May 29, 2015

KONING ALBERT I EN BELGISCH CONGO

Foto : seniorennet.be

 

Bijdrage door de auteur : ©

Eddy Merveillie dd. May 29, 2015

 

Sinds aanvang 2014 worden er heel wat evenementen georganiseerd waarbij verschillende gebeurtenissen uit de Eerste Wereldoorlog worden herdacht. Ook de militaire en politieke rol die Albert I aan het westelijk front heeft gespeeld is al vele malen besproken. Over de houding die de koning aannam ten opzichte van het Afrikaanse strijdtoneel en eigenlijk zelfs de hele kolonie als zodanig is er echter nog relatief weinig onderzoek gebeurd. Het is misschien dan ook nu het gepaste moment om toch even stil te staan bij de figuur van Koning Albert I en zijn relatie met Congo.Welke invloed oefende Albert I uit op de tijdens zijn bewind gevoerde koloniale politiek en welke was zijn persoonlijke mening ter zake ? Het lijkt mij nochtans een interessante vraag, zeker als men het contrast bedenkt met zijn voorganger.

Leopold II was tot 1908 soeverein alleenheerser over Congo maar vanaf de regeerperiode van Albert I was de Congo-politiek een zaak van de Belgische regering. Uiteraard heeft Albert een eigen visie over het reilen en zeilen in de kolonie ontwikkeld. Hoe die precies evolueerde en in hoeverre hij daarmee trachtte de Belgische regering ook te beïnvloeden is echter nog grotendeels onontgonnen gebied binnen het historisch onderzoek. Laten wij bij wijze van kleine vingeroefening eens even stilstaan bij de vraag hoe en door wie de koning op de hoogte werd gehouden over de gebeurtenissen in Belgisch Congo. Daarover bestaat er immers toch wel enig interessant bronnenmateriaal waarvan ik er in de hiernavolgende uiteenzetting 2 in het kort zal bespreken.

1) De rapporten van de Minister van Koloniën Jules Renkin aan Koning Albert I tijdens de Eerste Wereldoorlog.(1)

Deze rapporten kan men nalezen in het werk "Le Congo belge pendant la Première Guerre Mondiale. Les rapports du ministre des Colonies Jules Renkin au roi Albert Ie 1914 –1918" (1) . Dit door Prof. Guy Vantemsche in 2009 gerealiseerde boek is een uitgave van de Koninklijke Commissie voor Geschiedenis en bevat de bundeling van de rapporten die de Minister van Koloniën gedurende de periode november 1914 tot november 1918 maandelijks aan Koning Albert I toestuurde. De rapporten zelf worden bewaard in het KADOC (2) en zijn onderdeel van de papieren van de Genste politicus Gerard Cooreman die op het einde van WO I voorzitter van de ministerraad was, een functie gelijk aan een huidig eerste minister. Het opzet van de auteur was niet om een beschrijvend of analyserend werk af te leveren maar om een gemakkelijk raadpleegbare bron voor historisch onderzoek aan te reiken. Toch is het best leerrijk om alle rapporten als één doorlopend geheel na elkaar te lezen want op die manier krijg je een mooi chronologisch overzicht van de evolutie van de oorlogsgebeurtenissen in het gebied van de Grote Meren.

Minister Renkin die samen met de overige leden van de Belgische regering in het Franse Sainte Adresse verbleef, voerde gedurende de hele oorlog een regelmatige correspondentie met zowel de plaatselijke Congolese autoriteiten te Boma als met de voor de duur van de oorlog haastig in Londen opgerichte "antenne" van het Ministerie van Koloniën die aldaar in nauw contact bleef met het Britse koloniale machtscentrum. Dat laatste was trouwens niet alleen om een goede samenwerking met de Britse geallieerden te verzekeren maar werd evenzeer ingegeven vanuit de bezorgdheid om op de hoogte te blijven van alle verdere Britse intenties in Oost Afrika en met name in de regio van het Tanganykameer en de Congolese provincie Katanga. (3) Naast een regelmatige rapportering over de stand van zaken van de militaire operaties houdt Renkin de koning ook op de hoogte van de meer materiele maar zeer belangrijke beslommeringen zoals de organisatie van de bevoorrading van de Force Publique. Wat ook aan de orde komt, is de vraag wie er waar en voor welke taak wordt benoemd, een keuze waar koning en minister het overigens niet altijd over eens zijn en die meteen ook laat zien wie hierin het laatste woord heeft. Zo is het bijvoorbeeld Koning Albert die zijn slag thuis haalt en Renkin "overtuigt" om vanaf 23 april 1915 het algemeen bevelhebberschap aan Charles Tombeur toe te wijzen en niet aan Philippe Molitor, nochtans de eerste keuze van de minister zelf.

Een beslissing waarbij toch even mag worden aangehaald dat Charles Tombeur van 1909 tot 1912 ordonnansofficier van Koning Albert I was geweest en op het ogenblik van het uitbreken van de vijandelijkheden zich in Congo bevond waar hij met de graad van Staatsinspecteur de provincie Katanga bestuurde. De keuze voor Tombeur bleek achteraf wel een gelukkige ingeving want 's konings gewezen ordonnansofficier leidde de troepen van de Congolese Force Publique helemaal tot in Tabora dat op 19 september 1916 triomfantelijk werd ingenomen.

Uit de rapporten komt verder ook naar voren dat naast de betrekkingen met het Britse Colonial Office het economisch draaiende houden van de kolonie één van de hoofdbekommernissen was. Renkin beklaagt er zich dan ook over dat heel wat agenten van de Gewestdienst hun post hebben verlaten om te gaan dienen in de Oost Afrikaanse campagne terwijl nog anderen in Europa geblokkeerd zitten wat de economische en administratieve organisatie ( zoals het recensement en de belastingsinning) van Belgisch Congo aan het wankelen dreigde te brengen. Een ander terugkerend onderwerp is de aandacht die wordt besteed aan de inspanningen die ondanks alles toch nog werden geleverd om de werken voor de aanleg van de spoorlijn van de CFK ( Compagnie du Chemin de Fer du Katanga) niet te laten stilvallen. Een aangelegenheid die trouwens de bijzondere belangstelling van Albert genoot. Bovendien bleek het traject tussen Kambove en Djilongo nu immers plots niet alleen van economisch maar ook militair belang te zijn en dat niet alleen voor de Belgen. (4) Nog in 1918 zou de spoorlijn overigens Bukama bereiken. De Congolezen zelf komen in de hele correspondentie niet of nauwelijks voor en wanneer dit al gebeurt gaat het vooral om de vraag of en hoe "le main d'oeuvre noire" optimaal kan worden ingezet. De verslagen van Renkin laten Albert uiteraard niet persoonlijk of rechtstreeks aan het woord maar via de berichtgeving van de minister weten wij wel van welke feiten de vorst zeker werd ingelicht. Ook de stellingname van Renkin bij het bespreken of het voorstellen van oplossingen van problemen werpt af en toe licht op de positie van de koning. In elk geval was Albert zeer gesteld op de schriftelijke rapportage als communicatiemiddel omdat dit onomstotelijk vaststelde wie welk standpunt had ingenomen.

Ter illustratie hiervan volgend, ook door Vantemsche aangehaald citaat, uit de oorlogsdagboeken van de koning : " 15 juin 1916. Le ministre des Colonies a télégraphié pour demander à être reçu le lendemain, pour parler d'une question importante. Je lui réponds qu'il m'est impossible de le voir le 16 mais que je lui serais reconnaissant d'exposer par lettre le but de sa visite. Nous verrons ce qu'il va faire. Forcer les ministres à écrire les point principaux de leurs agissements, c'est fixer les responsabilités. C'est éviter des entretiens auxquels après ils peuvent donner toutes les interprétations et ainsi vous compromettre."

2) De Congoreizen van Albert I

De duidelijkste kijk op de visie van de koning op de kolonie is terug te vinden in zijn reisdagboeken. Albert heeft Belgisch Congo driemaal bezocht. De eerste keer in 1909 wat toen nog gebeurde in zijn rol van koninklijke prins en troonopvolger, de tweede maal in 1928 en een laatste keer in 1932. Het is vooral tijdens de bezoeken van 1909 en 1928 dat de vorst het Congolese binnenland intensief heeft bereisd. Tijdens beide tochten heeft hij een uitvoerig reisjournaal bijgehouden waarvan de notities nu worden bewaard in het Archief van het Koninklijk Paleis te Brussel. Beide journaals leveren interessante literatuur op want het beoogde doel van de 2 reizen was wel telkens heel verschillend.

 

2.1) 1909, de koninklijke prins op bezoek in Belgisch Congo (5)

De eerste Congoreis die Albert ondernam was een in meer dan één opzicht belangwekkende gebeurtenis. De Congo Vrijstaat was in 1909 nog maar net gemuteerd naar de hoedanigheid van een Belgische kolonie en bovendien was het de eerste maal dat een lid van de koninklijke familie het overzeese gebied ging bezoeken. Prins Albert volgde ook niet het klassieke traject via Banana en Boma maar reisde via Kaapstad en daarna dwars door Zuid-Afrika naar Katanga waar hij voor het eerst voet op Congolese bodem zette. Deze route was overigens een zeer bewuste keuze en één waarover Albert zich uitgebreid liet voorlichten door Emile Wangermée (6) vermits hij kost wat kost het ertsrijke Katanga wou bereiken. Wat Albert daar aantrof stemde hem trouwens helemaal niet tevreden want hij moest vaststellen dat de prospectie en de ontginning vrijwel geheel in Engelse handen was via de Tanganyka Concessions Ltd – maatschappij die de U.M.H.K (7), waarvan zij de helft van het kapitaal bezat, in de praktijk totaal overvleugelde. Bij zijn aankomst in de "Etoile du Congo", de vestiging nabij de rivier de Lubumbashi en waaruit later de huidige Katangese hoofdstad groeide, werd het hem ook meteen duidelijk dat er onder de blanken een overwegend Engelse aanwezigheid was en het Engelse Pond er zelfs vrij circuleerde. Deze toestand ontstemde de Prins ten zeerste en hij maakte er in zijn notities dan ook uitvoerig melding van aangezien hij zich uitermate bewust was van de expansionistische beweging die zich binnen de rond dat tijdstip ontluikende Zuid-Afrikaanse Unie manifesteerde en die een mogelijke kans om Katanga te annexeren zeker niet voorbij zou laten gaan.

Het is opmerkelijk dat Albert over het algemeen niet mals was voor de "erfenis" van de Congo Vrijstaat. Zo noteert hij naar aanleiding van het onder de begeleiding van Districtscommissaris Demeulemeester afgelegde bezoek aan Kasongo dat er blijkbaar nogal verloederd bijlag :

" ...depuis sept ou huit ans, on a plus rien consacré d'argent à aucun travail d'installation ou d'amélioriation : tout à la recolte du caoutchouc et de l'ivoire, beaucoup d'argent réclamé en Belgique rien à dépenser pour le Congo; le travail en Afrique, l'or à Bruxellles, voilà la devise de l'Etat indépendent. "

In Boma noteert hij dat de sanitaire toestand in de schoolkolonie ronduit "détestable" is en het miltaire kamp slecht wordt gerund. Ook de onder de Congolezen bestaande onvrede over de gedwongen arbeid voor werken van publiek nut zoals de aanleg van de spoorwegen en de verplichte "portages" ontgaat de Prins niet. Deze praktijk van gedwongen recrutering beruste op de toepassing van de koninklijke decreten van 30 juli 1891 en 3 juni 1906 die toen ook na het einde van de Congo Vrijstaat nog onverkort van kracht waren gebleven. Albert hield er echter een andere visie op na en schreef in zijn reisverslag

" ...il faut appeler la population noir à coopérer volontairement et à son avantage à la mise en valeur de toutes ces superbes régions. Que pouvons nous faire sans eux ? Les considérer comme un troupeau taillable et corvéable à merci, c'est une crime au point de vu humanitaire...".

Uit de notities van Alberts eerste Congoreis, een verslag dat hij bedacht met de titel " Voyage au Congo Belge par Cape Town" , komen dus duidelijk de bezorgdheden van de Prins naar voren. Zeker, ook hij wil wel degelijk dat de kolonie volledig economisch wordt ontsloten en de nodige meerwaarde voor België opbrengt maar tegelijkertijd heeft hij toch ook oog voor het lot van de inheemse bevolking en bekritiseert hij de uitwassen van het regime van de Congo Vrijstaat waarvan er op dat ogenblik in de pas afgekondigde kolonie toch nog enkele onverminderd bleven voortduren.

2.2) 1928, Koning Albert bezoekt de kolonie (8)

Bijna twintig jaar later toert Albert I een tweede maal doorheen Belgisch Congo. Ditmaal heeft de reis in tegenstelling tot in 1909 een uitgesproken officieel karakter. Deze reis waarond voor, tijdens en na heel wat publiciteit werd gemaakt, is de meest gekende en becommentarieerde " Congo uitstap" van deze vorst die ook nu een uitvoerig reisverslag schreef onder de titel " Séjour au Congo, juin–août 1928". De feitelijke eindbestemming was Port Franqui, het huidige Ilebo, waar de koning de plechtige inhuldiging zou bijwonen van de spoorlijn Bukama – Port Franqui. Dit traject was een verwezenlijking van de Compagnie des Chemins de Fer du Bas Congo au Katanga (BCK) en vormde het sluitstuk van een volledig over Congolees grondgebied verlopende exportroute voor de in Katanga opgedolven grondstoffen. Na het spoorwegtraject kon de vracht dan immers voortaan vanaf Port Franqui over de Kasaï en de Congo tot in Leopoldstad worden gebracht en dan vervolgens via de spoorweg tot in Matadi.

De bekommernissen van de koning leken zich sinds 1909 niet veel te hebben gewijzigd. Wat de situatie in Katanga betrof en de positie van de U.M.H.K kon hij in elk geval wel tevreden zijn. De Belgische Société Générale had door de jaren heen langzaam maar zeker de invloed van de Angelsaksische Tanganyka Concessions Ltd weten terug te dringen en de intussen tot Elisabethstad herdoopte vroegere mijnvestiging "l'Etoile" was in volle ontwikkeling.

Ook het welzijn van de inheemse bevolking hield Albert blijkbaar nog steeds bezig. Deze problematiek kreeg in de loop van het decenium 1920 – 1930 bovendien een bijzondere dimensie aangezien de economische ontsluiting van de kolonie in die periode in volle ontwikkeling begon te komen. De grote ondernemingen zoals de U.M.H.K, de spoorwegen, de Forminière enzv. kregen grote nood aan arbeiders en er waren heel wat regio's waar de economische noodzaak wel groot was maar de plaatselijke bevolkingsdichtheid te laag om het nodige potentieel aan arbeidskrachten te kunnen bieden. Gedwongen rekrutering en deportatie vanuit andere streken was het gevolg. De koning was op 17 juli 1928 van deze praktijk overigens zelf getuige toen de "koninklijke boot" op de Lualaba twee schepen kruiste die een nieuwe lading Ruandese arbeidsrekruten naar Katanga bracht. (9) De economische boost in de kolonie verplichte er de grote ondernemingen anderzijds echter ook toe om werk te maken van medische en sociale zorg wilde men zich kunnen verzekeren van voldoende en loyale werkkrachten. Op die manier ontstond er in de zich industrieel ontwikkelende streken langzaamaan een zwarte arbeidersmassa die uit het traditionele inlandse milieu werd losgeweekt. Toen echter na de beurscrash van 1929 er zich aanvang jaren 1930 wereldwijd een economische crisis aanmeldde, zat de kolonie plots met het tegenovergestelde probleem : geen tekort aan arbeidskrachten maar een overschot. Het probleem van de zogenaamde "main d'oeuvre noire" zou dan ook het hele interbellum lang in de koloniale politieke kringen een heet hangijzer blijven.

Waar de rapporten van minister Renkin ons een onrechtstreekse kijk geven op de koloniale interesses van Albert krijgen wij hem in de reisdagboeken van 1909 en 1928 zelf aan het woord. De privé-aard van beide laatstgenoemde documenten ( en zeker de aantekeningen uit 1909 die niet voor publicatie waren bedoeld) hebben het voordeel dat de Prins, en latere koning, er vrijuit zijn hoogst persoonlijke indrukken en meningen over de verschillende personages en materiële of bestuurlijke toestanden die hij in Congo aantrof in optekende. Over de mate waarin hij, gedreven door deze observaties, al of niet probeerde te wegen op de koloniale politiek van zijn tijd is er eigenlijk nooit enig diepgaand onderzoek gedaan. Ook in het in 2009 verschenen monumentale werk van Professor Jan Velaers over Koning Albert I (10) wordt dit onderwerp helemaal onaangeroerd gelaten maar dan wel met de opmerking dat zulks een aparte studie zou vergen. Het feit dat binnen de studie van de koloniale geschiedenis de periode van het interbellum steeds onderbelicht is gebleven mag verwonderlijk heten. Het gaat hier immers precies over twee decenia van uitersten. Waar aanvankelijk de economische uitbating van de kolonie in de loop van jaren 1920 steeds beter georganiseerd en succesvoller werd, zorgde de beurscrash van 1929 in de dertiger jaren voor een economische crisis waarin heel wat koloniale ondernemingen ten onder gingen en zelfs de grootsten onder hen moeilijke momenten kenden. Het was bovendien ook een periode waarin het nu niet bepaald rustig bleef in de kolonie. Ingevolge instortende grondstofprijzen en krimpende winstmarges werd er zowel in de mijnbouw als in de plantages heel wat werkvolk ontslagen terwijl van diegenen die, weliswaar voor steeds minder loon, toch aan de slag konden blijven het uiterste werd verlangd waarbij het er ook vaak "Leopoldiaans" aan toe ging. Het is o.a precies binnen dit kader dat de in 1931 in de Kwango uitgebroken opstand van de Bapende tegen de door de Huilerie du Congo Belge en de Compagnie du Kasaï toegepaste rekruteringspraktijken en arbeidspolitiek (11) moet worden gezien. Het zou bijvoorbeeld eens interessant zijn te weten in hoeverre Albert over deze gebeurtenis werd ingelicht en hoe hij precies dacht over de revolte en de manier waarop zij werd neergeslagen.

© Eddy MERVEILLIE

Nota's

1 Vantemsche Guy, Le Congo belge pendant la Première guerre mondiale. Les rapports du ministre des colonies Jules Renkin au Roi Albert Ie 1914 – 1918, Commission Royale d'Histoire, Bruxelles,2009, 240 P

2 Katholiek Documentatiecentrum, Leuven

3 zie hierover : VANGANSBEKE Jeannick, Comrades in arms? Het diplomatieke steekspel tussen België en het Britse Empire in Afrika tijdens de Grote Oorlog, BTNG RBHC, XXXVIII, 2008, 1-2, pp. 131-158

4 The Engineer, June 7, 1918 ; Office for Publication and Advertisements, 163, then 33 Norfolk Street, Strand, WC, and later Essex Street, Strand, p 483: " The line which, by the way is owned by the Compagnie du Chemin de Fer du Bas Congo, and was built by the British contracting firm Pauling an Co Ltd, has played its part in the war. Not only has it served to bring down to the coast many thousands of tons of copper which have been employed in making munitions, but by it two monitors were conveyed to Lake Tanganyka, and materially assisted in the destruction or capture of all the German vessels on that huge body of water."

5 Bron: VANDEWOUDE E., Le voyage du Prince Albert au Congo en 1909, Koninklijke Academie voor Overzeese Wetenschappen, verhandelingen, Nieuwe Reeks, Boek 50, afl. 4, Brussel, 1990

6 Emile Wangermée was op dat ogenblik officieel vertegenwoordiger van het Comité Spécial du Katanga, een in 1900 opgerichte associatie tussen de privémaatschappij Compagnie du Katanga en de Congo Vrijstaat.

7 Union Minière du Haut Katanga

8 Bron: CLEMENT Piet, Het bezoek van Koning Albert I aan Belgisch Congo, 1928. Tussen propaganda en realiteit, BTNG RBHC, XXXVII, 2007, 1-2, pp. 175-221

9 CLEMENT Piet, Het bezoek van Koning Albert I aan Belgisch Congo, 1928. Tussen propaganda en realiteit, BTNG RBHC, XXXVII, 2007, 1-2, p 198

10 VELAERS Jan, Albert I Koning in tijden van oorlog en crisis 1909 –1934, Lannoo nv, Tielt, 2009, 1.192 P

11 zie hierover: VANDERSTRAETEN Louis-François, La répression de la révolte des Pendes du Kwango en 1931, Académie des Sciences d'Outre-Mer, Bruxelles, 2001, 146 P alsook : MARCHAL Jules, Lord Leverhulme's Ghosts. Colonial Exploitation in the Congo, Verso, London, 2008, 244 P

enkele interessante linken op het internet

SiteLock
share this - partager le site - deel dit document

About Us | Contact | Privacy | Copyright | Agenda  
Ook op het internet gelden de auteursrechten. Werken die auteursrechtelijk beschermd zijn, zoals tekeningen, foto's, muziek, film en software, mag u niet verspreiden via het internet zonder de uitdrukkelijke toestemming van de auteur. Delcol Martine