukkelijk wensten te engageren voor "l'oeuvre civilisatrice" zoals het door Leopold II werd omschreven. Uiteindelijk sloot Zweden-Noorwegen een bilateraal akoord met de A.I.C en verkreeg het de status van meest begunstigde handelsnatie. Een overeenkomst die kan gezien worden als de bekroning van de reeds vooraf bestaande goede relaties tussen Zweden-Noorwegen, België en bij uitbreiding de A.I.C. In december 1884 correspondeerden Leopold II en Oscar II als goede vrienden met elkaar waarbij Leopold Zweden-Noorwegen zelf uitnodigde om een handelsoverleg met de A.I.C op te starten en daarbij niet naliet Koning Oscar te bedanken voor het feit dat de Zweeds-Noorse staat al verscheidene van haar elite legerofficieren de toelating had verstrekt om reeds voordien in dienst te treden van de A.I.C. Een brief die hij trouwens ondertekende met "Le bon frère Leopold". (*3)

Foto hieronder : Gillis Didrik Anders BildtBildt, 16.10.1820 - 22.10.1894, Swedish diplomat and politician, ambassador to Germany 1874 - 1885,

Huurlingen, zeelui, zakenmannen, ambtenaren en magistraten

Hoewel de uitbouw van de vanaf 01 juli 1885 te Banana officieel uitgeroepen Etat Indépendent du Congo hoofdzakelijk een Belgische aangelegenheid was, werd al van in de begindagen van wat toen nog de Association Internationale Africaine en nadien kortstondig de Association International du Congo heette in grote mate ook beroep gedaan op vrijwilligers van andere nationaliteiten. Binnen deze groep waren de Scandinaven samen met de Italianen het talrijkst en net zoals bij de Italianen traden een groot aantal van hen in dienst van de Force Publique. (*4) Tussen 1878 en 1904 namen 126 scandinavische officieren ( 53 Denen ; 47 Zweden en 26 Noren) en 25 onderofficieren ( 4 Denen ; 18 Zweden en 3 Noren) een militaire taak op in de Congo. Daarvan werden 4 Zweden en 2 Denen gedood bij miltaire acties. Ziekte en of ongeval kostte het leven aan 24 Zweden, 10 Noren en 18 Denen. Vanaf 1904 hadden de Scandinaven de overhand binnen de groep van buitenlandse militairen. Ingevolge de in die periode zeer heftig gevoerde internationale campagne tegen de Congovrijstaat had de Italiaanse Minister van Oorlog aan alle in dienst zijnde Italiaanse officieren immers verboden om zich te engageren bij de Force Publique. (*5)

De noordelingen hadden echter nog een andere specialiteit waarin zij bij uitstek zouden exceleren. Vanaf 1830 had België geen toegang meer tot de Hollandse havens (lees misschien eens ook over belgische revolutie) en was er op het maritieme vlak een geleidelijke toenadering ontstaan tussen België en Zweden-Noorwegen. Heel wat Scandinaven verdienden dan ook hun brood in de Belgische zeevaart. Het was ook in de scheepsvaart dat de Scandinaven zich in Congo zouden onderscheiden. Tussen 1881 en 1916 waren er ongeveer 500 Scandinavische zeelui actief in de binnenvaart op de Congolese rivieren waaronder 280 Zweden (inclusief Finnen en Balten), 160 Denen en 60 Noren. (*6) Men zou in deze zelfs kunnen beweren dat deze mannen een cruciale rol hebben gespeeld in de economische ontsluiting van Congo vermits de Congostroom en zijn bijrivieren de ideale toegangswegen vormden naar het diepere binnenland.

Met de ontsluiting van het Congolese hinterland was er meteen ook nog een andere wedloop ontstaan : namelijk de jacht op ethongrafische kunst- en gebruiksvoorwerpen. (*7) Ook op dit vlak lieten de Scandinaven zich niet onbetuigd met als gevolg dat er zich momenteel in de Noorse, Deense en Zweedse musea en private collecties alles bijeen zo'n 38.000 verzamelde stukken bevinden. De 2 meest gerenomeerde en uiterst actieve verzamelaars waren de Deen C. V. R Schönberg en de Deense Noor (of Noorse Deen naargelang het hem paste) J.A.C. Martini. Beiden waren al sinds 1886 in Congo en begonnen hun carrière als kapitein op één van de vele steamers die de stroom bevaarden en de verbindingen met het binnenland verzekerden. Hun belangerijkste drijfveer voor het collectioneren was echter niet de bewaring en studie van de verkregen voorwerpen maar het voeren van een luctratieve handel. Al snel had het duo begrepen dat hier goed geld mee te verdienen was en ze gingen er dan ook professioneel tegenaan met de organisatie van met veel publiciteit begeleide commerciële Congotentoonstellingen in "Tivoli" in Christiana ( nu Oslo) en de "National" in Kopenhagen waardoor zij er in slaagden om de meeste van hun meer dan 1.000 artefacten voor een zeer hoge prijs te verkopen, en dit zowel aan binnenlandse als buitendlandse musea . In 1890 publiceerden het tweetal ook een boek over hun reizen en gaven daarnaast met groot succes heel wat voordrachten. (*8)

foto : The steamboats "En Avant, "A.I.A" and "Ville de Bruselles" with the captains Martini and Schønberg ca. 1887. (bron : university of Bremen)

De Scandinaven waren mannen van het eerste uur en enkelen van hen hebben deelgenomen aan de meest belangrijke expedties. Zo was Schönberg samen met de Deense ingenieur Hans Hansen aan boord van de "En Anvant" lid van de expeditie die onder leiding van Alphons Vangele in 1889 de samenvloeing van de Uele en de Ubangi in kaart bracht. De Deense wapenmaker F. Hansen van zijn kant maakte dan weer deel uit van de in de Uele uitgevoerde Van Kerckhoven-expeditie. Andere Deense pioniers waren Albert Christophersen en Martin Mortensen die beiden samen met de Zweed Anton Emmanuel Andersson al in 1880 Stanley hadden vergezeld bij zijn expidties voor het oprichten van de eerste staatsposten. (*9) Vermelden wij ook nog Jes Hansen Christoffer Bugslag, de trouwe metgezel en rechterhand van de Duitse ontdekkingsreiziger Hermann von Wissmann tijdens diens Congo-expeditie van 1883 tot 1887 in de Kasaï regio. (*10)

<== foto : Johannes Scharffenberg en zijn echtgenote : Anna Marie Scharffenberg Obstfelder

De Emin Pasha relief expeditie onder leiding van Stanley (1887 –1889), de 4e Vangele- expeditie (1889- 1890) en de Van Kerckhoven-expeditie (1890 – 1894) waarvan de kolone ten slotte tot in Wadelaï zou doorstoten, waren allemaal ondernemingen die pasten in de plannen van Leopold II om het gebied van de Congo Vrijstaat tot in Zuid Soedan en de boorden van de Nijl uit te breiden. De opéénvolging van al deze ondernemingen eisten echter een hoge tol aan mensenlevens onder de deelnemers en er moest dan ook voortdurend actief worden gerecruteerd. In 1890 werd er bijvoorbeeld een poging gedaan om 500 Zweedse soldaten aan te werven. De Zweedse regering vond dit echter toch wat te delicaat omdat zij vreesde in conflict te komen met Frankrijk en Groot- Brittannië, de twee grootmachten die beiden geopolitieke belangen hadden in Zuid- Soedan. Wel werden er 25 Zweedse wapenexperten aangeworven. (*11) Niet enkel militairen zagen hun toekomst in Congo weggelegd. In het laatste kwart van de 19e eeuw heerste er een economische crisis in Noorwegen en heel wat Noren emigreerden. Dat gebeurde hoofdzakelijk naar de Verenigde Staten maar ook de als vrijhandelszone geldende Onafhankelijke Congostaat leek voor een aantal van hen een aantrekkelijke optie. De Noorse overheid die in het zog van het boomende kolonialisme ook een graantje wilde meepikken organiseerde studiebeurzen in internationale handel. Een van zij die hierop intekenden was Johannes Scharffenberg die in 1889 in Congo aankwam waar hij zijn carrière begon bij de S. A.B ( Société Anonyme Belge pour le Commerce du Haut Congo). Scharffenberg ontving zijn beurs in 1896 en vestigde zich daarna met zijn echtgenote Anna Siewerts te Matadi waar hij een handelshuis oprichtte dat Noorse goederen importeerde en creëerde er "La Société Norvegienne au Congo". Het echtpaar Scharffenberg bouwde trouwens het eerste stenen huis in de havenstad. (*12)

 

foto : Jacob Vogt ==>

Behalve in de Force Publique, de binnenscheepvaart en de handel was er ook een bonte verzameling van nationaliteiten actief binnen de administratie en de rechtbanken. In 1905 waren er 32 magistraten in dienst van de Congo Vrijstaat. Het corps was toen samengesteld uit Belgen, Italianen, Denen, Zwitsters en Noren. Daaronder bevonden zich de Noren Jacob Vogt, Ragnvald Koht en de Deen H. G Moth-Borglum. (*13) Vogt en Moth-Borglum zouden trouwens nog van zich laten horen. Jacob Vogt begon zijn Congo-carrière in september 1904 te Boma als plaatsvervangend substituut bij de rechtbank van 1e aanleg van de Bas Congo en daarna als rechter bij de Territoriale Rechtbank te Matadi. Bij decreet van 10 januari 1906 werd hij aangesteld als magistraat bij de rechtbank van 1e aanleg te Coquilhatstad waar hij het grootste deel van zijn carrière zal volbrengen. Hij bleef in dienst tot in 1918 waarna hij wegens gezondheidsproblemen Congo moest verlaten. Hij overleed in Noorwegen op 05/03/1922. (*14) Het was Jacob Vogt die tijdens zijn ambtstermijn bij het parket te Coquilhatstad de aanklachten ontving die werden ingediend door de plantage-inspecteur Dr. Dörpinghaus tegen verscheidene gewelddaden gepleegd door agenten van de S.A.B waaronder onder andere ook de doodslag op de "boy" Isidore Bakanja. (*15) De aanklachten van Dörpinghaus deden trouwens stof opwaaien tot in het Belgisch parlement en leidden tot verschillende interpellaties door de socialistische voorman Emile Vandervelde.(*16)

In 1905 veroorzaakte de Deen Holger Gutsen Moth-Borglum op zijn beurt heel wat ophef door als substituut van Leopoldstad op basis van een aantal door Congolezen ingediende aanklachten een onderzoek te voeren naar de praktijken op de Jezuïetenmissie te Lemfu wat meteen heel wat koren op de molen was van de tegenstanders van het systeem van de christianisering door middel van het oprichten van kapelhoeven, het paradepaardje van de Jezuïeten. (*17) Merkwaardig genoeg lijkt er over H.G Moth-Borglum in de veel geroemde Belgische Koloniale Biografie echter geen enkele notitie weer te vinden. Gegevens over zijn carrière zijn echter wel terug te vinden in het Afrika archief van het Ministerie van Buitenlandse Zaken. De in 1878 geboren Moth-Borglum trad op 13 april 1904 in dienst van de Congo Vrijstaat en werd op 29 augustus 1904 te Leopoldstad aangesteld als substituut bij de Territoriale Rechtbank en de Krijgsraad. In april 1905 werd hij echter overgeplaatst naar Basoko in het district van de Aruwimi, een transfert die het directe gevolg was van zijn conflict met de Jezuïeten te Lemfu. (*18)

De Svenska Missionsförbundet

Ook het protestantse Hoge Noorden stuurde eind 19e eeuw zijn zonen uit om het Afrikaanse continent tot het christendom te bekeren. De eerste Scandinavische missionaris in Congo maakte deel uit van de Livingstone Inland Mission (L.I.M), een organisatie die was gegroeid vanuit een afscheuring van de Engelse Baptist Mission Society die als sinds 1844 actief was in Kameroen op de Afrikaanse westkust. De ex-zeeman en tot missionaris omgeschoolde Deen J. Ström vertrok samen met de Britse pastor Henry Craven voor de L.I.M naar Congo en bereikte Boma in februari 1878. Het Brits-Deense duo stichtte de eerste protestantse missiepost te Palabala, een locatie gelegen op de beruchte karavaanroute tussen Matadi en Stanley Pool (het latere Leopldstad). Het ernstige werk begon echter pas met de aankomst van De Zweed Carl Frederik Johnsson die Ström en Craven vervoegde in november van het hetzelfde jaar. De carrière van Johnsson kende wel enigzins een valse start. Na een ongeval met een vuurwapen moest hij ijlings terugkeren naar Europa waar men , net zoals eerder ook de dokter te Banana, moest vaststellen dat het onmogelijk was om de kogel die in zijn lever vast zat te verwijderen. Johnson herstelde echter miraculeus, huwde en keerde samen met zijn echtgenote in november 1879 terug naar Congo. Samen met zijn vrouw stichtte Johnsson in Mbanza Manteke op zo'n 80 kilometer van Palabala een tweede missiepost. Uiteindelijk zal Johnsson in 1881 uit de Livingston Inland Mission stappen en terugkeren naar Zweden waar hij in 1913 overleed. In 1884 hield de L.I.M het in Congo voor bekeken en werden haar activiteiten voortgezet door de American Baptist Missionary Union (A.B.M.U). (*19)

In 1878 werd de Svenska Missionsförbundet ( S.M.F) opgericht die ontstond uit een groep dissidenten van de Evangeliska Fosterlandsstiftelsen, een Zweedse missie-organisatie die al sinds 1866 actief was in Ethiopië. Carl Johan Engvall (1858-1936), Nils Westlind (1854-1895) en Karl Johan Petterson ( 1855-1921), de eerste 3 missionarissen van de S.M.F in Congo, werkten gedurende de periode 1881 – 1884 voor de Livingstone Inland Mission. Vooral Karl Johan Petterson ontpopte zich tot een bouwheer van missieposten. Zo stichtte hij ondermeer al in 1883, en dus nog in samenwerking met de Livingstone Inland Mission, de protestantse missie te Wangata in de nabijheid van Mbandaka. (*20)

Toen de L.I.M in 1884 haar activiteiten in Congo stopzette, besloot de Svenska Missionsförbundet in 1885 om de in 1882 gestichte missiepost van Mukimbungu geheel voor eigen rekening over te nemen. Deze tussen Mbanza Manteke en Stanley Pool gevestigde missiepost was meteen ook de eerste Scandinavische missie in Congo. (*21) Daarna werden er nog posten gesticht in Kibunzi (1887), Londe Matadi (1892), Kinkenge (1897), Kingoyi (1900), Sundi Lutete (1924), en Matadi (1928). Al deze posten zijn gelegen in het Kikongosprekend gedeelte van Bas Congo. Met uitzondering van de missie van Mukimbungu die in 1939 werd overgenomen door de American Baptist Foreign Missionary Society bleven alle posten in werking tot op het ogenblik van de onafhankelijkheid. (*22)

© Eddy MERVEILLIE

 


*1 Het Caraïbische eiland Saint Barthélemy was van 1784 tot 1878 een Zweedse kolonie. De hoofdstad Gustavia werd genoemd naar de Zweedse Koning Gustav III. Zweden kocht het eiland van Frankrijk in 1784 dat het op zijn beurt terugkocht in 1878. Vandaag maakt Saint Barthélemy als "Collectivité d'Outre Mer" nog steeds deel uit van Frankrijk. Denemarken op zijn beurt was meester over de Deense Antillen sinds 1674 , een eilandengroep in de Caraïben die nu bekend staat als de Amerikaanse Maagden eilanden. Daarnaast bezat Denemarken ook nog enkele kleine handelskolonies op de West Afrikaanse Goudkust en Tranquebar (het huidige Tharangambadi) op de oostelijke kust van India. In 1845 en 1850 verkocht het zijn bezittingen in India en Afrika aan Groot-Brittannië . De Deense Antillen werden in 1916 verkocht aan de Verenigde Staten.

*2 In de nasleep van de Napoleontische oorlogen had Zweden in 1814 Noorwegen geannexeerd na militaire actie en onderhandelingen met Denemarken. Noorwegen behield wel een beperkt zelfbestuur.

*3 NILSSON David, Sweden-Norway at the Berlin Conference 1884 – 85; History, national Identy-making and Sweden's relations with Africa, Nordiska Afrikainstitutet, Upsala, 2013, p 32 – p 40

*4 DE CLERCK Louis, l' administration coloniale belge sur le terrain au Congo (1908 1960) et au Ruanda - Urundi 1925-1962, l'annuaire d'histoire administrative européenne n 18/2006, p188

*5 La Force Publique de sa naissance à 1914. Participation des militaires à l'histoire des premières années du Congo, Ouvrage réaliser par la Deuxième Section de l'Etat Major de la Force Publique, Koninklijk Belgisch Koloniaal Instituut, sectie voor morele en politieke wetenschappen – verhandelingen – verzameling in n°80 – Boek XXVII, Brussel,1952, p 48, p 506

*6 GANN Lewis H. N , The rulers of Belgian Africa, 1884 –1914, Princeton University Press, 1979, p 60

*7 over de Belgische verzamelwoede van Congolese ethnographica leze men : COUTTENIER Maarten, Congo tentoongesteld. Een geschiedenis van de Belgische antropologie en het museum van Tervuren (1882 –1925) , Acco, Leuven,2005, 445 P

*8 WAEHLE Espen, Entrepreneurs in the Congo ? Two case studies on possibilities for making money among Norwegians in the Congo Freestate.,website van de University of Bergen, Noorwegen, http://www.uib.no/en/rg/colonialtimes/78215/entrepreneurs-congo

*9 Belgische Koloniale Biografie, Deel II, Brussel, 1951, kolom 15 –16 en kolom 162 - 165

*10 Aabenraa Maritime History Navigator, Museum Sönderjylland –Kulturhistorie Aabenraa, Denemarken, P 18

*11 WAEHLE Espen, Scandinavian Agents and Entrepreneurs in the Scramble for Ethnographica during Colonial Expansion in the Congo, in Navigating Colonial Orders: Norwegian Entrepreneurship in Africa and Oceania. geredigeerd door Kirsten Alsaker Kjerland,Bjorn Enge Bertelsen, New York – Oxford, Berghan Books, 2015, P 346

*12 WAEHLE Espen, Scandinavian Agents and Entrepreneurs in the Scramble for Ethnographica during Colonial Expansion in the Congo, in Navigating Colonial Orders: Norwegian Entrepreneurship in Africa and Oceania. geredigeerd door Kirsten Alsaker Kjerland,Bjorn Enge Bertelsen, New York – Oxford, Berghan Books, 2015, P 347- p 351

*13 WELLINGTON WACK, Henry, The story of the Congo Free state, New York&London, Putnam, 1905, P 231

*14 Belgische Koloniale Biografie, Deel III, Brussel, 1951, kolom 15 –16 en kolom 897 - 898

*15 Over de zaak Bakanja : VANGROENWEGHE Daniel, Bakanja Isidore. Martyr du Zaïre. Battu à mort par un blanc. Béatifié par Jean-Paul II, Bruxelles, Didier Hatier, 1989, 157 P

*16 Zie ondermeer het dagblad De Vooruit van woensdag 4 mei 1910.

*17 Zie hierover : FRANCOIS Wim, Het gerechtelijk onderzoek van H.G. Moth-Borglum op de jezuïetenmissie van Lemfu – Congo (1905)Een gerechtvaardigde aanklacht tegen onderdrukking ofwel een "comico-tragique aventure"?, in Belgisch Tijdschrift voor Nieuwe Geschiedenis, XXXVI, 2006, 3-4, p 277-321

*18 GIJS Anne Sophie, Entre ombres et lumières, profits et conflits.Les relations entre les Jésuites et l'État indépendant du Congo (1879-1908), in Revue Belge de Philologie et d'Histoire / Belgisch Tijdschrift voor Filologie en Geschiedenis, 88, 2010, p. 255–298

*19 YRLID Joël, L'oeuvre des premiers missionnaires Suédois au Congo, in Bijdragen over de honderdste verjaring van de Onafhankelijke Kongostaat, Koninklijke Academie voor Overzeese Wetenschappen, Brussel, 1988, p 522-525

*20 Ibidem, 531

*21 Ibidem, 526 ; Zie hierover ook : Braekman, E.M, Histoire du protestantisme au Congo, Bruxelles, 1961

*22 Ragnar Widman, Archives of the Svenska Missionsförbundet, in Cambridge Journals, History of Africa,2014 ; zie ook http://www.mukimbungu.se/hirstoria.html