Het bezoek van Koning Albert I aan Belgisch Congo, 1928 Tussen propaganda en realiteit

Auteur PIET CLEMENT Doctor in de Geschiedenis

congo 1960 belgisch tijdschrift voor nieuwste geschiedenis Belgisch Tijdschrift voor Nieuwste Geschiedenis 2007 1-2

 

Het vernieuwde Belgisch Tijdschrift voor Nieuwste Geschiedenis (BTNG), is het belangrijkste wetenschappelijke tijdschrift voor Belgische hedendaagse geschiedenis. Het tijdschrift is sinds 2007 opgenomen in de ISI Arts and Humanities Citation Index. Het is het resultaat van een fusie tussen het oude BTNG (1969-2011) en de Bijdragen tot de Eigentijdse Geschiedenis (1996-2011). Het tijdschrift publiceert artikelen in het Engels, Frans en Nederlands. Het vernieuwde BTNG wordt uitgegeven door het Studie- en Documentatiecentrum Oorlog en Hedendaagse Maatschappij (CEGESOMA).
Dit artikel beschrijft het bezoek van koning Albert I aan Belgisch Congo in 1928, op basis van zijn persoonlijk reisdagboek, en plaatst het in de context van de toenmalige situatie in de kolonie. Het probleem van de gedwongen arbeidsrekruteringen en van de vaak penibele werken levensomstandigheden van de inheemse arbeiders staat hierbij centraal. De koning toonde zich bekommerd om een verbetering van de medische en sociale voorzieningen ten gunste van de inheemse bevolking. Vanuit die bekommernis deelde hij de positieve ingesteldheid van de koloniale administratie ten aanzien van het paternalistische sociale beleid dat de grote ondernemingen – zoals de Union Minière du Haut Katanga – vanaf de late jaren 1920 voerden, en dat tot de onafhankelijkheid in 1960 toonaangevend zou blijven.

 

HET BEZOEK VAN KONING ALBERT I AAN BELGISCH CONGO

 

 

Op 5 juni 1928 gooide het stoomschip "Thysville" de trossen los en voer, onder het geloei van scheepssirenes, de haven van Antwerpen uit. Aan boord waren Albert I, koning der Belgen, zijn echtgenote koningin Elisabeth en hun gevolg. Het doel van de reis was, op ruim twee weken varen van Antwerpen, de haven van Boma, de toegangspoort tot Belgisch Congo. Dit was het allereerste bezoek van een regerend Belgisch vorst aan de Afrikaanse kolonie.

 

Alberts voorganger Leopold II had de Congo Vrijstaat sedert 1885 ten persoonlijke titel geregeerd, maar had nooit zelf voet gezet op Congolese bodem. In 1908 had Leopold II, na een hevige internationale campagne tegen de meedogenloze economische exploitatie van zijn privérijk, ingestemd met de inlijving ervan door België als kolonie.

 

Koning Alberts bezoek aan Belgisch Congo in de zomer van 1928 nam bijna twee maanden in beslag en bracht hem naar de verste uithoeken van de immense kolonie, die in oppervlakte bijna tachtig maal groter was dan het moederland. De kolonie was toen administratief ingedeeld in vier provincies: Equateur in het noordwesten, Province Orientale in het noordoosten, Congo- Kasaï in het zuidwesten, en Katanga in het zuidoosten.

 

Aan het hoofd van de kolonie stond de gouverneur-generaal in Léopoldville – in 1928 was dat Auguste Tilkens – en aan het hoofd van elke provincie een vicegouverneurgeneraal. De totale inheemse bevolking van Belgisch Congo was niet met zekerheid bekend, omdat nog niet overal betrouwbare volkstellingen waren doorgevoerd, maar werd op 8 à 9 miljoen inwoners geschat. In 1928 verbleven er in heel Congo iets meer dan 14.000 Belgen en nog een paar duizend andere Europeanen, met de grootste concentraties blanken in Léopoldville en Katanga.

 

Tijdens zijn reis doorheen Congo maakte de vorst nauwgezet aantekeningen, die hij achteraf overnam in een meer dan 40 pagina's tellend handgeschreven reisverslag, dat tot op vandaag bewaard wordt in het Archief van het Koninklijk Paleis te Brussel.4 Het is een uniek egodocument dat tot nog toe nauwelijks weerklank heeft gevonden in de wetenschappelijke literatuur, en het maakt de kern uit van dit artikel.

 

De Congoreis moest niet enkel Alberts nieuwsgierigheid en zin voor avontuur bevredigen, maar ook zijn imago onderhouden als koning "bezorgd om al zijn onderdanen". Bovenal diende de Congoreis echter een dubbele politieke agenda: een nationalistisch-propagandistische voor interne consumptie – met als doel het beeld te versterken van een krachtdadig, verenigd België zich koesterend in zijn koloniale glorie – en een geopolitieke aan het adres van de internationale gemeenschap – met als doel Belgiës soevereine rechten als koloniale mogendheid in Midden-Afrika te bekrachtigen. In het bijzonder werd het nodig geacht het Verenigd Koninkrijk een sterk signaal te geven dat België er niet aan dacht zijn greep te lossen op de ertsrijke provincie Katanga, die als een wig in het grondgebied van Brits Noord-Rhodesië sneed (nu Zambia).

 

De vooropgestelde, grotendeels propagandistische agenda van het bezoek werd in ruime mate verwezenlijkt. De vorstelijke reis was echter nog op een ander niveau van belang. Al wat de koning tijdens zijn bezoek te zien en te horen kreeg, en waarvan hij getuigenis aflegde in zijn reisdagboek, was immers onlosmakelijk verbonden met de toenmalige politieke en economische organisatie van Belgisch Congo. Het reisverslag van de koning biedt dan ook een interessante illustratie van de toestand van de kolonie aan het einde van de jaren 1920, en helpt verklaren hoe die de verdere ontwikkeling van het Belgische kolonialisme heeft beïnvloed. In dit artikel beschrijven we eerst, aan de hand van zijn reisverslag, het traject dat koning Albert volgde doorheen Congo. Vervolgens wordt stilgestaan bij de economische en sociale problematiek in Belgisch Congo aan het einde van de jaren 1920, en de gevolgen ervan op langere termijn.

 

Op 21 juni 1928 liep de "Thysville" de haven van Boma binnen. Koning Albert was aangenaam verrast door het enthousiaste onthaal dat het vorstenpaar te beurt viel, ook en vooral vanwege de massaal aanwezige zwarten. Boma was het oudste Europese centrum in Congo en van 1886 tot 1926 de hoofdstad – eerst van de Vrijstaat en nadien van de kolonie.

 

Na een bezoek aan de haveninstallaties en een excursie in het omliggende gewest, ging het per vliegtuig naar Thysville, 240 km landinwaarts, en vandaar, na een bezoek aan de missie van Kisantu, per trein naar Léopoldville, sedert 1926 de nieuwe hoofdstad van Belgisch Congo. Overal gelijkaardige taferelen.

 

In Thysville: "une foule immense nous accueille".

In Kisantu: In Léopoldville: " Au milieu d'une foule immense et enthousiaste nous traversons en auto Kinshasa"

 

Het beeld van het beminde vorstenpaar, enthousiast onthaald door blank en zwart leek perfect, en werd gretig uitgespeeld in propagandistische publicaties in de kolonie en in het moederland. Een eerste hoogtepunt van de reis speelde zich af op 1 juli 1928 in Léopoldville. Koning Albert huldigde er een ruiterstandbeeld in van zijn voorganger Leopold II; een exacte kopie van het beeld van Vinçotte dat tot op vandaag het Troonplein in Brussel domineert. De perfect georkestreerde ceremonie moest de verbondenheid tussen moederland en kolonie symboliseren, en de vastbeslotenheid van België het koloniale werk aangevat door "het genie van Leopold II" verder te zetten

Toch was de koning er niet rouwig om de nieuwe hoofdstad "et tout ce monde affairé, avide et vaniteux" achter zich te laten. De volgende etappe in de reis sprak meer tot de verbeelding van de avontuurlijk aangelegde Albert. Vanuit Léopoldville ging het per vliegtuig eerst in noordoostelijke richting naar Bandundu – later door de Belgen omgedoopt tot Banningville – en dan resoluut oostelijk, langsheen de Kasaïrivier naar Port Francqui en de nabijgelegen landingsbaan van Pebeangu. Dat een staatshoofd zich per vliegtuig verplaatste, was in de jaren 1920 nog hoogst ongebruikelijk. De grote afstanden en onvoltooide transportinfrastructuur in Congo maakte luchttransport echter onvermijdelijk. Bovendien was koning Albert gefascineerd door technologie en snelheid en greep hij gretig elke kans aan om de machtige Congolese landschappen vanuit de hoogte te kunnen bewonderen.

 

Port Francqui was het eigenlijke hoofddoel van de koninklijke reis, want het was het eindpunt van de pas voltooide spoorlijn van de Bas-Congo-Katanga- maatschappij (BCK) die de vorst, speciaal vanuit Brussel, officieel kwam inhuldigen. De nieuwe BCK spoorlijn verbond Port Francqui met Bukama, 1.120 km ten zuidoosten daarvan. Bukama zelf was reeds sedert 1918 per spoor verbonden met Elisabethville, nog eens 480 km verder zuidoostelijk, de hoofdplaats van de provincie Katanga. De Bukama-Port Francquilijn was aangelegd in een recordtempo tussen 1923 en 1928, zowel op menselijk als op technisch vlak een waar bravourestuk.11 Vanuit het oogpunt van de kolonisator werd de spoorlijn een buitengewoon strategisch belang toegemeten, omdat ze een einde beloofde te maken aan de geografische isolatie van Katanga. Vanwege de rijke Katangese koperaders, die geëxploiteerd werden door de in 1906 opgerichte Union Minière du Haut-Katanga (UMHK), werd de BCKspoorlijn bovendien een sleutelrol toegedicht in de Belgische economische politiek in Congo.

 

Voor de Belgen, en de Europeanen in het algemeen, had de traditionele Afrikaanse economie gebaseerd op kleine dorpsgemeenschappen die leefden van de landbouw, veeteelt, jacht en pluk, en die voornamelijk lokaal handel dreven, weinig te bieden. De overtuiging was gemeengoed dat de Afrikaanse kolonies dienden ontwikkeld of "ontsloten" te worden ("mise en valeur" in het toenmalige, ondubbelzinnige woordgebruik). Dit moest worden bereikt door een revolutie in de productiemethoden in de landbouw (grootschalige kweek van exportgewassen), en door de versnelde ontwikkeling van de industrie en van een moderne transportinfrastructuur. Realistisch beschouwd, was dit ook de enige economische strategie die de kolonisatie voor het moederland op relatief korte termijn winstgevend kon maken, en die bijgevolg het broodnodige private kapitaal kon overtuigen mee in het koloniale avontuur te stappen. Dit ontwikkelingsdiscours werd bovendien rechtstreeks in verband gebracht met de officieel gepropageerde beschavingsmissie: de economische "ontsluiting" zou immers ook de inheemse bevolking ten goede komen dankzij een veralgemeende verhoging van de levensstandaard.12 In hoofde van de kolonisator was deze gelijkschakeling van economische ontwikkeling en beschavingsopdracht ongetwijfeld deels oprecht, maar voor een goed stuk ook uitermate opportunistisch en zelfrechtvaardigend. De zo gewenste economische ontsluiting stond in Belgisch Congo voor gigantische uitdagingen. Het transportvraagstuk was één van de belangrijkste. Het meest belovende gebied voor mijnbouw en industriële ontwikkeling was zonder twijfel Katanga, en de provincie bekleedde dan ook een centrale plaats in de Belgische ontwikkelingsstrategie. Ze lag evenwel geïsoleerd in het uiterste zuidoosten van de kolonie. Reeds in 1909 had prins Albert – kort voor zijn troonsbestijging later dat jaar – de streek bezocht (Vandewoude, 1990). Het was overigens ter ere van Alberts echtgenote dat de in 1910 opgerichte hoofdstad van de provincie Katanga Elisabethville werd gedoopt.

 

Nog in hetzelfde jaar werd Elisabethville aangesloten op het Britse spoorwegnetwerk in Rhodesië en Zuid-Afrika tot Kaapstad, met een aftakking naar de havenstad Beira in Portugees Mozambique. Dit bleef lange tijd de meest gebruikte transportroute naar en van Katanga. Het enige alternatief was het gemengde rivier- en spoorwegtransport naar het noordoosten toe, via Kabalo en Albertville in Congo, over het Tanganyikameer en aansluitend op de Britse Tanganyikaspoorwegen naar de haven van Dar-es-Salaam. In die pionierstijd was er aan alles gebrek. De onderdelen van de eerste kopergieterij, die in Lubumbashi vlakbij Elisabethville haar deuren opende in 1911, werden via de Britse koloniale spoorwegen aangevoerd. Ook het gros van de werklui, hun bevoorrading, en de grote hoeveelheden steenkool nodig om het kopererts te smelten kwamen uit Noord-Rhodesië (Wankie Colliery). Elisabethville leek aanvankelijk meer op een Brits-Rhodesische dan op een Belgisch-Congolese nederzetting: Engels was er dominant en het Britse pond circuleerde er vrij (Jewsiewicki, 1986, 471). Bovendien was nog in 1920 45% van het kapitaal van de UMHK in handen van de groep rond de Schotse industrieel Robert Williams (Tanganyika Concessions Ltd.). In 1926 werd van de totale koperproductie van de UMHK (80.600 ton), 80% via de Rhodesiëspoorlijn naar Beira uitgevoerd, 20% via de Tanganyikaspoorwegen naar Dar-es-Salaam.13 Deze dominantie van Britse arbeidskracht, kapitaal en transport was de Belgische kolonisator een doorn in het oog.

 

In de jaren 1920 kende Congo in het algemeen en Katanga in het bijzonder een ongekende economische expansie (Vanthemsche, 2005, 86). De mijnexploitatie nam sterk toe en voor het einde van het decennium was de UMHK opgeklommen tot één van de grootste koperproducenten ter wereld. Door opeenvolgende kapitaalsverhogingen wist de Belgische Société Générale haar belang in de UMHK systematisch te verhogen ten koste van de groep rond Robert Williams. De tijd was nu rijp om de afhankelijkheid van Brits-Afrika verder af te bouwen, en een groots project te realiseren dat Leopold II reeds had gekoesterd: de uitbouw van een ware "voie nationale", die Katanga uitsluitend over Congolees grondgebied moest verbinden met Léopoldville en met een uitweg naar de Atlantische Oceaan en naar België via de haven van Matadi.

De BCK-spoorlijn van Bukama naar Port Francqui, die door koning Albert in juli 1928 werd ingehuldigd, was het kernstuk van deze "voie nationale". Voortaan kon het koper van Katanga per spoor tot Port Francqui worden vervoerd. In Port Francqui werd het dan overgeladen op rivierschepen, want vanaf hier waren de Kasaïrivier en verderop de Congostroom bevaarbaar tot Léopoldville. Van Léopoldville ging het dan opnieuw per spoor naar de haven van Matadi, en vandaar per vrachtschip naar België. Het bleef een lang en moeizaam traject (de afstand Elisabethville-Matadi bedraagt zowat 2.750 km, de vracht moest viermaal worden overgeladen en de reis nam minstens twee weken in beslag), maar het was een valabel alternatief voor het traject Elisabethville-Beira of Elisabethville-Dar-es Salaam. Al vanaf 1929 werd zowat de helft van de Katangese koperproductie via de "voie nationale" naar Matadi vervoerd (Brion & Moreau, 2006, 130). Bovendien bestond het plan om in een latere fase (die evenwel nooit gerealiseerd werd) de spoorlijn van Port Francqui helemaal tot Léopoldville door te trekken. Tenslotte zou in 1931 ook nog een verbinding worden gerealiseerd via Elisabethville en Dilolo met de Benguelaspoorlijn, die over Angolees grondgebied naar de haven van Lobito aan de Atlantische Oceaan voerde.

De aanwezigheid van koning Albert bij de inhuldiging van de BCK-spoorlijn moest het belang van de "voie nationale" onderstrepen voor de volledige integratie van Katanga in de Congolese economie, los van Britse invloeden.

 

Foto reis Koning Albert
 

De Britten volgden deze ontwikkelingen nauwgezet. In 1926 had Lord Bingham, aide de camp van de gouverneur-generaal van de Unie van Zuid- Afrika, Congo bezocht. In zijn uitvoerig rapport aan het War Office in Londen tekende hij op dat de Belgische functionarissen en zakenlui in Katanga weliswaar hulpvaardig en openhartig waren, maar ook blijk gaven van het kenmerkende "continentale wantrouwen" tegenover het Verenigd Koninkrijk.15 België, zo scheen het Bingham, was er vooral om bezorgd dat Zuid-Afrika zich zou afscheiden van het Britse Empire en vervolgens een bedreiging zou gaan vormen voor de Belgische soevereiniteitsaanspraken op Katanga.16 Zulke geopolitieke overwegingen, aldus Bingham, speelden zeker mee in de Belgische beslissing om zwaar te investeren in het Congolese spoornetwerk.

 

Wat er ook van zij, waar het Empire aan het einde van de jaren 1920 nog de quasi volledige controle had over de toegangswegen naar Katanga, erkenden de Britten dat in deze situatie snel verandering zou komen.17 Niettemin leek het ontwikkelingspotentieel van Katanga zo groot, dat ze er alles bij te winnen hadden zich inschikkelijk op te stellen tegenover de Belgische kolonie om toch nog een zo groot mogelijk aandeel van de lucratieve doorvoerhandel te behouden.


     Foto  : BELGISCH CONGO, SPOORWEGENNET AAN HET BEGIN VAN DE JAREN 1930     

 

Hetzelfde gold overigens voor Brits Tanganyika, ten gunste van de oostelijke route van Congo naar de Indische Oceaan.18 In die zin kwamen het snelgroeiende economische gewicht van Katanga en het Britse zakeninstinct de relaties van goed nabuurschap tussen het Belgische en Britse Afrikaanse rijk uiteindelijk ten goede.

Het leek dan ook passend dat het Britse Foreign Office, van zodra het lucht kreeg van koning Alberts reisplannen, poogde, via zijn ambassadeur in Brussel, de vorst ertoe te bewegen een uitstap naar Noord-Rhodesië in te lassen voor een bezoek aan de Victoria watervallen. Albert weigerde beleefd. Hij had de Victoria watervallen overigens reeds in 1909 bezocht. Het Foreign Office bewerkstelligde wel dat de gouverneur van Noord-Rhodesië, Sir Crawford Maxwell, werd uitgenodigd voor het officiële diner, aangeboden ter ere van het koningspaar door de BCK-maatschappij in Elisabethville op 12 juli 1928. Voor het zover was, was het echter nog wachten op de vorst die vanuit Port Francqui, na de inhuldiging van het eindpunt van de nieuwe BCK-lijn, eerst Zuid-Kasaï bezocht.

 

Vanuit Pebeangu bij Port Francqui vloog het vorstenpaar op 3 juli naar het zuidelijk gelegen Tshikapa, voor een bezoek aan de diamantontginning van de Forminière (Société Internationale Forestière et Minière du Congo, net zoals de UMHK en de BCK opgericht in 1906 onder impuls van Leopold II). Vanuit Tshikapa ging het dan per auto opnieuw in noordelijke richting naar Charlesville, en vanuit Charlesville per rivierboot terug naar Port Francqui, waar het reisgezelschap in het station getuige was van de aankomst van het eerste kopertransport vanuit Katanga. Op 7 juli ging het vorstenpaar, vergezeld door gouverneur-generaal Auguste Tilkens en Odon Jadot, hoofdingenieur van de BCK-lijn, in Port Francqui aan boord van de koninklijke trein richting Elisabethville. Na enkele uren rijden werd reeds halt gehouden voor een ontmoeting met Lukengo, de koning van de Bakubas, omringd door zijn ministers en zijn 300 vrouwen. Na een kort onderhoud en de opvoering van enkele traditionele dansen  ("un spectacle pittoresque et coloré", noteerde Albert in zijn reisdagboek), zette de trein zich opnieuw in beweging. Na nog een tussenstop in Luluabourg voor een bezoek aan de missie van Scheut (waar de vorst opnieuw getroffen werd door de grote menigte inheemsen die hem langsheen de weg verwelkomden), reed de koninklijke trein op 9 juli Katanga binnen. Aan de provinciegrens maakte de vicegouverneur-generaal van Katanga, Gaston Heenen, zijn opwachting.

Op 11 juli deed het vorstenpaar zijn intrede in Elisabethville. De nog jonge, zich snel ontwikkelende stad maakte een gemengde indruk op de koning:

 

"La réception [...] fut enthousiaste et brillante. [...] La ville apparait largement tracée, dommage qu'il y ait tant de vilaines bâtisses qui la font ressembler à une cité du Far West américain".20

 

Het vorstelijk bezoek was natuurlijk een evenement van belang voor de stad. Het feestdiner, aangeboden door de BCK-maatschappij, verzamelde alles wat rang en naam had in Katanga. De gouverneur van Noord-Rhodesië en Lady Crawford maakten hun opwachting en kregen de ereplaats aan de zijde van de Belgische vorsten toegewezen. Het diner zelf beviel de koning maar matig: "...interminable et très mal organisé".21 Maar de goede schijn moest worden opgehouden, en na drie uur tafelen kon het vorstenpaar het nog opbrengen een paar danspasjes te zetten om het geanimeerde bal te openen.

De daaropvolgende dagen trok de vorst veel tijd uit om de kopermijnen en installaties van de UMHK te bezoeken, eerst bij Elisabethville (Lubumbashi) en vervolgens een 140 km noordelijker bij Panda-Likasi. Daarbij legde hij grote interesse aan de dag voor de industriële organisatie, maar ook voor de sociale en medische voorzieningen die de UMHK had getroffen voor de inheemse arbeidskrachten. Vooral Panda-Likasi maakte grote indruk:

 

"…une vraie ville, bien tracée, de jolies maisons, 1500 blancs, elle fait excellente impression, meilleure qu'Elisabethville. Ici ce sont des gens sérieux, attelés à une entreprise grandiose".22

 

En de volgende dag:

"...visite des incomparables et impressionnantes installations de l'Union Minière. Nous montons la colline [...]. Le coup d'oeil est prestigieux: la gare, une des plus importantes de l'Afrique, les bâtiments, les Européens avec les maisons entourées de jardins, le vaste échiquier de la cité indigène. Les ouvriers nègres que nous voyons n'ont pas l'air malheureux, ils sont bien portants [...]".23

 

Jean Jadot, gouverneur van de Société Générale in België, maakte deel uit van het koninklijk gevolg en liet niet na bij de koning de zaak van de grote ondernemingen te bepleiten en de tendens tot centralisatie en bureaucratisering vanuit Brussel te kritiseren: "Il faut faire les choses en grand ici".24 Na het uitvoerige bezoek aan het industriële hart van Katanga, werd een nieuwe etappe in de koninklijke Congoreis aangevat. Eerst ging het per spoor terug naar Bukama, en vandaar op het stoomschip "Prince Léopold" over de Lualabarivier resoluut in noordelijke richting tot Kabalo. Nog maar nauwelijks uitgevaren, kruiste het koninklijke schip twee vaartuigen van de Union Minière met elk zo'n 200 arbeidskrachten voor de Katangese industrie aan boord, gerekruteerd in het Belgische mandaatgebied Ruanda-Urundi. Dergelijke transporten hadden reeds heel wat kritiek uitgelokt omwille van de penibele reisomstandigheden (Vijgen, 2005, 134). Opgelucht noteerde de vorst: "Cela paraît bien organisé. Les reproches que l'on a adressés à ces transports ne sont plus mérités maintenant".25 De driedaagse boottocht tot Kabalo bood het vorstenpaar heel wat gelegenheid om fauna en flora te bestuderen. Overal langs de rivieroever werden 's nachts vuren ontstoken en waar de "Prince Léopold" ook aanmeerde werd het schip meteen omgeven door talloze prauwen en door de inheemse bevolking onthaald op feestelijke gezangen. Niet elke ontmoeting was even pittoresk. Na een tussenstop bij Kikondja noteerde Albert lichtjes ontgoocheld:

 

"Le chef [...] vient nous saluer, c'est un beau nègre Baluba, habillé en Européen avec un casque blanc;dommage".26

 

Bij het afvaren van de Lualabarivier, herinnerde Albert zich zijn bezoek 19 jaar eerder: dezelfde streek lag er toen desolaat bij, geteisterd door de slaapziekte. Op één plaats was de toenmalige kroonprins er op een groep zieken gestoten, de ene aan de andere vastgeketend, terwijl de blanke arts zich uit de voeten had gemaakt om het prinselijk gevolg niet onder ogen te moeten komen.27 In 1928 was de slaapziekte hier nog steeds niet uitgeroeid, maar ze werd wel actief bestreden en was op de terugweg (koning Albert tekende op: 200 ziektegevallen op 3.000 inwoners in Ankoro). Vanuit Kabalo ging het vervolgens opnieuw per trein, in oostelijke richting, naar Albertville, pittoresk gelegen aan de oever van het Tanganyikameer en de transithaven naar Brits Tanganyika. Hier had de koning een veelbetekenend onderhoud met Monseigneur Huys, coadjutor van bisschop Mgr. Roelens, de primaat van Congo. Dit openhartige gesprek – we komen er verder nog op terug – handelde onder meer over de psychologie van de inheemse bevolking en over het optreden van de blanken in Congo. Op de terugweg van Albertville naar Kabalo nam koning Albert op 21 juli – Belgische nationale feestdag – de troepenrevue af in het militaire kamp van Niemba, en merkte fijntjes op: "Les gradés blancs paraissent médiocres, ils sont cependant bien payés".28 Terug in Kabalo ging het per trein in noordelijke richting, via Congolo, op weg naar Stanleyville. Op 22 juli reed het  koninklijke gezelschap de Province Orientale binnen en maakte halt te Kindu, eindpunt van de spoorlijn Congolo-Kindu. Naast een bezoek aan de missiewerken stond ook een rondleiding op een privaat uitgebaat houtvestersbedrijf op het programma. Dit laatste maakte een bijzonder slechte indruk op de koning. De uitbater, een zekere Menteau, scheen het bedrijf met harde hand maar met weinig inzicht te leiden. De zwarte arbeidskrachten liepen er bepaald ongelukkig bij en velen van hen leden onder onverzorgde beenwonden. Op aandringen van de koning werd een wandeling in het woud ingelast om de verschillende tropische houtsoorten te kunnen bewonderen, maar al gauw liep het gezelschap verloren en moest Menteau bedremmeld toegeven nog nooit een voet in "zijn" woud gezet te hebben.29 Deze ervaring, zo kort na het indringende gesprek met Mgr. Huys, gaf de koning, zoals we verder zullen zien, heel wat stof tot reflectie.

In Kindu ging het koninklijk gezelschap aan boord van de "Prince Charles". Tussen Kindu en Stanleyville werden nog tussenstops ingelast te Lokandu, voor een bezoek aan de protestantse missie van Maïka, en te Ponthierville, waar het riviertransport opnieuw werd ingeruild voor de spoorweg. Op 25 juli reed de koninklijke trein Stanleyville binnen en het vorstenpaar viel, eens te meer, een grandioos onthaal te beurt. De Congorivier was bezaaid met prauwen vol fraai uitgedoste Wagenias, overal weerklonken tamtams en gezangen.

 

"Quelle belle race ces Wagenias et combien sympathiques", Noteerde Albert verrukt.31

 

Ook Stanleyville zelf, met zijn geplaveide straten en ruime woningen, maakte een goede indruk. In en rond Stanleyville stond het vorstelijk programma voornamelijk in het teken van de missies en het onderwijs. De katholieke en protestantse missiescholen van St. Gabriel en van de Baptist Mission te Yakussu werden vergeleken, en in dit geval viel de vergelijking uit in het voordeel van de protestanten. In St. Gabriel sprak de koning kort de vijfjaarlijkse synode van de katholieke bisschoppen van Congo toe, die er op dat moment aan de gang was. Vanuit Stanleyville werd de reis verdergezet per auto richting noorden, tot Buta, voor een bezoek aan de missie van de Premonstratenzers, die de reputatie genoot één van de mooiste en bloeiendste van de hele kolonie te zijn.32 Ook een bezoek aan de katoenfabriek van Balinglea, uitgebaat door de maatschappij Cotonco (Compagnie Cotonière Congolaise), stond op het programma. De koning was opgetogen over de goede staat van de wegen in Province Orientale: maar wat vergde dit niet aan jaarlijks weerkerende onderhoudswerken? Over de kwaliteit van de buurtspoorwegen rond Buta, uitgebaat door de Vicicongo (Chemins de fer Vicinaux du Congo) was de vorst dan weer niet te spreken.33

 

Op 4 augustus 1928, vatte het vorstenpaar de laatste etappe in de Congoreis aan. In Aketi gingen ze, voor de zoveelste keer, aan boord van een rivierschip, de "Luxembourg", en voeren zo, over de Itimbiririvier, de vierde en laatste provincie van de kolonie binnen: Equateur. Kort voorbij het punt waar de Itimbiri in de Congostroom vloeit, werd halt gehouden in Bumba-Alberta voor een uitgebreid bezoek aan de missiewerken daar en aan de installaties van de palmoliemaatschappij HCB (Huileries du Congo Belge). De koning liet er zich uitvoerig inlichten over de manier waarop de palmvruchten door de inheemse bevolking werden gekweekt en geoogst en vervolgens aan de maatschappij verkocht voor verwerking. De boottocht stroomafwaarts op de Congostroom werd aan een gezapig tempo verdergezet. Op 7 augustus was het koninklijk gezelschap in Lisala en op 10 augustus werd uiteindelijk Coquilhatville bereikt, hoofdstad van de provincie. Het koningspaar werd er met de grote fanfare ingehaald door vicegouverneur-generaal Duchêne. Na het obligate bezoek aan de stad, de plaatselijke missie en een kopalplantage, zat de Congoreis er zo goed als op.

 

Vanuit Coquilhatville ging het per vliegtuig rechtstreeks naar Léopoldville. De koning kon nog één keer zijn hart ophalen tijdens de spectaculaire vlucht over het Leopold II-meer, en vervolgens de Kasaï- en Congorivier volgend tot de Stanley Pool ter hoogte van de hoofdstad. Vanuit Léopoldville-N'dolo ging het dan verder per vliegtuig naar Boma, waar het vorstenpaar op 15 augustus – na "des adieux émouvants" van gouverneur-generaal Tilkens – inscheepte op de "Anversville" voor de terugreis naar België. Op 31 augustus 1928 zetten Albert en Elisabeth weer voet aan wal in Antwerpen en reisden vandaar door naar Brussel, waar ze – volgens Le XXe Siècle – werden verwelkomd "avec une enthousiasme indescriptible".34 Ook de socialistische krant Vooruit berichtte over de uitbundige verwelkoming die het vorstenpaar te beurt viel.35 De Britse ambassade in Brussel rapporteerde "…een bijzonder enthousiast en loyaal welkom, de straten vol volk en overal versierd met triomfbogen en vlaggen".36 De vorstelijke Congoreis werd als een triomf gecelebreerd. De vooropgestelde doelstellingen waren verwezenlijkt. Maar in werkelijkheid was dat slechts het halve verhaal.

 

 

2. "C'EST LA GRANDE MISÈRE AU CONGO"

 

Op 9 augustus 1928, kort voor de vorsten Coquilhatville, eindpunt van hun lange reis op de Congostroom, bereikten, deed zich op de rivierpost van Malela een veelbetekenend incident voor. In de late namiddag meert het stoomschip "Luxembourg" aan en verlaten Albert en Elisabeth de boot om een wandeling te maken doorheen de maniokvelden rond het dorp. Ze zijn alleen. Dit is het moment waarop de tweede mecanicien van de "Luxembourg" – een Congolees – gewacht heeft. Hij loopt op het vorstenpaar toe en spreekt hen ongevraagd, en ongetwijfeld gespannen van de zenuwen, toe:

 

"C'est la grande misère au Congo, le nègre fait tout le travail, il n'est pas payé, on lui donne des coups. Quand les blancs retournent en Europe, ils sont remplacés par d'autres qui nous maltraitent. Le Roi Albert et la Reine Elisabeth sont venus, quand ils sont là, on nous laisse tranquilles, mais quand ils seront partis, ce sera la même chose. Le Roi ne sait pas tout cela, on lui cache tout. C'est la grande misère ici au Congo. [...] Le capitaine il est très mauvais pour nous, mais quand la Reine Elisabeth est sur le bateau, il n'ose pas nous frapper".38

 

Het incident greep de koning voldoende aan om het beklag van de Congolese mecanicien woordelijk in zijn reisdagboek vast te leggen. Nauwelijks drie dagen later, op weg naar het vliegveld van Coquilhatville, een nieuw incident. Tot tweemaal toe wordt de auto van het vorstenpaar gestopt door een zwarte soldaat van de Force Publique die hen geld probeert te overhandigen. Verwarring. De koning denkt aanvankelijk dat het om een gift gaat ten voordele van de sociale werken van de koningin. Al snel blijkt dat de soldaten hun magere soldij komen "teruggeven", klaarblijkelijk om zo demonstratief ontslag te nemen uit de Force Publique: "...manifestation qui compromet gravement la discipline".39

Het waren alleszins niet uitsluitend lachende en zingende Congolezen die het Belgische vorstenpaar overal op hun doortocht kwamen toejuichen. In het reisdagboek van de koning vangen we een paar echo's op van onbehagen en onderhuidse spanning waar het de ontmoeting tussen blank en zwart betreft. Zo bij het bezoek aan de scheepswerf van Unatra in Léopoldville:

 

"Je suis frappé qu'assez bien de travailleurs noirs ne nous saluent pas et nous regardent passer les bras croisés".40 En in Lisala: "Il y a des danses le soir, pas très animées. On sent que la contrainte du travail pénible du bois pèse sur le moral des indigènes".41

 

Hiermee legde koning Albert de vinger op de wonde. Achter de façade van het economische succesverhaal – de "mise en valeur" – ging een loodzware problematiek schuil die de koloniale realiteit in al haar facetten beheerste, namelijk die van de rekrutering en tewerkstelling van de inheemse arbeidskrachten. Het is niet de bedoeling hier deze problematiek volledig uit te diepen, maar de grote lijnen treden ook uit het reisverslag van koning Albert naar voren en verdienen enige toelichting.

 

De Belgische strategie voor de economische ontwikkeling van Congo was buitengewoon ambitieus. Ze behelsde omvangrijke infrastructuurwerken –waarvan de BCK-spoorlijn een wezenlijk bestanddeel was – evenals de grootschalige ontwikkeling van mijnbouw en van exportgerichte landbouw. Om vaart te zetten achter de "ontsluiting" van de kolonie werd een beroep gedaan op privékapitaal, dat werd aangelokt door genereuze concessies en het vooruitzicht op hoge winstmarges. Dit leidde algauw tot de dominantie van enkele grote maatschappijen, zowel in de transportsector en de mijnbouw (BCK, UMHK, Forminière – en via deze de Société Générale), als in de agrarische sector (Cotonco, HCB,…). Deze maatschappijen genoten de actieve ondersteuning van de koloniale administratie. Die was er trouwens in vele gevallen ook aandeelhouder van.

 

Voor al deze ondernemingen was evenwel niet enkel veel, bij voorkeur Belgisch, kapitaal vereist, maar ook veel arbeidskracht, en die kon enkel worden geleverd door de inheemse bevolking. De behoeften waren enorm. Bij de aanleg van de BCK-spoorlijn tussen Bukama en Port Francqui waren tussen 1925 en 1928 in totaal zowat 1.000 blanken en 100.000 zwarte arbeiders betrokken (het maximum aantal zwarte arbeiders dat gelijktijdig aan het werk was bedroeg 15.000) (Compagnie du chemin de fer du Bas- Congo au Katanga, 1956, 115-116). In 1928 stelde de Forminière (voornamelijk diamantontginning) in Zuid-Kasaï ruim 23.000 inheemse arbeiders tewerk, de UMHK in Katanga (hoofdzakelijk koperertsontginning en -verwerking) ongeveer 17.000.42 En dan waren er nog de transportbedrijven, de houtvesterij, de katoen-, koffie- en kopalplantages, die talloze werkkrachten opslorpten, terwijl ook de aanleg en het onderhoud van wegen en andere werken van openbaar nut enorme inspanningen vergden.

 

Om de hoge ziekte- en sterftecijfers onder de arbeiders in te dijken, en deserties te voorkomen, waren de meeste arbeidscontracten van relatief korte duur, wat evenwel betekende dat elk jaar opnieuw tienduizenden nieuwe arbeidsrekruten moesten worden aangeworven. Kortom, de snelle economische ontwikkeling in de jaren 1920 leidde tot een ware jacht op arbeidskrachten in Belgisch Congo. Hier botste de koloniale ontwikkelingsdrang frontaal met de realiteit van een geografisch versnipperde en grotendeels traditioneelagrarisch gerichte maatschappij. Het arbeidspotentieel was niet aanwezig waar de vraag het grootst was (Katanga bijvoorbeeld was dunbevolkt en had zwaar te lijden gehad onder de slaapziekte), en bovendien ontbrak het de inheemse bevolking goeddeels aan de culturele en economische stimuli om hun arbeid vrijwillig aan de Europese bedrijven aan te bieden. Om dit dilemma het hoofd te bieden, rekruteerden de grote maatschappijen tot in de meest afgelegen dorpen, vaak met de actieve steun van de plaatselijke koloniale ambtenaren (Ndaywel è Nziem, 1997, 388-389).

 

Jules Marchal heeft in een soms emotionele, maar goed gedocumenteerde studie beschreven tot welke mistoestanden deze rekruteringsgolf aanleiding gaf (Marchal, 1999; 2000). Van vrijwillige aanwerving kon nauwelijks sprake zijn. Talloze jonge, arbeidsbekwame Congolezen werden, al dan niet met geweld, gedwongen dienst te nemen bij een Europese onderneming en vervolgens, onder vaak penibele omstandigheden, op transport gezet, soms vele honderden kilometers weg van hun oorspronkelijke woonplaats. Deze praktijk was in flagrante tegenspraak met de vrijheid van arbeid geproclameerd in het Koloniaal Charter van 1908, en riep beangstigende herinneringen op aan de meedogenloze dwangarbeid opgelegd door de Vrijstaat van Leopold II ten tijde van de rubberboom.43 Niettemin was de koloniale administratie er in vele gevallen actief bij betrokken, omdat het de enige manier bleek om het arbeidsaanbod op peil te houden. Bovendien, zo gold de redenering, hadden de afgesloten arbeidscontracten doorgaans slechts zes maanden tot maximaal drie jaar geldigheid, waarna de ondernemingen verplicht waren die arbeiders die hun contract niet wensten te verlengen te repatriëren. De dwang bleef dus – althans theoretisch – beperkt in tijd. De meest gehoorde rechtvaardiging voor de dwangrekruteringen was dat het een overgangsmaatregel betrof, noodzakelijk in de toenmalige ontwikkelingsfase van de Congolese economie, die zou verdwijnen zo gauw zich een functionerende vrije arbeidsmarkt zou hebben gevormd. Maar bij zijn bezoek in 1928 kreeg koning Albert meermaals te horen dat deze "overgangsperiode" veel te lang duurde en dat de dwangrekruteringen tot grote onvrede leidden.44 Een ander veelgehoord argument ter rechtvaardiging van de dwang was dat de zwarten van nature uit ongedisciplineerd en lui waren en enkel zo tot werken konden worden aangezet. Ook deze opinie kreeg de vorst op zijn doortocht door de kolonie een paar maal voorgeschoteld.45 In de Province Orientale, op de weg tussen Buta en Aketi, was de vorst trouwens onverwacht getuige van wat de "disciplinering" van de zwarte arbeiders zoal kon betekenen: tijdens een wandeling stootte Albert tot zijn verbazing op een groep inheemsen die men, in de volle middagzon, in twee perfecte colonnes de weg op en af liet marcheren. Het bleek een methode gebruikt door de Vicicongo om haar arbeiders "discipline bij te brengen".46

 

In werkelijkheid lagen aan het rekruteringsmodel van toepassing in Belgisch Congo tijdens het interbellum eenvoudige economische wetmatigheden ten grondslag. Voor de Europese ondernemers bood het de meest efficiënte en goedkoopste manier om de arbeidsreserve te mobiliseren. In Congo was er geen nationale, of zelfs maar regionale, arbeidsmarkt. De houding van de meeste Congolezen tegenover loonarbeid in Europese dienst was, op zijn zachtst gezegd, ambigu. Enerzijds bood de "westerse" loonarbeid weliswaar het voordeel dat het een geregeld monetair inkomen verzekerde – hoe gering ook. Dat was niet onbelangrijk gezien de snelle uitbreiding van de geldeconomie in Congo, die sterk in de hand werd gewerkt door de koloniale overheid. De fiscaliteit speelde hierbij een cruciale rol: vanaf de Eerste Wereldoorlog maakte de administratie ernstig werk van de systematische inning van de hoofdelijke belasting die in principe alle volwassen mannen trof (Ndaywel è Nziem, 1997, 382). Loonarbeid in Europese dienst liet de Congolese arbeider toe deze inheemse belasting (impôt indigène) te betalen,terwijl zijn gezinsleden door traditionele subsistentielandbouw in hun levensonderhoud bleven voorzien. Anderzijds waren er echter verschillende factoren die tal van Congolezen ervan weerhield hun arbeid vrijwillig aan te bieden aan de Europese ondernemers. Vooreerst betekende werk in de mijnen of op de Europese plantages, vaak op honderden kilometers van hun woonplaats, voor de arbeidsbekwame inlanders natuurlijk een radicale breuk met hun culturele en sociale leefwereld. De westerse industriële arbeidsorganisatie, gekenmerkt door vaste arbeidstijden, ploegenarbeid en een strikte hiërarchie, had weinig of geen intrinsieke aantrekkingskracht. Bovendien waren de lonen betaald in de mijnen en op de plantages zo laag, dat het voor heel wat inlanders sowieso lonender was op traditionele wijze landbouw te blijven bedrijven en eventuele overschotten op de vrije markt te verkopen. Zo betaalden de grote bedrijven als Forminière en UMHK, aan het einde van de jaren 1920, hun zwarte arbeiders, naargelang het aantal dienstjaren en de graad van specialisatie, een dagloon dat schommelde tussen 1 en 5 fr., en in uitzonderlijke gevallen tot maximaal 8 fr. bedroeg (tegenover 60 tot 250 fr. per dag – en meer – voor gekwalificeerd Europees personeel).47

Wel kregen de meeste zwarte arbeiders naast dit magere geldelijk loon nog een vergoeding in natura, voornamelijk in de vorm van voeding en (primitieve) huisvesting. Op de plantages en in de katoenindustrie lagen de daglonen van de inlanders nog lager dan in de mijnindustrie, en dekten doorgaans niet veel meer dan de verschuldigde belasting. Onder die omstandigheden hoeft het niet te verbazen dat onvoldoende Congolese mannen bereid bleken hun arbeid vrijwillig ten dienste te stellen van de Europese ondernemers.

 

In een vrijemarkteconomie heeft een arbeidsschaarste normaal twee effecten: een uitgesproken stijging van de arbeidslonen en een doorgedreven mechanisatie om dure arbeid te vervangen. Gezien de klimatologische en geografische omstandigheden, de nog gebrekkige infrastructuur en de hoge kapitaalvereisten, lag mechanisatie in Belgisch Congo in die tijd enkel binnen het bereik van de allergrootste bedrijven, zoals de UMHK. Bovendien waren de lage inheemse arbeidskost en het vooruitzicht op hoge winstmarges net de voornaamste factoren die Europese ondernemers ertoe hadden doen besluiten het risico voor een vestiging in Congo aan te gaan. Om bij een gebrekkige mechanisatie en artificieel lage lonen toch het probleem van de arbeidsschaarste op te lossen, bood het systeem van de dwangrekruteringen dan ook de eenvoudigste – want snelst uitvoerbare – oplossing.

 

Wel poogde de overheid deze feitelijk onwettige praktijk te humaniseren, of op zijn minst toch te "verwetenschappelijken". In december 1924 installeerde de minister van Koloniën, Henri Carton, te Brussel een "Commission pour l'Étude du problème de la main-d'oeuvre au Congo Belge". In haar rapport, gepubliceerd in maart 1925, erkende de commissie weliswaar de noodzaak om bij de rekrutering van inheemse arbeidskrachten alle beschikbare overredingsmiddelen in te zetten ("tous les moyens de persuasion"), maar wees ze er tegelijk op dat de losgeslagen rekruteringsijver van de private ondernemingen in georganiseerde banen diende te worden geleid.48 Daartoe zou de koloniale overheid voor ieder gewest de rekruteringsnoden en -capaciteit vastleggen en de beschikbare rekruteringsgebieden aanwijzen. De feitelijke rekrutering moest bij voorkeur worden uitgevoerd door lokale arbeidsbeurzen die opereerden voor alle private ondernemingen in hun vestigingsgebied en die werden gecontroleerd door de overheid. Bovendien beval de commissie een waslijst van minimale standaards aan inzake transport, huisvesting, voeding, verloning, opleiding en medische zorgen van de gerekruteerde arbeidskrachten die door de werkgevers dienden gerespecteerd te worden. Wat op papier een ingrijpende rationalisatie leek, pakte op het terrein evenwel vaak anders uit. Het feit dat de rekruteringsmissies van de arbeidsbeurzen in de dorpen begeleid werden door koloniale ambtenaren met het doel het proces in goede banen te leiden en misbruiken te voorkomen, wekte bij de inheemse bevolking de indruk dat de rekrutering door de overheid was gedecreteerd en dus dwingend was.49 De dorpshoofden werden vaak ingeschakeld om een minimum aantal arbeids-"vrijwilligers" te leveren, al dan niet tegen de betaling van een bescheiden kopgeld.

 

En toch, ondanks het wijdverspreide systeem van dwangrekruteringen hadden de Europese ondernemingen het alsmaar moeilijker inheemse arbeidskrachten aan te werven en vooral te behouden. Bij zijn bezoek aan een katoenfabriek van Cotonco bij Buta, kreeg koning Albert te horen dat de inlanders hun neus ophaalden voor de door de overheid opgelegde katoenteelt, omdat er meer te verdienen viel met andere teelten zoals maïs, rijst, maniok en palmnoten: "Les sociétés se plaignent mais elles n'ont pas fait le nécessaire pour retenir leur main-d'oeuvre (18frs par mois de salaire). Elles ont trop compté sur l'obligation que l'administration faisait peser sur la population".50

 

Een inheemse boer die op eigen grond gewassen voor de markt teelde, kon, zo verzekerde broeder Philippe van de missie van Lolo de koning, gemakkelijk 30 tot zelfs 100 fr. en meer per maand verdienen.51

 

Als een gevolg van de snelle economische ontwikkeling spitste de rekruteringscrisis zich in 1925-1926 toe. Het gebrek aan inheemse arbeidskrachten dreigde de verdere expansie van de grote maatschappijen af te remmen (Brion & Moreau, 2006, 118). Daartegenover werd steeds vaker de alarmklok geluid omtrent de teruggang van de inlandse bevolking, die onder meer in verband werd gebracht met de dwangrekruteringen. Door het systematisch weghalen van jonge, arbeidsbekwame mannen raakte de demografische balans in vele dorpen uit evenwicht. De ontvolking was reeds vastgesteld door de Commissie voor de bescherming van de inlanders (Commission de protection des indigènes) in 1919 en werd bevestigd door de Commission pour l'Étude du problème de la main-d'oeuvre in 1925.52 Ook Mgr. Huys, in zijn onderhoud met koning Albert op 20 juli 1928, duidde de ontvolking aan als "le grand mal".53 De aanzet tot oplossing geïntroduceerd na 1925 bestond erin, ter wille van de demografische balans, maximale quota vast te leggen van het aantal werkbekwame mannen dat in elk dorp mocht worden gerekruteerd.54 In sommige districten vaardigde de overheid tijdelijke rekruteringsstops uit om de verdere ontvolking tegen te gaan. Voor de grote ondernemingen, zoals de UMHK, betekende dit dat ze hun arbeidskrachten steeds verder weg moesten gaan zoeken. Vanaf 1926 stuurde de UMHK rekruteringsmissies uit naar Lomami, aan de grens tussen Katanga en Kasaï, naar Maniema in de Province Orientale, en naar Ruanda-Urundi, sedert 1919 Belgisch mandaatgebied (Union Minière, 1956, 163). We zagen eerder hoe koning Albert en zijn gevolg op 17 juli 1928 op de Lualabarivier twee transportschepen met Ruandese arbeidsrekruten aan boord kruisten. Aanvankelijk lag de mortaliteit onder de nieuwe rekruten schrikbarend hoog. In reactie hierop begonnen de grote maatschappijen de aanbevelingen van de studiecommissie van 1925 inzake de verbetering van transport en medische voorzieningen in versneld tempo om te zetten. Het inrichten van zogenaamde acclimatisatie- en opleidingscentra moest ertoe bijdragen de arbeiders geleidelijk vertrouwd te maken met hun nieuwe arbeidsomgeving en hen te disciplineren.

 

Voor de Europese ondernemingen betekende dit alles natuurlijk dat hun rekruteringskosten alsmaar opliepen. Daarenboven voelden de grote maatschappijen, zoals Forminière en UMHK, die het actiefst wierven, zich op dit vlak benadeeld door het free-ridergedrag van de kleinere ondernemingen. Vermits de meeste arbeidscontracten een korte looptijd kenden (doorgaans van 6 maanden tot maximaal drie jaar), konden de kleinere ondernemingen vele arbeiders na afloop van hun eerste contract weglokken met marginaal hogere lonen, zonder in de aanvankelijke rekruteringskosten te moeten delen.

De wens om dit "gebrek aan fair-play" het hoofd te bieden en de noodzaak om de schaarse arbeidskracht sterker aan zich te binden – zonder evenwel af te stappen van de politiek van lage lonen – brachten de UMHK en Forminière ertoe hun aanpak van de arbeidsproblematiek grondig bij te stellen. Vanaf de tweede helft van de jaren 1920 maakten deze ondernemingen ernstig werk van een verbetering van de sociale voorzieningen met het doel een stabieler personeelsbestand op te bouwen. "Stabilisation de la main-d'oeuvre" werd het nieuwe slagwoord.

 

Bij zijn bezoek aan de installaties van de UMHK in Lubumbashi en Panda in juli 1928, maakte koning Albert kennis met de "oeuvres sociales" van de maatschappij. Op slechts enkele jaren tijd waren aanzienlijke voorzieningen uit de grond gestampt, die in de meeste basisbehoeften van de inheemse arbeidskrachten moesten voorzien. De koning liet zich uitvoerig inlichten en nam naarstig notities in zijn reisdagboek. Bij hun aankomst werden de arbeidsrekruten, die vaak van ver werden aangevoerd, eerst ondergebracht in een acclimatisatiekamp, waar ze medische behandeling ontvingen en vertrouwd werden gemaakt met de vereiste arbeid en het ploegenstelsel. De klimatologische verschillen tussen de rekruteringsgebieden en het hoger gelegen en relatief kille Katanga veroorzaakten aanpassingsmoeilijkheden, vooral blijkbaar voor de rekruten uit Ruanda-Urundi, die men in een eerste periode slechts lichte arbeid kon toevertrouwen.

 

Zo gauw ze "geacclimatiseerd" waren, werden de arbeiders aan een blankeopzichter toegewezen. In principe werd in een drieploegenstelsel gewerkt, maar de zwarte arbeiders hadden een uitgesproken afkeer voor de nachtdienst, die als ontwrichtend werd ervaren en tot veel arbeidsongevallen leidde.56 De UMHK ging er dan ook al snel toe over het aantal nachtploegen drastisch te reduceren. De arbeiders werden gehuisvest door de maatschappij in grote kampen in de onmiddellijke nabijheid van de mijnen en fabrieken. De leefomstandigheden waren er aanvankelijk abominabel, en de ziekte- en sterftecijfers navenant hoog, maar vanaf 1926-1927 maakte de UMHK ernstig werk van een grondige sanering: strohutten werden systematisch vervangen door gestandaardiseerde bakstenen hutten met golfplaten daken, aangelegd volgens een geometrisch patroon. Rond de kampen werden moestuinen aangelegd. Een experiment met gemeenschappelijke gaarkeukens was weinig succes beschoren omdat de arbeiders verkozen hun eigen potje te koken. In het nieuwe type hutten werden dan ook kleine kookplaatsen voorzien. De vereiste voedselrantsoenen, vastgelegd door de overheid, werden geleverd door de UMHK. Ter wille van de hygiëne werden in elk kamp gemeenschappelijke latrines gegraven, terwijl er ook in wasplaatsen, een bevoorradingspunt voor drinkbaar water en een dispensarium werd voorzien. Het sterftecijfer onder de inheemse arbeiders van de UMHK daalde van 53‰ in 1926 tot 18‰ in 1930 (Brion & Moreau, 2006, 136).

 

De grootste arbeiderskampen waren die van Panda en Lubumbashi, die in 1928 respectievelijk 5.200 en 3.200 zwarte arbeiders huisvestten.57 De kampen werden geleid door een kampchef, bijgestaan door een kleine administratieve staf die in de loondienst van de UMHK stond. Met enige trots – ongetwijfeld als bewijs van de goede gang van zaken – wist men koning Albert mee te delen dat de vroegere praktijk van het ochtendappel in deze kampen was afgeschaft.58 Mettertijd moedigde de UMHK haar arbeiders aan hun gezin te laten overkomen of er één te stichten. Een gezin met kinderen kreeg een eigen hut toegewezen en extra voedselrantsoenen. In de meeste kampen werd onderwijs en beroepsvorming aangeboden. Hiertoe had de UMHK de missies van de paters Benedictijnen ingeschakeld. De trots van de maatschappij was ongetwijfeld haar medische dienst. In 1928 baatte die in totaal 14 ziekenhuizen en dispensaria voor inheemsen uit, en telde een genees- en verpleegkundig personeel van 92 Europeanen en 900 zwarten. De uitbating van de ziekenhuizen van Lubumbashi (195 bedden) en Panda (300 bedden) werd door de UMHK toevertrouwd aan de Zusters van Liefde van Gent: "...elles ont donné toute satisfaction, les indigènes les aiment beaucoup".59

 

Dergelijke voorzieningen kostten de maatschappij natuurlijk heel wat geld. Bij zijn bezoek, werd koning Albert voorgerekend dat een zwarte arbeider de UMHK gemiddeld 20,51 fr. per dag kostte.60 Slechts 3,05 fr. hiervan vertegenwoordigde het eigenlijke dagloon, de rest van het bedrag werd besteed aan rekruterings- en acclimatisatiekosten (6,35 fr.), voeding van de arbeider en zijn familie (7,53 fr.), ziekenhuiskosten en kinderbescherming (1,29 fr.) en algemene administratie (2,29 fr.). Hoewel de daglonen dus ongewoon laag bleven, slaagde de UMHK er door haar sociaal programma en door het aanbieden van voordelen in natura toch in steeds meer arbeiders aan zich te binden. Dit uitte zich in een gestage toename niet enkel van het aandeel vrijwillige arbeiders (van nauwelijks 20% in 1924 tot ruim 40% in 1927) (Ibid., 121, 134), maar ook van het aantal arbeiders dat besloot hun eerste contract na afloop te verlengen. Ze werden hiertoe nog aangemoedigd door de uitbetaling van een bonus. Behalve de "stabilisatie" en een zo economisch mogelijk gebruik van de beschikbare arbeidskrachten, was een bijkomend doel van deze politiek de "proletarisering" tegen te gaan en een mogelijk ontluikend syndicalisme naar een zo ver mogelijke toekomst te verwijzen. "...[les ouvriers nègres] sont encore inconscients de la force que leur donnerait l'organisation syndicale; heureux industriels", noteerde Albert laconiek.61

 

De aanpak van de UMHK werd toentertijd, binnen de Afrikaanse context, als uiterst progressief beschouwd (Ibid., 138). Ook koning Albert was onder de indruk van wat reeds gerealiseerd was en beoordeelde dit als een valabele oplossing om de sociale problematiek in Congo – waarvan hij zich terdege bewust was – op zijn minst te milderen: "Là il est incontestable que le noir a bénéficié de certains bienfaits de la civilisation".62 De sociale politiek in Katanga wekte ook de interesse van buitenstaanders, zoals de koloniale administratie in Brits Afrika. Voor Lord Bingham, die Katanga bezocht in 1926, wezen de investeringen in sociale voorzieningen en in onderwijs en opleiding erop dat: "The Belgians are setting about the task of combating the shortage of labour with almost Teutonic thoroughness and far-sightedness". In het bijzonder over de UMHK liet hij zich positief uit:

 

"The natives while working on the mines are very well treated. They live in compounds, which appeared to be run on model lines. I was told that there had been cases of brutality and ill-treatment, but the compound managers concerned had been instantly dismissed. The U[nion] M[inière] are strongly opposed to anything in the nature of brutal treatment of the natives".63 In zijn rapport aan het Colonial Office van november 1927, luidde gouverneur Maxwell van Noord-Rhodesië dezelfde klok: "Speaking generally, it may be said that the authorities of the Union Minière are in advance of the Mining Companies in this Territory [Rhodesia] in the care and attention they give to recruited labour"

 

Het overwegend positieve oordeel van koning Albert had ongetwijfeld ook veel te maken met zijn pessimistische inschatting van de sociale situatie van de vele zwarte arbeiders die werkten op het land of voor de kleine en middelgrote Europese ondernemingen. Hier moeten we terugkomen op het lange gesprek dat de vorst voerde, tijdens een boottocht op het Tanganyikameer, met Mgr. Huys, coadjutor van Mgr. Roelens.65 Auguste Huys, een Witte Pater met meer dan dertig jaar Congo-ervaring, liet zich tegenover de koning weliswaar kritisch uit over de zwarten66, maar meer nog over de sociale en economische schade aangericht door de blanke kolonialen die steeds "de neiging hebben de toekomst op te offeren voor het heden".67 Het eveneens reeds vermelde bezoek van de koning aan het houtvestersbedrijf van Menteau bij Kindu, nauwelijks drie dagen na zijn gesprek met Huys, was een cynische illustratie hiervan. Het voerde bij de koning tot een kleine sociale gewetenscrisis:

 

"Il y a en somme beaucoup de marasme parmi les colons et les entreprises moyennes. L'indigène y est souvent maltraité, exploité et ne dispose d'aucun soin médical. Dans l'exploitation Menteau, nous avons constaté un nombre considérable d'ulcères variqueux, ce qui n'existe plus guère à l'UM et à la Forminière. Il n'y a pas de dispensaire dans cette exploitation. [...] Le petit colon peut-il réussir au Congo, on peut en douter, il vit de l'exploitation de l'indigène qu'il fait travailler comme un forçat et de plus, il lui reprend son maigre salaire en lui vendant de mauvaises marchandises. Le colon est souvent doublé d'un trafiquant, ils se complètent, le truck système. D'ailleurs tout l'édifice colonial repose sur les épaules du nègre. Lui seul est la source du bénéfice, grâce à l'exploitation à outrance dont il est l'objet. Dans une colonie, où il y a peu de voies de transport, où celles qui existent exigent des prix exorbitants, où il n'y a pas ou peu de manutention mécanique, pas de bête de somme, seul l'avilissement de la main d'oeuvre peut maintenir le niveau commercial du prix de revient. Les grandes entreprises ont le mérite par leur outillage, leur assistance médicale, leurs oeuvres de soigner davantage et de ne pas gaspiller la main-d'oeuvre".68

 

Wat hij op het bedrijf van Menteau gezien had, bleef de koning parten spelen (hij zou het trouwens rapporteren aan de arbeidsinspecteur van Stanleyville, toen hij die een week later ontmoette).69 Om de open beenwonden te vermijden, die één van de hoofdoorzaken van arbeidsongeschiktheid waren, moest het toch volstaan – zo noteerde de koning in zijn reisverslag – om de inheemse arbeiders beenbeschermers te laten dragen: "mais tout cela est trop pour la plupart des blancs qui ne voient dans le noir qu'une matière taillable et corvéable à merci".70 Zulke woorden kon de koning toevertrouwen aan zijn reisdagboek, maar als soeverein en opperste belichaming van de Belgische koloniale "zending" kon hij het zich nauwelijks veroorloven ze in het publiek uit te spreken.

 

 

3. "ON N'AIME PAS EN BELGIQUE LES SOLUTIONS RADICALES. CE SERAIT CEPENDANT LE CAS D'EN ADOPTER" 71

 

De koning was zeker niet de enige noch de eerste om kritiek uit te oefenen op de economische exploitatie van de inheemse bevolking. De dwangrekruteringen in Belgisch Congo, die een hoogtepunt bereikten in 1925-1926, lieten in het moederland de politieke gemoederen niet helemaal onberoerd. De regering zag zich gedwongen tot handelen. In december 1927 liet eerste minister en minister van Koloniën Henri Jaspar de studiecommissie van 1925 opnieuw samenroepen, om – nu zetelend als Raadgevend Comité ("Comité Consultatif de la main-d'oeuvre") – te beraadslagen over de rekruteringscrisis. Het Comité publiceerde haar besluiten in maart 1928, kort voor het vertrek van koning Albert naar Congo, maar veel nieuws viel er niet te rapen.72 In wezen herhaalde het Raadgevend Comité de aanbevelingen van de studiecommissie van 1925, waarbij de "overredings"rol van de koloniale ambtenaren bij de rekruteringscampagnes op het terrein werd bekrachtigd. Het Comité leek er in haar besluiten voornamelijk om bekommerd de Europese ondernemers niet al te zeer voor het hoofd te stoten met nieuwe verplichtingen en beperkingen. Wel werd ervoor gepleit het verlenen van nieuwe mijn- en landbouwconcessies af te remmen, of in bepaalde streken zelfs tijdelijk stop te zetten, om zo de rekruteringscrisis niet verder op de spits te drijven. Het werk van de studiecommissie van 1925 en van het comité van 1928 werd ook door de andere koloniale mogendheden met bezittingen in zwart Afrika met interesse gevolgd. Ze kampten immers alle met vergelijkbare problemen. In het Britse Colonial Office waren de meningen over de Belgische aanpak verdeeld.

 

"…the Belgians proceed quite frankly from the assumption that the Congo must be exploited with the view of helping Belgium. [...] The whole spirit of the report may be said to be one of enlightened selfishness", luidde één analyse. Maar in een ander commentaar werden de mogelijkheid tot inperking van nieuwe concessies en het instellen van maximale quota voor het toegestane aantal rekruteringen (de 15-5-5-regel: zie voetnoot 54) als doortastende maatregelen gekwalificeerd: "The announcement of such proportions in British East Africa would, I fear, lead to a serious death-rate from apoplexy among the white settlers".73

 

In politiek België stond de rekruteringsproblematiek in Congo niet bepaald hoog op de agenda, maar indien de regering al gehoopt had dat de besluiten van het Raadgevend Comité het debat helemaal zouden doen verstommen, kwam ze toch bedrogen uit. Zelfs binnen de kleine en traditioneel hechte groep van belanghebbenden in de koloniale politiek begonnen zich stemmen te verheffen tegen het gevolgde of, veeleer, gedoogde beleid. Een belangrijke uitdrukking daarvan was het artikel dat Octave Louwers in januari 1928 in de Revue Belge publiceerde, en dat in ingewijde kringen enig ophef veroorzaakte: "Pour un redressement de notre politique coloniale".74 Louwers was immers niet de eerste de beste: eminent jurist, organisator – op vraag van koning Albert – van de Brusselse koloniale congressen van 1920 en 1926, raadgever voor koloniale zaken op het ministerie van Buitenlandse Zaken en vooraanstaand lid van de Koloniale Raad (Conseil Colonial), het hoogste wetgevende orgaan van Belgisch Congo (Sohier, 1998; Van Pottelbergh, 2006). Zijn artikel was een met grote omzichtigheid geargumenteerd pleidooi tegen het primaat van de snelle industriële ontsluiting van de kolonie, die voornamelijk de Europese ondernemingen diende ten koste van het sociale en demografische evenwicht van de Congolese maatschappij. Louwers pleitte voor een nieuwe politiek: "...qui consiste essentiellement à faire de l'indigène un paysan cultivant sa terre avec sa famille, et dans son milieu traditionnel". Het voorgeschreven recept was misschien weinig realistisch gezien de sterke industriële groei die Congo op dat moment doormaakte, maar de diagnose was er niet minder raak om. Louwers kreeg dan ook snel de wind van voren van vooraanstaande koloniale persoonlijkheden, zoals oud-gouverneur generaal Maurice Lippens.75

 

De kritiek op de rekruteringspraktijken werd verder aangezwengeld door een ongewone actie van de bisschoppen van Belgisch Congo. In juli 1928, verenigd voor hun vijfjaarlijkse synode op de missie van St. Gabriel bij Stanleyville, besloten ze in een brief aan eerste minister Jaspar te protesteren tegen de praktijk van de gedwongen rekruteringen onder de inheemse bevolking. Koning Albert had de synode bij zijn doortocht in Stanleyville overigens kort toegesproken (zie eerder). In scherpe bewoordingen werden de talrijke misbruiken gehekeld, en de nefaste gevolgen van de rekruteringswoede op de nataliteit en het sociale weefsel in de Congolese dorpen aan de kaak gesteld. De brief werd enkele maanden later publiek gemaakt.76 Tijdens de bespreking van het budget van Belgisch Congo in de Belgische Kamer van Volksvertegenwoordigers in februari-maart 1929, waarin ook de socialistische voorman Emile Vandervelde van leer trok tegen het voortbestaan van illegale dwangarbeid, erkende Jaspar dat misbruiken inderdaad nog steeds voorkwamen, maar kondigde verder geen nieuwe maatregelen aan.77

 

Het bezoek van de koning aan Belgisch Congo in 1928 kwam op een moment dat de arbeidsproblematiek in de kolonie steeds meer in vraag werd gesteld. Structurele oplossingen op het terrein lieten evenwel op zich wachten. De dwangrekruteringen bleven ook in de latere jaren 1920 en aan het begin van de jaren 1930 een wijdverspreide praktijk.78 Wel deed zich vanaf dan een belangrijke transformatie in de problematiek voor. Vooreerst begonnen de maatregelen genomen door de grote ondernemingen langzaamaan vruchten af te werpen en tekende zich inderdaad een zekere "stabilisatie" van de arbeidskracht af, waardoor de rekruteringsdruk mettertijd afnam. Die druk viel vervolgens bijna helemaal weg – althans tijdelijk – als een gevolg van de Grote Depressie, die in 1929 in de Verenigde Staten begon en algauw ook Europa en Afrika in haar greep kreeg. De inkrimping van de wereldhandel en de ineenstorting van de prijzen trof de grondstoffenproducenten bijzonder hard. De koperproductie van de UMHK daalde van 137.000 ton in 1929 tot amper 54.000 ton in 1932. Parallel hiermee verminderde ook het aantal inheemse arbeiders tewerkgesteld in en rond de kopermijnen. In 1933 werd het dieptepunt bereikt met nog nauwelijks 4.300 inheemse arbeiders (Brion & Moreau, 2006, 167). Heel wat Belgen gaven er tijdens de crisisjaren de brui aan en keerden terug naar het moederland. In 1933 verbleven er nog zo'n 12.000 Belgen in heel Congo, tegenover ruim 17.500 in 1930.79 De optie om de koffers te pakken en in te schepen naar Europa, hadden de Congolezen natuurlijk niet. Nu deed zich de omgekeerde situatie voor dat arbeid in de Europese ondernemingen schaars was, en het aanbod de vraag oversteeg. De dwangrekruteringen namen hierdoor weliswaar sterk af, maar voor die arbeiders die wel nog aan de slag bleven werd de situatie er niet bepaald beter op: hun reeds schrijnend lage lonen kwamen nog meer onder druk te staan.80

 

 

4. BESLUIT

 

De reis van het vorstenpaar naar Belgisch Congo in de zomer van 1928 mag op het eerste gezicht een fait divers lijken. Boeiend als getuigenis van een vervlogen tijdperk en omwille van de couleur locale, maar ook niet veel meer dan dat. Dat is echter niet het geval. De reis was niet zomaar een zondags uitstapje waarbij de vorsten braaf wat handjes schudden en er wat pittoreske kiekjes konden worden gemaakt.82 De Congoreis had wel degelijk enig belang, en wel op twee niveaus. Vooreerst betrof het een goed uitgekiende, symbolische geste, die intern het patriottische enthousiasme voor het koloniale werk moest aanwakkeren, en extern de Belgische koloniale aanspraken moest verstevigen. Die doelstellingen werden grotendeels bereikt. Rond het bezoek werd zowel in België als in Congo zelf de grote propagandatrommel geroerd. Intussen vingen de andere koloniale mogendheden, en in het bijzonder de Britten, het uitgezonden signaal klaar en duidelijk op. De officiële opening door koning Albert van de BCK-spoorlijn onderstreepte dat het de Belgen ernst was met de economische ontwikkeling van de kolonie, en in het bijzonder met de nauwere integratie van Katanga met de rest van Congo. Op het tweede niveau kan het reisverslag van de koning beschouwd worden als een steekkaart van de koloniale problematiek aan het einde van de jaren 1920. Alleen al het gekozen traject leest als een catalogus van de toenmalige zwaartepunten en bekommernissen in de koloniale politiek: centraal stonden de transportinfrastructuur, de ontwikkeling van de grote industriële ondernemingen, de missies en de sociale werken. De manier waarop koning Albert schrijft over zijn reiservaring, de aard van zijn observaties en de thema's waar hij belang aan hecht, zijn onvermijdelijk getekend door de culturele en ideologische vooronderstellingen eigen aan het tijdvak en aan zijn bijzondere positie als bezoekend soeverein.83 Directe, en openhartige, ontmoetingen met de Congolezen waren eerder schaars, maar uit Alberts reisverslag spreekt niettemin een oprechte bekommernis om het welzijn van de inheemse bevolking en om hun respectvolle behandeling. Zo hechtte de koning er erg veel belang aan dat de koloniale ambtenaren, militairen en bedrijfsleiders de inlandse talen machtig moesten zijn.84

Het bezoek van de koning was bovenal van belang omdat het samenviel met een scharniermoment in de ontwikkeling van de kolonie. Na de Eerste Wereldoorlog beleefde Congo een economische boom. De officiële opening van de BCK-spoorlijn door koning Albert moest dit succesverhaal nog extra in het zonnetje zetten. Maar er was een belangrijke schaduwzijde. De versnelde economische ontsluiting – en vooral dan de expansie van de mijnbouw in Katanga en Kasaï – verscherpte de arbeidsproblematiek dermate, dat voor het eerst de marsrichting van de koloniale onderneming fundamenteel en openlijk in vraag werd gesteld. In werkelijkheid lag aan de Belgische koloniale filosofie in de jaren 1920 nog steeds het negentiendeeeuwse leopoldiaanse ideaal ten grondslag dat een vage – en veelal zelfrechtvaardigende – humanitaire beschavingsmissie verbond aan een haast klinische economische opdracht – namelijk de versnelde en doelgerichte exploitatie van de natuurlijke rijkdommen van de kolonie, in de eerste plaats ten dienste van het moederland. Op het terrein leidde deze strategie tot een nijpende arbeidsschaarste die te lijf werd gegaan met dwangrekruteringen. Deze lokten op hun beurt in tal van gewesten een demografische crisis uit. Rond het midden van de jaren 1920 bereikten de rekruteringscrisis en de nefaste gevolgen ervan een hoogtepunt. De praktijk van dwangrekruteringen was in flagrante tegenspraak met het recht op vrijheid van arbeid ingeschreven in het Koloniaal Charter van 1908 en riep pijnlijke herinneringen op aan de rubberboom aan het einde van de negentiende eeuw. In die zin was de breuk van het Belgisch koloniaal regime met de Congo Vrijstaat van voor 1908 minder radicaal dan de internationale storm van protest tegen het brutale uitbuitingssysteem van Leopold II had doen verhopen. In de late jaren 1920 zwol de kritiek op de koloniale ontwikkelingsstrategie dan ook gestadig aan, waarbij de rol van de grote ondernemingen steeds meer in vraag werd gesteld. De regering, bij monde van eerste minister en minister van Koloniën Jaspar, hield echter in grote lijnen vast aan de gegeven marsrichting. Ze poogde de dwangrekruteringen weliswaar op meer "rationele" en "humanere" paden te leiden, maar ondernam weinig of niets om de definitieve afschaffingervan te bewerkstelligen.85

 

Het Congoreisdagboek van koning Albert werpt een duidelijk licht op de positie van de vorst in deze problematiek. Zijn reiservaring in de zomer van 1928 droeg er ongetwijfeld toe bij dat Albert zich meer dan voordien bewust was van de sociale gevolgen van de versnelde ontsluiting van de kolonie. Reeds voor de Congoreis, maar nog opvallender erna kan het Paleis tot het kamp van de sociale hervormers inzake koloniale politiek gerekend worden – zo er binnen het doorgaans hechte koloniale establishment al van "kampen" sprake kan zijn natuurlijk. Daarbij werd een grote rol toebedacht aan de ontwikkeling van de inheemse landbouw als een alternatief voor de voortschrijdende proletarisatie veroorzaakt door de Europese ondernemingen. In de rede die koning Albert bij zijn terugkeer in Brussel uitsprak, schoof hij de verbetering van de levensomstandigheden van de inheemse bevolking naar voor als een politieke prioriteit. De Britse ambassade in Brussel meldde aan Londen dat de algemene verwachting in koloniale kringen was dat er als gevolg van het koninklijk bezoek veranderingen op til waren.87

Ingrijpende veranderingen bleven echter uit, ook al wijzen enkele elementen inderdaad op een zekere dadendrang in Laken waar het de Congolese sociale problematiek betrof. In 1932 benaderde koning Albert Octave Louwers voor de opvolging van gouverneur-generaal Tilkens. Louwers, een groot voorstander van een gewijzigd koloniaal beleid gericht op de ontwikkeling van de traditionele inheemse landbouw, weigerde evenwel om persoonlijke redenen (Sohier, 1998). Diezelfde Louwers oefende trouwens ook een aanwijsbare invloed uit op kroonprins Leopold (Van Pottelbergh, 2006, 481). In juli 1933 hield Leopold in een opgemerkte rede voor de Senaat een pleidooi voor de ontwikkeling van het paysannat of de inheemse landbouw in Congo, waarin: "...la production serait assurée par l'indigène travaillant non plus comme salarié, mais comme paysan libre, propriétaire de son terrain" (Inforcongo, 1958, 266). Na het onverwachte overlijden van koning Albert in februari 1934 werd de opvolging van Tilkens alsnog geregeld. In september 1934 benoemde de kersverse koning Leopld III Pierre Ryckmans tot gouverneurgeneraal, een onverwachte keuze. Leopold had Ryckmans leren kennen in 1925 bij zijn bezoek aan Ruanda-Urundi, waar Ryckmans toen resident was, en apprecieerde hem onder meer omwille van zijn kennis van het Lingala en zijn bekommernis om het welzijn van de inheemse bevolking (Vanderlinden, 1994, 127).88 Tenslotte liet ook koningin Elisabeth zich niet onbetuigd. De Congoreis had de koningin direct geconfronteerd met de vaak nog primitieve of zelfs geheel afwezige medische voorzieningen voor de inheemse bevolking. Twee jaar na het bezoek was een kapitaal van 150 miljoen BEF samengebracht – een voor die tijd aanzienlijk bedrag – waarmee het Fonds Reine Elisabeth pour l'assistance médicale aux indigènes du Congo Belge (Foréami) werd gedoteerd (Joris, 1991).89

Meer algemeen werd het Belgische koloniale beleid in de jaren 1930 slechts mondjesmaat bijgestuurd, waarbij wel een grotere aandacht uitging naar de inheemse landbouw. Einde 1933, kort na prins Leopolds opgemerkte rede, werd het Institut National pour l'Étude agronomique du Congo Belge (INEAC) opgericht en startten de eerste experimenten met het na de Tweede Wereldoorlog sterk ontwikkelde maar uiteindelijk controversiële paysannat indigène. In hoeverre er hierbij sprake kan zijn van een directe beïnvloeding van het koloniale beleid vanuit Laken blijft al bij al een open vraag, waarvan de beantwoording verder onderzoek vergt. Het vastleggen en uitvoeren van de koloniale politiek bleef in eerste instantie de verantwoordelijkheid van de regering. Overigens is sowieso enige voorzichtigheid geboden wanneer we met betrekking tot Albert I, Leopold III, of opiniemakers als Octave Louwers, termen hanteren als "sociale hervormers". Niemand binnen het koloniale establishment pleitte voor een revolutie, of zelfs maar een radicale ommezwaai, en al zeker het koningshuis niet.

Men was er te allen tijde om bekommerd de gerealiseerde "vooruitgang" niet te compromitteren. Bovenal wou men verhinderen naar de buitenwereld de indruk te wekken van interne onenigheid over de te volgen politiek. De sociale en economische denkbeelden van de hervormers waren ingegeven door morele verontwaardiging over de vaak brutale en, in hun oordeel, contraproductieve behandeling van de inheemse bevolking binnen het Belgische koloniale stelsel, maar weerspiegelden evenzeer een bij uitstek conservatieve en paternalistische visie waarin men de zwarten het beste in hun traditionele, agrarische omgeving kon laten gedijen en waarin het ontstaan van een omvangrijk zwart proletariaat als het grootste kwaad gold. Precies hier stootten de denkbeelden van deze voorzichtige hervormers ook op hun grootste contradictie, want het waren net de grote ondernemingen – die dit proletariaat in het leven hadden geroepen – die vanaf de late jaren 1920 met het grootste succes werk maakten van sociale verbeteringen. Dit was niet minder dan een noodzaak, want het bleek het enige middel – bij het vasthouden aan een politiek van lage lonen – om de arbeidskracht "stabiel" te houden, zoals dat in de toenmalige terminologie heette. "Stabilisation de la main-d'oeuvre" door middel van sociale voorzieningen werd het leitmotiv van de Belgische industrie en administratie in Congovan Koloniën.

Koningin Elisabeth droeg een persoonlijke gift van 285.000 BEF bij en het werk werd onder haar patronage geplaatst (De Brauwere, 1947, 14-15). [214] P. CLEMENT

De koloniale overheid verwelkomde deze ontwikkeling. Als de kolonisator enigszins de illusie in stand wilde houden bekommerd te zijn om het sociale en medische welzijn van de inheemse bevolking, dan moest daar op zijn minst in de uitgestrekte arbeidersnederzettingen rond de industriecentra ook effectief iets aan gedaan worden. De administratie zelf had niet de middelen, noch het personeel en overigens ook niet de intentie deze verantwoordelijkheid op zich te nemen. De grote maatschappijen brachten hier de uitweg, vermits zij zich door de rekruteringscrisis gedwongen zagen te handelen. Hun omvang en slagkracht maakten het hen mogelijk op sociaal en medisch vlak snel resultaten te boeken, in min of meer gelijke tred met hun krachtige economische en financiële groei. Inzake sociale politiek liet de koloniale overheid het veld dan ook grotendeels over aan de grote maatschappijen, omdat dit de meest realistische – want op korte termijn meest efficiënte – methode bleek. Ook de koning toonde zich enthousiast bij zijn bezoek aan de installaties van de Union Minière in Katanga. Zonder overdrijven kan gesteld worden dat de rekruteringscrisis van de jaren 1920 – waarvan de koning op zijn rondreis nog de uitwassen met eigen ogen kon aanschouwen – mee aan de basis lag van de paternalistische sociale voorzieningen, uitgebouwd door de grote ondernemingen, die tot de onafhankelijkheid in 1960 bepalend zouden blijven voor het sociale beleid in Belgisch Congo.

 

De gevolgen waren ingrijpend. De "sociale politiek door delegatie" vertoonde immers een aantal fundamentele gebreken, die zwaar zouden doorwegen op de toekomstige economische en sociale ontwikkeling van Belgisch Congo en zelfs van het onafhankelijke Congo. Ten eerste was een politiek van sociale voorzieningen op bedrijfsniveau per definitie niet universeel. Grote bedrijven zoals de UMHK en Forminière mochten dan al voorzien in min of meer adequate huisvesting, voeding, medische verzorging en onderwijs voor hun talrijk personeel, de arbeidskrachten tewerkgesteld (al dan niet gedwongen)op kleinere bedrijven, in de ontluikende dienstensector, of op de Europeseplantages bleven doorgaans verstoken van dergelijke sociale voorzieningen. Koning Albert ervoer die contradictie aan den lijve bij zijn bezoek aan Congo, in het bijzonder in het contrast tussen de situatie van de zwarte arbeiders in de mijnindustrie in Katanga en op de kleinere landbouwondernemingen in Province Orientale en in Equateur. Het was een probleem van fundamentele sociale rechtvaardigheid. Ten tweede werd sociale politiekin Congo op die manier het resultaat van de paternalistische goodwill van de grote maatschappijen, en niet, zoals in het moederland, het verworven recht van een geëmancipeerde arbeidersklasse. De kolonisator was overigens als de dood dat de inheemse arbeiders zich syndicaal zouden organiseren.

 

Zoals reeds opgemerkt, was de voortschrijdende "proletarisering" van de zwarten een hoofdbekommernis – overigens niet enkel van de bedrijfsleiders maar ook van de "sociale hervormers" binnen het koloniale establishment, en van de Kerk, gebaseerd op de Belgische ervaring dat proletarisatie en ontkerkelijking hand in hand pleegden te gaan. De uitbouw van sociale voorzieningen op bedrijfsniveau was dus zeker ook gedacht als een mogelijke dam hiertegen. Ten derde had het voeren van sociale politiek via de grote maatschappijen het bijkomende effect de reeds dominante positie van die maatschappijen nog verder te versterken. Als de sociale situatie in de meeste kleine bedrijven en plantages bedroevend bleef, was het toch verkieselijk dat zoveel mogelijk arbeiders konden worden geïntegreerd in de sociale werken van de maatschappijen en, ipso facto, dat de voorspoedige ontwikkeling van die maatschappijen geen strobreed in de weg werd gelegd. Immers, zo luidde de redenering, de door de kolonisator gewenste snelle industriële ontsluiting van de kolonie en de verbetering van de welvaart van de inheemse bevolking werden op gelukkige wijze verenigd in de grote maatschappijen. Deze politiek versterkte bijgevolg nog de monopolievorming in de Congolese economie en de concentratie van de economische macht in een beperkt aantal handen. En zoals steeds in monopoliesituaties, deden de monopoliehouders er vervolgens alles aan om het bestaande status-quo te bestendigen, ook als dit ten koste ging van nieuwkomers en innovatie. Het overweldigende gewicht van de grote maatschappijen, gecombineerd met een zwakke (en daardoor politiek zo goed als irrelevante) sector van kleine en middelgrote ondernemingen en zelfstandigen, zou op termijn uitgroeien tot een belangrijke structurele handicap voor de Congolese economie.

Wenst U het document in pdf dan kan U deze dowloaden op de site het Belgisch Tijdschrift voor Nieuwste Geschiedenis 2007

 

CONCORDANTIELIJST CONGOLESE PLAATSNAMEN

 

Albertville Kalemie

Banningville Bandundu

Coquilhatville Mbandaka

Elisabethville Lubumbashi

Jadotville Likasi

Leopold II-meer Lac Mai-Ndombe

Léopoldville Kinshasa

Luluabourg Kananga

Ponthierville Ubundu

Port Francqui Ilebo

Stanley Pool Pool Malebo

Stanleyville Kisangani

Thysville Mbanza-Ngungu

 

 

AFKORTINGEN

 

BCK Compagnie du chemin de fer du Bas-Congo au Katanga

Cotonco Compagnie Cotonière Congolaise

Foréami Fonds Reine Elisabeth pour l'assistance médicale aux indigènes du Congo Belge

HCB Huileries du Congo Belge

INEAC Institut National pour l'Étude agronomique du Congo Belge

SaC Séjour au Congo (reisverslag koning Albert, Koninklijk Archief Brussel)

UKNA United Kingdom National Archives (Kew-Richmond, UK)

UMHK Union Minière du Haut-Katanga

Vicicongo Chemins de fer Vicinaux du Congo

BIBLIOGRAFIE

 

Bronnen :

Onuitgegeven bronnen

 

 

Gedrukte bronnen

 

 

Literatuur

 

Voetnoten :

 

Info

Ook op het internet gelden de auteursrechten. Werken die auteursrechtelijk beschermd zijn, zoals tekeningen, foto's, muziek, film en software, mag u niet verspreiden via het internet zonder de uitdrukkelijke toestemming van de auteur.
Een auteur van een programma kan de namaker van zijn werk strafrechtelijk laten vervolgen, maar dat kan alleen als het namaken kwaadwillig of bedrieglijk is gebeurd. Niet alleen de namaker is strafbaar, ook wie namaakprogramma's voor handelsdoeleinden verkoopt, in voorraad heeft voor verkoop of invoert in België, overtreedt het auteursrecht.
Delcol Martine