Jack Hermonier:

Ze hadden de pygmeeën wijsgemaakt dat de Dipenda op hun hutten zou neervallen in de vorm van geldstukken.

Het Donker Hart Van Afrika Ex-kolonialen over Ex-Belgisch Congo 25 jaar na de dipenda
© Getuigenissen verzameld door de auteur Gust Verwerft
Verschenen in het tijdschrift "DE POST" in 1985, ter gelegenheid van 25 jaar onafhankelijkheid. Niets uit deze webpagina mag op enigerlei wijze worden gekopieerd of vermenigvuldigd zonder uitdrukkelijke schriftelijke toestemming van de webcreator of de auteur. Ik dank Dhr Verwerft voor zijn toelating om te publiceren op de site. Indien uzelf een verhaal heeft geschreven over 1960 als reporter of journalist aarzel niet deze te laten publiceren op de website congo-1960.be Terug naar 25 jaar na de dipenda : Getuigenissen van : Jean, Ann, Madeleine, Ernest, Jos, Jack, Gusta, Piet, Gil en Bernard, Theo, Frans, Albert, Louis, André , René, Jan

Tot vier maal toe heeft Jack de dood voor ogen gezien en het was genoeg geweest. Jack Hermonier

  • Wij hebben hier voldoende geweren.
  • Waarom schieten wij niet die zwarten op de vlucht
  • De Simba’s vertrokken met nobele bedoelingen maar werden opgegeten door hun eigen revolutie
  • Ze hadden de pygmeeën wijsgemaakt dat de Dipenda op hun hutten zou neervallen in de vorm van geldstukken
  • Een planter verlaat zijn plantage niet, dat is als een kapitein op een schip
  • Naakt moesten Paters en Nonnen dansen voor de Simba’s
  • Mercenaire of Missionaire, voor de rebellen was dat hetzelfde
  • Wekenlang was ik ooggetuige van slachtpartijen

HET GROTE MISVERSTAND

Zowat twintigduizend Belgen bleven na de Dipenda in Congo. Vaak omwille van afgesneden vluchtwegen. Ook omdat zij niet alles wilden achterlaten wat ze met eigen handen hadden opgebouwd.

Jack Hermoniers uit Mechelen was één van de allertaaisten. Oorlogsvrijwilliger, Koreavechter, beroepsmilitair. In de jaren vijftig stapte hij uit het leger en vertrok einde 1957, kort na zijn huwelijk, naar de Belgische kolonie, waar Leon Pétillongouverneur-generaal was, en waar Antoon Buisseret als Minister van Belgisch Congo de duurzaamheid van de Pax Belgica waarborgde. Soldaat Jack werd colon Jack en Bwana Jack, bereid in Congo te werken in de hoop er welvarend te sterven als patriarch van een koffieplantage. Hij overleefde alles, Lumumbisten en Simba’s inclusief.

Zoals de meeste Belgen, had Jack Hermoniers er geen weet van dat in Congo, omstreeks 1957, bij de zwarten al de gedachte aan het recht op zelfbeschikking leefde en dat het kolonialisme door menig évolué niet langer als een evidentie werd beschouwd. Wie, in het moederland, had ooit iets gehoord of gelezen van de zwarte profeet Simon Kimbangu (Op de site van Phil Vandermeeren kan je eveneens iets lezen over Kibangu Simon zie verhaal GOMBE) die in de jaren twintig anti-koloniaal gedachtengoed in de dorpen kwam uitzaaien en hiervoor terdood werd veroordeeld? Gratie uit Laken en levenslange verbanning konden de groeikracht van het Kimbangisme niet meer breken.

Géén der colons die, met een aandoenlijk enthousiasme, naar Congo kwamen, beseften dat de zwarten in de steden en in de scholen ook politiek inzicht begonnen te krijgen, maar het spel niet voluit of vrijuit konden spelen om de eenvoudige reden dat er nog geen spelregels bestonden.

Vandaag heeft Jack Hermoniers al zijn illusies, plus een stuk van zijn fysieke kracht verloren. Hij is nu 58, werkt in een klein bedrijf, sukkelt met de gezondheid en maakte de kommer mee van een gestrand huwelijk. Na Congo waren er sportwinkels, een werf, een herberg op de Grote Markt, een jarenlang verblijf als gastarbeider in Arabië. Na een urenlang gesprek maakt Hermoniers bij het afscheid, de bedenking: «Eigenlijk zou ik tienmaal zo veel kunnen vertellen. Ik heb het gevoel helemaal niets te hebben verteld.

In een kil en stil huis, naait Jack Hermoniers souvenirs op. «Geen mens heeft zoveel gruwel gezien als ik, maar er is wellicht ook geen Belg in Congo die zoveel brute meeval heeft gekend als ik. Drie, viermaal leek de dood onafwendbaar. Anderen crepeerden, ik bleef leven. Waar en hoe ik telkens dat geluk had verdiend, is me tot vandaag nog altijd niet duidelijk. In 1957 had ik in gedachten voorgoed afscheid genomen van België. Ik was 30 jaar, pas getrouwd. Ik was militair geweest en een tijdlang meubelmaker van stiel, maar in de kolonie wilde ik een plantage beginnen. Vanzelfsprekend met geleend geld van de staat. Eerst de schoolhoeve van Loda doorlopen, en in oktober 1958 kreeg ik een plantage toegewezen in de Oostprovincie, in de A-zone van de Kilo-Moto, zo’n 180 ha groot, waarvan ik er een vijftigtal bebouwde met koffieplanten. De dichtst bijgelegen post was Mongwalu, zo’n zestig km verderop. Bunia, de stad, lag 400 km. verder. Volgens Congolese begrippen een boogscheut. Het herenleven van de planters!! Een mythe ! De foto toont in welke omstadigheden 
planter Jack Hermoniers de eerste maanden moest wonen en overleven. De beschaving, die was voor ons heel ver weg. Niet vergeten dat onze grond aan het oerwoud paalde. Precies in dat oerwoud woonden stammen waarmee blanken weinig omgang hadden. Dit bosvolk noemde men de Walesis. Geen mensen om een plantage te houden, of aan landbouw te doen. In dat oerwoud leefden ook de pygmeeën, die je zogoed als nooit te zien kreeg. In de periode van de Dipenda waren de Lumumbisten erin geslaagd zelfs deze mensen in hun politiek spel te betrekken. Tot mijn enorme verbazing droegen de pygmeeën lidkaarten van de Mouvement National Congolais als fetisj. Maar, méér dan erom lachen deden we niet. Wij zagen hierin geen voorteken van onheil. Met de Walisis in de buurt van de plantage, had ik al die jaren nooit problemen gehad. Ze kwamen uit de oerwouden van Ituri en hebben trouwens nooit geweten wat de Dipenda voorstelde. 30 juni 1960 was voor hen een dag als een andere. Eerlijke mensen. Ik heb mijn deuren nooit moeten sluiten. Ook niet van de magazijnen of de winkel die ik openhield.

Stelen?

Dat is een begrip dat in het oerwoud niet bestaat. Stelen is iets eigen aan de beschaving, aan de blanken dus. Geloof niet dat, voor de planters, het geld uit de hemel viel. De gronden die ons werden toevertrouwd waren terre vierge, maagdelijke gronden. Als de grond ooit bewerkt is geweest, dan hoef je niet eens te beginnen met het aanplanten van koffie. De zwarten doen sedert eeuwen aan roofbouw. Ze kappen een stuk grond vrij en de bananenplantage ontstaat vanzelf. Een stokje in de grond steken volstaat om maniok te kweken. Zodra de grond is uitgeput, maken ze een ander stuk vrij. Ze kenden allang la patate douce. Aardappelen die zo maar groeien langs de weg. Precies omdat de blanken wegen aanlegden door de brousse, groeiden overal aardappelplanten. Grote oogsten of geldgewin heb ik op mijn plantage niet mogen meemaken. Blijven werken in een land dat overspoeld werd door de Simba’s, was onmogelijk. Toen wij, volgens de gegevens op het plan, op onze concessie arriveerden, bleek daarover onduidelijkheid te bestaan. Jaren vroeger waren de terreinen afgebakend geweest met blokken van cement. Begin zoiets maar eens te vinden temidden van die overdadige plantengroei. Ik geloof dat de meeste planters die blokken nooit hebben gevonden, maar eigenlijk was dat niet belangrijk want er was overal ruimte in overvloed. Het was wel een krachttoer de contractueel toegewezen oppervlakte in cultuur te brengen.»

Een planter verlaat zijn plantage niet, dat is als een kapitein op een zinkend schip

Het leven op een plantage werd al eerder beschreven . Planters moesten in de Oostprovincie evenwel speciale leefregels in acht nemen omwille van de nabijheid van het ondoordringbare oerwoud.

Jack Hermoniers: «De taal leer je snel. Swahili is toch zo eenvoudig. Belangrijkste opdracht voor de planter: de eerste jaren zien te overleven, hopend op rijke oogsten later. Ik heb zowat vanalles gedaan om het geld te verdienen waarmee ik de zwarten kon betalen. Een kleine houtzagerij opgezet, een winkeltje gedreven, transporten uitgevoerd. De zwarten kwamen zelfs uit het oerwoud naar mijn winkeltje om zout te kopen. Honger hoefden we niet te lijden. De zwarten betaalden met eieren, kippen, ananas, enz... En wild was er overal. Elektriciteit had ik kunnen hebben, maar ik leerde te leven zonder. De maatschappij Kilo-Moto had op tien km. van mijn plantage een alluvial gehad, een bovengrondse goudwinning. Er lagen dus elektriciteitskabels, dwars door het woud. Pygmeeën zag ik zelden, ook niet wanneer ik het oerwoud introk. Zij hoorden je lang op voorhand aankomen, en hun dorpen vond je altijd leeg. Soms kwamen ze te voorschijn om zout te,halen. De Walesis waren een bosvolk dat uit de jungle kwam om een handvol
 centen te verdienen.Op de plantages maakten ze hun primitieve hutten. Ze hadden dan één der Walesis bij, want ze spraken geen Swahili.

Tot 1964 bleef ik hopen op de oogsten. Toen golfde de revolte van de Simba’s over het land. Ik was koppig, en heb alles gedaan om die plantage niet onbeheerd achter te laten. Zo ging ik zelfs soms wekenlang op een andere plantage werken, de Maitatoe, bij een Griek. Ik kon gerust de eigen plantage zo lang achterlaten, want ik had uitstekende capita’s, en bovendien kon ik op mijn zwarten rekenen. Ik had een speciaal werksysteem uitgekiend. Ik wist dat de inboorlingen, wanneer ze weten dat de blanke toch niet in de buurt is, meestal weinig of NIET werken. Ik had met hen een duidelijke overeenkomst gemaakt: ze moesten bij mij maar drie of vier uur per dag werken, in plaats van acht of negen. Ik betaalde hen toch een hele dag. Voor hen was dat een goede oplossing. Om 5 uur ‘s morgens waren ze al aan de slag en in de voormiddag keerden ze terug naar hun dorp.

Ik heb altijd willen vermijden dat, zelfs indien Congo in brand zou staan, ik mijn plantage zou achterlaten. Vertrekken betekende dat je alles zou kwijtraken. Dat is zo’n beetje als de kapitein die als laatste op zijn zinkend schip moet achterblijven. In de periode dat ik vertrok, gaf ik anderen volmachten. Wettelijk bleef ik de eigenaar van mijn plantage. Helaas, in 1970 begreep ik dat de droom voorbij was. Tèrugkeren kon niet meer, om vele praktische en ook omwille van privé-redenen. Toch heb ik de troost te weten dat de plantage nog steeds bestaat en door Grieken wordt beheerd.

Ik heb altijd geweten dat de gronden daar, na jaren bewerking, onmetelijk grote koffieoogsten zouden opleveren. ....... Dat is gebeurd, zonder mij...

Om toch maar in Congo te kunnen blijven, denkend aan de plantage, heb ik me laten aansluiten bij de KODOKIS, een soort volkspolitie, samengesteld uit blanken uit Kivu om, met het wapen in de hand de eigendommen te verdedigen. Vele raids uitgevoerd, veel mensen kunnen bevrijden, velen zien sterven. Een episode die eindigde met een schotwonde, en een gedwongen rust in België. KODOKIS, dat was een naam die de Congolezen afschrikte. Maar zonder de hulp van blanke Zuidafrikanen, noem ze maar huurlingen, zouden de KODOKIS niet zo veel hebben bereikt.

Ik bezit voldoende documenten om, wettelijk, de plantage opnieuw op te eisen. Zelfs vandaag. Maar ik kan niet meer de moeite opbrengen om een dergelijke omslachtige procedure op gang te trekken. Het zou me trouwens fortuinen kosten, en die bezit ik niet. De situatie van de plantages in de Oostprovincie was van in het begin nogal onduidelijk. Je moet weten dat, na de Dipenda, vele blanken zijn vertrokken, en niet terugkeerden. In sommige gevallen, namen wij dan gedeelten van die plantage over. Controle bestond niet meer, en de zwarten drongen er trouwens op aan de plantage niet te laten teloor gaan. Ik had een lap grond van iemand anders overgenomen, en op zijn beurt heeft mijn opvolger dat ook gedaan.

Ik moet zeggen dat de Dipenda op 30 juni 1960 ongemerkt is voorbij gegaan. Eigenlijk realiseerde ik mij pas ‘s anderendaags dat het Dipenda was geweest. Niets wees erop dat er wat zou veranderen. Behalve het gesjoemel met lidkaarten van Lumumba in het oerwoud, was van die hele Dipenda niets te merken. Het is bij ons trouwens erg lang rustig geweest, wellicht het langste van heel Congo. Het was de radio die onrust zaaide. De troebelen in Leopoldstad werden via de radio over heel Congo verspreid en veroorzaakten angst bij de blanken en agressie bij de zwarten.

Omdat ik één enkel voorteken had opgemerkt, geloofde ik niet in een ommekeer. Ze hadden de Walesis en zelfs de pygmeeën wijsgemaakt dat ze doeken op hun hutten moesten leggen, en dat de Dipenda op die doeken zou neervallen, in de vorm van geldstukken. Anderen hadden ze laten geloven dat ze gewoon naar de bank konden stappen om aan de loketten zoveel geld te vragen als. ze maar wilden. De meeste van dergelijke verhaaltjes geloofden de zwarten zélf niet, zeker niet de stamhoofden. Maar het verziekte wel de sfeer.

Na een paar dagen werden de berichten te alarmerend. Iedereen lag in die dagen met zijn oor tegen zijn transistorradio. Wij misten geen woord meer van wat op Radio Brussel werd !omgeroepen. Het werd tijd om te vertrekken...

«Wij hebben hier : voldoende geweren. waarom schieten wij die zwarten niet op de vlucht?»

Voor alle blanken werden het bange dagen en nachten. De stormloop naar vlieghavens en havensteden was ingezet. De jacht op reisticketten was die dagen de belangrijkste zorg. Zo’ n zestigduizend Belgen geraakten weg. Jack Hermoniers: «Kort na de Dipenda begon het Congolese leger te muiten. Dat betekende dat meteen in heel het land spanningen ontstonden. Je was nergens meer veilig. Niet de plaatselijke bevolking stelde zich vijandig op, wél de rebellerende soldaten. Doekas, de Griek op wiens plantage ik werkte, gaf me de raad te vluchten. Ik bemachtigde drie vliegtickets. Voor mijn vrouw, en mijn twee dochtertjes. De meisjes waren in Congo geboren. Dokter Moncarey uit Bunia was bij de bevalling aanwezig. Mijn vrouw verwachtte in die periode een derde kindje. Het werd doodgeboren. Met het allerlaatste vliegtuig naar Usumbura geraakten ze weg..

Ik bleef achter in een leeglopende stad, bijna tot de laatste man. Zelfs de Griekse winkeliers, en de agenten, van de mijn, vluchtten. Ik ben dan ook vertrokken, richting Oeganda, langs de weg naar Beni. Beni, de naam roept herinneringen op aan gruwels.

«Na zo’ n zestig km. door het woud van Beni, zie ik ineens vijftig, zestig voertuigen voor mij staan. Een vluchtende colonne uit Bunia die door zwarten werd tegengehouden. Ze stonden daar, met speren, pijlen en bogen. In de brousse. Eigenlijk onbegrijpelijk dat de blanken zich niet teweer _telden. Ze moeten angst hebben getoond, en meteen voelden de zwarten aan dat ze de toestand beheersten. Daar, in dat bos van Beni, zijn vreselijke dingen gebeurd want op deze enige weg werd de ene kolonne na de andere overvallen. Sommigen slaagden erin om, met een matabich, toch te mogen verder rijden, maar de Congolezen werden driester en driester, zodat deze toestand uitmondde op een brutale rooftocht.

De angst moet de blanken hebben verlamd, want ik weet dat er voldoende wapens aanwezig waren om die zwarte benden op de vlucht te schieten. Voor mij stonden agenten van de Kilo-Moto, met een auto vol geweren. Ik stelde hen voor een paar salvo’s in de lucht af te vuren. Dat zou volstaan om de hele stam te verjagen. De zwarten waren immers niet goed vertrouwd met het gebruik van het geweer. Voor hen was dat een tuig dat vééllawaai maakte, en om dat lawaai was het te doen. Kogels? Dat geloofden zij niet, want dat konden ze niet met de ogen zien. Een reden ook waarom veel blanken werden doodgeschoten zonder dat de zwarten het wilden.

De zwarten kwamen ook naar mijn auto om smeergeld te vragen. Ik weigerde botweg. Inzake matabiches ben ik altijd nogal kordaat geweest. Ze zagen mijn geweer, ze hoorden mijn blaffende hond, ze begrepen mijn weigering, en ze poogden me niet eens te verhinderen weg te rijden. Het eerste rondje poker met de zwarten had ik gewonnen. Naderhand heeft in dit bos van Beni het bloed bij beken gestroomd. Blanken moesten zich helemaal uitkleden, en werden naakt in de jungle achtergelaten. Van de meesten werd alles afgenomen. Het heeft geduurd totdat het Congolees leger hier de boel is komen opruimen. Alléén, met mijn hond, ben ik verder gereden. Een eindeloze tocht door het rustige Rwanda, Kenia en zo terug naar België. Na veertien dagen België verwittigde mijn vriend me dat in Bunia alles opnieuw rustig was. Hij stuurde me een vliegtuigticket op, en ik vloog opnieuw naar Congo. De gedachte aan mijn plantage was sterker dan de overweging van levensgevaar.

Bovendien, ik voelde me méér Congolees dan Belg. Ik kende de brousse en het oerwoud. Ik kon overleven, ik doorgrondde de zeden en gewoonten van de zwarten van mijn streek. Overleven in Congo, dat is niet eens moeilijk. Je moet gewoon een zwarte in huis halen. Die kent alles en je kunt op hem rekenen. Nog eenvoudiger is het aantrekken van een zwarte vrouw, een ménagère. Die vrouw kan je ook gebruiken voor andere dingen. Des raisons de santé, zoals de kolonialen dat noemden, gezondheidsredenen.. .

Bij mijn terugkeer landde ik in Leopoldstad, en daar heb ik voor het eerst kennis gemaakt met een zekere Mobutu, die toen het uniform droeg van kolonel. Hij stond in de hall om de teruggekeerden gerust te stellen. Het leger had ondertussen tijdelijk de macht overgenomen en, in afwachting, Kasavubu en Lumumba afgezet. Toegegeven, dat wekte vertrouwen. Eens in Stanleystad, was dat vertrouwen vlug verdwenen. Zeer onwillige soldaten, brutaal en wantrouwend, wilden weten waarom ik was teruggekeerd. Op dat moment besefte ik dat ik, in de ogen van de zwarte, een verdachte was. Wie keerde nu in hemelsnaam terug naar Congo als hij hier geen grote belangen had te verdedigen, of een spion was?

In Bunia wist ik meteen hoe laat het was. Ik stond aan te schuiven om een résidence af te halen, een bewijs dat ik hier mocht wonen in afwachting dat ik opnieuw naar mijn plantage kon. De zwarten moeten vanuit Stanleyville zijn gewaarschuwd, want aan “het loket werd ik met geweerkolven bewerkt. Mijn kort geknipt haar, mijn groene corduroy-broek en mijn groen hemd, mijn paspoort met vermelding ‘ex—militair’: zeer verdacht voor hen. Ze waren ervan overtuigd dat ik een achtergebleven Belgische para wás. Na de Dipenda zijn daar inderdaad Belgische para’s geland. Een vliegtuig is in die periode ook tegen een berg aangevlogen, met 50 doden. Wereldnieuws destijds. Ik geef toe, mijn kledij wekte verwarring. Ik besefte dat te laat.»

Ethiopische uno-soldaten waren grootmeesters in het ranselen.

De geschiedschrijving staat uiterst sceptisch tegenover het beoordelingsvermogen van diegenen die een contingent Ethiopiers toevoegden aan de UNO-blauwhelmen van wie tenslotte verondersteld werd dat ze in kokend Congo voor peis en vrede zouden zorgen. In een aflevering legde een tot bloedens toe geslagen Louis Vanderbruggen daarvan al getuigenis af.

Het verhaal van Jack Hermoniers daarbij ter ondersteuning:

«Omdat ik eruit zag als een para, werd ik ook als een para behandeld. Een Ethiopische patrouille haalde me uit de klauwen van. het Congolees leger en nam me mee naar hun kamp waar een delegatie van de OMS, Organisation Mondiale de la Santé, inspectie uitvoerde. Achteraf bekeken is dat, ten tweede male, mijn grote geluk geweest.

Het is eigenlijk door deze commissie dat ik niet aan de redeloze willekeur van de Ethiopiërs werd overgeleverd. Samen met hen, kon ik naar Stanleystad, waar ik in een hotel terecht kwam waar zeventig Russen logeerden. Raadgevers, zo noemden ze zich. Dagelijks werd hier vergaderd met andere zwarten, wellicht met de bedoeling Congo tot het communisme te bekeren. De broer van Lumumba zat die vergadering voor.

Na een paar weken durfde ik weer te keren naar Bunia en naar de plantage, er zouden zelfs twee betrekkelijk rustige jaren volgen, maar vooraf beleefde ik een naar avontuur met de Ethiopiërs. Tijdens een feestje kreeg ik herrie met een Ethiopische luitenant. Het was moeilijk converseren met hem, en op een bepaald ogenblik beweerde hij dat ik zijn keizer Haleï Selasïe zou hebben beledigd. Ik heb dat nooit goed begrepen, maar er vielen woorden en ik kreeg een vuistslag.

‘s Anderendaags kwamen de Ethiopiërs me aanhouden. Zogezegd om de beledigingen te wreken. Ze reden met mij naar de brousse. De luitenant daagde me uit met hem te vechten. Ik heb in Korea gevochten en keihard in een plantage gewerkt. Ik was sterk, en ik kon vechten. Binnen de minuut lag mijn tegenstander tweemaal tegen de grond. Het gevolg was dat de andere Ethiopiërs mij met geweerkolven in de rug sloegen. Binnen de kortste keren lag ik op de grond te kronkelen van de pijn maar de ranseling duurde voort. Passer au tabac, noemen ze dat in militaire vaktaal. Naderhand zag mijn rug zo blauw als inkt. Een wonder dat mijn nieren niet fataal werden geraakt. Alsof de marteling met de geweerkolven nog niet volstond, sneden ze twijgen van dik olifantengras, scherpe rietjes, en troefden me af totdat ik bloedde als een varken!

Ethiopiërs?

Ethiopiërs of Congolezen, dat is zowat hetzelfde soort, met dezelfde manier van denken. In hun ogen hadden blanken altijd ongelijk. En die werden dan afgestuurd om de blanken te beschermen!

Ze hebben me naar mijn plantage gedragen, en daar heb ik weken geleden vooraleer ik weer op de been was. Ik hield die ranseling zo stil mogelijk, want die UNO-soldaten konden me te allen tijde opnieuw komen halen.

Uit die periode onthoud ik dat, wie macht -heeft, met zijn onderdanen kan doen wat hij wil, en dat de zwakkeren zich daar meestal niet eens tegen verzetten. Neem nu Mobutu, die doet met zijn zwarten wat hij wil. Zelfs een Karel Nguza-I-Bond kruipt op zijn knieën terug. De macht van. de sterkste: och, eigenlijk geldt dat principe in de héle wereld. De UNO hield in die jaren Congo betrekkelijk rustig, althans in de ogen van de buitenwereld, maar ik wist nu tot mijn scha en schande op welke manier dat gebeurde. Ik verloor een flink deel van mijn inkomsten omdat ik niet meer durfde te werken op die tweede plantage Maitatoe. Dat zat zo: ik had een stuk woud weggekapt langs de rivier om te zwemmen en om kayak te varen. De zwarte kinderen volgden mijn voorbeeld en zwommen ook in deze rivier. Ik had hen verboden in het water te gaan als ik er niet bij was. Op een ochtend werd een zwart kind meegesleurd door een krokodil en niet meer teruggevonden. Ik werd verantwoordelijk gesteld. Ik voelde de vijandigheid bij de zwarten met het uur groeien. In Congo moet je blindelings vertrouwen op je gevoelens. zonder naar woorden te luisteren. Wellicht redde dat mijn leven, want indien ik langer op Maitatoe zou zijn gebleven, hadden ze me wellicht vermoord. . . »

«Vanaf toen groeide in mij een weerzin tegen de zwarten»

Terwijl Jack Hermoniers trachtte zijn koffieplantage tot volle rendement te laten komen, en allerhande bijverdiensten uitdacht om de zwarten te kunnen betalen, geraakte Congo tijdens de periode 1961-62-63 in de greep van de matabich . Het land zonk weg in corruptie, verval, anarchie, machtswellust. Lumumba werd vermoord, de macht van de premiers Joseph Ileo en Cyriel Adula bleek uitgehold, de Katangese afscheidingsbeweging viel stil, Tshombe capituleerde maar werd daarna opgeroepen een nieuwe regering te vormen. Even gaf dit de illusie van stabiliteit onder de evenaar, en de UNO-troepen trokken zich zelfs uit Congo terug. Omstreeks die tijd trok de gesel van de Simba’s door Congo. Jack Hermoniers: «Pas op, aanvankelijk voelden we sympathie voor de Simba’s wier bedoeling het was Congo te zuiveren van de corruptie. Want Congo was corrupt. Tot in het merg. Deze revolte startte in de suikerraffinaderijen, in de omgeving van het Tanganikameer, dicht bij de grens van Tanzanië waar de Chinezen al sedert lang linkse propaganda voerden. Ik herhaal, de Simba’s vertrokken met nobele bedoelingen, maar werden opgegeten door de eigen revolutie.

Aanvankelijk vormden zij een elitaire groep, met évolués die hun wijsheid haalden uit verblijven aan communistische universiteiten. Hun krijgers moesten dure eden zweren op het stuk van zuiverheid, discipline, enz... Maar naarmate hun triomftocht door Congo werd verder gezet, groeide hun aanhang zodanig dat ze de controle verloren op die massa. In Congo affilieert de bevolking zich automatisch bij diegenen die het sterkste lijken te zijn. In ieder dorp. sloten zich groepen aan bij de colonne Simba’s en uiteindelijk werd het de trektocht van een uitzinnige bende die zich over duizenden kilometers verplaatste, en overal een ‘bezettingsmacht’ achterliet.

De gruwels die door deze Simba’s van tweede en derde rang werden aangericht, tarten iedere verbeelding. Ik heb het zelf meegemaakt, tegen heug en meug. Gevangen in Bunia, heb ik wekenlang gezien hoe ze, ALLE DAGEN, voor het monument van Patrice Lumumba, slachtpartijen aanrichtten. De slachtoffers waren altijd zwarten, van wie ze vermoedden dat ze niet aan hun zijde stonden. Vermoedens volstonden om op de vreselijkste wijze te worden afgemaakt. Onvoorstelbaar hoeveel variaties zwarten kennen om iemand te laten omkomen. Een korte agonie werd niemand gegund. Het moest lang duren. liefst gepaard gaand met veel gehuil van pijn en doodsangst. Ik heb gezien hoe ze iemand vastbinden en met stokken doodsloegen, na eerst de ogen uit de kassen te hebben gesneden. Een vast ritueel was ook het afsnijden van geslachtsdelen. Deze gruwel duurde vele uren. en daarmee was de hele voormiddag gevuld. Tien, twintig lijken per dag, leverde dit op. Rond het monument lagen ingewanden, afgehakte ledematen, andere lichaamsdelen. De ergste folteringen waren voorbehouden aan de Katangese gendarmes, het eliteleger dat Tshombe trouw was. Wekenlang heb ik dat dagelijks moeten meemaken, meestal met dichtgeknepen ogen, maar oren bedriegen niet. Daar kreeg ik een afkeer van de zwarten... Ik zou terugkeren. Als huurling!»

Nadat hij gedurende weken door de Simba’s gedwongen werd dagelijks folteringen en terechtstellingen bij te wonen, begon bij Jack Hermoniers uit Mechelen opnieuw het strijdershart te kloppen. Als ex-militair met indrukmakende dienststaat, had hij in de Oostprovincie gepoogd een plantage op te zetten. Net toen, na jaren geduld en wroetwerk, de plantage zou beginnen renderen, rolde de golf van de Simbarevolte over Congo.Hermoniers viel in de handen van de Simba’s, ontsnapte driemaal aan de dood, maar overleefde. In een opwelling sloot hij zich eerst aan bij de Kodakis, een blanke volkspolitie in Kivu, en vervolgens bij de huurlingen. die de opstand verder uitroeiden.

“Affreux”  in de brousse. 
Blanken brachten de zwarten militaire strategie bi Jack Hermoniers dacht dat het ergste voorbij was Totdat de Simba’s in Bunia kwamen. Hij vertelt: «Een eerste maal had het Congolees leger, samen met de Katangese gendarmes, een Simba-aanval op Bunia afgeweerd. ‘Afgeweerd’ is een groot woord. Men had eenvoudigweg een brugje laten ontploffen, zodat de Simba’s niet verder konden met hun vrachtwagens. Zonder die vrachtwagens rukten ze niet meer op, hoewel dat best had gekund. Opnieuw vrouwen kinderen, via Oeganda, weggestuurd. In ons binnenste rekenden we misschien op Belgische valschermspringers. Met die hoop liep ik alleen, totdat ik Gerard Segers ontmoette. Een Brusselaar van het groothandelsbedrijf Interfina. Niet precies wetend wat Simba’s waren, bereidden wij ons voor op een inval. In een huis hadden we een vals plafond gemaakt, om ons te verstoppen. Matrassen, eten, drinken. Het Congolees leger was hier in grote getale aanwezig, zodat een overrompeling niet voor de hand lag. Weggeraken konden we niet meer. Allang niet. Men weigerde ons een pasje te geven. Bunia was omsingeld. Op de radio hoorden we vanuit het Flageyplein dat Belgen, en voornamelijk Vlamingen, het mikpunt waren van de rebellen. Onze angst nam toe.

Twee dagen later, op een namiddag. Ineens overal geweerschoten. In de lucht. Gewoon kwestie van met lawaai indruk te maken, want nergens hoorde je kogels inslaan. Ineens zie ik in de brousse alle zwarte politiemannen en soldaten weglopen. Een wilde vlucht, zonder omkijken, en met achterlating van alles. De doodsangst voor de Simba’s had hen te pakken. Wij begrepen het nog niet.

Bunia was eigenlijk één grote straat. Wij konden dus niet anders dan de horden Simba’s zien voorbijtrekken. Dat had helemaal niet meer het uitzicht van het min of meer geregelde leger dat ooit aan de Tocht der Revolutie was begonnen. Vanachter het raam, zagen we de schrikwekkende optocht van halfnaakte, beslijkte, stinkende, krijsende en huilende Simba’s. Sommige droegen geweren, moeiteloos opgeraapt na de vlucht van het Congolese leger. Ineens zie ik één van de leiders stoppen, en in de richting wijzen van ons huis. Wij schrikken op, vergeten het vals plafond, springen door het raam achteraan, en hollen de brousse in. Wij wisten toen nog niet dat Simba’s, volgens hun bijgeloof, de rechte weg niet mochten verlaten, en dus zelden iemand achtervolgden in de brousse. Ze moesten rechtdoor gaan, anders hielden ze op onkwetsbaar te zijn. Naderhand heb ik die regels met een korrel zout genomen. Zo mochten ze ook niet met een vrouw slapen. Behalve wanneer het ging om een jong meisje dat nog geen maandstonden had gehad. We bleven in de brousse, tot ‘s nachts. In de verte zagen we Bunia, waar het lawaai nooit ophield. ‘s Nachts kroop ik, op handen en voeten, tot bij een Grieks hotelletje. De patron was bont en blauw geslagen, maar leefde omdat hij had kunnen bewijzen dat hij geen Belg was...»

REVOLUTIE MISLUKT

«We hadden geen andere keuze dan terug te keren naar huis, en te wachten. Mijn ervaring had me geleerd dat in Congo stemmingen en toestanden plots helemaal kunnen veranderen en dat, na een paar moeilijke uren, de situatie naderhand meestal opgeklaard is. Dat klopte want men liet ons met rust. Het huis was trouwens niet betreden.

Op een ochtend hoorden we glas breken. Jack's zelf gebouwde huis: Na enige maanden had hij een bakstenen huisje kunnen optrekken en 
hij zou dit gedurende tien jaar met hand en tand verdedigen. We renden ditmaal naar de schuilplaats, boven het vals plafond. Simba’s doorzochten het huis. We hoorden ze kasten doorsnuffelen. Toen gingen ze weer weg. Ik ben ervan overtuigd dat ze aanvoelden dat in dat huis mensen verborgen zaten en dat hen dat zelfs beangstigde... Toch waren er al dagelijks slachtpartijen aan het monument van Lumumba. Bunia is zowat de laatste grote verovering geweest van de Simba’s. Van dat moment af begonnen ze zware verliezen te lijden, en de berichten daarover maakten hen razend. Ik zou anders ook geen verklaring weten voor de gruweldaden. ‘s Avonds vielen ze opnieuw het huis binnen. Ditmaal konden we niet meer vluchten. Opnieuw stond het geluk naast mij, want één van die Simba’s herkende me, en informeerde beleefd naar de gezondheid van mijn vrouw die, in België, dagelijks in panische angst naar de nieuwsbulletins over Congo luisterde. In december 1964 begonnen de Simba’s te begrijpen dat hun revolutie mislukt was. In Bukavu hadden ze enorme verliezen geleden.

De generaals en kolonels van de Simba’s konden de onafwendbare nederlaag alleen maar verklaren door te verwijzen naar de tussenkomsten van mercenaires, huurlingen. In het Swahili kon je dat woord niet vertalen, net zomin als missionnaires. Zo is naar mijn gevoelen het grote misverstand ontstaan. De Simba’s werd wijsgemaakt dat mercenaires. en missionnaires precies hetzelfde waren. Ik begrijp dat wel, in het Swahili kan je dergelijke nuances niet leggen. Meteen was het grote misverstand gelanceerd, en begon een redeloze jacht op het blank personeel der missieposten.

In Bunia werden de paters en nonnen met enige agenten van Kilomoto, mijn vriend en ikzelf, bijeen gebracht in het hotel van Papanogovitz. Met zo’n zestig, zeventig bange mensen in een plaats die drie, viermaal zo groot was als een woonkamer. Een gijzeling. Hier heersten onvoorstelbare toestanden op het stuk van hygiëne en privacy. Ik praat daar niet over, anders wordt het me te machtig. Het is bekend dat de haat van de Simba’s geconcentreerd was op de Belgen. Anderen mochten zich vrij bewegen. Zo had hun beruchte Generaal Olenga, gesteund door politici als Soumialot en Gbenye, het hen voorgehouden. Aan voedsel was geen gebrek. Andere missionarissen, of personeelsleden van Kilo-Moto brachten ons te eten. Maar wie heeft er appetijt in zo’n omstandigheden?

Het duurde niet lang of de dronken Simba’s vonden voor ‘s nachts een leuk tijdverdrijf. Ze verplichtten de nonnen en paters van de missie naakt voor hen te dansen. In hun ogen de grootste vernedering die men een blanke kan laten door:toon...»

CELIBAAT

Weken zaten wij in dat hotel terwijl, hoog boven onze hoofden, een politiek spel werd gespeeld. Plots mochten alle Belgische personeelsleden van de Kilo-Moto vertrekken. Zonder verdere uitleg. De geestelijken, mijn vriend en ikzelf, twee zelfstandigen met een onduidelijk statuut, moesten blijven. Je voelde de motivatie van de Simba’s verminderen, maar er bleef een harde kern bestaan. De broer van Olenga kwam met zijn aanhangers naar Bunia, waar ze betrekkelijk veilig waren. Olenga en zijn trawantan trokken zich er helemaal niets van aan dat de vijandschap tussen blank en zwart was geluwd, en dat wij als gegijzelden begrip voor het standpunt der Simba’s hadden betoond. ‘s Nachts kwam Olenga naar het hotel en koos dan missiezusters uit om hem terwille te zijn. In zijn denkwereld hanteerde hij geen begrippen als ‘verkrachting’, ‘celibaat’ of ‘eer’. In vorige nachten had ik meegemaakt hoe paters en zusters erin slaagden opgehitste zwarten op de vlucht te jagen. Gezamenlijk begonnen ze te krijsen. Dat maakte zo’n lawaai dat geen enkele Congolees dat kon verdragen. Olenga maakte daar korte metten mee. Zodra het geroep begon, schoot hij zijn geweer leeg op het weerspannige nonnetje. Bij mezelf heb ik toen gedacht dat de strijd verloren was. Het enige wat me nog interesseerde was te weten wanneer en hoe ik zou sterven, Dat ik zou worden afgemaakt leek me een zekerheid. ‘s Morgens moesten we, in een lange rij, aanschuiven op het koert je achter het hotel om afgeranseld te worden. Naakt, zodat de zwarten de uitwerking van hun zweepslagen beter konden zien... Broeders en zusters ondergingen mede deze vernederende foltering.»

HORRORFILM

«Ik heb toen alles op alles gezet. Ik knoeide aan mijn paspoort en verving ‘Belg’ door ‘Brit’. Een doorzichtig smoesje waar normaal niemand zou intrappen, want mijn paspoort was door België afgeleverd. Men zal me niet geloven, maar alweer werd ik gered door het geluk. Ik kreeg de kans met één van de chefs te spreken op het moment dat ik stond aan te schuiven voor mijn portie zweepslagen. ‘Ik ben een Fransman’, zeg ik tegen hem, ‘waarom doen jullie dot, en wat heb ik daarmee te maken?’. Hij geraakte overdonderd, bekeek mijn paspoort. Ik merkte dodelijk dot hij niet kon lezen. ‘C’est bon’, zei hij, ‘de Fransen zijn onze vrienden. Charles de Gaulle is onze bondgenoot. ‘ “De gruwels die werden aangericht tarten elke verbeelding.
Onvoorstelbaar hoeveel variaties zwarten kennen om iemand te laten omkomen.
Gevangen in Bunia, heb ik gezien hoe ze mensen de ogen uit de kassen staken
 en hun lichamen aan stukken hakten.
Zo heb ik een afkeer voor zwarten gekregen Toch werd het nog even benauwend, want hij nam mij mee naar de Sûreté, om een bewijs te halen dat ze mij voortaan met rust moesten laten. Die bediende kon wél lezen, en doorzag de bedoeling. Mijn bewaker wilde evenwel niet toegeven dat hij ongeletterd was en beval mij vrij te laten. Wat er met die missionarissen is gebeurd, dat weet ik niet... en dat wil ik ook niet weten... Ik heb getracht te ontkomen. Eén van de Simba-kolonels, die er ook genoeg van had nam ons mee in zijn vrachtwagen. We poogden de overkant van het Albertmeer te bereiken, maar dat is niet gelukt. Congo was één groot bloedbad. Twee miljoen dode zwarten? Het is.een voorzichtige raming. Ik heb eens kilometers en kilometers gereden langs een weg vol lijken. Beelden als uit een horrorfilm. Op de vluchtweg stuitten we op een groep Simba’s. We dachten dat de brousse veilig was omdat zij zoals gezegd de weg niet mochten verlaten. Ze volgden ons toch. Het waren namelijk leden van de Jeunesse van Lumumba die zich bij de Simba’s hadden aangesloten, maar niet dezelfde gedragslijn moesten volgen. We hadden afgesproken vol te houden dat we Russen waren, omdat we meenden dat de zwarten ons niet als vijanden zouden zien. Maar ze waren slimmer dan we dachten. Ons paspoort loog er trouwens niet om. We werden voor een volksrechtbank gesleept. Buiten stond een krijsende menigte die, zoals vroeger bij de Romeinen, onze dood eiste en aankondigde ons hart te zullen opeten. Op het moment dat wij als spionnen aan de afslachting zouden worden overgeleverd, slaagden de Simba’s er niet in telefonisch in contact te treden met hun hoofdkwartier in Bunia. Dat stemde tot ongerustheid en bange voorgevoelens bekropen ben. We werden even ongemoeid gelaten. Ze hadden blijkbaar belangrijker dingen aan het hoofd dan ons langzaam te laten creperen. Toen een paar minuten later, de telefoonverbinding met het nabijgelegen Bunia hersteld was waren het niet meer HUN mannen aan de andere kant van de lijn, maar soldaten van het Congolese leger in opmars. Een halfuur later was in heel de streek. geen Simba meer te zien! Een film met zo’n scenario zou ik zelf niet geloofwaardig vinden. Nochtans, ik heb zoiets zélf meegemaakt.»

Zuiveringen

In gevechtstenue verbleef Jack Hermoniers nog jaren in Kongo. Jack Hermoniers had op dat moment kunnen ineenstorten van de doorstane emoties. Maar hij reageerde precies op de tegenovergestelde wijze. Hij vertelt: «Dadelijk werd de sfeer anders. De bevolking bracht kleine geschenkjes naar de blanken. Eieren, ananas, vruchten. De bekende reactie. Zwarten schikken zich dadelijk naar diegenen die de macht hebben. Na het verdrijven van de Simba’s waren dat, in hun ogen, opnieuw de blanken, het Congolees leger of de Katangese gendarmes. De bedoeling was doorzichtig. Ze rekenden erop dat de blanken hen bij het Congolees leger niet zou aangeven als handlangers van de Simba’s. Het Congolees leger, het ANC, had er sedert kort een onderafdeling bij: de KODOKIS, samengesteld uit blanken van de plantages, of anderen. Mensen bezeten van de gedachte de streek uit te zuiveren. en have en goed ditmaal met het wapen te verdedigen. Ik heb me spontaan bij hen aangesloten. Eerst voor een paar weken, daarna . op een meer geregelde wijze voor een duurtijd van zes maanden. Ik heb verscheidene operaties meegemaakt. Mij was het niet te doen om geld of bezit, wel om blanken te bevrijden. Het feit dat de wegen opnieuw open waren, sloot niet uit dat er nog overal kernen van Simba’s waren die wellicht blanken gegijzeld hielden.

Er waren ook Zuid-Afrikanen bij, meer een geregeld eenheid van getrainde troepen onder leiding van kolonel O’Hara. Maar dat is een ander hoofdstuk, waarover ik niet praat... Ik kende de streek, en zeker de wegen. In de meeste gevallen trad ik op als gids.

Op een bepaald ogenblik werd de toestand hoogst verward, tengevolge van het politieke spel. De Katangese gendarmes vochten aan onze zijde. Maar toen werd Moïse Tshombe afgevoerd uit de arena. Dat was in november 1965, de maand waarin Mobutu de macht overnam. Op dat ogenblik waren de Katangese gendarmes, die al jaren meevochten, niet alleen overbodig maar zelfs een bedreiging geworden voor het Congolese leger. Door allerlei intriges werden de Katangese gendarmes van bondgenoten plots vijanden. Dat zijn treurige en dramatische toestanden geweest... Bij de KODOKIS deed ik verkenningen en operaties in de zones van Kilo-Moto, wat meteen betekende dat ik opnieuw dicht bij mijn plantage was.

Eén van de eerste bevrijdingsacties die ik uitvoerde had te maken met blanken die zich hadden verstopt in een goudmijn. Zij waren omsingeld door Simba’s die evenwel niet in de mijn durfden af te dalen. Dat is vlot verlopen, en de blanken kropen dolgelukkig uit de mijn waar ze al weken hadden verscholen gezeten. Een andere operatie is mislukt. Het was toen Kerstmis 1964. Vier mannen en een vrouw werden gegijzeld door Simba’s in een farm van de Kilo-Moto, waar ze dieren kweken. We kwamen te laat. De aanblik van de verminkingen was vreselijk. Weinige beulen zouden zo’n doodstrijd kunnen uitdenken. In januari 1965 geraakte ik gewond in Mongwalu. Kogel in de schouder. Acht dagen ziekenhuis in Leopoldstad, daarna herstelperiode in België.

Omdat zulke acties toch door een of andere verzekering moeten worden gedekt, heb ik een vast contract getekend bij de KODOKIS, zij het dan dat het enthousiasme van de idealisten stilaan moest wijken voor de doeltreffendheid van de goed geprofileerde, militaire actie. Ik hield me bezig met de opleiding van zwarte soldaten van het Congolees leger. Dat verliep vlot, want ik kon terugvallen op mijn ervaring als militair.»

Infiltraties

Na dit contract, en na een nieuwe verwonding, heb ik een overeenkomst van één jaar ondertekend, als huurling. In die periode was dat niet zo moeilijk. Het bleef altijd mijn bedoeling om, hoe dan ook, in Congo te kunnen blijven, en mijn plantage te redden. Zelfs in die periode heb ik de gedachte daaraan nooit opgegeven. Congo was rustiger geworden. De rebellie was neergeslagen. Maar toen begonnen de problemen met de Katangese gendarmes. Die mensen werden derwijze gemanipuleerd dat ze niet anders meer konden dan in opstand komen. Zo was er meteen een officiële reden voorhanden om deze rebellie bloedig neer te slaan.

Er waren ook infiltraties uit het buitenland waartegen moest worden opgetreden.

Ik ben karig met vertellingen over mijn huurlingentijd. Dat is logisch. Het is een vaste regel dat daarover niet wordt gesproken. Maar het is ondertussen wel een publiek geheim dat ook de CIA heeft meegevochten. Tegen de Cubanen van Fidel Castro die in Congo opereerden.

Ik heb altijd geprobeerd van het échte battlefield weg te blijven, en voor andere opdrachten te worden aangewezen. Dat lukte vaak, zoals in de periode dat ik met een schip op het Kivumeer moest patrouilleren. Eigenlijk voelde dat zo’n beetje aan als vakantie. Het feit dat ik de taal van de streek sprak, was mijn grote troef.

Ik leefde met de angst zwaargewond te zullen worden, en als een kreupele door het leven te moeten gaan. Die angst verhinderde niet dat ik opnieuw werd geraakt. Kogel in de hals. bij de gevechten in de buurt van Watsa.

In december 1966 werd ik naar België overgebracht. Dat betekende ook het einde van mijn verblijf in Congo. Dat wist ik toen niet, want ik bleef erbij dat ik, als de rust eenmaal was hersteld, zou terugkeren en mijn leven als planter weer zou opnemen. Uit brieven wist ik dat mijn plantage niet was verkommerd, en dat de koffieoogsten groter werden. De droom ooit een eigen koffie fabriek te bouwen bleef ik koesteren. Maanden, daarna jaren, leefde ik met het gevoelen maar tijdelijk in België te zijn, en eerlang te zullen kunnen terugkeren. Mijn kinderen waren groter geworden, en zij waren zeker niet aangetast door het Congosyndroom. Hun toekomst lag hier. Naarmate de jaren voorbijgingen heb ik me bij het onvermijdelijke neergelegd. Ik zal Congo niet meer weerzien. Die plantage behoort mij nog steeds toe, maar de Grieken hebben ze overgenomen, en nu hoor ik ook allang niet meer van hen. Hier zit ik nu, met een plastic-zak vol kleine portretjes en enige officiële documenten die mij bewijzen dat ik het allemaal niet heb gedroomd.....

Blauwdrukken.

Jack Hermoniers had niet gedroomd.

Toen hij in januari 1967 te Mechelen een handelszaak opzette van polyesterschepen, was in Congo de grote schoonmaak bijna voorbij. De hoofdrolspelers uit de Dipenda-thriller verdwenen, één na één. Moïse Tshombe was, ondanks een eclatante verkiezingsoverwinning, sinds januari 1966 weg uit Congo, en verbleef in Spanje. De architect van de Katangese afscheiding overleefde zijn ballingschap niet. President Joseph Kasavubu, nog een sterke figuur uit de periode na de Dipenda had in november 1966 het meesterschap van de nieuwe grote man Mobutu erkend, en zich bij zijn eigen afzetting neergelegd. Bijgevolg zweeg ook de oppositie van de Bakongo. Oud-premier Evarist Kimba werd, samen met andere ex-ministers in juni 1966 te Leopoldstad publiek opgehangen nadat hij naar Congo was teruggekeerd omdat hem amnestie was beloofd.

De terechtstelling gebeurde ondanks het genadeverzoek van het Westen. Een afschrikwekkend voorbeeld voor alle zwarte politici die zich voortaan niet goedschiks bij het regime van Mobutu zouden neerleggen. De rol der blanken leek uitgespeeld. Althans op de openbare tribunes. Achter de schermen lagen de blauwdrukken van allerhande strategieën gereed om te verhinderen dat de navelstreng tussen Brussel en Leopoldstad zou worden doorgesneden.  

© 2002 Gust Verwerft - Congo-1960

BUISSERET Auguste : Hier herinneren we ons aan de activiteiten die de vrijmetselarij in de jaren vijftig in Belgisch Congo ontplooide met de steun van de toenmalige minister van kolonies Auguste Buisseret. De vrijmetselarij had natuurlijk het volste recht haar geestesgenoten in de kolonies te groeperen. Zodra vrijzinnige tendensen onder de kolonialen aan de oppervlakte kwamen, stootten zij evenwel op de argwaan en de tegenstand van hun overwegend katholieke landgenoten, niet het minst van de missionarissen.

De Simba's: «De VN heeft op beslissende wijze de coup van Mobutu gesteund door massaal soldij en voedsel ter beschikking te stellen van zijn troepen. Mobutu beloofde de soldaten uit te betalen op voorwaarde dat ze zijn kant kozen, tegen Lumumba.» Veto: Mobutu heeft dan later ook Tshombe uit de weg geruimd. Waartoe diende dat dan? De Witte:«Dat is vier, vijf jaar later gebeurd. Na de likwidatie van Lumumba en andere nationalistische leiders, dreef het regime op de militaire macht van Mobutu. Er werd wel gepoogd een parlementaire façade op te trekken, maar veel stelde dat niet voor. Maar onderhuids bleef het ongenoegen over het nieuwe bewind van Mobutu en Kasavubu bestaan, en dat heeft dan geleid tot een gigantische volksopstand in '64. Op een periode van enkele maanden hebben de rebellen, de Simba's, tweederde van het land veroverd. Op dat ogenblik heeft Mobutu Tshombe heropgevist, samen hebben zij huurlingen ingeschakeld en is er een Belgisch-Amerikaanse interventie op gang gekomen.» «Vanuit het zuiden van Katanga is een heroveringsoperatie begonnen met een gemechaniseerde brigade, waar ongeveer driehonderdvijftig Belgische officieren aan deel genomen hebben, met steun van huurlingen. In een zee van bloed hebben zij het land heroverd. De konservatieve schattingen gaan over honderdduizenden Congolezen die vermoord zijn, ernstige auteurs zeggen dat misschien wel een miljoen mensen vermoord is. Die terreur heeft gemaakt dat de bevolking volledig platgeslagen, gedemoraliseerd was en dat Mobutu definitief zijn diktatuur kon vestigen. Hij heeft de politieke klasse opzijgeschoven en openlijk de tweede republiek uitgeroepen, die eigenlijk nog tot op vandaag voortduurt. Dat bloedbad wordt echter doodgezwegen.» Analyse van : Benny Debruyne en Martijn Graumans (VETO)

Matabich : soort steekpenningen gegeven aan zwarten om alles in goede banen te leiden meestal om toezicht te houden op eigendom of om vlugger door de administratie formaliteiten te geraken

Ongehoorzaamheid was er ook ten opzichte van het centrale gezag en zijn economische politiek die tot doel had de prijsschommelingen binnen de perken te houden. Interfina, Noguéra en de Sedec hadden ondanks het tegenbericht van hun respectievelijke zetels in Brussel, hun prijzen laten woekeren. De Gouverneur-generaal, die duidelijk geërgerd was omwille van het “tweede verraad”[312] van de Sedec, had gedreigd met een ordonnantie die hem zou toelaten de aanwezige stocks aan te slaan indien ze hun prijzen niet binnen de afgesproken marges houden. De bedrijven moesten bijdraaien en Ryckmans voerde zijn strijd tegen de speculatie verder. Hij solliciteerde voor een scherpere controle over de moederhuizen in Brussel, duidelijke afspraken en als het moest een ordonnantie die aantoonbare prijsmisbruiken zou bestraffen.[313]

SiteLock
share this - partager le site - deel dit document

About Us | Contact | Privacy | Copyright | Agenda  
Ook op het internet gelden de auteursrechten. Werken die auteursrechtelijk beschermd zijn, zoals tekeningen, foto's, muziek, film en software, mag u niet verspreiden via het internet zonder de uitdrukkelijke toestemming van de auteur. Delcol Martine