SiteLock
Livre du mois Le Petit futé Kinshasa 14,95 € Communiqué de presseGuide Kinshasa 2017 (petit futé)Neocity
Boek van de maand Zoon in Congo 15% korting + gratis verzending Zoon in Congo Lanoo Uitgeverij
   Webmasters Delcol Martine Eddy Van Zaelen De webmaster Delcol MartineEddy Van Zaelen
  Helpt U mee en stuur je ons uw boeken in ruil voor een publicatie op de site  Sponsor Site
Kasai Rencontre avec le roi des Lele Kasaï , rencontre avec le roi Prix exclusif Grâce a Congo-1960 Sans limite de temps 29.80 € frais de port inclus  -Editeur Husson
L'état indépendant du congo a la recherche de la vérité historiquecongo 1957-1966 TémoignageLes chemins du congoTussen vonk en omroep , draadloze communicatie in België en CongoLeodine of the belgian CongoLes éxilés d'IsangiGuide Congo (Le petit futé)Congo Ya Kalakala, avec mes remerciements a Mr Paul DaelmanCongo L'autre histoire, avec mes remerciements a Charles LéonardL'Héritage des Banoko , avec mes remerciements a Mr. Pierre Van BostL'année du Dragon avec mes remerciements a Mr Eddy Hoedt et Mr Peeters Baudoin

KONGO: DE BLANKE VROUW "IN ZWART AFRIKA"

Bron : Uitreksel van de bulletin du CRACOA N° 5/93

gepubliceerd op 28 december 1987

(27 jaar na de dipenda)

 

Beste lezer hieronder een artikel waarvan ik vond dat het de moeite loonde om te vragen aan Généraal Paelinck (voorzitter van de vereniging CRACOA) dit te mogen publiceren op mijn website deze tekst situeert heel goed het leven van een brousse vrouw in Congo (Congo).

 

Woordje uitleg van de webcreator : Ter ere aan alle broussevrouwen wilde ik dit even toelichten en dit kan als voorbeeld getoond worden aan ons kinderen en kleinkinderen; zo kunnen ze zich een beeld vormen hoe hun grootouders of overgrootouders dan wel leefden maar vooral overleefden aan de evenaar, bij het lezen van dit artikel stond dan ook alles maar dan ook alles in wat mijn moeder me vertelde. Met dank aan de auteur Maurice Wils om dit ooit op papier neergepend te hebben.

 

Ik hoop dat er niet teveel traantjes vloeien als jullie dit lezen , en dat velen misschien zullen inzien dat een blanke vrouw in Centraal Afrika zeer veel moed en doorzettingsvermogen had en nog heeft.. zo is mijn moeder ook U kan haar verhaal hier lezen , Hieronder de tekst van de Heer Wils.

 

Martine Delcol

 

 

PROLOOG

 

Wij werden - na de oorlog einde 1948 ter beschikking gesteld van het toenmalig ministerie van Koloniën en vertrokken in januari 1949 'toen reeds bijna drie jaar gehuwd en met één kind - naar Congo, waar wij met onze familie (er kwamen daar nog twee kinderen bij) tot in juli 1960 verbleven. Bijna twaalf jaar dus.
Het is dan ook deze periode, de naoorlogse jaren tot aan de onafhankelijkheid in 1960, die ik in dit artikel, en volledig getoetst aan eigen ervaring ter plaatse, zowel in de brousse, in de kleine post als in de grootstad zal trachten te behandelen. Dit vanuit mijn visie en optiek dan natuurlijk, die niet noodzakelijk deze van alle oud-kol-onialen zal zijn.
Vandaag hebben wij het dan heel speciaal over de blanke - overwegend Belgische - gehuwde vrouwen die daar toen verbleven
Ik zou deze, in grote trekken, willen indelen in drie verschilende kategorieën:
 
EERSTE GROEP: zij die hun man volgden - en steeds bleven volgen in zijn volledige verdere ko1oniale loopbaan - zích daar aanpasten en er het beste van maakten, alhoewel zij initieel nisschien liever in Belgiè waren gebleven. Dit was ondermeer het geval van mijn echtgenote en eveneens, meen ik toch, van het grootste aantal Belgische gehuwde vrouven die toen daar leefden.
 
TWEEDE GROEP : Zij die er ten koste van aLLes en om aIlerlei redenen, er na iedere term van drie jaar absoluut terug naartoe wilden, alhoervel hun echtgenoot soms liever een andere job in België had gezocht. Zij spoorden letterlijk hun maan om steeds maar weer opnieuw naar Afrika te vertrekken. Desnoods niet met zijn volle overtuiging.
DERDE GROEP : Zij die om allerlei echte of vermeende redenen er absoluut niet of wilden aarden, er soms binnen de kortste keren en voorgoed van terugkeerden en Congo definitief afzwoeren.
 
DERDE GROEP, de vrouwen die wegens allerlei echte of vermeende redenen er absoluut niet konden of wilden aarden
 

Zoals reeds gezegd wil ik vandaag vooral schrijven over de doorsnee Belgische gehuwde vrouw die met haar man en eventueel gezin in Congo verbleef in de na-oorlogse veertiger- en in de vijftiger jaren.

Wij behandelen vandaag niet het geval van de enkele ongehuwde vrouwen of meisjes die daar werkzaam waren, soms in de privé-sector, soms in het ondervijs, de ziekenzorg of als sociaal assistente. Zij vormden trouwens een bijna te verwaarlozen minderheid.

 

Evenmin hebben wij het in dit artikel over de nogal talrijke groep van vrouwelijke missionarissen - kloosterzusters - die trouwens altijd heel erg gemotiveerd waren en, op enkele uitzonderingen na, er hun leven sleten. Zij waren omzeggens allemaal veel liever in Congo dan in België en vroegen maar één zaak: er zo lang mogelijk te kunnen werken en als het enigzins kon tot aan hun dood.

 

Wij , "Belgen" en zeker onze echtgenote, hoe graag wij dan ook in Congo vertoefden tijdens onze actieve jaren bleven natuurlijk heel erg gebonden aan België. Dit in flagrante tegenstelling met de Portugezen in het buurland Angola bv., die zich daar meestal definitief installeerden.

 

Wij wilden, om allerlei redenen, wel graag een loopbaan op- of uitbouwen in Afrika, maar dan toch na het einde van die carrièie van meestal 15 tot 23 jaar ook hun levensavond daar te slijten.

Maar zojuist even afgeweken van ons onderwerp, laten wij nu terugkeren tot de drie groepen van vrouwen zoals ik ze in de inleiding ingedeeld heb. En waarin, naar nijn menÍng althans, toch de meeste toen daar aanwezige danes terug te vinden zijn. Alhoewel natuurlijk deze drie kategorieën dan ook weer niet strikt bindend zijn. En er ook nog wel varianten op bestonden.

 

GROEP I :

 

Volgens mij althans de voornaanste groep. Zeker qua aantal.

 

Alhoewel meestal voor de eerste maal niet bijster enthousiast naar dat immense, verre, vooral onbekende Congo vertrokken, hadden zij zich uiteindelijk bij de beslissing van hun man, of verloofde, om daar te trachten een loopbaan op te bouwen, neergelegd en waren onmiddellijk met hem vertrokken of hem na enkele maanden nagereisd.

Of die vrouw zich daar dan ook aanpaste of thuisvoelende hing niet uitsluitend af van Congo zelf of van het klimaat aldaar, maar eveneens natuurlijk voor een belangrijk deel van de verstandhouding binnen het gezin.

In vele gevallen speelde bovendien eveneens het feit of men in grote of zeer kleine posten terecht kwam voor de meeste vrouwen een belangrijkere rol dan wel voor hun echtgenoot. De meesten aardden zich zeer goed in de stad, met meestal eigentijds Europees comfort waaraan zij gewend waren, maar vele echtgenotes stonden zeer negatief tegenover een functie van hun man in een kleinere plaats en zeker in een volledig afgelegen brousse post waar meestal en weinig of in het geheel geen huishoudelijk comfort te vinden was.

Eveneens in deze kleinere posten trof men slechts een zeer beperkt gezelschap- of verenigingsleven of ontspanningsmogelijkheden aan. Soms in het geheel geen. Meestal slechte bevoorrading mogelijkheden en dikwijls een archi slecht klimaat waren er aan de orde.

En daar een westers vrouwelijk organisme van nature uit nog veel minder ingesteld was -zowel fysisch als mentaal, op een langdurig verblijf in de tropen, leden zij daar in het algemeen ook veel meer onder dan hun man.

In de meeste kleine posten, niet in allemaal, was gewoonlijk wel een Belgische arts aanwezig, maar dan dikwijls zonder enige specialisatie en zeker nooit erg vertrouwd met de reeds in België veelvuldig voorkomende typische vrouwenziekten. Maar waarvoor zij hier doodgewoon op consult gaan bij een overal aanwezige gynaecoloog.

De enkele gespecialiseerde vrouwenartsen waren bijna uitsluitend te vinden in de grote hospitalen in de provincie hoofdplaatsen, waarvoor soms een vermoeiende verplaatsing van dagen nodig was onm deze te bereiken.

Zodat de vrouwen dikwijls verkozen alles, bijna noodgedwongen dan maar te laten aanslepen tot op het einde van de driejarige term om zich dan in België te laten verzorgen. Met natuurlijk meestal alle nefaste gevolgen bovendien.

En alhoewel ik dit niet als kritiek bedoel' waren dan soms nog de artsen die voor het binnenland aangeduid werden, deze met de minste ervaring, soms pas afgestudeerden of dokters die in België niet of moeilijk aan hun trekken kwamen en het dan maar eens in Congo gingen beproeven.

Een vrouw, meer nog dan een man, voelde het zag zoiets gemakkelijker en gaf zich dan ook minder "in handen" van de meeste dokters die in de brousse of in kleine posten werkten. Zíj had, er ook niet de keuze van haar geneesheer en moet het stellen net de meestal enige aanwezige.

Al moet ik er eerlijkheidshalve aan toevoegen dat er daar ook zeer toegewijde en bekwame bij waren, die hun opdracht zelfs als een soort zending of roeping aanzagen en zich volledig ten dienste stelden van de zieken, zowel zwarten als blanken.

Maar die in het binnenland dan meestal weer niet, hun goede wil ten spijt, over de nodige middelen, goed,geschoolde zwarte verplegers , instrumenten apotheek, laboratorium, ziekenzalen, enz.. . konden beschikken'

Voor een vrouw vooral, die meer dan een man, daar onderhevig kon zijn aan een nog veel uitgebreider gamma van tropische en andere kwalen was dat allemaa1 heel erg belangrijk.

En stel U in haar plaats. Zou t u zich als vrouw, met een dringend te behandelen soms erge aandoening, graag laten onderzoeken door een volledig onbekende zwarte verpleger met volgens onze normen een zeer lage' elementaire scholing, wanneer de blanke geneesheer bovendien soms nog dagenlang afwezig was ingevolge medische inspecties die hij periodiek in zijn zeer groot geneeskundig verantwoordelijkheidsgebied moest uitvoeren.'

In de grootstad stelden al deze medische problemen zich natuurlijk niet, of toch veel minder, en men kon daar de geneeskundige verzorging ook de gespecialiseerde, ongeveer al1s gelijkwaardig met deze hier in België beschouwen. Maar vele vrouwen woonden niet in de stad doch, in het binnenland.

Nu is het mijn inziens wel zo, dat vrouwen van militairen bv., die vooraleer met hun man naar Congo te vertrekken, reeds enkele naoorlogse jaren in de bezetting in DuitsLand hadden doorgebracht, wat het geval van mijn echtgenote was, zich in het medisch domein in Afrika, zeer belangrijk voor een vrouw, beter aanpasten dan de andere vrouwen.

Want daar ook, in het volledig in puin liggend Duitsland, waren zij in 1946, 1947 en 1948 althans ook aangewezen op een geneeskunde die in de eerste plaats toch gericht was op het verzorgen van mannen en veel minder op het verstrekken van medische zorgen aan vrouwen. Dan spreken wij natuurlijk nog steeds niet over de blanke zwangere vrouw in deze onnoemelijk hete en met een archi-slecht klimaat bedeelde gebieden, met alle, veel ergere als hier, ongemakken hieraan verbonden, noch over de bevalling aldaar, met eveneens een grotere mortaliteit bij de geboorte. Alsook veel meer miskramen.

Maar wij menen dat, met wat voorafgaat, het voor een vrouw vooral zo belangrijk medisch aspect van de zaak, dat eigenlijk van toepassing was op de drie door mij in het begin van dit artikel geciteerde groepen nu voldoende aan bod kwam, om de niet met Congo vertrouwde lezer enigszins een beeld te geven, zonder in verdere details te treden, van wat een vrouw en vooral en letterlijk bedoeld dan, er werkelijk lijden en afzien kon. Of ontberen moest.

Er was ook het aspect van de schoolgaande kinderen, waarbij de echtgenote van de koloniaal van toen ook van zeer nabij betrokken was als haar man. En wat voor haar, vooral wanneer er geen schoolmogelijkheid ter plaatse was en de kinderen soms zeer ver op internaat moesten en zij deze maar iedere maand, soms zelfs maar iedere drie maanden te zien kreeg, ook heel erg op haar gemoedstoestand kon inwerken. Zelfs, in sommige gevallen, een vorm of gevoelen van vereenzaming kon veroorzaken.

En dan heb ik het nog niet over de kinderen die wegens studie- of gezondheidsredenen in België verbleven en die zij maar eens ieder jaar kon ontmoeten.

Er was ook het aspect van het huishoudelijk comfort, waarmede veeleer de vrouw dan wel de man dagelijks geconfronteerd werd en dat voor haar het leven daar meer of minder draaglijk maakte, naargelang dit al of niet aanwezig was.

Ook een goede of slechte woning maakte vooral voor haar een groot verschil uit. Zij hadden daarbij noch keuze, noch inspraak.

Er was vooral voor haar ook het permanent bevoorradingsprobleem in levensmiddelen, vooral dan in de kleine brousseposten, waarmede ook zij in de eerste plaats geconfronteerd was. Er waren daar zelfs soms gewoon geen winkels.

Er was ook voor de blanke vrouw, vooral in het begin, het groot taalprobleem in de omgang met haar altijd mannelijk huispersoneel; meestal drie of vier echt noodzakelijke boys. En niet alleen het taalprobleem als dusdanig, maar eveneens het kunnen doen renderen van deze van nature uit meestal nogal luie en werkschuwe zwarten, was iedere blanke vrouw zeker niet gegeven. Evenmin het er mede in goede verstandhouding te leven.

Er was het permanent toezicht uitoefenen op de absoluut noodzakelijke hygiëne bij de bereiding van de dagelijkse maaltijden door de kok, het voldoende lang en eveneens absoluut noodzakelijk koken van het drinkwater en het goed filteren hiervan nadien en zovele andere taken meer.

Er was ook het aspect van het gezelschap- en ontspanningsleven dat in grotere posten zelden problemen stelde: daar was mogelijkheid tot het beoefenen, ook door de vrouw, van sport; tennis en zwemmen vooral. De vrouwen konden er winkelen, al eens op een terrasje zitten of naar een film gaan kijken. En tijdens de dag naar de radio en het nieuws vooral uit België luisteren, want daar waren de woningen van elektriciteit voorzien. Transistorradio's bestonden er in die jaren niet.

Maar al deze eerder aangename zaken, vooral voor een vrouw , vervielen automatisch, in de eerste plaats toch voor de echtgenote, maar ook voor de man, indien deze laatste aangeduid werd voor een kleine post in het binnenland, soms vele honderden kilometers verwijderd van een min of meer belangrijk centrum.

Mijn persoonlijke ervaring en overtuigde mening was en is dat blanke vrouwen, die hun tijd in ledigheid sleten door het feit dat zij er haast altijd drie of vier boys op na konden houden, het er minder goed afbrachten dan de dames, die naast hun boys, ook steeds trachtten zoveel rnogelijk zelf in hun huishouden te doen. Die een of andere dagelijkse nuttige bezigheid hadden als het ware , want de kunst van er zich nuttig bezig te houden, zonder zich buitenmatig te vermoeien, was voor een vrouw werkelijk de beste en meest aangewezen therapie om het er telkens drie jaar vol te houden.

 

GROEP 2:

 

Over de tweede groep, waarover ik het in de inleiding had, de vrouwen die altijd absoluut en ten koste van alles naar Congo terugwilden, meer nog dan hun echtgenoot, zijn wij vlug uitgepraat.

Zij waren eigenlijk omzeggens altijd uitsluitend uit eigenbelang wegens het leventje van niets doen, gediend worden, uitgaan, zelfs flirten en genot, dat zij daar wel in België niet konden leiden, omdat het inkomen van hun man in Congo steeds een veelvoud bedroeg van wat men hier verdiende.

Dikwijls ontstonden er daardoor dan zeer erge gezinsconflicten die uiteindelijk meestal op een fatale huwelijksbreuk uitdraaiden.

 

GROEP 3:

 

De derde groep, de vrouwen die wegens allerlei echte of vermeende redenen er absoluut niet konden of wilden aarden en Congo binnen de kortste keren definitief afzwoeren en verlieten was ook niet zo talrijk.

 

Echte redenen hiervoor waren bv. het absoluut niet verdragen van het klimaat of de eenzaamheid in kleinere posten, het niet te onderdrukken gevoelen van sterk, zelfs ziekmakend heimwee naar haar familie in België of het leven aan de zijde van een echtgenoot, die beroepshalve, jaar-in -jaar- uit 9 van de 12 maanden alleen in de brousse moest doorbrengen, zoals sommige territoriale en sanitaire agenten en mensen van "openbare werken bv.

Al kon zij dan ook, maar dan moest zij we1 heel erg gemotiveerd, jong, gezond en sportief zijn en geen kinderen hebben, steeds haar man op zijn brousse-tochten vergezellen. Op voorwaarde dat zij bovendien aanvaardde zonder het minste comfort onder de tent, soms onder de blote hemel of in smerige "gite d'étappe" te leven , zich bijna dagelijks te voet of in tipoy (draagstoel) te verplaatsen en telkens bij het einde van iedere etappe op opnieuw te "kamperen' En dit zo telkens drie jaar lang.

Maar om dit te leven, waartegen zelfs maar weinig mannen opgewassen waren te aanvaarden vol te houden en vooral, moes een vrouw haar echtgenoot dan wel meer dan graag zíen. Want die uiterst primitieve en afmattende tochten in het binnenland, gespeend van ieder elementair comfort of hygiënemogelijkheden, waren absoluut niet te vergelijken met de nu erg aangepaste toeristische safari’s.

Vermeende redenen konden bv. zijn, dat zij aan zelfbeklag deed niettegenstaande dat zij het er eigenlijk goed' soms zelfs beter dan in België had. Of dat zij gewoon geen enkele valabele inspanning deed. om zich in het leven in Congo min of meer te integreren. 0f dat zij van huize uit zodanig verwend was dat zij het overal moeilijk zou gehad hebben' ook in België

Maar wat er ook van ware, het leven voor vele vrouwen in Congo was meestal echtecht geen pretje. Nostalgie naar België drukte bij de meesten in mindere of meerdere mate op hun gemoedstoestand. Zij waren in het algemeen veel minder bestand r tegen het tropisch klimaat als de echtgenoot.

Wij, mannen, hadden er ons beroepsleven: dat buiten het klimaat niet zo erg , verschilde van datgene wat wij in Belgje gewend maar zij onze vrouwen, hadden dat juist niet''

En hoe zinvol zij hun leven en dat van hun familie ook trachtten te organiseren was dit toch nooit helemaal hetzelfde als datgene wat zij hier, in België , van jongs af gekend hadden'

EPILOOG

Ik, zoals velen, werd tijdens mijn bijna *12 jarig verblijf in Zwart centraal Afrika, wegens goede diensten aan België en aan Congo bewezen, vereerd met enkele belangrijke onderscheidingen' zelfs een van Ridder in de Koninklijke orde 0rde van de Leeuw: ik deed er nochtans maar normaal wat er van mij verlangd- en waarvoor ik betaald werd '

Maar zij ,mijn echtgenote (en- vele andere vrouwen) die: toch permanent zowel in goede als in slechte tijden, en nochtans ook 12 jaar in soms ondraaglijke klimaten onder de Evenaar mij terzijde stond,

er ook altijd en overal uitstekend haar taak vervulde, vrijwillig en onbezoldigd zelfs,

het mij toch toeliet - en hielp mogelijk maken - daar normaal en goed te presteren,

er mij en het Land zelfs in moeilijke omstandigheden twee kinderen schonk,

er ook jaren brousse klopte in de meest primitieve omstandigheden,

er toch ook haar jeugd in Congo schonk,

in 1959-1960 er midden in de meest barbaarse en bestiale onlusten tussen Lulua en Baluba leefde, en toen zelfs zoals velen, zelfs niet vertrok,

tot de allerlaatste dag, en zoals de Belgische overheid dit vroeg , trouw aan mijn zijde bleef, ook tijdens de bloedige onlusten van 1960, tegen de blanken gericht en waarbij hun vrouwen speciaal "geviseerd" werden,

Er in 1960, in de gekende dramatische omstandigheden ook al haar persoonlijke bezittingen, waaraan zij zo hield, verloor en er zelfs nooit voor vergoed werd

er in 1960, nauwelijks en slechts ten koste van veel moed en grote persoonlijke risico's, haar drie kinderen uit de gruwel van die ook bloedige revolutie en algemene chaos kon redden,

er in 1960, zelfs gezegd, volledig berooid en bekaaid "uitkwam" er in het holste van de nacht op Zaventem arriveerde, uitgeput en vervuild, met als enig schamel bezit het zomerkleedje dat zij op het lijf droeg, zonder geld, zonder papieren, ofzonder enig handbagage, en met twee van haar kinderen blootsvoets  toekwamen.

Zij, mijn echtgenote (en vele andere vrouwen) werd gewoon met niets bedacht. Zelfs nooit bedankt.

Wat ik ergens onrechtvaardig, onbillijk en ondankbaar vind vanwege de Belgische Staat

En wat er mij tevens toe aanzet de waarde van al die medailles, toegekend wegens bewezen diensten in vredestijd, zowel in Congo als in Belgie, heel erg te relativeren.

Maar dat dan het begrip en de dankbaarheid van haar echtgenoot en haar de kinderen voor dit alles, haar man een kleine compensatie moge bieden en een schrale troost moge wezen.

Al was en is ze nog steeds mijn echtgenote , van jongs af blijkgevend van een sterk ontwikkeld gevoelen van zelfstandigheid, personaliteit,en autonominiteit, ik bedoel niet autoritair, nu niet bepaald van het type dat hiervoor echt compensatie of troost nodig had

En in Afrika stond zij daarbij zeker niet alleen, want veel vrouwelijke oud-kolonialen hadden dezelfde positieve en stabiele ingesteldheid

Maar deze natuurlijke, als het ware aangeboren, maar wel door haar zelf verder ontwikkelde karaktereigenschappen, hebben het mijn vrouw wel mogelijk gemaakt, zonder al te veel fysische of psychische  averij, het (vele) jarenlange zwerversbestaan aan mijn zijde in België, in Duitsland, doch vooral in Congo vol te houden.

Zij was hiervoor als het ware "uit het goed hout gesneden" al kwam daar dan onvermijdelijk, door al die jaren heen, soms ook wel een "weer" (lees probleem) in voor!

Met dank aan Maurice Wils. 28 december 1987.

Un article en Français sur : Les femmes du Congo Belge

Raadgevingen voor de vrouw in Congo