SiteLock
Livre du mois Le Petit futé Kinshasa 14,95 € Communiqué de presseGuide Kinshasa 2017 (petit futé)Neocity
Boek van de maand Zoon in Congo 15% korting + gratis verzending Zoon in Congo Lanoo Uitgeverij
   Webmasters Delcol Martine Eddy Van Zaelen De webmaster Delcol MartineEddy Van Zaelen
  Helpt U mee en stuur je ons uw boeken in ruil voor een publicatie op de site  Sponsor Site
Kasai Rencontre avec le roi des Lele Kasaï , rencontre avec le roi Prix exclusif Grâce a Congo-1960 Sans limite de temps 29.80 € frais de port inclus  -Editeur Husson
L'état indépendant du congo a la recherche de la vérité historiquecongo 1957-1966 TémoignageLes chemins du congoTussen vonk en omroep , draadloze communicatie in België en CongoLeodine of the belgian CongoLes éxilés d'IsangiGuide Congo (Le petit futé)Congo Ya Kalakala, avec mes remerciements a Mr Paul DaelmanCongo L'autre histoire, avec mes remerciements a Charles LéonardL'Héritage des Banoko , avec mes remerciements a Mr. Pierre Van BostL'année du Dragon avec mes remerciements a Mr Eddy Hoedt et Mr Peeters Baudoin

Mysterieuze dood in Belgisch-Congo

 

Geplaatst door Zonder Graten 2012

Document congo-1960 - May 14, 2015

 

Auteur : @ Door Yong Lee Van de Casteele

 

Twee jaar. Zo lang dacht Edward Van de Casteele in Congo te vertoeven tijdens de kolonisatie. Alcoholmisbruik en de jacht op lokale vrouwen door andere kolonisten maakten echter dat hij langer moest blijven. Met een mysterieuze dood tot gevolg. Dat kwam journalist Yong Lee Van de Casteele te weten na diep graven in de familiearchieven.

 

Een gure oktoberwind snijdt als een mes in Edward's gezicht wanneer hij van op het dek van de SS Amsterdam de haven van Antwerpen gadeslaat. Vandaag zijn we 21 oktober 1910. "Hopelijk tot binnen twee jaar," mompelt hij. Edward kijkt op zijn klok, het is kwart over zeven 's ochtends. Zijn gedachten dwalen af naar de manier waarop hij Brugge halsoverkop moest verlaten. Op de avond voor de nationale feestdag bevond hij zich met zijn liberale vrienden van de "Société Littéraire" in de speelzaal van het Kursaal van Oostende, het zomerlokaal van de vereniging. Op een bepaald moment valt de politie er binnen en slaan ze de leden van de 'Société Litteraire' die een openbare functie uitoefenen in de boeien. Het is ambtenaren immers verboden gokzalen te betreden. Edward is als klerk eerste klas werkzaam bij de stad Brugge. Er volgt geen veroordeling, maar zijn reputatie loopt grote schade op. Andere leden van de 'Société Littéraire' worden wel veroordeld. Hierdoor ontstaat er een grote rel tussen de katholieken die tegen gokken zijn en de liberalen die vinden dat gokken deel uitmaakt van het dagelijks leven. Edward besluit naar Congo te gaan. Daar wil hij wachten tot de politieke situatie gekalmeerd is. Hij schrijft zich in voor de koloniale opleiding in Brussel. Dit tot groot verdriet van zijn vrouw Gabriëlle. Samen hebben ze twee kleine kinderen: Jef is drie jaar oud en Hendrik heeft onlangs zijn eerste verjaardag gevierd.

 

Kannibalisme

 

Een siddering gaat door Edward's lichaam wanneer hij aan zijn zonen denkt. Hij zal hen pas binnen twee jaar terug zien. Terwijl Antwerpen in de verte kleiner en kleiner wordt, monstert Edward zijn reisgezellen die samen met hem naar Elisabethstad trekken. De vier andere Belgen staren voor zich uit en zijn in diepe gedachten verzonken. "Zouden ze denken aan de waarschuwingen die we kregen tijdens de opleiding?", vraagt Edward zich af. De verhalen over kannibalisme en dodelijke ziekten schieten weer door zijn hoofd. Wanneer Antwerpen uit het zicht verdwenen is, trekt het gezelschap zich terug in de behaaglijke warmte van de bar. Enkele uren later wordt Southampton bereikt. Van daaruit gaat het met de trein richting Londen. Het heeft geen zin om in de kuststad te blijven. De RMS Armadale Castle vaart immers pas de volgende dag uit richting Zuid-Afrika. Eenmaal in Londen overvalt de miljoenenstad het groepje Belgen: zo'n drukte, zoveel wagens, en de smog die in deze stad hangt! "Gelukkig worden we begeleid door werknemers van het Belgische consulaat. Zonder hen zouden we in dit mierennest nooit onze weg terug vinden.", denkt Edward. Het gezelschap brengt de dag door met het bezichtigen van de bezienswaardigheden. Een hele belevenis is het ritje in de metro op de terugweg naar het hotel. Edward is overdonderd: "Zal er ooit een metro in onze grootsteden komen?" De nachtrust werkt verkwikkend. De volgende ochtend vertrekt het groepje goedgeluimd terug naar de kust. Al sinds de jaren '80 van de 19e eeuw varen er schepen van Elder Dempster Line tussen Antwerpen en Boma. Maar deze lijn wordt enkel gebruikt door mensen die als bestemming westelijk Congo hebben. Diegenen die naar Katanga gaan, moeten de lange weg via Kaapstad en Bulawayo nemen. De inscheping op de Armadale Castle verloopt zonder problemen, waarna het schip het ruime sop kiest. Tussenstops in Gibraltar, Madeira en Las Palmas doorbreken de eentonigheid van de oceaan.

 

 

Foto : Edward Van de Casteele, op de eerste rij met de benen gekruist, woonde tussen 1910 en 1914 in Belgisch-Congo. In Katanga was hij werkzaam als belastinginner.

 

 

Droefnis

 

Na twee lange weken op zee vaart de Armadale Castle de haven van Kaapstad binnen. Onder een stralende lentezon gaan de passagiers van boord. De treinrit van Kaapstad naar het noorden verveelt geen moment. Edward is zeer onder de indruk van de landschappen. Niet in het minste door de Victoriawatervallen die de grens vormen tussen Noord- en Zuid-Rhodesië. Midden november arriveert het vijftal eindelijk in het station van Elisabethstad. Daar scheiden de wegen van de mannen. Nieuwjaar viert Edward samen met postmeester Durand en enkele andere Belgen in Elisabethstad. Ook ontmoet hij pater De Decker. Die onderhoudt de correspondentie met Jules Watteyne in Boudewijnstad. De oudere broer van Gabriëlle is daar actief als superieur in de Katholieke missie van de Witte Paters. Wanneer Edward met de pater over zijn schoonbroer praat, besluipt hem een gevoel van droefnis vanwege Gabriëlle en zijn zoontjes. Hoe stellen zij het in deze feestperiode? Treurt Gabriëlle niet teveel? Stelt kleine Jef geen al te lastige vragen? Veel tijd om weg te dromen heeft Edward niet. Het vertrek naar Kabinda staat immers gepland op 13 januari. Het dorp is de hoofdstad van het Lomami district en ligt op negentig dagen reizen van Elisabethstad. De 33-jarige Bruggeling is daar aangesteld als belastingsinner, politieagent en postbode!

 

Parels, kippen, eieren en bloem

 

Samen met Luitenant Faniel en een colonne zwarte dragers begint Edward aan de wandeltocht. Al snel na hun vertrek krijgt Edward ruzie met één van de dragers. De man weigert om nog langer lastdier te spelen en verroert geen vin meer. Zonder te verpinken neemt Edward zijn stok en geeft de zwarte een klap tegen zijn ribben. Dit werkt motiverend. Zonder morren neemt hij de reiszak terug op de schouder. Langzaam trekt de karavaan zich weer op gang. Maar hij is nog niet goed en wel vertrokken of er heerst alweer tumult. Edward haast zich naar de plek waar het rumoer vandaan komt. In de verte ziet hij nog net dezelfde zwarte van daarnet in het rietgras verdwijnen. De reiszak heeft hij afgeworpen en in brand gestoken. Maar wat erger is, de parels die dienden om onderweg voedsel te kopen zijn eveneens in de brand verloren gegaan. Desondanks heeft het geen zin de zwarte te achtervolgen, dat zou enkel maar tijdverlies opleveren. Iedereen snakt naar de volgende rustplaats. Het dorp 'N Taodi ligt op negentig minuten stappen. Daar aangekomen komt de Mfumu, het dorpshoofd, hen begroeten. Die wil wel kippen, eieren en bloem ruilen. Jammer genoeg vraagt hij voor de eieren parels en laat de bloem op zich wachten. Nadat er uiteindelijk toch een maaltijd verorberd is maakt iedereen zich op voor de nacht. Voor alle zekerheid neemt Edward zijn Mauserkarabijn en revolver mee in zijn tent. De leden van de Balubastam waarmee hij op pad is zijn wel vriendelijke mannen, maar ze zijn niet te vertrouwen. Die nacht blijft het rustig. De volgende morgen is Edward alweer om vijf uur uit de veren, klaar om terug op pad te gaan. Tot zijn afgrijzen komt hij er al snel achter dat zijn dragers er een heel ander ochtendritme op nahouden. Het is reeds na zeven uur wanneer de groep eindelijk vertrekt. Zo gaat het wekenlang van dorp naar dorp. Op 10 maart bereikt de karavaan eindelijk zijn bestemming.

 

Mensenvlees

 

In Kabinda heet Luitenant Feyte hen in naam van commandant Leonard hartelijk welkom. Ook de andere Belgen komen eens goeiedag zeggen. Er is Leonard's secretaris Catteau, de handelsvertegenwoordiger Dieu en Michiels de postoverste. Een belangrijke ontmoeting is ook die met de machtigste chef uit de regio. Afschuwelijke verhalen doen de ronde over deze heerser. Zo eet hij nog steeds mensenvlees. Enkel dat van zwarten uiteraard, dat spreekt voor zich. Daar komt nog eens bij dat hij een enorm opvliegend karakter heeft. Onder de Belgen is de de chef gekend als Schele Lupungu. De volgende morgen ontmoet Edward eindelijk Leonard. Maar ondanks het vroege uur is de officier zodanig dronken dat Edward niets van zijn gebrabbel begrijpt. Volgens zijn onderhorigen is dat dagelijkse kost. De commandant zet het op een zuipen, waarna hij op alles en iedereen begint te roepen. Edward prijst zich gelukkig dat hij Leonard niet hoeft te gehoorzamen. Momenteel woont hij nog in een huis van de krijgsmacht, maar maandag start de bouw van zijn eigen woning. Kabinda is een mooi dorp en de zwarte inwoners zijn vriendelijk. Als teken van onderdanigheid klappen ze in hun handen, en zeggen ze Moya 'N Tata. Dit betekent 'Goeiedag vader'. Kabinda heeft ook een eigen markt. Dagelijks kan men hier terecht voor benodigdheden zoals vlees, groenten en fruit. De verscheidenheid aan producten is enorm en de kwaliteit ervan is van een veel hoger niveau dan de Europeanen gewend zijn. Niet te versmaden zijn de delicatessen zoals pindanoten en palingen op stokjes. Ook verkopen ze op de markt pombe. Dat is een inlands bier gemaakt op basis van maïs. Maar het is niet allemaal peis en vree in Kabinda. In het dorp is er een lazaret opgericht voor de slaapzieken. Uit alle streken van het besmette gebied worden er slachtoffers naar Kabinda gezonden. Eenmaal in het lazaret worden de slachtoffers geholpen door de Italiaanse dokter Fiorito. Zijn collega, de Belg Flanquart die ziek van Europa kwam, is net overleden. Na vier maal hervallen te zijn aan dezelfde ziekte, heeft hij in een naburig dorp de geest gegeven.

 

Jacht en alcohol

 

Op een dag verschijnt er een vreemd heerschap in Kabinda. Hij draagt een versleten hoed, een gescheurd hemd en een flanellen broek die veel te lang is. Edward besteedt er verder geen aandacht aan, maar plots klinkt het door een openstaande ruit: "Dag meneer Van de Casteele, het is hier een Leeuw van Vlaanderen." De man stelt zich voor als pater De Munster uit Lichtervelde. Dikke tranen rollen van zijn wangen. Reeds vijf jaar doolt de geestelijke in Congo rond. Onder het drinken van een goed glas bier mijmert hij: "tis al lange g'leen dak nog eens sprak over Vlaondern ent bier". De pater vraagt hoe Edward in Congo verzeild is geraakt. Die vertelt over de gebeurtenissen in het Kursaal op de nationale feestdag, en zijn daaropvolgende vertrek. Nadat Edward uitgepraat is verbaast De Munster zich over het feit dat Edward nog steeds kerngezond is. Hij vertelt de pater over de zedenlessen die hij van burgemeester graaf Visart de Bocarmé kreeg voor zijn vertrek uit Brugge. Zo werd hem de jacht afgeraden. Zowel die op het wild, als op de lokale vrouwen. De burgemeester drukte Edward ook op het hart matig om te springen met alcohol. "Er zijn al genoeg jonge, sterke mannen ten onder gegaan aan de fles." Wanneer het gesprek afgelopen is nemen beide mannen afscheid van elkaar. De pater haast zich terug naar de bouwwerf waar zijn nieuwe missie moet verrijzen. Edward kijkt hoe de man om de hoek verdwijnt en buigt zich weer over de brief die hij naar Gabriëlle aan het schrijven was. Hij vertelt haar over de lange reizen die hij doorheen zijn gebied maakt. Indien Edward elk dorpje in zijn gebied wil bezoeken, moet hij voor het einde van zijn termijn in Congo 1700 kilometer stappen.

 

Zachtmoedige meester

 

Maar de West-Vlaming is gelukkig in Kabinda. Hij vreest de lokale bevolking veel minder dan de andere blanken die liegen en bedriegen wanneer het hen uitkomt. Uit nieuws dat hem van het verre Europa bereikt, blijkt het continent weeral onder hoogspanning te staan. Een nieuwe oorlog tussen de grootmachten dreigt. Dit sterkt Edward in zijn overtuiging dat de zogenaamde beschaafde lieden slechter zijn dan de wilden. Hij heeft een hoge dunk van de lokale bevolking. Een goede daad wordt door hen nooit vergeten of miskend, maar altijd beloond. De zwarten kennen Edward en weten dat wie wel doet vrede krijgt en wie slecht doet straf. Hij wordt door hen Bwana polei polei genoemd. Dat betekent 'de zachtmoedige meester'. Ongewapend maakt Edward lange reizen door zijn gebied. Tijdens deze reizen maakt hij reisverslagen die informatie bevatten over dorpen, watervallen, rivieren, heuvels en bergen. Na elke reis stuurt hij die trouw op naar het bestuur in Elisabethstad. Zo kabbelen de maanden voorbij. Af en toe blijft Edward voor een langere tijd in Kabinda. Die rustige periodes duren totdat hij van zijn overste in Elisabethstad de opdracht krijgt een bepaalde streek in kaart te brengen. Edward maakt plannen om tijdens één van zijn rondreizen de Witte Paters te bezoeken. Zij hebben een schitterend complex neergezet in Boudewijnstad.

 

Moederkindjes

 

Zijn termijn in Congo duurt nog negen maanden. Misschien kan hij nog één à twee lange reizen doorheen zijn gebied maken, vooraleer hij naar België terugkeert. In een brief naar Gabriëlle doet Edward zijn beklag over de andere blanken die in de kolonie rondlopen. Hij hekelt het alcoholisme dat zich meester heeft gemaakt van veel kolonisten. Ook komen er volgens hem veel te veel moederkindjes in Congo aan, die stante pede terug inschepen richting Europa. Zij zijn te zeer gehecht aan alle comfort van de twintigste eeuw om zich te kunnen aanpassen aan de primitieve leefomstandigheden in de kolonie. Dan zijn er ook nog de buitenlanders: de Fransen, Britten en Duitsers. Zij zijn beter dan de Belgen in het veroveren van gebieden, maar het brengen van de beschaving in Congo is ook voor hen niet weggelegd. Over de Britten heeft Edward geen goed woord veil: hij noemt hen ronduit een bende arrogante, losgeslagen barbaren.

 

foto : Edward poseert op de foto met twee andere Belgen. De jachtluipaard op de voorgrond was zijn huisdier. (

 

Overspel

 

Zo gaat het leven zijn gangetje tot 27 januari 1912. De dag begint met de terugkomst van Gilson de sectoroverste. In een naburig dorp heeft hij tegen een zeer voordelige prijs een groot aantal kippen en varkens gekocht. Om dat te vieren trakteert hij de andere blanken op een kist champagne. Iedereen stort zich op de drank, enkel Edward en zijn chef blijven in hun bureau aan het werk. Na de middag komt Michiels de postoverste ziedend van woede het bureau binnen gestormd. Volgens hem heeft hij een SOA opgelopen doordat zijn zwarte vriendin overspel heeft gepleegd. Tierend gaat hij op zoek naar de zwarte jongen die hij verantwoordelijk acht voor zijn ziekte. Wanneer Michiels weg is beklagen Edward en zijn baas al lachend de geslachtsziekte. Maar lang blijft het niet grappig, want de dronken bende staat nu luidruchtig te overleggen. Gilson neemt het voortouw en beslist dat de verdachte moet terechtstaan.Wanneer de zwarte gevonden is, wordt hij geconfronteerd met het overspel. De jongen heet Kayeye, de veertienjarige zoon van Kapepula, de grote chef van de Baluba's. Onder een regen van slagen en schoppen wordt de arme Kayeye naar het huis van Gilson geleid, dat voor de verandering dienst doet als rechtbank. Terwijl Kayeye schreeuwt en huilt van de pijn leeft de postoverste zich uit. Hij gaat zodanig hard tekeer dat zijn wit hemd doordrenkt is van het bloed. Uiteindelijk stoppen de slagen en wordt Kayeye weggesleept naar de gevangenis. Daar krijgt hij van sergeant-majoor Djomo en sergeant Kundu honderd slagen met de chicot. Wanneer zij gedaan hebben, schopt Gilson de arme Kayeye een oog uit. De mannen beslissen dat het genoeg geweest is en laten de stuiptrekkende jongen achter. Onder helse pijnen geeft Kayeye pas de volgende middag de geest. Wanneer de blanken die avond de cel openen, treffen ze enkel Kayeye's levensloze lijk aan. Edward is kapot van het gebeuren en huilt alsof het zijn eigen zoon betreft. Zwarte vrouwen overstelpen zijn huis. "Moyo, bwana moyo nungi, we nalengola nunga.", roepen ze hem toe. "Jij en je baas zijn goed. De rest zijn slechte blanken."

 

Geknoei

 

Om tien uur is er een grote manifestatie in het dorp. Een honderdtal mannen en vrouwen trekken gewapend met messen door de post. De moordenaars zijn met de dood bedreigd, en durven geen voet meer buitenshuis te zetten. Enkel bij de belastinginner wordt het werk niet neergelegd. Gilson & co. houden zich een tijdje koest, waarna de rust in Kabinda terugkeert. Edward brengt de rechtbank van Elisabethstad op de hoogte van de gebeurtenissen en zorgt ervoor dat er aanklachten volgen tegen de beulen van Kayeye. Midden augustus komt rechter Gelders eindelijk aan in Kabinda. De zaak van de moord op Kayeye gaat de eerste week van september van start. Edward zal als getuige optreden. Aangezien hij niet kan functioneren als getuige en griffier tegelijk wordt die taak overgenomen door een andere klerk. In een brief aan Gabriëlle laat Edward weten dat zijn verblijf in Congo door het proces verlengd is. Vanaf het begin dreigt de rechtszaak tegen de beulen van Kayeye een soep te worden. Het liefst van al zouden de beleidsvoerders alles in de doofpot stoppen. Maar door hun eigen geknoei is dat onmogelijk geworden. De zwarte getuigen werden reeds omgekocht, maar in hun verklaringen spreken ze elkaar tegen. Daarenboven gaven ze toe dat ze omgekocht waren.

 

Een verlaten plantage

 

Er heerst spanning bij de blanken, maar het proces wordt een klucht. De beschuldigden krijgen slechts een voorwaardelijke straf. Niet verwonderlijk dus dat de openbaar aanklager tegen de uitspraak in beroep gaat. De zaak moet herdaan worden voor het beroepshof in Elisabethstad. Ondertussen zit een zwaar gefrustreerde Bruggeling vast in Kabinda. Edward's vervanger, de heer Wils, is in de verste verte niet te bespeuren. Hierdoor is hij gedoemd om nog een half jaar langer belastinginner te blijven. In totaal zal Edward drie jaar in Congo gebleven zijn. De dagen verstrijken trager en trager. Af en toe komen er nieuwe gezichten aan, zoals commandant De Clerck en zijn zwangere vrouw. De Clerck komt Leonard vervangen. Enkele maanden na hun aankomst bevalt mevrouw De Clerck van een flinke dochter. Suzanne is het eerste blanke meisje dat in Kabinda geboren wordt. Er arriveren ook enkele geestelijken. De paters Samijn en Kloot komen de missie heropbouwen die pater De Muster stichtte. Daarnaast zijn er ook nog eens vijf Broeders van Liefde aangekomen. In totaal verblijven er nu een dertigtal Europeanen in Kabinda. Edward is dan reeds belastinginner af, maar vanwege het proces blijft hij in Congo. In afwachting van zijn vertrek naar Elisabethstad maakt hij lange reizen doorheen het ruwe binnenland. Op één van die tochten valt Edward's oog op een verlaten plantage van het Comité Spécial du Katanga. Dit bedrijf verkoopt veel van zijn plantages in de streek. Zo ook die van Katompe. Het is een groot domein van 900 ha. met grote gebouwen en brede lanen, gelegen op een tweetal dagen reizen van Kabinda. Hier kan Edward in alle rust leven met zijn vrouw en kinderen. In een brief naar huis schetst Edward het beeld van een uitgestrekte plantage waarop alle inheemse vruchten en groenten groeien, maar ook rubberbomen en koffie. Plaats voor vee is er eveneens. In het jubileumboek van de CSK staat de plantage beschreven als de grootste die de maatschappij in bezit had. Met de financiële steun van een Belgische partner koopt Edward de plantage. Het is onbekend wie die geldschieter was, maar alle sporen wijzen naar de Brugse Eerste Schepen, Joseph Schramme. Het is immers één van Edward's beste vrienden. Krijgt deze niet regelmatig cadeaus zoals luipaardvellen en maskers uit de kolonie?