MARCHAL Jules (1924- †2003)

Auteur et agent territorial du Congo Belge

L’édition en langue française des quatre volumes de l’histoire du Congo de 1876 à 1910, de Jules Marchal, constitue à ce jour la meilleure étude sur cette période cruciale. Pour d'autre ses livres sont négligable car ils dérangent !

Biographie

  • -Jules Marchal est né dans le Limbourg (Belgique).
  • -Docteur en philosophie et lettres (Université catholique de Louvain) ;
  • -fonctionnaire territorial au Congo belge (1948-1960) ;
  • - conseiller technique au Congo-Zaïre (1960-67) ;
  • - diplomate (1968-89).

    Les livres de l'auteur

    • (as A. M. Delathuy) E. D. Morel tegen Leopold II en de Kongostaat, 1985
    • (as A. M. Delathuy) Jezuïeten in Kongo met zwaard en kruis, 1986
    • (as A. M. Delathuy) De Kongostaat van Leopold II : het verloren paradijs, 1876-1900, 1988
    • (as A. M. Delathuy) De Geheime documentatie van de Onderzoekscommissie in de Kongostaat, 1988
    • (as A. M. Delathuy) Missie en staat in Oud-Kongo, 1880-1914: witte paters, scheutisten en jezuïeten, 1992
    • L'Etat libre du Congo: paradis perdu: l'histoire du Congo 1876-1900, 2 vols., 1996.
    • E.D. Morel contre Léopold II: l'histoire du Congo, 1900-1910, 2 vols, 1996.
    • Forced labor in the gold and copper mines: a history of Congo under Belgian rule, 1910-1945, Popenguine, Senegal: Per Ankh, 2003. Translated by Ayi Kwei Armah from the French Travail forcé pour le cuivre et pour l'or, 1999.
    • Lord Leverhulme's ghosts: colonial exploitation in the Congo, London: Verso, 2008. Translated by Martin Thom from the French Travail forcé pour l'huile de palme de Lord Leverhulme. Introduction by Adam Hochschild.

    References

  • Guy Vanthemsche (2006). "The historiography of Belgian colonialism in the Congo".
  • In Csaba Lévai. Europe and the world in European historiography.
  • PLUS-Pisa University Press. p. 103. ISBN 978-88-8492-403-2. Retrieved 18 April 2013.
  • Georges Nzongola-Ntalaja (3 May 2002). The Congo: From Leopold to Kabila: A People's History. Zed Books. p. 56. ISBN 978-1-84277-053-5. Retrieved 18 April 2013.
  • Jules Marchal (1924 - 21 June 2003) was a Belgian diplomat and historian, who wrote extensively on the history of colonial exploitation in the Belgian Congo. Originally writing in Dutch, under the pseudonym A. M. Delathuy, he later published studies in French under his own name.[1] Adam Hochschild, in his bestselling King Leopold's Ghost, praised Marchal's work as "the best scholarly overview by far, encyclopedic in scope".[2]
  •  

    Dwangarbeid in Kongo voor het Spoor door Jules Marchal

    In Travail forcé pour 1e Rail behandel ik het lot aan de Kongolezen beschoren door de herbouw van de spoorweg Matadi-Kinshasa in het decennium 1923-32. Het was een tragedie waarover geen enkel woord te vinden is in eerder welk geschiedenisboek. Over de bouw zelf van de spoorweg, in de jaren 1890, is met overvloedige lof geschreven. Iedereen die wat over Kongo gelezen heeft, kent het episch verhaal La Bataille du Rail van René Cornet. Het was nochtans maar een mini-rail met een spoorwijdte van slechts 75 centimeter, voor treintjes met twee wagonnetjes die voortkropen over steile hellingen en langs haarspeldbochten.

    De mini-rail leverde nochtans, omwille van zijn monopolie, gedurende meer dan twintig jaar miljoenen goudfrank winsten op, maar die werden niet gebruikt om hem te verbeteren, maar werden verdeeld onder de aandeelhouders.

    In 1921 was dat spoorwegje -- eigendom van een maatschappij in welks kapitaal de staat toen een meerderheidsparticipatie bezat -- wegens de groeiende trafiek steeds opgestopt, en was men verplicht er een echte spoorlijn van te maken. De herbouw vergde tien jaar. In totaal werden 60.000 dwangarbeiders opgeëist van overal uit Kongo, behalve uit Katanga dat voorbehouden was aan de Union Minière. Van hen werden er 50.000 gedeporteerd over afstanden tot meer dan 2.000 km. 8.000 vrouwen en kinderen moesten de mannen vergezellen, omdat de minister van Koloniën wat wou doen aan de moraliteit in hun werkkampen. Een utopie als men weet dat gehuwden en vrijgezellen in bouwvallige strohutten of loodsen, of onder de blote hemel, samen moesten logeren. Totaal van de opgeëisten (mannen, vrouwen en kinderen): 68.000

    Van hen stierven er 7.700: 4.510 ter plaatse, de anderen op de heenweg of op de terugweg. Zij stierven van heimwee, slechte behandeling, te zwaar werk, onvoldoende voeding (nooit vlees), gebrek aan medische verzorging, longontsteking opgedaan tijdens de koude morgenuren, onvoldoende gekleed. Allemaal slachtoffers van de staat, t.t.z. de Kolonie van Belgisch-Kongo, zeg maar België.

    De doden vormden in de officiële briefwisseling en rapporten een van de drie categorieën van de déchets (de afval) tussen de opgeëisten, de twee andere categorieën zijnde de weglopers en de réformés (de afgekeurden). De term afval spreekt boekdelen over de mentaliteit van de koloniale administratie!

    *****

    De staat had in november 1922 een speciaal organisme opgericht belast met de levering van de dwangarbeiders voor het spoor: L'Office du travail - De dienst voor de Arbeid van Kinshasa. De diensttijd van die arbeiders was aanvankelijk vastgesteld op 6 maand. Maar reeds het tweede jaar werd hij opgevoerd tot twaalf maand. Later werd elke man, die gedurende zijn diensttermijn valide bleef, verplicht zes maanden of een jaar voort te blijven doen. De diensttijd groeide aldus tot meer dan twee jaar voor de meeste overlevende dwangarbeiders dieniet wegliepen of niet afgekeurd werden. Vele gedeporteerden waren dikwijls tweeëneenhalf jaar van huis weg wegens de maandenlange heen- en terugreis, gedeeltelijk in barges van rivierboten en daarbij dikwijls honderden Milometer te voet.

    De provinciegouverneurs, de districtscommissarissen, de gewestambtenaren en de Afrikaanse hoofden werden met de recrutering belast. Het waren die hoofden die, als oorlogscollaborateurs, het vuile werk op het terrein moesten opknappen, mits een premie per geleverde man. De dorpelingen werden, met de koord aan de hals aaneengebonden, gemarcheerd naar wat men de concentratiekampen noemde, waar ze soms wekenlang hun inscheping moesten afwachten.

    Ik zeg vuile werk op het terrein, omdat primo het onmogelijk was vrijwillige arbeiders te vinden voor zwaar werk, heel ver weg, tegen een miniem salaris en in de ellendige voorwaarden waarover ik het zopas had; secundo omdat de koloniale grondwet uitdrukkelijk bepaalde dat niemand kon verplicht worden voor privémaatschappijen te werken. En de Compagnie van de spoorweg, die de rail herbouwde, na hem gebouwd te hebben, was een privémaatschappij ondanks de hoge staatsparticipatie in haar kapitaal.

    Naar het voorbeeld van andere Afrikaanse kolonies liet de koloniale grondwet de verplichte werving van arbeiders toe voor werken die bij wet als "van openbaar nut" uitgeroepen werden. Alle autoriteiten in Kongo smeekten de minister van Koloniën om de dwang aldus te legaliseren. Die had midden 1926 een decreet klaar dat voorzag in de werving van 6.000 man voor twee jaar dienst. Maar de Belgische regering weigerde haar fiat te geven, op een ogenblik dat bij de Volkerenbond in Genève de discussie over een internationale conventie over slavernij en dwangarbeid werd afgerond. De Belgische regering vreesde internationale moeilijkheden omdat elders in Afrika de bij wet verplichte diensttijd maar 60 dagen bedroeg en de lichting slechts kon gebeuren op korte afstand van de werken.

    De Belgische regering besloot voort te doen met de clandestiene illegale dwangwervingen in Kongo, onder de schijnheilige inroeping van de plicht van de kolonisator de Afrikanen tot arbeid aan te sporen en hen de heilzame gewoonde van de arbeid aan te leren.

    In de periode 1924-26 stierven 1.600 gedeporteerden zonder dat daaraan door iemand aandacht aan werd besteed. In de herfst van 1927 nam de gouverneur-generaal, Martin Rutten, bepaalde maatregelen om de enorme sterfte in te dijken; het jaar eindigde met meer dan 1.000 doden. Eerder had Rutten in geschrifte iets aan de ellendige toestanden willen doen, maar hij kwam niet tot daden.

    Na de aftocht van de Belgische regering op het stuk van de wettiging van de dwang, zat Rutten erg verveeld met de rapporten van magistraten uit de Oost-Provincie over de voortzetting van de onwettige gedwongen rekrutering. In maart 1927 wou hij daar wat aan doen en hij schreef aan de gouverneur van de Oost-provincie dat die de vrijheid van de Afrikanen inzake dienstneming moest doen eerbiedigen.

    Die gouverneur, Alfred Moeller, kon dat bevel niet uitvoeren: het was ofwel dwang, ofwel afschaffing van de Dienst .voor de Arbeid, waar evenwel geen sprake van was. Trouwens zodra het contingent van de Oost-Provincie op de werven begon terug te lopen, was Rutten verplicht Moeller te bevelen het op peil te houden.

    De opvolger van Rutten, August Tilkens, had geen moeite met de onwettige dwang. Voor hem telde alleen het door minister Henri Jaspar voorgeschreven doel: het afwerken van de herbouw in de kortst mogelijke tijd.

    De magistraten uit de Oost-Provincie over wie ik het zopas had, waren Jean Vindevoghel, procureur van Buta, en zijn collega Jean Colin van Kisangani. Zij deden hun best om de procureur-generaal te bewegen tegen de onwettige situatie op te treden. Toen procureur-generaal, Charles Voisin, in mei 1928 eindelijk iets. tegen de dwangrekrutering wou doen door de hoofdman-"vriend van de Belgen" Thomas Lutete van Tshela, voor de rechtbank te brengen, deed Tilkens de rechtspleging stilleggen.

    Dat was het definitieve einde van de opwellingen tot inmenging van de Justitie in de opeisingen voor de spoorweg.

    Jean Vindevoghel had tot dan toe heftig aangeklaagd dat Moeller in de Oost-Provincie zich alle soorten onwettigheden veroorloofde, niet alleen door de werving voor de Dienst van de Arbeid, maar ook door de bouw van een uitgestrekt wegennet door de dorpelingen, zonder noemenswaardige betaling, door de gedwongen verplaatsing van dorpen. Vindevoghel had zich zozeer geërgerd aan de misbruiken in de werving dat hij bevel had gegeven dat alle opgeëisten van Uele op hun doortocht in Buta zich bij het parket moesten melden. Maar hij had op dat stuk ook moeten achteruitkrabbelen. Men had hem laten weten dat het niet de zending van de magistraat was de administratie te controleren en haar handelingen aan censuur te onderwerpen.

    *****

    Voor de gedeporteerden was er boottransport op de Kongostroom en enkele bijrivieren. Elders deden zij de afstanden te voet, behalve voor een deel van Uele. Het boottransport was een hel. De eerste vier jaar zaten zij samengepakt, blootgesteld aan regen en zon, op het dek van de boten of op de gewelfde metalen dekplaten van de barges voor goederen, die door de cargoboten gesleept werden. Als illustratie van dit ellendige transport is er de tragedie van de boot Kintambo die op 16 juli 1924 met 300 man aan boord uit Kisangani vertrok, waarvan 32 stierven onderweg of stervende toekwamen in Kinshasa.

    In 1926 werden speciaal voor het transport van gedeporteerden ingerichte barges op de Kongostroom in dienst genomen. Zij bestonden uit slaapvertrekken, bemeubeld met rijen boven elkaar geplaatste britsen, voorzien van gekruist bandijzer om op te slapen. Er waren twee types van dergelijke barges.

    Het eerste type had een reeks vertrekken in het ruim en een ander een reeks op de brug. Men had toegang tot de slaaplokalen in het ruim langs luikgaten (één per vertrek), die terzelfdertijd het enige middel waren voor verluchting en verlichting. Op enkele stappen van die openingen was het donker, zelfs in volle dag, en de atmosfeer drukkend. Stekende insecten krioelden er, muggen wemelden in het stilstaande water op de bodem van het ruim.

    Het tweede type barges had twee grote slaapvertrekken op het dek, met twee daarboven als een soort verdieping.

    Behalve de lokalen in het ruim die vreselijk ongezond waren, zouden de logementen op het dek en op de verdieping een verbetering geweest zijn t.o.v. het vervoer der eerste jaren, ware het niet dat zij volgestouwd werden met het dubbel aantal mensen die zij konden herbergen. In het geval van de cargo de Kempenaer die in februari 1927 te Kisangani toekwam: 374 personen voor 187 beschikbare plaatsen.

    De barges deden 25 tot 30 dagen stroomopwaarts van Kinshasa naar Kisangani. Hun sanitaire toestand was beklagenswaardig na enkele dagen vaart. Er waren sterfgevallen aan boord van die barges, zwaar zieken werden op de aanlegplaatsen aan land gezet. Er was aan boord aleens gebrek aan voedsel en geneesmiddelen. Plaats om voedsel te bereiden was er nauwelijks. De passagiers van de Dienst voor de Arbeid werden als parias behandeld door de blanke kapiteins en de zwarte bemanningen. Zij moesten onderweg ook hout kappen voor de stoommachines.

    Op de bijrivieren van de Kongostroom (Ubancgi, Sankuru, Itimbiri) ging het transport zoals in de eerste jaren voort: op het dek der boten of in en op open barges. Wij hebben daarvan een pakkende beschrijving uit midden 1927 van de hand van de inspecteur Jean-Baptiste Hautefelt:

    "Ik ben ingescheept te Lusambo ... op de boot Princesse Clémentine, samen met een veertigtal arbeiders aangeworven voor de Dienst van de Arbeid. Bij gebrek aan plaats hebben die aangeworvenen moeten reizen op kleine barges vastgemaakt aan de kanten van de boot. Verschillenden van hen waren vergezeld van hun vrouw en hun kinderen ... De kinderen waren volledig naakt. Gedurende de hele reis waren die reizigers blootgesteld aan de koude 's morgens, aan de zon de ganse dag en zij ondervonden dikwijls grote last van de vonken van de boot. Zij hebben alle nachten moeten doorbrengen aan land zonder enige schuilplaats... Te Inkongo is een van de barges op een rots op de oever gebotst, een man werd in het water geworpen en van een vrouw werd een been ter hoogte van de enkel volledig verbrijzeld, tussen de boot en de barge... De boot stopte niet om de verdwenen man te zoeken; het been van de vrouw werd oppervlakkig verbonden. Te Bena-Dibele verzorgde een gezondheidsagent de vrouw en hii, vroeg de kapitein haar naar Ilebo te vervoeren om daar de amputatie van het been te ondergaan. De kapitein weigerde haar terug aan boord te nemen. Haar man kreeg geen toelating om bij haar te blijven ..." Tot zover Hautefelt.

    *****

    De levering van de dwangarbeiders voor het spoor zal niemend verwonderen die weet dat in Kongo in die tijd de administratie arbeiders verschafte aan alle ondernemingen en alle kolonisten, zonder de minste voorwaarde kwestie salaris. Dat is vandaag moeilijk te geloven.

    In het tweede hoofdstuk van het boek verhaal ik hoe Brussel in 1926 uitdrukkelijk de voortzetting beval van de rekrutering met dwang voor ondernemingen en kolonisten. In het achtste hoofdstuk citeer ik een officiële nota uit 1930, van directeur-generaal Edouard De Jonghe van het Ministerie van Koloniën, over de voortzetting van dit regime en.zijn verfoeilijkheid op sociaal en economisch vlak.

    In maart 1930 verscheen in Beligë een ophefmakend boekje over de ontvolking van Kongo als gevolg van de wervingen onder dwang. De brochure was van de hand van Pierre Orts, een gezaghebbend Belgisch diplomaat.

    Emile Vandervelde, de voorman van de socialisten, was zo geschokt door die brochure dat hij de regering daaromtrent in de Kamer interpelleerde. Hij las daaruit de passage voor waarin Orts het tragische schouwspel beschrijft van 600 rekruten vers aangekomen in het concentratiekamp van Mbanza-Ngungu, enkelen van hen stervende. Hij verwees vervolgens naar de toen aan gang zijnde bouw van de Franse spoorlijn BrazzavillePointe Noire, die het leven eiste van 20.000 dwangarbeiders, die in Frans-Kongo opgeist werden, zonder wettige basis zoals in Belgisch-Kongo.

    Vandervelde vermeldde overigens een boek van een Amerikaans waarnemer waarin een brief geciteerd is van een gewestbeheerder die aan zijn superieur schrijft dat de gewestambtenaren er zich elke dag meer en meer rekenschap van gaven dat zij echte mensenhandelaars werden, wanneer ze zagen dat de dorpen leegliepen bij hun nadering, zoals bij de nadering van een slavenjager.

    Anderzijds signaleert hetzelfde boek dat gedwongen recrutering voor kolonisten ook gangbaar was in Kenya. Maar daar lag het aan de opgeëisten betaalde loon acht maal hoger dan het loon betaald in Kongo.

    *****

    Het laatste hoofdstuk van "Travail forcé pour le Rail" bestaat uit de dodenlijst van de helft van de slachtoffers van de herbouw van het spoor: 72 bladzijden met 3.684 namen van doden, samen met gegevens betreffende hun afkomst: dorp, hoofdij, gewest, district.

    Het necrologium is uniek omdat het nooit meer mogelijk zal zijn voor andere tragedies in de geschiedenis van Belgisch-Kongo een dergelijke lijst van Afrikaanse slachtoffers samen te stellen. Het necrologium zou kunnen dienen voor een monument in de aard van het Vietnamgedenkteken in Washington, een muur waarop de namen van duizenden slachtoffers vermeld staan.

    De lijst van de doden bevestigt dat de Yaka uit Kwango een biezonder zware tol betaalden aan de herbouw van de spoorweg. Dit volk telt 421 namen op de lijst. Twee jezuïeten van Kisantu kloegen in 1925 de decimatie van de Yaka in felle bewoordingen aan, maar zij werden gedesavoueerd door hun bisschop, Stanislas Devos, zodat de teistering kon voortgaan.

    Een zware tol werd eveneens betaald door de dun bevolkte gewesten gelegen aan de Ubangi. De capucienenbisschop van Molegbe, Fulgence Carnonckel, verdient een eresaluut voor zijn protest in 1928 tegen de deportaties in die gewesten.

    Het boek Travail forcé pour le Rail geeft een gedetailleerde opsorming van de vergoedingen betaald aan slachtoffers van arbeidsongevallen of hun erfgenamen. Het totaal daarvan bedraagt: 13.400 Frank.

    Wat betreft de schadeloosstelling van de doden, niet-slachtoffers van arbeidsongevallen, in de Oost-Provincie was er 50 F aan de weduwe plus 20 F per kind voorzien, vanaf einde 1926. De archieven zeggen niet in hoeverre deze vergoeding uitbetaald werd.

    Iedereen zal erkennen dat het hier gaat om schadeloosstellingen, ontoereikend voor 7.700 doden. Is het te laat voor een herstel ?

    In Europa, na 45 jaar, staat Duitsland op het punt miljarden frank schadevergoeding te betalen aan dwangarbeiders die slechts een tiental jaren na de herbouw van de spoorweg Matadi-Kinshasa opgeëist werden.

    (Uitpers, september 2000)

    http://archief.uitpers.be/artikel_view.php?id=518

    Jules Marchal: postuum interview met eenzaam waarheidsvinder – tegen de Belgische Congo-mythes.

    Jules Marchal , interview met een waarheidsvinder.

    † Jules Marchal : Doctor in de wijsbegeerte en letteren Ere-Districtscommissaris in Belgisch Congo Ere-Ambassadeur auteur van verscheidene werken over de geschiedenis van Congo vereerd met verscheidene eretekens van Belgie, Belgisch-Congo, Congo, Zaire, Niger en Liberia lid van de “Vlaamse Vrienden Kring”

    Geboren te Hoepertingen op 5 september 1924 en in de Heer ontslapen op de Kerselaar op donderdag † 19 juni 2003-

    De Belgische koloniale geschiedenis was, vooral in België zelf, nog niet zo lang geleden omgeven met een cordon van zwijgzaamheid. De enkele Belg die de mythe rond de grondlegger van Belgisch Kongo, koning Leopold II (1835-1909) als weldoener van de Kongolezen probeerde te doorbreken werd gemarginaliseerd, om niet te zeggen uitgestoten. Dat gold zeker voor Jules Marchal (1924-2003). Marchal was wel een heel weinig voor de hand liggende aanklager van het in België gekoesterde beeld van koning Leopold, die in werkelijkheid verantwoordelijk was voor miljoenen doden. Marchal was namelijk zelf koloniaal ambtenaar geweest in Belgisch Congo en heeft daar nog enige tijd meegedaan aan het hardvochtige regime, waar geen eind aan was gekomen na de dagen van koning Leopold II. Marchal was nadien bovendien Belgisch ambassadeur in diverse Afrikaanse landen. Als lid van het Belgische establishment werd hem zijn rol als nestbevuiler extra kwalijk genomen.

    Marchal werd op 13 april 1994 in zijn huis in Hoepertingen geinterviewd – in Belgisch Limburg – om hem te spreken naar aanleiding van de bloedige burgeroorlog in Rwanda die een week eerder was uitgebroken en waarbij mogelijk een miljoen mensen zijn omgebracht. Rwanda, buurland van Congo, was in het midden van de 20ste eeuw immers ook een Belgische kolonie geweest. Na dat eerste bezoek aan Marchal en zijn echtgenote Paula ben ik enkele maanden later nog eens naar Hoepertingen afgereisd, omdat Marchal in het eerste gesprek nog te beducht was om publicabele uitspraken te doen:  ‘De ruiten worden hier anders ingegooid’. De neerslag van die twee gesprekken is echter – evenmin als de foto’s, al bij het eerste bezoek gemaakt door fotograaf Wubbo de Jong – door een curieuze loop van de geschiedenis nimmer gepubliceerd.

    Nu is Marchal toch al weinig geïnterviewd. Een zeldzaam interview met de krant ‘Het Belang van Limburg’ werd door de hoofdredactie uit de krant geweerd. Na de eeuwwisseling kreeg Marchal als auteur van uniek gedocumenteerde boeken over de Belgische koloniale geschiedenis eindelijk de eer die hem toekwam, vooral ook omdat de Amerikaanse schrijver Adam Hochschild ruiterlijk erkende dat hij zijn internationale bestseller over Belgisch Congo vooral op de boeken van Marchal waren gebaseerd. Maar Marchal was nadien te ziek – hij overleed in 2003 – om zijn werk en zijn wedervaren in interviews toe te lichten.

    Daarom hieronder alsnog mijn interview met Jules Marchal uit 1994. Ik heb er hoegenaamd niets aan veranderd. Het verhaal is dus gesitueerd in de voorzomer van 1994. Ook de in die dagen gangbare spelling is intact gelaten.


    ‘Leopold wilde ook een kolonie, net als Nederland’

    Jules Marchal, Delathuy Boeken over Leopold II de vrijstaat en zijn kolonieDe uitdrukking ‘met zwaard en kruis’ is niet ingegeven door een hang naar sensatie. De jezuïeten gebruikten ze zelf toen ze tachtig jaar geleden verkondigden dat ze Kongo wilden beschaven met het zwaard en met het kruis, door de staat en door de kerk. Hun evangelisatie was er een met dwang, het soort trouwens dat in de loop van de geschiedenis voor de geloofsverspreiding de beste vruchten heeft afgeworpen en dat goed paste in de voormalige denkwereld van de jezuïeten, die zich de stoottroepen van Sint-Ignatius, de soldaten van Christus noemden. Dit boek leert ons waaruit die dwang in Kongo bestond: ketting en zweep gehanteerd door een militie van catechisten, gijzelingen, deportaties, strafexpedities. Leopold II liet de jezuïeten begaan omdat hij hun steun, zoals die van alle katholieke missies nodig had om tegen de campagne van E.D. Morel stand te houden.

    Maar de beschaving met het zwaard en met het kruis faalde in Kongo. Dit boek is het verhaal van die faling. Het is ook het verhaal van een godsdienstig fanatisme dat aan een massa Kongolese kinderen het leven kostte. Voor dit aspect van hun oeuvre hadden de jezuïeten totaal geen oog. Integendeel, ze voelden zich voldaan bij de gedachte dat ze die massa, door het doopsel in articulo mortis, aan de klauwen van de duivel ontrukten en voor eeuwig gelukkig maakten. Het was een godsdienstig fanatisme dat niet moest onderdoen voor dit van ayatolla Khomeiny. Uit dit boek komen de ambtenaren van de Kongostaat (met uitzondering van gouverneur-generaal Wahis, het blinde instrument van Leopold II) er niet zo gehavend uit als uit het vorige boek van Delathuy, E.D. Morel tegen Leopold II en de Kongostaat (EPO, 1985). Gewoon het feit dat die ambtenaren dikwijls de methode van de jezuïeten afwezen, maakt hen sympathiek. Overigens toont de eerste Belgische minister van Koloniën, de katholiek Jules Renkin, zich een slagvaardig politicus. Daarnaast blijft de patron van de socialisten, Emile Vandervelde, de grote figuur die hij reeds in het vorige boek van Delathuy was.

     

    bron : © door SYP WYNIA

    Jules Marchal: postuum interview met eenzaam waarheidsvinder – tegen de Belgische Congo-mythes.

    Interview Jules Marchal

    De Belgische koloniale geschiedenis was, vooral in België zelf, nog niet zo lang geleden omgeven met een cordon van zwijgzaamheid. De enkele Belg die de mythe rond de grondlegger van Belgisch Kongo, koning Leopold II (1835-1909) als weldoener van de Kongolezen probeerde te doorbreken werd gemarginaliseerd, om niet te zeggen uitgestoten. Dat gold zeker voor Jules Marchal (1924-2003). Marchal was wel een heel weinig voor de hand liggende aanklager van het in België gekoesterde beeld van koning Leopold, die in werkelijkheid verantwoordelijk was voor miljoenen doden. Marchal was namelijk zelf koloniaal ambtenaar geweest in Belgisch Congo en heeft daar nog enige tijd meegedaan aan het hardvochtige regime, waar geen eind aan was gekomen na de dagen van koning Leopold II. Marchal was nadien bovendien Belgisch ambassadeur in diverse Afrikaanse landen. Als lid van het Belgische establishment werd hem zijn rol als nestbevuiler extra kwalijk genomen.

    Ik bezocht Marchal op 13 april 1994 in zijn huis in Hoepertingen – in Belgisch Limburg – om hem te spreken naar aanleiding van de bloedige burgeroorlog in Rwanda die een week eerder was uitgebroken en waarbij mogelijk een miljoen mensen zijn omgebracht. Rwanda, buurland van Congo, was in het midden van de 20ste eeuw immers ook een Belgische kolonie geweest. Na dat eerste bezoek aan Marchal en zijn echtgenote Paula ben ik enkele maanden later nog eens naar Hoepertingen afgereisd, omdat Marchal in het eerste gesprek nog te beducht was om publicabele uitspraken te doen: 'De ruiten worden hier anders ingegooid'. De neerslag van die twee gesprekken is echter – evenmin als de Fotos, al bij het eerste bezoek gemaakt door fotograaf Wubbo de Jong – door een curieuze loop van de geschiedenis nimmer gepubliceerd.

    Nu is Marchal toch al weinig geïnterviewd. Een zeldzaam interview met de krant 'Het Belang van Limburg' werd door de hoofdredactie uit de krant geweerd. Na de eeuwwisseling kreeg Marchal als auteur van uniek gedocumenteerde boeken over de Belgische koloniale geschiedenis eindelijk de eer die hem toekwam, vooral ook omdat de Amerikaanse schrijver Adam Hochschild ruiterlijk erkende dat hij zijn internationale bestseller over Belgisch Congo vooral op de boeken van Marchal waren gebaseerd. Maar Marchal was nadien te ziek – hij overleed in 2003 – om zijn werk en zijn wedervaren in interviews toe te lichten. Daarom hieronder alsnog mijn interview met Jules Marchal uit 1994. Ik heb er hoegenaamd niets aan veranderd. Het verhaal is dus gesitueerd in de voorzomer van 1994. Ook de in die dagen gangbare spelling is intact gelaten. 'Leopold wilde ook een kolonie, net als Nederland'

    door SYP WYNIA

    De voormalige Belgische koloniën in Centraal-Afrika zijn ten prooi gevallen aan massale moordpartijen, volksverhuizingen, bestuurlijke chaos, honger en armoede. De volstrekt corrupte staat Zaïre, het vroegere Belgisch-Kongo, dreigt voortdurend uiteen te vallen nadat dictator Moboetoe het land eerst tientallen jaren uitzoog en gaandeweg zijn greep op het land kwijtraakte. Het aan Zaïre grenzende, voormalige Belgische mandaatgebied, Roeanda-Boeroendi, werd gesplitst in de republieken Rwanda en Burundi waar de Tutsi's en de Hutu's elkaar nu om beurten afmaken. De moordpartijen waarbij Rwandese Hutu's de afgelopen maanden honderdduizenden Tutsi's het keven benamen kennen nauwelijks een gelijke in de recente geschiedenis.

    De Belgische diplomaat Jules Marchal (69) kwam er twintig jaar geleden tot zijn schrik achter het hoe en waarom van de Belgische aanwezigheid in Afrika. Na twintig jaar als koloniaal ambtenaar en overheidsadviseur in de Kongo te hebben gewerkt geloofde hij nog rotsvast in de Belgische vaderlandse geschiedenis, die wil dat koning Leopold II aan het eind van de vorige eeuw slechts met de beste bedoelingen de Kongo-staat had gevestigd en dat de Belgische aanwezigheid de zwarten niets dan goed had gebracht.

    Nadat Marchal, in 1972 Belgisch ambassadeur in Ghana, geen reactie uit Brussel kreeg op zijn verzoek om informatie, zodat hij onmogelijk een door hem als schandelijk ervaren krantenartikel over de Belgische koloniale geschiedenis kon bestrijden, begon bij hem de twijfel te knagen. Sindsdien is Marchal verbeten op zoek naar de waarheid.

    Sinds 1985 publiceerde hij onder pseudoniem ('A.M. Delatuy') zes, veelal dikke boeken over de eerste 25 jaar van de Belgische aanwezigheid in Kongo: over de trucs die koning Leopold toepaste om dit gigantische gebied in Centraal-Afrika in handen te krijgen, over de bloedige uitbuiting van het land die Brussel grote weelde bracht maar miljoenen Afrikanen het leven kostte. En over de bedenkelijke rol van veel missie-organisaties.

    In Marchals zevende boek, dat volgend jaar verschijnt, komt de latere periode aan de orde, die al evenmin zo brandschoon is als Marchal net als de meeste Belgen lange tijd wilde aannemen. Marchal: 'Sommige Belgische historici willen nu wel toegeven dat Leopold II het te bont gemaakt heeft. Maar, zeggen ze dan, vanaf 1908, toen de Belgische staat de Kongo overnam van de koning, is het net zo geworden als in alle kolonies. Maar dat is niet waar. Hetzelfde koloniale personeel bleef. En België heeft er nooit ene frank in willen steken – anders mocht de regering de Kongo-staat namelijk niet van de koning overnemen. Dat systeem is dus doorgegaan, zij het ontdaan van de scherpste kanten, maar wel met de dwangarbeid en de terreur.' Na de Tweede Wereldoorlog werd het wel beter, vindt Marchal. 'Ik kwam er in 1948. Ik ben ervan overtuigd dat het toen begon een normale kolonie te worden. Er was immers overal uitbating, er waren overal dwangcultures.'

    In eigen land kregen de boeken van Marchal nauwelijks aandacht, naar hij zegt omdat het thema van de onderdrukking van de Kongo nog steeds taboe is en het Belgische establishment actief poogt hem uit de publiciteit te houden. Oud-kolonialen voeren een lastercampagne tegen hem en zorgden er dit voorjaar nog voor dat 'Het Belang van Limburg' afzag van een bijlageartikel over hem en zijn werk. Een uitgever deed zo weinig voor een van zijn boeken, dat Marchal de voorraad uiteindelijk maar zelf opkocht.

    In het buitenland lokten zijn studies tot dusver al evenmin veel reacties uit, ook al omdat hij er aanvankelijk voor koos zijn boeken slechts in het Nederlands te publiceren. Daar ziet hij nu van af: zijn eerste boek, 'E.D. Morel tegen Leopold II en de Kongostaat', verschijnt dit najaar bij een Parijse uitgever in het Frans. In België was er geen Franstalige uitgever te vinden voor het werk van deze 'nestbevuiler'.

    Ik ontmoet hem de eerste keer in het voorjaar, als de kersenbloesem grote delen van Belgisch Limburg overdekken. De Rwandese presidentiële troepen hebben dan net het grootste deel van de regering vermoord en en passant tien Belgische VN-militairen afgeslacht. De massale moord op de Tutsi's is dan net begonnen. Marchal wil wel praten over België en Rwanda, als ik er maar niets over opschrijf, want hij vreest als een landverrader af te worden geschilderd als zijn kritische kanttekeningen over de Belgische aanwezigheid in Rwanda naar buiten komen. Dat de Belgische VN-soldaten die het afgelopen jaar in Somalië beschuldigd werden van te hard optreden verbaasde hem niet: hij denkt dat het voortvloeit uit de neerbuigende Belgische traditie ten opzichte van de inheemse bevolking. De Fransen, er al honderd jaar op uit om de Belgen in Afrika te vervangen, krijgen ook een veeg uit de pan. Maar de bandrecorder moet voortdurend uit: 'Ik moet geweldig voorzichtig zijn, het is een hysterie in België. De ruiten worden hier ingegooid, zeker als ik dat ook nog eens tegen een buitenlandse krant zeg.' Inmiddels zijn de kersen rijp en Marchal heeft de meeste krieken rond zijn landhuis geoogst. Zijn angst om voor landverrader uit te worden gemaakt is wat geslonken.

    Marchal: 'België kreeg Roeanda-Boeroendi na de Eerste Wereldoorlog als mandaatgebied toegewezen, nadat ze tijdens de oorlog samen met de Engelsen de Duitsers daar hadden verdreven. Het maakte tot dan toe immers deel uit van Duits Oost-Afrika. Dat de Belgen daar überhaupt aan begonnen, was weer die grootsheidswaanzin, nadat eerder de Kongo was doodgebloed door de exploitatie door Leopold II. In plaats van in die uitgebloede Kongo wat te gaan doen en de mensen te beschermen, gingen ze vandaar nog eens Duits Oost-Afrika helpen veroveren.'

    Al die tijd lieten de Belgen de Tutsi-minderheid als heersers aan de macht in Rwanda. Maar in 1959 kwam de Gentse kolonel Guy Logiest met zwarte koloniale troepen vanuit Stanleyville in oostelijk Kongo de rust herstellen in Rwanda. Hij is daarna hogelijk geprezen, omdat hij toen alle Tutsi-chefs heeft afgezet en vervangen door Hutu's, met de goede bedoeling dat de Hutu's onderdrukt werden. 'Maar dat was een dommigheid,' zegt Marchal. 'Dat blijkt nu wel. Hij heeft die hele samenleving daar ontwricht. En kijk, diezelfde Hutu's die alles aan de Belgen te danken hebben, beginnen nu meteen Belgische blauwhelmen te vermoorden.' Marchal denkt dat Frankrijk altijd al probeerde een voet aan de grond te krijgen in Zaïre, Rwanda en Burundi. Het zinde de Fransen vanaf het begin al niet dat de Kongo aan de Belgische koning Leopold toeviel. Maar de Fransen moesten het lijdelijk aanzien omdat de andere grootmachten van die dagen geen toestemming aan Parijs gaven de kolonie van de Belgische koning alsnog in te pikken.

    Marchal: 'Maar de laatste jaren waren de Franse para's al steeds eerder dan de Belgen in Zaïre als daar onrust was, net zoals dit voorjaar in Rwanda. Het is natuurlijk geen toeval dat Rwanda en Burundi net als Zaïre deelnemen aan de door Frankrijk georganiseerde conferenties over de francofonie. En de Tutsi's die terugkwamen uit Oeganda om de macht weer in handen te nemen spreken alleen maar Engels.'

    Zijn vrouw Paula moet per se mee op de foto. Zij tikte 45 jaar geleden al de processen-verbaal uit, op grond waarvan Marchal als jong koloniaal ambtenaar rechtsprak. Zij maakte soms de wonden schoon van de inlanders die in zijn opdracht zweepslagen toegediend kregen, geheel in de koloniale geest van het Belgisch Kongo van na de Tweede Wereldoorlog. De chicotte van dunne repen nijldierhuid speelde steeds een centrale rol in de Belgische geschiedenis in Afrika.

    Zijn vrouw tikt nu op de computer zijn boeken uit, die in twintig jaar van dagen, avonden en weekenden thuiswerk na tijdrovend en kostbaar archiefonderzoek tot stand kwamen. Marchal had na zijn pensionering voor boer willen spelen in het huis dat hij de afgelopen dertig jaar tussen zijn posten als ambassadeur in Afrikaanse landen door liet bouwen nabij het Belgisch-Limburgse Hoepertingen. Het kwam er niet van, ook al heeft hij dan fruitbomen, ganzen en de ezels. Soms sust Paula hem als hij zich al te druk maakt over alle ongeloof, onbegrip en tegenwerking.

    Op zijn eigen koloniale verleden kijkt Marchal zonder schuldgevoel terug. Dat geldt ook voor de lijfstraffen die hij zelf toe liet dienen aan de Kongolezen die de katoen die ze verplicht moesten verbouwen onvoldoende verzorgden of andere herendiensten verwaarloosden. Wie de chicotte kreeg moest plat op de grond gaan liggen, waarna de straf in aanwezigheid van de andere dorpelingen werd toegediend.

    Marchal: 'Dat katoen dwangarbeid was, ontging ons. Dat was overal zo, dus daar zie ik geen graten in. Ik heb die lijfstraffen toegediend en ik heb de katoen doen planten. Dat was ook in de Franse Kongo zo, denk ik, en in andere kolonies. Maar tot 1945 was dat allemaal veel erger, veel harder. Ze hebben rond 1930 de spoorlijn langs de watervallen aan de Beneden-Kongo helemaal moeten herbouwen. Dat hebben ze gedaan door dwangarbeiders op te roepen uit de ganse Kongo. Er zijn daar duizenden mensen gestorven, als vliegen. Daar is nooit een woord over geschreven. En weet ge dat de Belgen in de Tweede Wereldoorlog de zwarten opnieuw de bossen ingestuurd hebben om wilde rubber et oogsten, nadat de Japanners de uitvoer van de Indonesische rubber hadden afgesloten? Onze mensen hebben toen gezegd: "Wij gaan u helpen, wij hebben daar nog oerwoud. Wij weten wat rubber is".' Hij lacht ongemakkelijk, met een pijnlijke grimas.

    Marchal: 'En toen was het weer hard. Niet meer zoals onder Leopold II, toen ze mensen doodschoten die met te weinig rubber terugkwamen uit het bos, waarna ze de handen afhakten om aan te tonen dat ze goed tekeer waren gegaan. Ze moesten die handen roosteren omdat ze anders onderweg verrotten. Met manden vol handen kwamen ze terug uit de brousse. Zo was het in de jaren veertig niet meer, maar het was weer hard. Dat wil gewoon zeggen dat de Belgen nooit beseft hebben wat ze ginder gedaan hebben. Het is een eeuwige schande. Als ik dan Willy Claes en Jean-Luc Dehaene hoor over de mensenrechten in Zaïre, dan krimp ik in van schaamte – dat wij daarover durven spreken. Dat is een schande als ge zo'n verleden hebt. Dat zouden mijn boeken moeten leren aan de Belgische gezagsdragers, maar ik word niet gelezen. Niemand kent mijn boeken, niemand is daarin geïnteresseerd. Men leeft hier in België in de mythes en legenden van die filantropische Leopold II, die de Arabische slavendrijvers zou hebben vernietigd. Dat terwijl Leopold juist nauw samenwerkte met die slavenhandelaren.' Ik opper dat de verdringing van het koloniale verleden niet iets typisch Belgisch is. In Engeland en Frankrijk gaat het net zo. Is het in Nederland misschien beter?

    'Ik denk het niet,' zegt Marchal. 'Ik verwijs naar professor Jan Breman in Amsterdam, die heeft hetzelfde probleem als ik. Die wordt ook niet geloofd en wordt ook niet gelezen. Gij hebt hetzelfde probleem als wij. Ik weet het, bij u wordt meer aan ontwikkelingssamenwerking gedaan dan in België. En Multatuli was dan wel een Nederlander en hij werd wel een literaire held. Maar ik geloof niet dat de Nederlanders door hem overtuigd zijn. Indonesië heeft nu geweigerd nog iets aan te nemen van Nederland. Ik vind dat fantastisch. Maar Moboetoe weigert nog geen hulp, die is zo ver nog niet.'

    'En dan hadden wij nog Rwanda, zoals u Suriname had had, zo'n klein kroonkolonietje waar je alles kon doen wat je wilde. Maar Nederland hoeft niet voortdurend de Nederlanders weg te halen uit Suriname, zoals wij de Belgen bijna jaarlijks moeten evacueren uit Afrika, waarna ze stilletjes met hun duizenden binnen enkele maanden weer terugkeren als Sabena weer gaat vliegen.

    In Rwanda hebben we nooit iets verdiend, het heeft alleen geld gekost aan België. Maar in de Kongo hebben we kolossaal fortuin gemaakt. Rwanda was een kolonie zoals alle kolonies, die waren er voor de exploitatie, dat was de geest van de tijd, maar het koloniale verleden is daar heel normaal verlopen. Maar de Kongo, dat is een speciaal geval. Vooral die eerste jaren onder Leopold II. Dat was het wrede systeem dat de Nederlanders in de zeventiende eeuw in Indië toepasten.'

    Toen Marchal er eenmaal achter was dat hij net als de andere Belgen met leugens zoet was gehouden over het Kongolese regime van Leopold II – de twijfels over het vervolg kwamen pas later – gebruikte hij zijn periodieke terugkeer in Brussel om de koloniale archieven in te duiken, voor zover ze tenminste niet waren vernietigd. Het ministerie van Buitenlandse Zaken in Brussel was daartoe een prima uitvalsbasis: Marchals bureau stond vijftig meter van de koloniale archieven.

    Marchal: 'Dat is wel een van de redenen waarom ik niet gelezen wordt. Ik heb nooit propaganda kunnen maken. Als ik als diplomaat mijn pensioen wilde halen moest ik een beetje opzij leven en een pseudoniem nemen. Dat werd A.M. Delathuy, net als mijn overgrootmoeder. En ik kon geen persconferenties te geven. Tot ik in 1989 met pensioen ging wist niemand wie Delathuy was. Ook al omdat het in het Nederlands verscheen en het dus niet gelezen werd in Zaïre. Bij Buitenlandse Zaken liet men mij begaan, omdat ik me zo kalm hield en me niet als stokebrand gedroeg. Men kon mij weinig verwijten. Door die andere naam, Delathuy, is de minister nooit in moeilijkheden gebracht. En ik zocht er geen glorie mee.'

    'Een andere reden is, dat ik me niet op kon trekken aan de boodschap die ik breng,' zegt Marchal. 'Daar ben ik beschaamd over, daar kan ik het land niet mee afreizen. Ge moet van mij niet verwachten dat ik in Rotterdam ga spreken of naar Amsterdam kom om over het banditisme van die Belgen te spreken. Dat kan toch niet? Het is nu bij mijn laatste boek voor het eerst dat ik me op een perspresentatie heb laten zien.'

    Marchal lijdt onder de aanvallen van zijn collega's van vroeger, de oud-kolonialen die zich ook in Belgisch-Limburg gegroepeerd hebben in een club. 'Die kunnen maar niet begrijpen dat een Limburger zoiets doet, Leopold II zwartmaken. Toen de krant over de presentatie van dat laatste boek schreef, zijn de oud-kolonialen van Hasselt naar de hoofdredacteur gelopen. Ze wilden een rechtzetting. Een rechtzetting van een verslag van een persconferentie? Ik zie dat niet zo goed. Die reporter was enthousiast over mij. Die zei: ik maak een weekendportret. Zodra die mannen van Hasselt daar achter kwamen zijn ze naar de redactie en de directeur gelopen. "Als ge nog iets durft publiceren van die Delathuy, dan verliest ge 5000 lezers," dreigden ze. Die reporter is weer bij mij gekomen en heeft mij dat verteld. Die zegt: hoe zit dat met die 5000 lezers? Nu ben ik zelf lid van die club geweest. Ik was het 129ste lid. Maar het gevolg is wel: er is niets meer verschenen in Het Belang van Limburg.'

    'En als dat laatste boek nou tegen de missie zou zijn, maar dat boek is vóór de missies, het is zelfs gesubsidieerd door een missiecongregatie. Nou ja, de eerste grote ordes die onder aanmoediging van Leopold II naar Kongo gingen, die komen er niet zo mooi uit, dat waren echte potentaten, daar kun je moeilijk wat goeds van vinden. Maar de kleinere ordes, zoals de paters van Mill Hill bij u vandaan, uit Roosendaal – uw paters komen er toch prachtig uit? Die hebben ook niet de internationale propaganda voor de Kongostaat gevoerd waar Leopold op hoopte. En die hebben ook niet deelgenomen aan het met duizenden kidnappen van kinderen die uit dorpen werden gehaald, soms nadat de rest van de bevolking was uitgemoord of de bossen in waren gejaagd, om vervolgens door het koloniale leger over gigantische afstanden te worden vervoerd om in concentratiekampen van de missie te worden opgeleid. Veel kinderen overleefden de tocht niet eens. Tienduizend gekidnapte kinderen stierven op de missies, een veelvoud onderweg daarheen. Meisjes, vaak heel klein nog, werden onderweg verkracht. Duizenden volwassenen werden door paters gekocht om gedoopt te worden als ze al op sterven lagen. Bij de inheemsen leidde dat tot de reputatie dat de doop tot de dood leidde.' Marchal: 'Kijk, Leopold II was zijn Kongostaat begonnen voor te stellen als een paradijs. Hij zou er een internationale kolonie, een vrijhandelsstaat, van maken waar iedereen welkom was. Daarom zijn er ook zoveel protestantse zendelingen op afgekomen, lang voor de katholieken. Die protestanten mochten naar binnen, maar dat was dan ook alles. Tot ze begonnen tegen het koloniale regime te schrijven, toen kregen ze geen enkele concessie voor een zendingspost meer. Leopold moest de katholieken er echt naar toe sleuren. Hij moest de missionarissen hebben om te zeggen dat de protestanten lasteraars waren, hij had ze nodig als bondgenoten. Dat kidnappen is alleen in de Kongo gebeurd. Dat was geen praktijk van het Vaticaan, dat was een praktijk van de Kongostaat.'

    Voor Marchal was de gewelddadige, gedwongen kerstening in de Kongo een eye-opener. Hij besefte plotseling dat het in West-Europa niet anders gegaan is. 'Dat is voor mij zo klaar als een klontje. Alle godsdiensten zijn door de staat opgelegd. Allemaal! Waarom zijn er in Nederland zoveel protestanten – omdat het bestuur protestants was! De Spanjaarden hebben ons katholiek gehouden. En waarom zijn wij christelijk? Omdat keizer Constantijn in de vierde eeuw het christendom tot staatsgodsdienst verklaarde. Op school werd ons verteld dat wij hier gekerstend zijn door Willibrord en Bonifatius, dat die hier begonnen te preken en mirakelen te doen. Allemaal larie! Die mannen zijn hier wel geweest, daar niet van. En denk niet dat ik een goddeloze ben, haha. Maar als ge een boek als dit gemaakt hebt begint ge eindelijk lucide te worden. Anders denkt een mens er niet over na hoe zijn voorouders katholiek zijn geworden.'

    Net zoals u er tot 1972 niet aan twijfelde dat Leopold II een voorbeeldig, belangeloos koloniaal heerser was geweest?

    Marchal: 'Natuurlijk, waarom niet. Ik ben geen speciale. Ik heb mijn plicht gedaan als koloniaal ambtenaar – ik heb al een koloniaal pensioen sinds 1967 en dat kwam nog eens bovenop mijn wedde van ambassadeur. Ik heb een mooie carrière achter de rug, hoor. Ik geef toe, dat ik geen man ben die iets tegen het establishment had. Ik zit er, zonder te stoefen, eigenlijk volledig in. Ik ben veel hoger van graad dan die mannekes van Hasselt die mij aan het belagen zijn. Maar ik las toen in Ghana verontwaardigd – zoals elk normaal mens zou doen – dat er tien miljoen zwarten kapot zijn gemaakt in de Kongo. Pas toen ik geen antwoord kreeg is het begonnen. Het is werkelijk ongelooflijk. Hier in België hebben historici honderden boeken geschreven over de tijd van de ontdekkingsreiziger Henry Morton Stanley, die de Kongo optrok en naderhand nog voor Leopold II werkte. Maar je vindt in België nauwelijks een woord over de campagne van de journalist Edmund Morel, die tien jaar lang actie voerde tegen de Kongostaat van Leopold II. Die man stond elke dag met berichten over de terreur, de strafexpedities en de dwangarbeid in de internationale kranten. The Times, dat was bijna zijn spreekbuis. Morels beeld van het koloniale België leeft nog steeds in Engeland en de Verenigde Staten.'

    Dat het koloniale verleden van België en dan nog speciaal het koloniale regime van koning Leopold II onbespreekbaar is, verklaart Marchal deels door de betrokkenheid van het koningshuis bij Zaïre, Rwanda en Burundi – een betrokkenheid die tot de dag van vandaag doorgaat. 'Het is het enige onderwerp dat in België nog onbespreekbaar is. En als die boeken van mij iemand aangaan is het Albert II. Hij zit toch in het kasteel van Laken, dat met koloniaal geld omgebouwd is, zoals Leopold zijn Kongolese goudmijn gebruikte om ook een reeks andere luxeprojekten in België, handelsprojekten in China, een leger op de Nijl en Franse kastelen voor zijn lief te financieren.'

    'Leopold II was gefascineerd door de rijkdom die van Java naar Nederland was gegaan. Toen de Belgen zich van Nederland af hadden gescheurd, was dat tot ongenoegen van Belgische fabrikanten die aan Indonesië leverden. Daarom wilde Leopold II een kolonie hebben – dat brengt fortuin op! Dat heeft hij kunnen flikken door zich als filantroop voor te doen, en dat deed hij onder de vlag van die fictieve Association Internationale Africaine.'

    'In de dorpen in de Kongo weet men nog wat er allemaal gebeurd is,' zegt Marchal. 'Ik ben ooit een vrouw tegengekomen die de overlevering nog kende, dat de soldaten bij de mannen de penissen afsneden. Maar mensen als Moboetoe en Loemoemba die bij de paters gestudeerd hadden en niet meer in de dorpen kwamen, die wisten dat niet. Tot de laatste ruzie tussen België en Moboetoe was het grootste compliment dat de zwarten aan Moboetoe konden maken dat hij nu net zo groot was als Leopold de Tweede.'

    'Loemoemba heeft in 1960 met een speech in aanwezigheid van de koning en de eerste minister het spel op de wagen gezet. Dat de Belgen deugnieten waren, dat ze hen geslagen hadden en dat ze niets mochten. Maar Loemoemba had het niet over de periode van de rubber, die had het over de jaren vijftig. Want bij ons in de Kongo was volledige apartheid. De zwarten mochten niks. Die mochten niet in hotels komen, die hadden hun eigen vervoer, ze mochten geen hogere studies doen en ze kregen hongerlonen. De zwarten konden niks, zeiden wij, en die mochten niks. En er wordt hier dan wel afgegeven op de dictatuur van Moboetoe, maar weet goed: in 1959 was in Kinshasa de eerste opstand tegen de blanken en die zijn ongenadig neergekogeld. In onze tijd was er geen kwestie van betogen, hoor. Tegen de grond!'

    'Nu zegt men: de tijd van de Belgen was fantastisch, de Gouden Eeuw. Ja, voor sommigen was het de Gouden Eeuw, zoals voor de oud-kolonialen waarvan de meesten blij zijn dat het ginder nu zo slecht gaat. Het zijn geen deugnieten, hoor, die mensen zijn te beklagen. Hun carrière is daar gebroken toen de onafhankelijkheid kwam. Die smart is gebleven, dat hart is verscheurd en daarom zijn die mensen zo onevenwichtig in hun beoordelingen. Daarom zetten ze mij in hun blaadje neer als iemand die een formidabel koloniaal ambtenaar was, maar een post-koloniaal syndroom heeft gekregen. Ik ben in hun ogen een nestbevuiler, een halve zot.'

    'Ik ben wel teruggegaan naar de Kongo, maar louter als raadgever. Het was gedaan met het chicotte geven. Ook de apartheid was voorbij. Die mensen kwamen toen bij mij over de vloer en ik bij hen – ik vond dat veel aangenamer. Daarmee was ik mentaal voorbereid op de ontdekking die ik later deed, omdat ik de zwarte niet alleen als kolonialist heb gezien maar ook als mens. Dus geloof ik dat ik eigenlijk in de wieg gelegd ben om die boeken te schrijven. Ik heb de tijd van voor 1960 gekend en die van daarna, nadien ben ik diplomaat geworden in Afrikaanse landen. Ik heb gezien wat de Fransen gedaan hebben en wat de Engelsen gedaan hebben. Ik ben geen rijk mens, maar ik ben financieel onafhankelijk, dus ik hoef het niet na te laten om een job te krijgen. Weelde heb ik niet, want ik heb al mijn geld in die opzoekingen gestoken en tot het laatste boek heb ik nooit financiële ondersteuning gehad.'

    'Mijn vrienden, de oud-kolonialen, verwijten mij dat ik niets goeds kon zien in de tijd van Leopold II. Maar wat kan ik daar goed in zien? Dat systeem was slecht, daar was geen enkele goede kant aan. Achteraf is de verdienste van Leopold II dat hij de stichter van Zaïre was. Dat is dus positief, als daar iets positiefs aan is, zo'n groot land dat waarschijnlijk uiteen gaat vallen. Maar goed: dat is hem niet af te nemen, net zoals het hem niet af te nemen is dat Zaïre dankzij Leopold II vandaag de dag het grootste katholieke land van Afrika is. Maar op zich was dat alles geen verdienste: hij had een groot land nodig om veel bos te hebben om veel rubber te kunnen plunderen. Dat was dus gewoon hebzucht, vraatzucht. Overigens begrijp ik imperialisten als hij wel. Wij zijn allemaal imperialisten. Een groot land maken, dat is toch fantastisch?'

    bron : http://www.sypwynia.nl/


    lees ook andere Internet linken over dit artikel

    http://www.congoforum.be

    http://www.hbvl.be/cnt/oid185467/

    Jules Marchal heeft de misbruiken in de Belgische kolonie zelf meegemaakt.

    Van 1948 tot aan de onafhankelijkheid in 1960, was hij territoriaal ambtenaar in Lisala in de Evenaarsprovincie. «Twintig dagen per maand moesten we de brousse intrekken om de zwarten duidelijk te maken wat ze moesten doen.

    We overnachtten in een gîte d'étape.

    Die zwarten moesten weten dat wij er waren, dat we hen konden straffen. We reisden rond met zes, zeven zwarte soldaten en onze gevangenen. »

    Jules Marchal

    Gevangenen ?

    «Ja, we waren ook politierechter, we konden de zwarten die iets mispeuterd hadden ook in de bak steken. En we konden enkel gevangenen met de chicotte, een gedroogde pees van een nijlpaard laten geven. Dat was zeer vernederend. 's Morgens om zes uur moest de hele bevolking van een dorp acte de présence geven. Daarna werden de gevangenen voorgeleid. Die mannen waren veroordeeld voor onnozele vergrijpen, maar dat was pure hypocrisie. Ze kregen cel als ze hun katoen niet haalden of als hun hut niet in een perfecte staat was (parfait état de propreté). Er mocht geen sprietje gras in de buurt staan- komaan zeg. Die gevangenen moesten dan hun broek afsteken en dan kregen ze zweepslagen op de billen. In conspectu omnium, waar iedereen bijstond. Zeer vernederend was dat. Toen ik in '48 in Kongo arriveerde, kregen ze nog 8 slagen met de chicotte. In 1952 is dat verminderd tot 4 - maar dat was even erg. Daarom moesten we 20 dagen per maand de brousse in, om die cinema op te voeren. Dat is de grote leugen in verband met Kongo: onder Leopold II was alles slecht en tijdens de Belgische kolonisatie was alles koek en ei.»

    Sunlight

    Op papier leek het zo mooi. In 1911 kreeg de Britse industrieel William Lever van de Belgische koloniale overheid niet minder dan 750.000 ha Kongolese plantages in pacht. Lever bouwde op basis van palmolie, de grondstof voor zeep, een heel imperium uit. Trots als een pauw overhandigde de Britse industrieel Lever, die later als Lord Leverhulme in de adelstand werd verheven, in maart 1912 het eerste stuk Kongolese zeep verpakt in een ivoren kistje aan koning Albert I. Leverhulme, de man die de wereld Sunlight en later Lux schonk, gold als een filantroop. «Hij bouwde in de buurt van Liverpool een tuinwijk voor zijn arbeiders. Deze stad, Port Sunlight, stond model voor de tuinwijken die later in Meulenberg, Waterschei en Winterslag zijn gebouwd», zegt Jules Marchal.

    Bescheidenheid was Leverhulme vreemd. Het hoofdkwartier van de Huileries du Congo Belge was gelegen in Lusanga, nabij Kikwit. Snel werd Lusanga omgedoopt tot Leverville. Met de steun van de Kongolese Weermacht en de Belgische overheden bouwde Lever in de buurt van Kikwit immense palmolieplantages uit. Maar hoe kwam Lever, die de basis legde van de Brits-Nederlandse voedingsgigant Unilever, in Kongo terecht?

    Jules Marchal: «Hij greep naast de concessies van natuurlijke palmoliebomen in Brits West-Afrika. Die werden daar door de zwarten uitgebaat, de Britten gaven geen palmbossen in concessie. Bij ons moesten de zwarten palmnoten aan Lever leveren. Ze moesten kappen, zoniet vlogen ze de gevangenis in.»

    Lever kreeg van de Belgen niet alleen een monopolie, de Belgische autoriteiten leverden hem ook dwangarbeiders die voor een schijntje in zijn plantages moesten werken. «Lever was geen uitzondering. De administratie deed dat voor iedere colon. De zwarten moesten zogezegd niet voor een loon werken, ze moesten gewoon leren werken, omdat ze lui waren. Maar die zwarten waren geen zotten, he, als ze u niet betalen, dan werkt ge ook niet.»

    Orgie

    De zwarte bevolking kwam ook in opstand tegen de dwangarbeid in de plantages van Lever.

    Bijzonder schrijnend is het hoofdstuk waarin Marchal de strafexpeditie tegen de Pende, een plaatselijke stam in het dorpje Kilamba beschrijft.

    Bij de komst van territoriaal agent Edouard Burnotte in het dorpje, vluchtten alle mannen de brousse in. Burnotte liet daarop alle vrouwen in een hangar opsluiten. Die avond, op 14 mei 1931, liet Burnotte, die in het gezelschap van enkele andere blanken was, enkele kratten bier aanrukken. «De vijf begonnen te drinken en te zingen. Nadien lieten ze enkele vrouwen halen die in de hangar opgesloten zaten. Het werd een van die monsterachtige orgiën die legendarisch waren onder de blanke vrijgezellen in Kongo», schrijft Marchal.

    De dag nadien eiste Matemo, de man van een van de vrouwen bij chef de poste Collignon, naar goede Afrikaanse gewoonte betaling voor het nachtje vertier. Collignon siste Matemo toe dat hij kon oprotten, waarop de zwarte hem enkele klappen verkocht en enkele keren flink beet. Uiteindelijk stuurde de gewestbeheerder zijn medewerker Maximilien Balot ter plaatse om een onderzoek uit voeren. Op 8 juni arriveerde Balot bij Matemo. Tijdens een gevecht raakte Balot gewond en vluchtte het bos in. Daar werd hij door Matemo afgemaakt. Matemo zou het lijk van Balot in stukken gehakt hebben die hij uitdeelde aan de chefs en Pende-notabelen uit de buurt. De zaken liepen danig uit de hand en uiteindelijk werden 300 tot 500 Pende met machinegeweren afgeslacht.

    Dit zou een klassiek verhaal over wilde zwarten en belaagde blanken kunnen zijn, ware het niet dat minister van Koloniën Paul Crockaert in het Belgische parlement enkele vervelende vragen over deze affaire kreeg. Daarop werd de magistraat Eugène Jungers, voorzitter van het Hof van Beroep in Kinshasa, op onderzoek uitgestuurd. Uit het verslag van Jungers blijkt duidelijk dat de blanken zich bij de Pende absoluut onbehoorlijk gedragen hadden en dat de zwarten wel degelijk redenen hadden om zich tegen de dwangarbeid te verzetten.

    Typisch voor de belabberde staat van de Belgische archieven: Jules Marchal heeft het oorspronkelijke verslag van de Jungers zending niet kunnen inkijken. Hij baseerde zich dan maar op de parlementaire tussenkomsten van de socialistische voorman Emile Vandervelde die een jaar later hierover de minister van Koloniën aan de tand voelde. Marchal speelt op: «Alles wat ik schrijf is nieuw. Mijn boeken zijn gebaseerd op archieven die nooit door iemand zijn geconsulteerd, die nooit gebruikt zijn door andere historici.»

    Vandaag wordt Kongo opnieuw geplunderd, door de buurlanden Rwanda, Oeganda en Zimbabwe die hun legers naar het land gestuurd hebben. Herhaalt de geschiedenis zich? «Union Minière en de uitbaters van de Kilo Moto-goudmijnen hebben Kongo veel meer geplunderd. Ik moet lachen met wat men nu plunderingen noemt. Onze bedrijven hebben in die mijnen miljoenen verdiend.»

    Het derde deel in de reeks over dwangarbeid is pas klaar. U werkt nu aan deel vier... «Inderdaad. Het hoogtepunt hierin is de dwangarbeid tijdens de tweede wereldoorlog, de effort de guerre (oorlogsinspanning). Wat dat betreft zijn er nagenoeg geen archieven beschikbaar. In opdracht van de gouverneur-generaal droeg de procureur-generaal de parketten in Kongo op dat ze geen documenten meer moesten bijhouden, dat alles in het teken van de 'effort de guerre' moest staan. Weet ge dat ze de zwarten terug de bossen hebben ingejaagd, om wilde rubber te tappen? Omdat de rubberplantages in Maleisië en Indonesië door de Japanners bezet waren, was er plots veel natuurlijk rubber nodig. Maar de rubberplantages van Leopold II bestonden niet meer, dus moesten de zwarten op zoek naar natuurlijk rubber in de Kongolese bossen. Verder in dat vierde deel komen de dwangarbeid bij de aanleg van wegen, bij de exploitatie van tin in Maniema en van de teelt van katoen aan bod. Ik vrees echter dat ik dit boek niet zal kunnen afwerken...»

  • Info

    Ook op het internet gelden de auteursrechten. Werken die auteursrechtelijk beschermd zijn, zoals tekeningen, foto's, muziek, film en software, mag u niet verspreiden via het internet zonder de uitdrukkelijke toestemming van de auteur.
    Een auteur van een programma kan de namaker van zijn werk strafrechtelijk laten vervolgen, maar dat kan alleen als het namaken kwaadwillig of bedrieglijk is gebeurd. Niet alleen de namaker is strafbaar, ook wie namaakprogramma's voor handelsdoeleinden verkoopt, in voorraad heeft voor verkoop of invoert in België, overtreedt het auteursrecht.
    Delcol Martine