De Congoreis van Kortrijks senator Arthur Clays

Voordracht door Marc Lemaitre met originele foto’s.

Congo 1960: bulletin periodique

De Congoreis van Kortrijks senator Arthur Clays

Voordracht door Marc Lemaitre met originele foto’s

Toch even een eigen bijdrage,

Het valt me op dat in de jaren 50 ik me niet van de indruk kan ontdoen dat een "buitenstaander" wel graag het koloniaal systeem beschimpt. Ik had wel niets anders verwacht van een SPA of een PVDA.. maar van groen anno 2015 ? Echter als je dit artikel leest : citaat uit het boek "Getuigenissen van een Koloniaal" die er toch tot 1978 heeft gewerkt vraag ik me dan weeral eens af waar halen deze mensen de cijfers hun bronnen en wie kan ik nog geloven ? Een senator die predikt anno 2015 dat het systeem die toch wel Belgie groot heeft gemaakt hem onverschillig laat. Maar hoe zou het zijn indien ik de rollen zou omkeren en vragen aan wijlen senator Clays hoe het in onze tijd eraan toe ging vijftig jaar eerder (anno 1900 en hoe evolueerde Belgie op 80 jaar ) waren we dan ook niet even primitief ivm werkomstandigheden en lonen ? In 2010 heeft zelfs niemand gereageerd op dit artikel waar zijn die anciens die nu verbouwereerd zijn (anno 2015) ? Toen moesten ze reageren ! nu is het kwaad geschied de Lumumba fans zoeken hun weg om een lumumba plein te krijgen in IXELLES ze vragen ook de verwijdering van Beelden van Leopold II en zelfs van Missionnarissen .. zelf willen ze dan weer een Lumumba Plein nochthans ze hebben een Matongé wijk gekregen !

Het gaat hun nog lukken ook zo te zien, U kan hier het parlementair debat lezen dd.08-10-2015 die ik als pdf bijvoeg een anonieme gever heeft dit voor mij uitgetypt .
Vraagje aan de "ex senator" het eten was er lekker je kreeg een blitzbezoek wat zeg ik een VIP BEZOEK in 1955 .. met onze centen en dan maar klagen over het systeem ! Had er dan iets aan gedaan .. ipv te zagen .. En als kind van een oud koloniaal weet ik maar al te goed dat de socialisten en communisten eveneens zieltjes wilden winnen voor hun partij ! Als je bij een echte socialist vraag wat ze denken over Congo krijg je zowieso fronsende voorhoofden en verwijten over slavenarbeid .. wat ze er ,niet bij vertellen is dat we alles gedaan hebben om ze te verjagen !
aub ...

Delcol Martine


Op 8 oktober 2015 hielden ze er een merkwaardige bijzondere vergadering voor in Brussel .. en een tweede zal volgen eind oktober 2015 .. het debat heeft als titel :

Quand la Belgique va-t-elle faire face à son passé colonial ?

het uitgetypte verslag is hier te lezen (parlement.dox d.d. 20-10-2015)

Initiatiefneemster : Zoe Genot

Het laat ons kinderen van kolonialen blijkbaar allemaal onverschillig (we debateren er wel over maar dan ik beperkte kringen men legt zijn mening niet op tafel) al jaren pleit ik om eens dit van nabij te bekijken ook op facebook meldde ik dit fenomeen , net zoals die Kuifje historie en Onze Sint zijn Piet is blijkbaar nog niet wakker geschud her in Belgié maar in Holland wel, ook Pipi Langkous moest eraan geloven ! ... ernstig genoeg vind ik om te zien hoe dit allemaal zal evolueren.

De "Zwarte belge" want het woor n**** mag je niet gebruiken nochthans heel correct want het komt van het woord "negro" (nik..er dat is iets anders dat is echt een scheldwoord) ... zijn assen in het bedenken van listige speeltaktieken om hun lumumba te eren .. echter zouden ze allemaal wel dat lumumba plein willen , laat ons dan ook eens een petitie tekenen wat denken jullie ?

Laat ons in Brussel vragen vind U het nodig om een lumumba plein hier te plaatsen ?

Ik daag de jongeren uit .. Laat iemand dit doen die geen leden wil ronselen of activist is of voor de ene of andere vzw, partij of wat dan ook.

Het is makkelijk handtekeningen verzamelen maar 1000 betekent niets ! Omdat er gepusht word bij vrienden en sympathisanten .. wie wil een tegenpetitie organiseren ?

Ik deed het ooit voor de Kongoboot Charlesville maar heb echt geen zin meer in al die rompslomp historie .. en vendettas zoals er is gebeurd met vvia en de vzw charlesville die Prof Van Hooydonck werk benijdde.

Toch nog even dit alle anciens zijn geen brave doetjes , ik heb er meerdere de laan moeten uitsturen omdat ze te fanatiek zijn tot het grove toe op sociale media site , meermaals ben ik ook zelf op de vingers getikt omdat ik altijd de twee kanten wil horen en een eigen mening durf te uiten.

.. maar ook .. Anciens die denken dat ze de waarheid bezitten maar nooit verder keken dan hun neus lang is of het wel weten maar erover zwijgen omdat ze misschien zich schuldig voelen (tussen haakjes ik bezocht ooit een ancien die me de zweep liet zien. Zweep verschrikkelijk het is de staart van een hippothamus maar zo dik als een stok .. ik was geschokeerd hoe hij erover sprak EN FIER WAS HET TE BEZITTEN .. hoogstwaarschijnlij ook gebruikt. Verenigingen die enkel het goede toelichten , anderen die enkel het slechte toelichten , ja zo is het nu vandaag de dag , er moet gediscussieerd worden over iets dat niet meer onomkeerbaar is .. en liefst zonder gezicht zonder herkenning het is makkelijk iemand uitschelden op facebook en daar nog bij acties ondernemen om leugens te verspreiden hoor.

Maar een LUMUMBA PLEIN IS EEN DOORN IN HET OOG VOOR AL WIE MET HART EN ZIEL GEWERKT HEEFT TIJDENS DE KOLONIE TOCH ..

(Delcol Martine)

 

De Congoreis van Kortrijks senator Arthur Clays (1955)

gepubliceerd op vrijdag 3 december 2010

Bron en Fotos : http://kortrijklinksbekeken.
October 22, 2015
Naar aanleiding van de vijftigste verjaardag van de onafhankelijkheid van Congo publiceert Kortrijklinksbekeken een exclusief reisverslag van de Kortrijkse senator J. Arthur Clays, die in 1955 toenmalig Belgisch-Congo bezocht. Het wordt een feuilleton in zes afleveringen, dat zal verschijnen in een wekelijkse frequentie.
Het artikel is gebaseerd op het originele reisverslag van de socialistische senator en wordt geïllustreerd met zijn eigen Fotos.
Merkwaardig hoe men toen, vijf jaar voor de wegen van België en zijn kolonie uiteen gingen, nog niet het minste besef had van de dramatische gebeurtenissen die komende waren.
Maar hoewel Arthur Clays niet ontsnapte aan de algemene opvattingen over de Afrikaanse kolonie, gaf hij op zijn expeditie toch volop zijn ogen de kost en spaarde hij zijn kritiek niet op de uitbuiting en de discriminatie die hij waarnam.

Congoweg

Op 30 juni 2010 is het vijftig jaar geleden dat Congo onafhankelijk werd. Kortrijk heeft wel een onooglijk Leopold II-laantje, weggedoken achter het park van deelgemeente Heule, maar geen monument zoals in Oostende waar de koning-rubberboer wordt geëerd voor zijn - bloedige - inspanningen om België een Afrikaanse kolonie toe te spelen.

Kortrijk heeft wel een Congoweg, een doodlopend zijstraatje van de Zandstraat - nu vooral gebruikt door fietsers als onderdeel van het Guldenspoorpad - leidend naar ettelijke hectaren spoorterreinen. Vroeger was daar de 'Congostatie', het goederen- en rangeerstation van Kortrijk. Die spoorweginfrastructuur werd ingericht in 1883. Op dat moment was daar in de Zandstraat de herberg Au Congo. Zelfs in zijn standaardwerk 'Het herbergleven in Kortrijk', kan Egied Van Hoonacker niet zeggen of het station genoemd is naar het café of omgekeerd.

Ik wilde al langer iets Kortrijks publiceren over Congo, maar van enige nauwe band tussen de Groeningestad en de (ex-)kolonie is niet veel te vinden. Of ik zou het moeten hebben over CVP-politicus Andries Dequae, die van 1950 tot 1954 minister van Koloniën was. Niets in Kortrijk dat daaraan herinnert. Maar toen kreeg ik van Geraard Clays, zoon van de socialistische senator en gemeenteraadslid, een groot karton uit het archief van zijn vader. En daarin stak een schat aan documenten, Fotos en ooggetuigeverslagen over de Congo-reis van een delegatie van de commissie voor Landsverdediging van de Senaat, van donderdag 22 september 1955 tot vrijdag 14 oktober 1955.

Arthur Clays heette eigenlijk Jozef Arthur Clays, maar om het onderscheid te maken met zijn vader werd zijn tweede voornaam zijn roepnaam. Hij werd geboren op 25 februari 1893 als oudste uit een gezin van acht kinderen. Hij was nog geen elf jaar toen hij al naar de fabriek moest om te werken voor zijn straatarme familie. Het was daar dat hij die andere socialistische pionier leerde kennen, Jozef Coole.

Het clevere arbeiderskind-kindarbeider werd al ras militant van de jonge socialistische beweging in Kortrijk en hij kon met bijscholing zich opwerken tot afdelingssecretaris van de Belgische Werkliedenpartij en tot bediende bij de Federatie de Vakbonden. Hij deed op 11 april 1927 zijn intrede in de gemeenteraad. In 1932 werd hij plaatsvervangend volksvertegenwoordiger en op 24 mei 1932 senator voor Kortrijk-Ieper. Hij bleef in de hoge vergadering tot 1961.

J. Arthur Clays

Congo-reis

De Congo-reis waar Arthur Clays aan deelnam, was amper enkele weken na de beroemde Congo-reis van koning Boudewijn - de 'Bwana Kitoko-reis' (mooie heer), een propaganda-operatie zonder weerga van de Belgische kolonisator. Niets kon toen laten vermoeden dat het enthousiasme van de inheemse bevolking enkele luttele jaren volledig zou verdrongen worden door een streven naar onafhankelijkheid en zelfbeschikking.

Behalve zijn eigen opgeschreven reisindrukken en Fotos, bevat de archiefdoos ook heel wat documentatie die autodidact Arthur Clays leergierig had verzameld en zorgvuldig heeft gespaard. Daarin steken ook documenten die de Kortrijkse Congo-reiziger alleen kon bekomen dank zij zijn parlementair controlerecht. Zo bijvoorbeeld een ultra geheim rapport van de Staatsveiligheid over de toestand van de kolonie in 1955.

Reisindrukken

Stof genoeg dus voor een zestal reportages, die hier van nu tot 30 juni 2010 zullen worden gepubliceerd. De Fotos die hierbij worden gebruikt, zijn nooit eerder gepubliceerd. Arthur Clays zelf verwerkte zijn reisindrukken in een voordracht met 'lichtbeelden' waarmee hij een succesvolle tournee maakte naar verschillende afdelingen van zijn partij.

De Kortrijkse senator beëindigde zijn voordracht steevast met volgende beschouwing: "Ik zag een groot deel van de wereld. Het was een reis van wonderen en emoties, doch ook van ontdekking der bittere ellende, grote rijkdom en bittere armoede waaronder miljoenen mensen lijden en slechter leven dan dieren en strijden tegen de natuur en tegen de uitbuiting van de grote meesters om in leven te kunnen blijven."

Congo is vijftig jaar onafhankelijk. In 1955 was het nog een Belgische kolonie. Niets liet de kolonisator toen vermoeden dat het immense Afrikaanse land amper vijf jaar later op eigen benen ging staan. Enkele maanden na de ‘Bwana Kitoko’-reis van koning Boudewijn, ging ook een rode senator van Kortrijk het land bezoeken. Overweldigd door al het exotische van Congo, bleef hij toch nuchter genoeg om heel andere toestanden te zien dan de propaganda die de koning en zijn entourage verkochten. Hij verzamelde twee grote dozen documentatie en honderden foto’s. Marc Lemaitre kreeg die van Gerard Clays, zoon van Arthur.

Vooraleer de documenten naar het professionele archief AMSAB gaan, krijg je nog een selectie te zien, met commentaar. De geselecteerde Fotos zijn grotendeels deze waarmee Arthur Clays zelf spreekbeurten met 'lichtbeelden' ging geven in de lokale BSP-afdelingen.

In september-oktober 1955 nam Kortrijk senator Arthur Clays deel aan een reis van de Senaatscommissie voor landsverdediging naar wat toen Belgisch Congo werd genoemd. Reizen naar Congo was in 1955 nog een heel avontuur. Om in de sfeer te komen van de belevenissen van de socialistische senator, begint dit reisfeuilleton met een schets van de toenmalige reisgewoonten. Zo achtte de commissiesecretaris van de Senaatscommissie voor Landsverdediging, G. Wauters, het tot zijn taak de deelnemers een lijst te overhandigen met wat zij aan bagage moesten meehebben. Voor de drie weken in de Afrikaanse hitte raadde hij zijn senatoren aan zich te voorzien van 'zes onderbroeken' en 'zes singlets (camisoles coton absorbant sans manches)'.

 

Expeditie

In 1955 lanceerde de Toeristische Dienst van Belgisch Congo en Ruanda-Urundi in het 'moederland' een campagne onder het motto: "Breng uw wittebroodsweken in Congo door". Jonggehuwden kregen 10% afslag in de hotels in de kolonie. Op een foto van een zwembad in 'Stanleyville' (thans Kisangani) ligt waarempel een vrouw in bikini aan het azuurblauwe water (in 1955!). Maar zoals alle propaganda gaf de publicatie 'Smiling Congo' van de Toeristische Dienst een vertekend beeld van de werkelijkheid; Congoreizigers hadden het toen veel minder comfortabel.

De reis werd door de diensten van de Senaat en door gastheer Belgisch Leger voorbereid als ware het een expeditie. "Men gaat niet naar Congo zoals men wilt" noteerde Arthur Clays in zijn reisindrukken. Behalve een internationaal paspoort en visa voor de landen waar men een tussenstop moest doen, kregen de senatoren ook nog eens een 'laissez-passer' van de Staatsveiligheid mee.

Daraprim

De medische voorbereiding was nauwgezet. Dr. P. De Brauwere, directeur van het Medisch Koloniaal Centrum van het Ministerie van Koloniën nam geen risico's. De heren senatoren werden verzocht "gezien de vermoeiende reis per vliegtuig en vooral de zeer zware physische inspanning die de Missie in Congo zal vergen" voor het vertrek minstens acht dagen volledige rust te nemen. Bij aankomst in de kolonie wilde de dokter het gezelschap nog eens een volledige dag rust opleggen, maar die aanbeveling is in de wind geslagen.

De reizigers moesten vooreerst een medisch onderzoek laten gebeuren in het Koloniaal Medisch Centrum (Naamsestraat 20 in Brussel). En bovendien moesten zij een verklaring halen bij hun huisarts ter bevestiging dat hun gezondheidstoestand goed genoeg was voor deze lange reis in tropische streken. Senator Clays ondernam een pging om te ontsnappen aan het geneeskundig onderzoek in Brussel. Hij had geen tijd, schreef hij aan dokter De Brauwere. Maar er viel niet aan te ontsnappen. Hij moest alleen niet naar het Koloniaal Medisch Centrum als hij getuigschriften kon voorleggen waaruit bleek dat hij in de voorbije drie jaar was ingeënt tegen koepokken en in de voorbije zes jaar tegen 'gele koorts'. Die attesten had Arthur Clays niet.

Tegen de malaria kreeg het reisgezelschap - "wat ook het advies daarover moge wezen van kolonialen en van geneesheren die in Congo verblijven" - de raad altijd onder een muskietennet te slapen. De commissiesecretaris kreeg een voorraad pillen Daraprim mee; twee maal een 'comprimé' per week te nemen tot drie weken na de terugkeer in België.

Dr. De Brauwere kende overigens zijn pappenheimers goed. Doe niet stoer, was de strekking van volgende raadgeving: "Wat ook het advies van sommige kolonialen moge wezen, is het noodzakelijk dat de personen die niet gewoon zijn aan het verblijf onder de tropen, de tropenhelm of een zware vilten hoed te dragen". Op de meeste Fotos van de reis staat Arthur Clays evenwel met zijn 'tropenhelm laag model' in de hand.

Eten en drinken

De hoofddokter besloot zijn aanbevelingen met volgende vrome wens: "Het is bekend dat de koloniale kringen zeer gastvrij zijn; dit feit heeft ook zijn schaduwzijde en is soms oorzaak van gezondheidsstoornissen. De Heren Senatoren zullen dan ook best te veelvuldig en te overvloedig eten en drinken vermijden". Niettemin heeft onze senator op zijn reis van drie weken niet minder dan dertien culinaire invitaties moeten afwerken.

In het Congoreis-archiefje van Arthur Clays zit een menu dat hem bijzonder heeft gesmaakt, een diner in het Mangrovehotel in Moanda (in de delta van de Congostroom). De senator van heel eenvoudige komaf omschrijft het menu zakelijk als "goede Congolese vis en fijne antilope". Het was:

Le Consommé Royal -0- Le Korvina du fleuve à l'Escavèche tartare (Chateau Latour Blanche 1939) -0- La Gigue d' Antilope Sauce Diane Belle-reinettes argentées Pommes Pailles (Maçon Supérieur 1947) -0- Le Plateau de fromage Mont d'Or -0- La Dame-Blanche Chantilly -0- Moka

Palm Beach

De Quaestuur van de Senaat bezorgde de reisdeelnemers een "lijst van de persoonlijke uitrustingsvoorwerpen welke best kunnen worden meegenomen". Niets schetst beter de nogal spartaanse maar toch ook koloniaal-elitaire reisomstandigheden dan dat lijstje. Ik geef het dan ook integraal:

- Een lichte regenjas (nuttig voor het vliegtuig; komt van pas 's avonds in Katanga en eventueel te Stanleystad). Een lichte halsdoek. - Een gekleed pak in Palm Beach (jas + broek). - Een zeer lichte flanellen broek (sportmodel). - Een lichte wollen reis- en sportjas. - Een khaki linnen sportbroek. - Een paar lichtbruine molières (golfmodel). - Drie witte Lacoste-hemden in cellular-weefsel (eventueel in orlon of dergelijk luchtdoorlatend weefsel). - Vier soepele witte popeline-hemden met vaste boord en lange mouwen. - Twee hemden in khaki-linnen (legertype). - Enkele zomerdassen. - Een tropenhelm (laag model). - Een slip-over (pull-over zonder mouwen). - Acht paar lichte katoenen sokken (wit of beige). - Drie paar gekleurde katoenen sokken (voor recepties). - Zes onderbroeken. - Zes singlets [in 't Frans: camisoles coton absorbant sans manches]. - Zakdoeken. - Een broekriem. - Zonnebril.

In een nota bene werd daaraan toegevoegd dat de senatoren verscheidene van die 'uitrustingsgoederen' konden bekomen in de Centrale Legercantine. Onze senator ging evenwel het grootste deel van zijn plunje inslaan in de 'Grande Maison du Congo', de kolonialenwinkel bij uitstek in de Jonkerstraat in Brussel (pas enkele jaren geleden opgedoekt). Hij kocht er voor zowat 5000 Belgische frank kleren. Het duurste stuk was een 'gekleed pak in Palm Beach', 1260 frank, op maat gemaakt.

 

DC-4 en DC-5

Overigens mochten de reizigers slechts 50 kg reisgoed meenemen en een "aktentas" waarin toiletgerief en pijama kon gestopt worden. Bij de verplaatsing tussen Luluaburg (thans Kananga) en Elisabethstad (thans Lubumbashi) speelde senator Clays zijn 50 kg reisgoed kwijt. Bij het inladen op luchthaven werd het in een verkeerd toestel gestoken.

Heen- en terugreis gebeurde in een DC-4 van het leger. In Congo en Ruanda-(B)Urundi werd afwisselend het vliegtuig (DC-3) en de wagen genomen. De DC-4 is het beroemde viermotorig (schroeven) verkeersvliegtuig van Douglas Aircraft Company, dat in Wereldoorlog II door de Amerikanen massaal is ingezet voor troepenbewegingen. Het kon een vijftigtal passagiers vervoeren. De DC-3 was de voorloper van de DC-4 en had een dertigtal zitplaatsen. De DC-3 is ontworpen met een staartwiel en stond daarom schuin met opgerichte neus op de landingsbaan. De DC-4 had daarentegen een fors neuswiel, waardoor het toestel volledig horizontaal op zijn wielen stond.

Comfort: 3 x 0

De toestellen waarmee de senaatsdelegatie vloog, waren legervliegtuigen. Het comfort was berekend op de verplaatsing van troepen en legermateriaal en dus minimaal. In het archief van Congoreiziger Clays zit een vluchtfiche van boordkapitein Verheughe die moest worden doorgegeven aan de passagiers. Arthur Clays heeft die fiche meegenomen en heeft er volgend kattenbelletje aan vastgeniet: "Comfort drie keer niets. Stoeltjes in aluminium (bedoeld voor de para's?)! Achter een schuifgordijn 8 ton munitie!! Hallo huidige verwende kinderen!".

Toen het gezelschap op 4 oktober 1955 in Elisabethstad (Lubumbashi) in de klaarstaande DC-3 wilde stappen, mocht dat plots niet. Er was een serieus lek in de benzinetank vastgesteld. Even dacht men het ambtsvliegtuig van de gouverneur-generaal van Belgisch Congo te lenen. Maar ook dat ging niet. De piloot was immers de vorige avond verdronken in het zwembad van de Lido (ontspanningspark). Dan maar een ticket gekocht van een Sabena-

Een keer mochten de ouderdomsdekens van het gezelschap, de socialistische senatoren Clays en Edgar Missiaen (van Ieper) mee met de helicopter. Dat gebeurt op 30 september bij een verplaatsing van Kamina naar Kiboli.

Luchtzakken

Om van Brussel naar Leopoldstad (Kinshasa) te vliegen, had de DC-4 niet minder dan 25 uur nodig. Het toestel realiseerde een snelheid van 345 km per uur. Er waren tussenstops in Tripolis (Lybië) en Kano (Nigeria). Op de terugweg, vanaf 11 oktober, brengt de delegatie nog een ontspannend blitzbezoek aan Egypte, na een tussenstop in Kartoem (Soedan) waarbij van Arthur "het zweet gutst over gans het lichaam". De temperatuur in Kartoen is niet minder dan 50°C (43°C in de schaduw). Onderweg geraakt de DC-4 dan nog in een tropische storm; alle inzittenden moeten zich vastbinden om de hevige schokken en luchtzakken te doorstaan.

En als men op 12 oktober naar Brussel vliegt, kan men daar niet landen wegens dichte mist. Er was die dag trouwens een ander toestel neergestort. Na een niet voorzien nachtje Parijs (vliegveld Orly) zien de senatoren pas op 13 oktober hun wachtende familieleden weer in Melsbroek.

Rijkunsten

Wie verwacht dat de verplaatsingen per wagen een nog groter avontuur waren in die tijd, heeft niet helemaal gelijk. Arthur Clays zelf prijst de kwaliteit van het hoofdwegennet in de kolonie: "Een beste zorg is aan de banen besteed". Hij is aangenaam verrast door de rijkunsten van de inlandse chauffeurs - die hij steevast 'zwartes' noemt maar zonder enige laatdunkende bijklank.

Op 9 oktober geraakt zijn wagen, die hij moest delen met de Waalse senator Hubert Rassart (socialist), betrokken in een accident. Er wordt een fietsende 'zwarte' omvergereden. "Hij was in fout". Het blijkt dat het slachtoffer te gehaast was om tijdig op een trouwfeest te kunnen arriveren. Het geval werd opgelost door de fietser een brief van 1000 Belgische frank in de pollen te duwen.

Zwarte met lans

Spannender waren de autoritten in het Nationaal Park Albert. Een safari in dat uitgestrekte wildreservaat was toen geen tochtje voor dierenvrienden. Zo noteert Clays vanuit zijn terreinwagen: "In de Sembiki-rivier zijn de Nijlpaarden talrijk. Maar er zijn er veel doodgeschoten". Op een bepaald moment wordt de wagen van de conservator voor de ogen van de delegatie bestormd door een van die mastodonten.

Tegen de avond geraakt een van de auto's vast in het slijk, in volle duisternis, in het midden van het Park vol wilde dieren. Een van de wagens wordt naar de dichtstbijzijnde nederzetting gestuurd "om krachtwagens en zwartes". Het ware bange ogenblikken, besluit onze senator, bij de herinnering van een "reuzenolifant" die op twee meter van zijn voertuig passeerde. Die nacht moet men noodgedwongen doorbrengen in een "zwartehut" in Rwindi. Om zich wat op te frissen, krijgen de Belgische hoge gasten een collectieve bassin toegewezen. 's Nachts wordt de hut bewaakt door "een zwarte met lans want wij zijn midden in het oerwoud".

Overigens is Arthur Clays best tevreden met de hotels waarin het gezelschap doorgaans wordt gelogeerd. Zo beschrijft het arbeiderskind Hotel Leopold II in Elisabethstad als "een waarlijk prachtig hotel met alle mogelijke comfort, waar ik voor de eerste keer in mijn leven meemaak hoe men zijn schoenen in een opening moet stoppen waarna men ze 's anderendaags gepoetst terugkrijgt".

Mobulu

KaminaErgens in de voorbereiding van zijn reis had autodidact Arthur Clays opgeraapt dat er in Congo vier inlandse talen werden gesproken. Hij somde ze in zijn reisindrukken op: het Kiswahili (waarvan het Kingwana een belangrijk dialect is), het Tshiluba (door hem ook Kiluba genoemd), het Kikango - Kikongo bedoelt hij - (in de toenmalige Portugese enclave ook Fiote genoemd), en het Lingala - de taal van Kinshasa en andere stedelijke agglomeraties die dictator Mobutu wou promoveren tot eenheidstaal.

accongo 1003

In Leopoldstad (Kinshasa) schafte onze senator zich waarempel een woordenboek Nederlands-Lingala-Frans aan. Een werk samengesteld in 1953 door de heer E. Blavier in samenwerking met de zwarte gegradueerden M. Aze, eerste sergeant-majoor van de Weermacht (inlands leger - Force Publique), en P. Maduku, sergeant-rekenplichtige van de Weermacht.

De drietalige dictionnaire was onmiskenbaar vooral voor koloniaal militair gebruik geschreven.

Woorden als tosa/gehoorzamen/obéir, kata (ook kweisa)/neervellen/abattre en mobulu/onlusten/trouble ontbraken niet in de nogal beperkte lijst.

Naar de moederlandse legerbasissen in de kolonie

Congo - Naar de moederlandse legerbasissen in de kolonieDe Kortrijkse rode senator J. Arthur Clays bezocht Belgisch Congo in september-oktober 1955 als lid van een delegatie van de commissie voor Landsverdediging van de Senaat. Het hoge gezelschap ging er twee in opbouw zijnde basissen inspecteren van het Belgisch Leger, Kamina (in Katanga) en Kitona (Banana, Neder-Congo). De Belgische kolonie had haar eigen gewapende macht: de Weermacht (Force Publique), die volledig apart van het 'moederlandse' of 'metropolitaine' Belgische Leger opereerde. Pas in de jaren vijftig vond men het in Brussel geraadzaam om in de verre en uitgestrekte kolonie ook een uitvalsbasis te creëren voor de moederlandse troepen. Daarover werden in de Senaat en de Kamer van Volksvertegenwoordigers uiteenlopende debatten gevoerd. De reis van de commissie werd naar aanleiding van die debatten georganiseerd.

Moederland

"Het Belgisch grondgebied is te klein voor een modern leger. Een hedendaags leger moet kunnen steunen op voldoende versterkings- en bevoorradingsbronnen." Dat was een van de conclusies van de Gemengde Militaire Commissie die in 1946 werd opgericht door de prins-regent. De commisie bestond uit militairen en parlementsleden en moest de lessen trekken uit de militaire belevenissen van ons land in de voorbije Tweede Wereldoorlog. Eerst dacht men aan een basis in Groot-Brittannië. Maar men was er zich al ras van bewust dat het Noordzeetje een eventuele Russische invasie niet zou tegenhouden.

Vandaar dat de beslissing werd genomen om in de toenmalige kolonie die uitvalsbasis te bouwen. Profijtelijk zorgde men er wel voor dat die investering geen frank kostte aan het moederland. Aan het koloniaal bestuur werd de opdracht gegeven het geld voor de bouw van de basissen te laste te nemen.

Uranium

CVP-senator Willy Van Gerven zei in 1952 in een debat in de Senaat waar het op stond: "België [met inbegrip van de kolonie Congo bedoelde hij] is een zeer aanzienlijk voortbrenger van uranium, kobalt en koper, materialen die onontbeerlijk zijn voor het voeren van een moderne oorlog". Om die schatten te beschermen moest het Belgisch Leger een eigen basis hebben in Congo. Niet voor niets werd de hoofdbasis gebouwd in Kamina, in de meest ertsrijke provincie Katanga.

Maar Van Gerven had nog een argument: "De aankomst van een eerste contingent valschermspringers en commando's te Kamina is een vingerwijzing dat ondanks het anti-kolonialisme, dat tot uiting komt in de Verenigde Naties, wij niet bereid zijn afstand te doen van de opdracht die wij ons zelf hebben opgelegd om de Congo te openen voor de beschaving [...] op het ogenblik dat de Mau Mau [guerillabeweging tegen de Britten in Kenia] een ander koloniaal gebied onveilig maken".

De legerbasissen hadden dus een dubbel doel: de winning van uranium en andere kostbaarheden verdedigen tegen buitenlandse mogendheden en de Belgische greep op de kolonie verdedigen tegen eventuele opstanden van de inlandse bevolking.

 

Force Publique

Dezelfde teneur had in 1953 de toespraak van liberaal senator Raoul Vreven, vader van de latere minister van Defensie Alfred Vreven: "Om Congo te verdedigen in een eventuele nieuwe wereldoorlog [de Koude Oorlog tussen het Westen en het communistisch blok was volop aan het woeden] is het bestaande verdedigingssysteem ontoereikend. De Weermacht [Force Publique] zou het in geval van conflict reeds lastig hebben om de binnenlandse veiligheid te verzekeren". Hoewel de Force Publique uit zwarte troepen bestond, werd toch ook die legermacht geleid door exclusief blanke officieren.

Overigens pleitte Vreven senior, later liberaal minister van Staat, ervoor om de Force Publique rechtstreeks onder het bevel te brengen van de staff van het Belgisch Leger nu dat zich toch aan het vestigen was in Congo.

En zeggen dat de Weermacht helemaal geen lessen in heldhaftigheid en militaire efficiënte te krijgen had van het moederlandse leger. Het Belgisch Leger had zich in 1940 roemloos overgegeven aan de Duitse Nazitroepen. De Congolese Weermacht was daarentegen niet gecapituleerd. Meer zelfs, de vooral uit zwart kanonnenvlees bestaande troepen waren zelf in het tegenoffensief gegaan en zij hadden in 1941 Ethiopië bevrijd van de Italiaanse fascisten en waren in 1943 in gevecht met de beruchte Duitse troepen van Rommel de Saharawoestijn doorgestoken tot in Egypte.

Alleen blanken

Nog minder hield de Ieperse liberale volksvertegenwoordiger Hilaire Lahaye een blad voor de mond in 1953. In een interpellatie aan minister van Landsverdediging Etienne De Greef (partijloze technocraat) noemde hij het een schande dat de legerbasis van Kamina 'inboorlingen' tewerkstelde in een verhouding van 5000 'zwartes' tegenover slechts 1150 Belgische militairen: "De inboorlingenwijken zijn geplaatst in de onmiddellijke nabijheid van de opslagplaatsen, dan wanneer de blanke troepen van deze opslagplaatsen zijn gescheiden".

Het allerergste vond hij nog dat "in de centrale burelen van de basisbevelhebber" er "inlandse klerken, dactylo's en zelfs instructeurs" waren aangeworven: "alle militaire papieren moeten door de handen gaan van de inboorlingen". De Ieperse liberaal vreesde onomwonden dat het zwarte personeel bij onlusten de transportvliegtuigen zou saboteren zodat de para's niet zouden kunnen uitrukken. Zijn conclusie was ferm: "Men mag alleen blanken toelaten in de Kaminabasis!".

Apen

Met die debatten op de achtergrond trok de Kortrijkse senator Arthur Clays mee met de senaatscommissie naar Congo. De socialistische senator zelf wijdt in zijn reisindrukken nauwelijks een woord aan die kwestie. Toch verzamelde hij daarover heel wat documentatie. In elk geval is het geredetwist in de senaat in de vroege jaren vijftig uitermate ontluisterend over de opvattingen die sommige gezaghebbende politici toen koesterden, amper vijf jaar voor de kolonie onafhankelijk werd.

De Kortrijkse politicus was veeleer sceptisch ten opzichte van de Belgische imperialistische ambities en het militaire borstgeklop. Zo schrijft hij met enige tegenzin over zijn eerste dag (23 september 1955) in Leopoldstad (Kinshasa): "Wij dienden met de ganse commissie een militaire hulde te ondergaan". Ook als het gezelschap op woensdag 28 september 1955 met de DC-3 in Kamina aankomt, is Arthur Clays veeleer verveeld met het gedoe: "Muzieken, wapenschouw enzovoort". Hij verspilt er geen woorden meer aan. Zijn aandacht gaat naar iets heel anders: "Daar kan ik eindelijk de eerste levende aap over de straat zien wippen". Eerder had hij al dode apen opgemerkt, in Luluaburg (Kananga): "Ze werden naar de markt gebracht. Het was pijnlijk de kopjes van die prachtige diertjes te zien hangen, doch de zwarte moet ook eten" (sic).

Maar ook andere zaken waren de senator niet ontgaan. Hij is onaangenaam verrast door de rassenscheiding: "De inboorlingen worden afgezonderd van de blanken". Uit zijn documentatie blijkt dat men voor de inlandse personeelsleden van de legerbasis Kamina 'woonblokken' en 'dubbelwoningen' bouwt en voor de 'Europeanen': 'huizen'. Uit een senaatsverslag van de bespreking van de begroting van Landsverdediging van 1952 blijkt: "Talrijke inlanderswoningen zijn klaar maar ze worden voorlopig door de Europeanen ingenomen". Uit een interpellatie blijkt later dat het gaat om 'barakken'. Rudimentaire onderkomens voor de Congolezen dus en riante huizen voor de Belgen.

congo 2007

Loondiscriminatie

Wat senator Clays ook schokte was de grove loondiscriminatie tussen het inlands en Belgisch personeel. Het senaatsverslag van de bespreking van de Defensiebegroting voor 1955 liet niets aan de verbeelding over. Verslaggever Edmond Machtens, socialist, maakt melding van volgende bevindingen. Het inlands personeel van de moederlandse basissen Kamina en Kitona (Banana) is voor zijn verloning ingedeeld in vijftien klassen, met een jaarwedde die schommelt tussen 2280 Belgische frank per jaar en 31.800 frank. Daar wordt bij vermeld dat die lonen beduidend meer waren dan wat de inlanders konden verdienen bij de kolonisten.

Toch zinken die lonen voor de zwarten in het niet in vergelijking met de lonen voor het Belgische personeel. De Belgen kregen daar een basiswedde die overeenkwam met wat zij voor hetzelfde werk zouden verdienen in de Belgische kazernes en de bezettingstroepen in Duitsland. Maar daarbovenop kregen zij nog een scala van extra toeslagen. Vooral de Afrikatoelage van 66.000 frank per jaar woog door, aangevuld met diverse kinderbijslagen, een toelage voor de echtgenote, een specialistenpremie, vakantiegeld, kledijvergoeding en nog meer premies. Dat alles geïndexeerd, in 1955 tegen 155%.

De gemiddelde jaarwedde van het Belgisch personeel op de moederlandse legerbasissen bedroeg in 1955 248.661 Belgische frank. Voor hetzelfde werk was dat gemiddelde in België zelf 99.457 frank.

accongo 3005

Soldij

Op de basissen konden ook miliciens hun dienstplicht volbrengen. Het aantal kandidaten lag tien keer hoger dan het aantal plaatsen. Die miliciens - van soldaat tot lagere officier - werden voor hun dagelijkse behoeften ten laste genomen door de Belgische Staat, die hun voeding, huisvesting, kleding en uitrusting op zich nam. Die miliciens kregen dus zogezegd geen loon maar ze kregen wel een 'soldij'. Voor een gewone soldaat bedroeg die soldij na een jaar 11.315 frank; voor een onder-luitenant was dat 39.603 frank.

Zoveel meer dan de hoogste lonen voor de inlanders was dat niet, kan men denken. Maar bovenop de soldij kwamen daar nog de 'dagvergoedingen' bij. Die dagvergoedingen leverden de gewone soldaten nog eens 25.459 frank op, samen met de soldij was dat dus 36.774 frank, of toch al zowat 5000 frank meer dan de best gespecialiseerde inlanders. Onze Kortrijkse socialist stelt in zijn reisindrukken vast dat "er onder de zwartes technici zijn die goed zijn opgeleid in allerhande vakken, tot zelfs gespecialiseerde opdrachten op het vliegveld". Een Belgische onder-luitenant kreeg er nog eens 36.744 frank als dagvergoedingen bij, alles bijeen: 76.347 frank per jaar om bijna in zijn geheel op zijn spaarboekje te zetten.

Kapitein

Geen wonder dat de inlandse werkkrachten op de basissen zochten naar wat bijverdiensten. Congoreiziger Clays noteert in zijn reisindrukken volgende anekdote bij zijn bezoek aan het zwartedorp Bakville nabij de legerbasis in opbouw in Kitona: "De tolk maakte aan het dorpshoofd duidelijk dat de blanke bezoekers het gezelschap hadden van de gouverneur van de provincie Beneden-Congo. Prompt antwoordde de man: "Wel, ikzelf ben hier de kapitein!". Tegen een frank het stuk bood hij ons uit planten en bladeren gevlochten matten aan, die geschikt waren als dakbedekking voor de hutten".

De Union Minière

De Kortrijkse rode senator J. Arthur Clays bezocht Belgisch Congo in september-oktober 1955, als lid van een delegatie van de commissie voor Landsverdediging van de Senaat. Behalve een inspectie van twee in opbouw zijnde legerbasissen – die de Kortrijkzaan maar matig konden interesseren – werd het gezelschap ook een propagandistische rondreis in de Belgische kolonie aangeboden. Zo bezocht men onder meer de grootschalige koperwinning in de provincie Katanga. Arthur Clays liet zich als socialist geen rad voor de ogen draaien. In zijn reisindrukken geeft hij naar aanleiding van dat bezoek ongezouten commentaar op de arbeidsverhoudingen in de kolonie. De documentatie die hij verzamelde om zijn reisindrukken te stofferen, onderstrepen zijn kritiek.

Labeur

Heeft men aan de zwarte wel een dienst bewezen door hem weg te halen uit de brousse? Dat vraagt senator Arthur Clays zich af na een bezoek op 3 oktober 1955 aan de mijnen van Kipushi en de fabrieken van Union Minière du Haut-Katanga (UMHK) in Elisabethstad (Lubumbashi). In zijn reisindrukken noemt hij de mijnen van Kipushi de rijkste van de wereld. Er wordt vooral koper maar ook zink als bijproduct uit de ertsen gehaald. De senator daalt samen met enkele andere moedigen af in een schacht tot 500 meter onder de grond.

Daarna gaat men een kijkje nemen in een van de UMHK-fabrieken. De senator, die zelf als elfjarige in de textiel moest gaan werken, ergert zich vreselijk aan de arbeidsomstandigheden van de Afrikaanse arbeiders. Clays: “Het werk is er zwaar en lastig en het is er verschrikkelijk warm. Het gloeiende koper loopt als water zonder onderbreking”. In die tijd was er nog volop een rassenscheiding in de arbeidsorganisatie: de zwarten waren arbeiders, de Europeanen bediende. Men geneerde zich niet om daarvoor zelfs medische redenen aan te halen: “Bezuiden de evenaar kan de Belg nauwelijks ander werk uitoefenen dan dat van leidinggeven. Het continue fysieke labeur, elke vorm van handenarbeid, wat op zichzelf al lastig genoeg is, is er hem min of meer verboden”. Dat schreef in 1923 de gewezen katholieke premier Henri Carton de Wiart (Mes vacances au Congo).

Slaaf

De leden van de senaatscommissie krijgen er een cadeautje. Arthur Clays is er niet mee gediend. Hij noemt het “een blijvend aandenken van de slavenarbeid der zwartes, een bewijs van de kapitalistische roof van de Congolese bodemschatten”. In de voordrachten met 'lichtbeelden' waarmee de senator nadien de lokale afdelingen afschuimde, gaf de autodidact volgende beschrijving van het personeelsbeleid van Union Minière: “Zeker, men doet veel voor de zwarte-arbeiders. Men geeft ze 'een brokke van een huis'. Ze worden geneeskundig verzorgd. Men spant zich in om ze zo lang en zo goed mogelijk aan het werk te houden. Men spoort ze zelfs aan tot het verwekken van kinderen, om deze morgen eveneens te kunnen gebruiken. De zwartes zijn weggehaald van hun stam en dorp. Men heeft ze volledig afgezonderd om te beletten dat ze naar hun oude stam terug zouden keren. Zo kan men ze het langst mogelijk als slaaf gebruiken”.

De Kortrijkse socialist zag trouwens nog andere tekenen van slavernij in Belgisch Congo. Hij stoorde zich mateloos aan het gebruik van 'boys', jonge mannen als huis- tuin- en keukenhulpje van de vrouwen van de blanke kolonialen. De advertentie aan het begin van dit stuk illustreert de verhoudingen toen. Zij verscheen in het tweewekelijks blad Nsango Ya Bisu, het orgaan van de Force Publique, dat gepubliceerd werd in het Lingala.

Uitzonderlijk hoog

Wat het roven betreft, had de rode senator het zeker bij het rechte eind. De UMHK haalde in die tijd recordomzetten en -winsten. 225.000 ton koper werd in 1954 uit de Afrikaanse grond gehaald, goed voor een omzet van bijna 11 miljard frank, waarvan niet minder dan 10% werd verdeeld onder de – vooral Belgische – aandeelhouders. De omzet van de UMHK was in die jaren merkelijk groter dan de hele staatsbegroting van 'Belgisch-Congo', die in 1954 uitkwam op 9 miljard frank inkomsten tegenover 7,5 miljard frank uitgaven.

In de documentatie die Arthur Clays verzamelde, zit een rede van gouverneur-generaal Léon Pétillon, toen het hoogste gezag in de kolonie. De man – naar wie een metrostation in Brussel is genoemd – heeft het over “de prachtige en aanhoudende voorspoed van Congo” die blijkt “uit het onderzoek van de tegenwoordige opbrengst van het kapitaal in dit land. Deze opbrengst – in sommige gevallen uiterst hoog – maakt niet alleen een milde bezoldiging der aandeelhouders mogelijk, maar ook voordelige afschrijvingen, voortdurende zelffinanciering en vorming van zeer belangrijke reserves van allerlei aard”. De senaatscommissie werd persoonlijk door de gouverneur-generaal verwelkomd bij aankomst op 23 september en met een lunch de dag nadien.

Kampementen

Ook de bitse beschrijving die Arthur Clays geeft van de personeelswerving van de Union Minière snijdt hout. “Katanga barstte van de ertsen, maar er was geen mens om ze op te graven” schrijft David Van Reybrouck in zijn recente standaardwerk 'Congo. Een geschiedenis' (p. 136). In de savanne leefden amper mensen en de bewoners van de schaarse dorpen in de omgeving waren nauwelijks bereid zich in de helse mijnen en fabrieken te gaan afbeulen. In de beginfase liet UMHK 'private contractors' jonge mannen ronselen uit heel Congo en uit de buurlanden, met vaak betwistbare praktijken zoals het omkopen van dorpshoofden en geweld. Naderhand lokte de koperreus zijn werkvolk met iets hogere lonen en met enkele sociale voorzieningen. Dat paternalistische beleid had zoals senator Clays het zo plastisch weergeeft, als bijkomend voordeel dat men langer kon wachten eer men de geoefende arbeiders moest vervangen door nieuwkomers waar kosten aan waren.

UMHK bracht zijn arbeiders bijeen in afgesloten dorpen, die waren losgesneden van de traditionele dorpsstructuren. In tegenstelling daarmee lieten andere koloniale ondernemingen hun werkvolk bij de fabrieken installeren volgens hun etnische gewoonten. In de arbeiderskampen van de Union Minière stond er telkens een blanke kampchef aan het hoofd, die van elke arbeider en zijn familie een fiche bijhield en tuchtmaatregelen kon nemen. Tot 1923 waren vrouwen verboden in de kampementen. Nadien mochten de arbeiders hun vrouw laten overkomen, maar tot aan de onafhankelijkheid moesten die vrouwen aan de kampchef toestemming vragen om even naar hun dorp op bezoek te gaan. En ook de kweekpolitiek die Arthur Clays aanklaagt, is niet uit de lucht gegrepen. Van Reybrouck: “Haar kinderen [van de arbeidersvrouw] moesten al vanaf hun tiende jaar lessen handarbeid krijgen, kwestie van hen voor te bereiden op het latere werk” (p. 186).

Sociale vrede

In zijn voordrachten liet de rode senator zich ontvallen: “Eigenlijk zijn de toestanden in de Congolese industrie zoals bij ons vijftig jaar geleden [n.v.d.r. rond 1900 dus]. Met het socialisme en de arbeidersstrijd zijn wij erin geslaagd ons uit die ellende te bevrijden. In Congo moet het ook zo verlopen”.

Met die mening stond hij diametraal tegenover het officiële standpunt zoals verwoord door gouverneur-generaal Pétillon in zijn voormelde rede: “De sociale strijd hebben wij in Congo vermeden, omdat de wijsheid van de werkgevers hem nutteloos heeft gemaakt. En ook omdat de openbare machten, doordrongen van het belang van hun verheven rol van voogd over de inboorlingen en van bewaker van de sociale vrede, voortdurend en tijdig de passende maatregelen hebben getroffen”. In 1941 werd een staking van het inlands personeel van de Union Minière in Lubumbashi bloedig neergeslagen met een fusillade waarbij minstens zestig doden en meer dan honderd gewonden vielen...

Lange tijd, tot 1946, was het in Congo voor de 'inlanders' verboden aan te sluiten bij een vakbond. De Belgische vakbonden, ACV en ABVV, waren er wel actief maar aanvankelijk uitsluitend onder de Europeanen. In 1955 waren er in Congo zowat 12 miljoen zwarten en 100.000 blanken. Van de bijna 1,2 miljoen loontrekkenden in dat jaar waren er amper 6160 zwarten gesyndiceerd. Volgens Van Reybrouck was de tegenwerking van het koloniale bestuur de oorzaak van de lage syndicalisatiegraad.

Julien Decock

Dat belette Arthur Clays niet om de eerste dagen van zijn bezoek enkele keren zijn mede-senatoren in de steek te laten om op eigen houtje een bezoek te brengen aan een ... rood Kortrijks gezelschap in Kinshasa (Leopoldstad toen). Het waren de Kortrijkse ABVV'ers Julien Decock – na zijn terugkeer nog een tijdlang socialistisch gemeenteraadslid in Kortrijk – en 'vader en zoon' Mulleman - eerder socialistische pioniers van aan de Gentpoort. Achter de rug van de gouverneur-generaal stonden die kameraden hun stadsgenoot al op te wachten toen het hoge gezelschap landde op Congolese bodem. Terwijl de andere senatoren bleven hangen op de receptie van de commandant van de Force Publique, generaal-majoor Emile Janssens, troonde Arthur Clays de andere socialistische senatoren (Knops, Brassart en Missiaen) mee naar zijn vriend Julien Decock.

s Anderendaags (24 september) liet Clays een receptie op de Japanse ambassade schieten voor een heuse vergadering van de socialistische vriendenkring van Leo, in het huis van het ABVV. In zijn reisindrukken noemt de rode senator de vergadering “buitengewoon”: “Er waren niet minder dan zeventig kameraden en gezellinnen aanwezig, waaronder een tiental zwartes. Een zwarte ontpopte zich als een flink redenaar”. Ik heb niet kunnen achterhalen wie die redenaar was. Bij de onafhankelijkheidsplechtigheid van Congo op 30 juni 1960 zei premier Patrice Lumumba, ook een begenadigd spreker, onder meer: “Wij hebben dwangarbeid gekend in ruil voor lonen die veel te laag waren voor voldoende voeding, degelijke kledij, menselijke huisvesting en decente opvoeding van onze kinderen”. Dat was Arthur Clays vijf jaar eerder niet ontgaan.

SiteLock
share this - partager le site - deel dit document

About Us | Contact | Privacy | Copyright | Agenda  
Ook op het internet gelden de auteursrechten. Werken die auteursrechtelijk beschermd zijn, zoals tekeningen, foto's, muziek, film en software, mag u niet verspreiden via het internet zonder de uitdrukkelijke toestemming van de auteur. Delcol Martine