1964: een donkere dag voor missionarissen

31 geestelijken werden vermoord.

Congo 1960: bulletin periodique

Op 20 augustus 1964 werd in Congo een groot aantal missionarissen gegijzeld door opstandelingen.

In 1940 waren er in Nederland 6.300 missionarissen.

Overal ter wereld verkondigden ze het geloof, stichtten ze scholen, ziekenhuizen en nieuwe kerkgemeenschappen. Het absolute recordaantal Nederlandse missionarissen was in 1963, toen één op de negen missionarissen ter wereld van Nederlandse afkomst was.

Ook in Congo, toen nog een Belgische kolonie, zaten veel missionarissen. De Belgische autoriteiten legden ze geen strobreed in de weg – tot 1960. Het land maakte zich los van zijn Belgische kolonisator en werd onafhankelijk. Hier en daar werden missionarissen vermoord. De Congolezen vereenzelvigden de missionarissen met de Belgische autoriteiten.

De nieuwe machthebbers kwamen hun beloftes niet na. Toen de jonge Udense pater Jan Verhoeven in 1963 naar dat Congo vertrok, was zijn vader daar helemaal niet blij mee. Zijn zuster Mariet van Rooij-Verhoeven: «Hij was bezorgd. Hij wist dat het politiek daar niet zo lekker zat.»

In 1964 ontstonden in het hele land opstanden tegen het centrale gezag, waarbij de rebellen werden gesteund door het communistische Rusland en China. De strijders waren veelal jonge jongens, die ontevreden waren met de sociale toestand in hun land na de onafhankelijkheid. Ze werden opgezweept door de opruiende toespraken van hun leiders die handig gebruik maakten van het hardnekkige bijgeloof van de bevolking. Beschermingsrituelen gaven de rebellen, die met alcohol en drugs in een roes werden gehouden, het gevoel dat ze onoverwinnelijk waren. In het hele land gijzelden ze missionarissen en andere blanken om hun eisen kracht bij te zetten.

Op 20 augustus 1964 reed een vrachtwagen vol opstandelingen de missiepost van pater Frans Waldram binnenrijdt. "Ze schreeuwden en brulden. Wij moesten allemaal naar buiten en onze kamers werden doorzocht op communicatiemiddelen. Ze dreigden met geweren." Alle paters, broeders en zusters werden naar de stad Bondo gedreven.

Het bleek het begin van een maandenlange gijzeling. Pater Waldram: "Het zijn negen bange maanden geweest, ook in de maanden dat we goed werden behandeld.

Er was vooral die grote onzekerheid: hoe gaat dit aflopen?

De missionarissen moesten van de rebellen aanwezig zijn bij zogenaamde volkstribunalen. Zuster Mien: "Wij moesten ook voor dat tribunaal komen. De mensen waar de rebellen iets tegen hadden zouden direct afgemaakt worden.» Er werd aan de bevolking gevraagd: Is die zuster een goede? Heeft zij iets gedaan wat slecht voor u is? Anders gaan we haar direct doodschieten. «Iedereen werd gevraagd of wij mochten blijven leven." De zusters en paters mochten blijven leven. Andere vermeende vijanden van de rebellen werden voor de ogen van de missionarissen geëxecuteerd. Zuster Mien: "Bij de eerste terechtstelling was de vader van één van de zwarte zusters. Hij werd beschuldigd van van alles en nog wat. Wij moesten er allemaal bijstaan, het hele dorp moest komen. En wanneer er iemand viel, dan moesten we allemaal zwaaien. Dan was er weer een vijand minder. Er zijn er die dag op die manier vijf afgemaakt."

Ook de jonge pater Jan Verhoeven was aanwezig en schreef in zijn dagboek: "Ik had nog nooit eerder mensen zien doodschieten en zeker niet zo. Ze worden doorzeefd. Ze stuiptrekken even en liggen dan stil in het gras." Het nationale leger van Congo probeerde de opstand de kop in te drukken en trok samen met buitenlandse huurlingen op tegen de rebellen.
Toen de rebellen dreigden alle blanken in het door hen gecontroleerde gebied om te brengen, organiseerde de Belgische regering met hulp van de Amerikanen een bevrijdingsactie in de regionale hoofdstad Stanleystad.

Alhoewel er ook veel Nederlandse missionarissen in het gebied waren, liet de Nederlandse regering de bevrijdingsactie over aan de Belgen en deed verder niets.

Etienne Davignon was in die jaren kabinetschef van de Belgische minister van Buitenlandse Zaken Henry Spaak en belast met Congo: «Ik heb in mijn carrière geen moeilijkere beslissing moeten nemen». Er was grote onzekerheid en de situatie was zeer gevaarlijk. Het moest een verrassingsoperatie zijn, want de risico's waren enorm. «Als we niets zouden doen zou de situatie alleen maar slechter worden.» Op 24 november 1964 landden Belgische parachutisten in Stanleystad en bevrijdden ruim duizend blanke gijzelaars. Etienne Davignon: De operatie verliep veel beter dan gehoopt. Binnen veertig minuten waren we in Stanleystad. De interventie leidde echter tot grote woede bij de Afrikaanse landen, Rusland en China.
België werd in de Veiligheidsraad beschuldigd van neokolonialisme en anticommunistische bemoeienis met interne aangelegenheden. Onder deze internationale druk werden de Belgische troepen direct uit Stanleystad terug getrokken, terwijl in de rest van Congo nog vele honderden missionarissen gegijzeld werden. De Belgische regering besloot dat ze niets meer kon doen.
De Simba's in Bondo waren woedend over de bevrijdingsactie in Stanleystad en wilden uit wraak de missionarissen vermoorden. Hun plaatselijke commandant, kolonel Makondo, nam de missionarissen echter in bescherming. In het voorjaar van 1965 liep de spanning op. De missionarissen werden van verschillende kanten gewaarschuwd dat de Simba's zich nu tegen hen zullen keren. Het werd duidelijk dat blanke huurlingen tot op honderd kilometer waren genaderd. De rebellen raakten hierop in paniek.
De zusters werden van de paters en broeders gescheiden. De rebellen voerden de mannen af naar de oever van de Rubi-rivier, waar ze onder luid getier met speren, knuppels en hakmessen werd vermoord en in de rivier gegooid. Die dag zijn eenendertig missionarissen vermoord, waarvan veertien Nederlandse Kruisheren, vijf geboren en getogen in Uden.
Het is de bloedigste dag uit de geschiedenis van de Congolese missie. De zusters werden niet vermoord, maar door de rebellen als gijzelaars meegevoerd, diep de binnenlanden in.
Onder hen zuster Mien: "Als je negen maanden met de dood voor ogen gestaan hebt, iedere dag, dan weet je wat de dood is. We hebben naar de dood verlangd, en gevraagd. Maar het is niet doorgegaan. Toen die paters vermoord zijn, hadden we spijt dat ze ons lieten leven. Na vier weken werden de zusters in het oerwoud eindelijk door huurlingen bevrijd.»
Zuster Eveline, die samen met zuster Mien bevrijd werd, schreef later in haar dagboek: "Wij hebben ons dikwijls afgevraagd, waarom zij? Waarom wij niet? Maar eerbiedig en deemoedig buigen wij het hoofd voor Gods ondoorgrondelijke raadsbesluiten en Zijn Goddelijke Almacht die recht kan schrijven op kromme lijnen. In België en Nederland werden herdenkingsdiensten gehouden.
Op 9 juni 1965 reageerde de toenmalige minister van Buitenlandse Zaken Joseph Luns op kamervragen. Volgens Luns was de Nederlandse regering machteloos geweest om het bloedbad te voorkomen. "Wel is gepoogd… met enige bevriende mogendheden, ook in Afrika, de rebellen ertoe te bewegen zich niet te vergrijpen aan het leven van gijzelaars. Tot zijn grote spijt hebben die pogingen geen resultaat gehad, aldus de minister in de Tweede Kamer.

Info

Ook op het internet gelden de auteursrechten. Werken die auteursrechtelijk beschermd zijn, zoals tekeningen, foto's, muziek, film en software, mag u niet verspreiden via het internet zonder de uitdrukkelijke toestemming van de auteur.
Een auteur van een programma kan de namaker van zijn werk strafrechtelijk laten vervolgen, maar dat kan alleen als het namaken kwaadwillig of bedrieglijk is gebeurd. Niet alleen de namaker is strafbaar, ook wie namaakprogramma's voor handelsdoeleinden verkoopt, in voorraad heeft voor verkoop of invoert in België, overtreedt het auteursrecht.
Delcol Martine