Kolwezi 1978.

Heimwee naar Afrika

Kolwezi 1978

De Standaard Magazine 22 april 1998

Dankzij het ontvangen van fotos van Kolwezi 1978 kan U een exclusieve reportage lezen en video bekijken over de evenementen van Kolwezi 1978
Al deze artikels zijn verschenen in kranten of tijdschriften en zijn me toegestuurd per e-mail waar mogelijk heb ik de bron weergegeven. Gelieve mij te contacteren indien het artikel niet conform is met de auteursrechten

De roep van de Tropen

Gerepatrieerd uit Afrika maar ons leven blijft daar.

Kolwezi Dhr Vergaerden Op de buffetkast staat een kegelvormige, zilveren pot. Een verkleinde versie van een speciale kan waarin de Ruandezen hun melk bewaren. Enkele jaren geleden brachten Marianne en Jacques het voorwerp mee uit Luanda en lieten het voor alle zekerheid in hun appartement in België. "Sinds 1990 zijn we heel wat voorzichtiger geworden", vertelt Marianne. "Alle waardevolle dingen hebben we systematisch naar hier gehaald, uit voorzorg. Ook souvenirs, fotoalbums, alles wat we absoluut niet wilden achterlaten in Rwanda bij een overhaast vertrek." Marianne verbleef bijna haar hele leven in Kigali. Ze leerde er Jacques kennen, die als kind in Zaïre woonde en na zijn studie in België als koöperant naar Rwanda vertrok. Ze trouwden, kregen kinderen en bleven in Kigali wonen. Ze praten over hun leven daar, over de Afrika_koorts en de hetze tegen de a..l_en. Ze willen wel anoniem blijven, want ze willen nog terug. En ze vrezen dat hun Rwandese personeel het zal ontgelden.

Leo Michiels en Rita Vergaerde, zestien jaar geleden geëvacueerd uit Kolwezi: "Het komt allemaal terug."

In hun appartement in het Brusselse proberen Marianne en Jacques te wennen aan het leven in België. De telefoon staat al dagen niet meer stil. Gerepatrieerden en Rwanda-anciens die allemaal willen weten hoe het met hen gaat. De blanke Afrikanen blijven elkaar opzoeken om het heimwee een beetje te verdrijven. "Net zoals in 1990", herinnert Marianne zich. Dat jaar werd ze voor de eerste keer geëvacueerd. Begin oktober vielen FPR-rebellen vanuit Uganda het noorden van het land binnen. In de nacht van 4 op 5 oktober zwegen de geweren in Kigali geen minuut. "Gedurende de tientallen jaren dat ik daar woonde, had ik zoiets nog nooit meegemaakt",. vertelt Marianne. "Ik was ontzettend bang. Toen de para's mensen wilden evacueren, stond ik onmiddellijk klaar. Ik slaakte een zucht van opluchting toen ik Belgisch grondgebied onder mijn voeten voelde."

Na een jaar ging ze toch weer terug. Het leven in België viel het allemaal niet mee. "Het WM hard. Het leven is hier zo anders. Alleen al het klimaat. We wonen daar met de deuren open, in een huis met een tuin en dieren. In Afrika heb je zoveel minder stress dan in Europa. Om vijf uur stop je met werken en ga je naar vrienden, je drinkt iets, doet veel' aan sport, maakt een praatje. Het sociale leven is daar heel actief. Dat komt natuurlijk doordat je ver van je familie woont en dus hangen de Belgen heel erg aan elkaar. Je kent daar ook heel veel mensen. Hier in het appartementsgebouw weet je niet eens wie je buurnan is." Hun kinderen wonen en werken al jaren in België. Jacques: "Ik zei altijd legen de kinderen: Wij zijn hier gebleven. Een beetje per toeval. Jullie moeten jullie leven niet op Afrika richten.' Men vroeg me als koöperant in Rwanda te werken. Ik dacht eerst: dat is goed voor enkele jaren. Maar het werden er vijf, tien, uiteindelijk mijn hele carrière. En als je ergens veertig jaar leeft, stel je niet meer de vraag: waarom hier en niet elders? De kinderen hebben we altijd duidelijk gemaakt dat ze Belg waren, en geen Afrikaan. Ik drukte hen op het hart een studie te kiezen waar ze ook in België werk mee konden vinden."

Marianne: "We hebben de banden met België nooit helemaal verbroken. We waren redelijk voorzichtig. Investeerden nooit al ons kapitaal in Rwanda en al 25 jaar hebben we in het Brusselse een appartement. Je wist maar nooit. We hielden altijd rekening met de mogelijkheid dat we gedwongen zouden worden naar België terug te keren. Onze kinderen gingen in Kigali naar de Belgische school, maar voor hun universitaire studie kwamen ze naar België. Ik reisde in die jaren dikwijls door Europa. We dachten er soms wel over terug te komen. Onze oude dag wilden we zeker in ons vaderland doorbrengen. Maar in ons achterhoofd zat altijd: terugkeren, oké, maar het liefst zo laat mogelijk."

Jacques, bleef tijdens de burgeroorlog in 1990 in Rwanda: "Als je werkt rond mensenrechten, als je wetteksten helpt schrijven en het land mee uit het slop haalt, dan vertrek je niet zo gemakkelijk. Je wilt de resultaten van je werk zien. Je hebt het gevoel dat je iets kunt realiseren, dat je een volk kunt helpen. Daarom is het nu zo'n desillusie. Je dacht iets op te bouwen en nu is alles vernietigd. Waar zijn de mensenrechten in dat alles? Ze hebben ze verraden." Jacques kan de ontgoocheling niet verbergen. Maar hij wil terug. Zo snel mogelijk. "Ik heb de moed niet verloren. We moeten nazien wat we kunnen redden en dan wil ik opnieuw helpen met de heropbouw. " Jacques beseft wel dat de situatie in het voormalige mandaatgebied er zelden zo slecht heeft uitgezien. "Het is niet te vergelijken met de burgeroorlog in 1990. Die morgen van de 5de oktober merkte ik dadelijk dat er iets niet in orde was. Buiten was niets, maar dan ook niets kapot, hoewel soldaten een hele nacht, zelfs vlak voor mijn deur, hadden geschoten. Alleen een verdwaalde kogel door mijn auto. Ik dacht: dit is maskerade. Later bleek ook dat het theater was om een psychose van angst te creëren en zo de arrestaties van de volgende dag te rechtvaardigen. De oorlog beperkte zich tot het noorden, nu heerst de terreur in het hele land.

Er is kritiek op het Belgische Rwanda-beleid, vooral uit Franse hoek. Er is toch iets wat men zich moet herinneren. In 1990 zijn alle koöperanten vertrokken. De mensen van de EG, de VN, de Fransen, de Duitsers. Alleen de Belgen zijn gebleven. Dat ze mij niet komen vertellen dat België Rwanda heeft laten vallen. De burgeroorlog was wel het begin van de hetze tegen de Belgen, en de Fransen spelen daar een belangrijke rol in. De Franse en Belgische para's landden in Kigali om de mensen die wilden te evacueren. Na een maand trokken de Belgen zich terug. Hun humanitaire missie zat erop. De Fransen zijn gebleven. Zij schaarden zich achter de Rwandese regering en het leger. De Belgen hadden een andere politiek, een van neutraliteit, maar de Ruandezen voelden zich in de steek gelaten door hun Belgische vrienden. Toen Belgische blauwhelmen in Rwanda aankwamen, hitsten de Fransen de Ruandezen op. 'Laten jullie dat zomaar gebeuren?' vroegen ze. 'Gaan jullie niet demonstreren tegen de Belgen?' Een oudgediende uit Rwanda, die nu in Frankrijk woont, telefoneerde mij enkele dagen geleden. Hij was geschokt door wat de Franse kranten schrijven. Ze geven hun versie van de feiten: 'De Belgische para's zijn aangekomen, maar ze gaan Kigali niet binnen, want daar is het gevaarlijk.' Berichtgeving Franse stijl.'.'

Het geweld in Rwanda is heviger dan ooit en de relatie met België was nooit zo slecht. Sommige van de gerepatrieerden die vorige week in Neder-Over-Heembeek aankwamen, hebben zo'n afkeer dat ze niets meer met Afrika te maken willen hebben. Maar Marianne en Jacques willen zo snel mogelijk terug. Marianne: "We lieten er ons leven achter. Niet zozeer materieel, maar al onze vrienden, zowel Tutsi's als Hutu's. Ik hou van de Ruandezen en van ons leven daar. Ik wil geloven dat ik nog terug kan. Als iemand me nu met zekerheid zou zeggen dat dat onmogelijk is, dan krijg ik een depressie." Jacques: "Als de levensomstandigheden aanvaardbaar zijn, gaan we terug. Als de veiligheid gewaarborgd wordt, en als er een gezag is dat de orde kan handhaven. De lastercampagne tegen de Belgen is niet meer- dan een koortsaanval. Ruandezen zeiden me op het vliegtuig: 'Meneer, we weten dat de Belgen onze president niet hebben vermoord, maar dat de Ruandezen het zelf gedaan hebben.' Ik moet terug naar Rwanda, we kunnen het land niet laten vallen/Ik heb er nog werk te doen."

Leo Michiels en Rita Vergaerde, zestien jaar geleden geëvacueerd uit Kolwezi: "Het komt allemaal terug."

In hun huis in Steenokkerzeel horen Leo Michiels en Rita Vergaerde de vliegtuigen van en naar Melsbroek op en af vliegen. "Dat is er een die van Rwanda komt", weet zoon Roeland, die de bewegingen van zijn collega's-militairen goed in het oog houdt. Ruim een maand geleden kwam hij met de eerste lichting blauwhelmen uit Kigali terug. Vier maanden als officier bij de para's, rode muts ingeruild voor blauwe helm: een mooie ervaring, maar met een bittere naklank. Roeland Michiels: "Ik heb er een prachtige vakantie gehad, en nog goed betaald ook. Maar het is frustrerend dat we er zo weinig konden doen en dat we naar huis kwamen net voor de actie begon. Aan de andere kant, als ik daar was geweest toen de opstand uitbrak, had ik evengoed een van de tien vermoorde blauwhelmen kunnen zijn. Net als de luitenant uit Flawinne, zou ik mijn wapens hebben afgegeven. Onze wapens waren toch veel te licht in vergelijking met de hunne. Daarom vind ik het maar goed dat de Belgische blauwhelmen er nu wegtrekken." Leo en Rita volgen het nieuws over Rwanda op de voet. Niet alleen omdat hun zoon er was, maar evenzeer omdat zijzelf nu al zestien jaar geleden uit Kolwezi, Zaïre, werden geëvacueerd. Rebellen van het Front National de Libération du Congo (FNLC), ook de Katangese gendarmes genoemd, trokken vanuit Angola Shaba binnen, in een poging die provincie onafhankelijk te maken. Enkele tientallen blanken kwamen daarbij om het leven. "Voor ons lijkt het wel alsof het gisteren was", zegt Rita Vergaerde. "Het komt allemaal terug. Zeker omdat de beelden die we op televisie zien, zo gelijkend zijn: de mensen, de huizen, de omgeving."

Mei 1978: een week lang hield het gezin Michiels zich schuil in hun huis, maar echte gruwelijkheden zagen ze niet. Leo Michiels weet nog precies hoe de rebellen uit de rimboe voor het huis opdoken: "Ze vertelden ons dat er niets zou gebeuren als we binnen bleven. Dat hun verzet gericht was tegen het regime, niet tegen de blanken. Ze waren erg correct. Er waren niet zoveel telefoons in die tijd. Wij wisten niet wat er tweehonderd meter verder gebeurde. Dat moest je horen van de buren, die het weer van anderen oppikten." Rita maakte voor elk van de vier kinderen, tussen elf en vier jaar oud, een boekentas klaar: schoolagenda, onderbroekjes, sokjes. "Net genoeg om zich ook zonder ons een paar dagen uit de slag te trekken. Hoewel we eigenlijk vastbesloten waren om te blijven. Echt bang waren we niet. Die laatste avond zaten we zelfs op onze barza, ons terras, te genieten van de zon. Veerle, die toen acht was, wees naar de lucht en zei: 'Kijk eens, allemaal grote vogels in de lucht.' Dat waren de Fransen die sprongen. Ja, dat was toch een gevoel van opluchting. " Toen de Belgische jongens kwamen, liet het gezin zich niettemin overhalen om in het vliegtuig te stappen. Het einde van een Afrika-verhaal dat voor beide ouders zowat twintig jaar eerder begon.

Leo klopte in 1956 zes maanden legerdienst als para in Kamina, toen nog Congo. Daar kreeg hij de smaak te pakken. Tien jaar later trouwde hij met Rita, wier ouders een melkveehouderij en boerderij runden in Kolwezi. Rita was dertien toen ze met haar ouders naar Kolwezi vertrok. In 1960, bij de onafhankelijkheid van de kolonie, werd ze naar België gestuurd om er de school af te maken. "Niet zo leuk om hier alleen te. zijn. Ja, mijn zus was hier ook, maar die was getrouwd. Ik heb mezelf later altijd de zaak: "Wat wist ik van boeren af? Ik kende een koe zoals gij die kent. Twee varkens heb ik nog samen met mijn schoonvader geslacht. Bij het derde varken stond ik er alleen voor. De charme van Afrika: je moest er veel meer zelf doen. Anderzijds had je ook veel hulp. Wij hadden ruim dertig zwarten in dienst. Een onder hen, Alfons, had mijn schoonvader altijd nauw bijgestaan. Dan zei die: 'Mbwana, ik denk dat het zo beter zal gaan.' Zo leerde ik met vallen en opstaan."

De stad Kolwezi was toen voor bijna negentig procent blank. Een situatie die niet meer te vergelijken is met die van vandaag. Leo MichieIs: "Met uitzondering van het zwarte kader van Union Minière en Gécamines woonden de meeste zwarten niet in de stad maar in de cités. Wij hadden geen vrienden onder de zwarten: je werkte met hen, maar leefde niet met hen samen. Op de boerderij waren wij 'de blanke': de baas dus, over zowat 35 personeelsleden. Dat was geen uitbuiting, daar kwam geen zweep aan te pas. Nee,je moest alleen goed uitleggen wat je van hen verwachtte. Dan voerden zij hun werk ook correct uit." Rita vertelt hoe ze de huisbediende nooit op een vaste dag uitbetaalden: "De zwarten werden toen al uitgebuit door al wie een uniform droeg. Onze boy vroeg ons om hem altijd in kleine schijfjes te betalen. Want anders moest hij al zijn geld afgeven, terwijl hij ook een hele familie moest onderhouden. Ze zeiden vaak: 'Blijf alsjeblieft hier, want anders zullen we geen eten meer hebben.' Die uitbuiting waar men hier, vroeger meer dan nu, over praat, is toch erg relatief. De meeste blanken hebben in Afrika vooral keihard gewerkt." Toen ze amper vier jaar bezig waren, werden de Michielsen "gezaïrizeerd". Hun hele boerderij, bijna al hun meubels en hun integrale bankrekening werden door het Mobutu-regime aangeslagen. Rita: "We hadden niets meer, want in die vier jaar hadden we alles geïnvesteerd in het bedrijf. Dat was “voor de rest van ons leven.” Zes maanden na de overname stond er niets meer overeind: alle beesten waren geslacht, alle voertuigen kapot, het hele huis vervallen. Toen ik dat zag, heb ik de hele weg terug naar huis gehuild. De school waar ik les gaf, kreeg een zwarte directeur, maar dat leverde problemen met de zwarte leraren. Zwarten aanvaarden weliswaar gezag, maar niet van hun eigen volk. Ik had geen enkele moeite voor de klas, omdat blanke leraren er vanzelf gerespecteerd worden. Dat ging zover dat ik, eenmaal terug in België, plots wel ordeproblemen kreeg: ik had daar immers nooit moeite voor hoeven te doen." Na de zaïrizering zagen ze het snel bergaf gaan in de vroegere kolonie: "Na 1974 werd de benzineschaarste altijd maar groter. Als je naar Lubumbashi reed, zo’n driehonderd kilometer verder, moest je voor andere blanken allerlei meebrengen. Dan werd je “betaald” met jerrycans benzine, want je moest je hele voorraad meenemen. De wegen verkommerden: putten in het asfalt, bermen die met elk regenseizoen dieper wegzakten.

De ondergang van Afrika? Rita lacht: Dat is al vanaf de jaren zestig dat ik dat hoor. Elk jaar als ik in de zomervakantie mijn ouders ging opzoeken, vertelde mijn vader dat het “nu écht niet erger meer kon worden”. Anderzijds: ik geloof wel dat het nu nog veel erger is dan toen wij er waren. Je hoort niet veel nieuws meer uit het Zairese binnenland, omdat er nauwelijks nog blanken wonen. Van missionarissen horen we nog eens wat: dat er nu geen stromend water meer is in Kolwezi, en geen brood in de winkels." Ze vinden het uitermate jammer: zo'n groot land, met zo'n natuurlijke rijkdom. Rita Vergaerde: "Mijn vader zei altijd: als je hier een stok plant, dan groeit die. Maar hij zei ook: 't is het schoonste land van de wereld, alleen jammer dat er zwarten wonen. Zodra ze iets overnemen, gaat het kapot." Waarop Leo, relativerend: "De gewone man is oké, maar hij heeft iemand nodig die zegt wat hij moet doen. En zwarten zijn ook zo beïnvloedbaar: altijd maar kritiek uitoefenen op Mobutu, en als hij dan de stad bezoekt, staan ze allemaal te zwaaien langs de kant van de weg."

Pas jaren later genazen ze van hun heimwee, toen ze vrienden uit Kolwezi bezochten die intussen naar de Zairese hoofdstad Kinshasa verhuisd waren. Leo: "We stapten nog maar uit het vliegtuig, en wilden al meteen terug naar huis. Als die vrienden ons niet hadden opgewacht, hadden we zeker rechtsomkeert gemaakt. De sfeer van die stad gaf ons echt niet het gevoel van thuis dat we verwachtten." Wat veroorzaakte dan zoveel heimwee? Leo: "De kameraadschap van blanken onder elkaar. De meesten hebben er geen familie, dus worden je vrienden veel belangrijker. We keken nogal op van de bekrompenheid in België: iedereen leeft hier voor zich." Rita relativeert: "Wij hadden natuurlijk de luxe van personeel in huis. Dat schiep mogelijkheden om een job, vier kinderen én een sociaal leven te combineren. Hier had ik dat niet gekund." Ze schrokken bij hun terugkomst ook geweldig van de duurte van het leven hier. ,Je bent hier snel een fortuin kwijt aan kleren voor vier opgroeiende kinderen. In het Zaïrese klimaat heb je niet zoveel nodig." Leo weer: "Wij herleven als er hier ook eens zo'n stralend blauwe hemel is." Vier maanden nadat ze in 1978 uit Kolwezi waren geëvacueerd, hadden ze allebei werk in België. "Anders waren we zeker teruggegaan". varkens heb ik nog samen met mijn schoonvader geslacht. Bij het derde varken stond ik er alleen voor. De charme van Afrika: je moest er veel meer zelf doen. Anderzijds had je ook veel hulp. Wij hadden ruim dertig zwarten in dienst. Een onder hen, Alfons, had mijn schoonvader altijd nauw bijgestaan. Dan zei die: 'Bwana, ik denk dat het zo beter zal gaan.' Zo leerde ik met vallen en opstaan."

"IK WIL GELOVEN DAT IK NOG TERUG KAN. ALS IEMAND ME MET ZEKERHEID ZOU ZEGGEN DAT DAT ONMOGELUK IS, KRIJG IK EEN DEPRESSIE"

Wat veroorzaakte dan zoveel heimwee? Leo: "De kameraadschap van blanken onder elkaar. De meesten hebben er geen familie, dus worden je vrienden veel belangrijker. We keken nogal op van de bekrompenheid in België: iedereen leeft hier voor zich." Rita relativeert: "Wij hadden natuurlijk de luxe van personeel in huis. Dat schiep mogelijkheden om een job, vier kinderen én een sociaal leven te combineren. Hier had ik dat niet gekund." Ze schrokken bij hun terugkomst ook geweldig van de duurte van het leven hier. ,Je bent hier snel een fortuin kwijt aan kleren voor vier opgroeiende kinderen. In het Zaïrese klimaat heb je niet zoveel nodig." Leo weer: "Wij herleven als er hier ook eens zo'n stralend blauwe hemel is." Vier maanden nadat ze in 1978 uit Kolwezi waren geëvacueerd, hadden ze allebei werk in België. "Anders waren we zeker teruggegaan

GUIDO en Marie-Claire De Clerck-Van Berckel wonen sinds ruim een jaar in een flat in de Brusselse binnenstad. Hij is er veertig, zij bijna. Allebei woonden ze meer dan 35 jaar in Afrika, voor het grootste deel van de tijd in de Zaïrese hoofdstad Kinshasa. "Mijn kinderen zijn de derde generatie al. Mijn man is er geboren, ik was twintig maanden oud toen mijn ouders me meenamen. België is ons vaderland, maar in Afrika ligt ons leven." Een hoge stapel fotoboeken is hun getuige. Zowel bij de onafhankelijkheid in 1960 als bij politieke strubbelingen in 1967 kwam Marie-Claire met haar moeder, zus en broer naar België: de eerste keer voor een jaar, de tweede keer bleven ze drie jaar. In 1974 besliste haar vader om definitief uit Zaïre weg te trekken. Marie-Claire: "Hij gaf het op. De zaïrizering liet hem geen mogelijkheden meer om de sociale school waar hij directeur van was, te leiden. Zijn zwarte leraren werden niet meer betaald. Een jaar later keerde ik naar Kinshasa terug, om er te trouwen." Ze had het altijd moeilijk met elke overgang naar en van Afrika. "Toen we in februari 1993 hier in Brussel aankwamen, heb ik de hele dag gehuild. Dat is nu eenmaal mijn karakter. Maar ik weet dat het beter is voor de kinderen om een definitieve keuze te maken.Onze oudste zoon zit al een paar jaar op internaat in Turnhout. Met David van dertien ben ik in 1991 heen en weer gereisd toen de soldaten van Mobutu de winkels en huizen in Kinshasa plunderden. In dat jaar heeft hij drie verschillende schoolsystemen gekend. Dat is niet goed voor zo’n jongen. Het was haar man die begin 1993 de knoop doorhakte. Marie-Claire: "Na de rellen en plunderingen van 1991 bleef Guido omwille van zijn werk in Kinshasa. Ik veronderstel dat hij toen erg bang was. Hij ging nooit zonder de straat op, schafte "zich zelfs een revolver aan. Twee jaar later, bij nieuwe plunderingen, had hij er genoeg van." Zelf was Marie-Claire helemaal niet bang. Na een min of meer opgedrongen evacuatie stond ze begin 1992 samen met haar jongste zoon, als een van de eerste blanken, terug bij haar huis in Kinshasa. "Ons huis was niet leeggehaald, doordat onze zwarte tuinier de soldaten verteld had dat het een huis van paters was. Hij schilderde er een groot zwart kruis op. Ik heb nooit tralies voor de ramen gewild: de mensen die voor je werken, weten toch wat je hebt. Het is een kwestie van vertrouwen. Wij hielden altijd hetzelfde personeel, vijftien jaar lang. Een tuinier, een boy en een bewaker voor 's nachts. Ik had geluk met hen, maar ik behandelde ze ook met respect. Van mijn zoon vroeg ik dat hij even vriendelijk en beleefd was tegen de boy als tegen ons. Dat was niet bij alle blanken zo." Na 1991 waren de De Clercks het enige volledig blanke gezin in de straat. Alle anderen waren naar de binnenstad vertrokken. Marie-Claire: "Ik geloof dat de buren het erg apprecieerden dat wij terug kwamen. De baas van mijn man zei dat ik 'zeer moedig' was. Maar ik voelde dat niet zo aan: voor mij was dat huis mijn thuis. Ik vond, als ik naar een flat in de stad moet verhuizen, kan ik evengoed in Brussel gaan wonen. Weet je wat het is met de mensen die echt bang zijn? Ze kennen het volk niet. Ze werken wel met zwarten in hun huis, maar ze praten nooit met hen over hoe ze leven, hoe ze denken en voelen. Onze filosofie is altijd geweest: je leeft in hun land. Je hoeft niet met hen samen te leven, maar je moet ze wel begrijpen en respecteren. Mijn man kreeg na ons vertrek nog verscheidene telefoontjes: of hij alsjeblieft wilde terugkeren naar zijn job? Dat komt doordat hij vlot Lingala spreekt, goed een groep kan leiden en zijn ondergeschikten met respect behandelde. Een ander bewijs van die wederkerigheid: een maand na ons vertrek is mijn man teruggekeerd om de meubels op te halen. Alles stond er nog onaangeroerd." Zoon David komt het gesprek onderbreken om mij het boek Zaïre aujourd'hui te tonen. Daarna gaat hij op zijn kamer naar muziek luisteren. Marie-Claire: "Hij heeft net als ik veel heimwee gehad: naar de hond, die we moesten achterlaten, de vriendjes, de tuin, het zwembad. De eerste dagen hier logeerden we bij mijn moeder. David stond op en stapte na het ontbijt de deur uit, 'om buiten te spelen'. Maar hij zag alleen de lift van het flatgebouw. Het leven hier is zo vreselijk besloten. Je zit tussen vier muren, en buiten regent het. Wat kan zo'n kind van dertien dan op straat gaan doen? In Afrika leefden we dicht bij de natuur. Daar word je als vanzelf een beetje wild van. Het geeft een goed gevoel. Hier leven we in een betonnen stad waar zelfs de parken artificieel zijn." De aanpassing aan de school is een ander hoofdstuk. David is erg spontaan. Maar de kinderen in zijn klas geloven nauwelijks wat hij over Kinshasa vertelt ook waar is. Als er in zijn school in Kinshasa een nieuweling bijkwam, haastten zich alle leerlingen om hem op zijn gemak te stellen. Hier wordt zo’n een nieuw kind toch meer aan zijn lot overgelaten.”Nee, ongelukkig is hij niet, denkt Marie-Claire: “Kinderen passen zich snel aan. Bovendien is het voor hem niet slecht dat hij ziet dat het leven ook anders kan zijn, ,iet zo gemakkelijk. In Zaïre was hij gelukkig met een bal en een fiets. En met zijn vriendjes. Hier ziet hij winkels vol speelgoed, video's, gadgets. Het duurde even voor hij begreep dat wij niet alles voor hem kunnen of willen kopen." Er is gewoon te veel hier, vindt Marie-Claire: "Te veel winkels, te veel verkeer, te veel mensen, te veel drukte. Ik geloof dat je hier heel goed moet overeenkomen met je man en veel voldoening moet vinden in je werk. Want dat zijn blijkbaar de enige zaken waar de mensen hier tijd voor hebben. Hebben de Belgen nog veel vrienden, als ze zo weinig tijd hebben? En hoe doe je dat, vrienden maken in deze leefsituatie?'' Net als de andere teruggekeerden heeft ze alleen maar mooie herinneringen aan het sociale leven in Afrika, waar iedereen bij iedereen op bezoek ging, en je nooit eerst moest waarschuwen. "Als iemand er zonder werk viel, of uit zijn huis moest, sprongen vrienden altijd bij." Na een jaar België weet ze dat ze hier zo'n netwerk niet hoeft te verwachten. "Maar we mogen niet klagen. Mijn man had in juli en augustus een tijdelijke job en is sinds oktober chef van een atelier in een papier fabriek. We hebben dus geluk. Want ik merk wel in de winkels in de stad dat het economisch niet zo goed gaat. De mensen zijn minder vriendelijk, meer gespannen dan vroeger. Hier is iedereen een nummer in de massa. Het leven is moeilijker, je moet zelf je eigen weg zoeken. Wij moeten zelf stappen doen om ons te integreren. Het is wel gek: je verwacht dat je probleemloos thuiskomt, bij je eigen volk, en je merkt dat de aanpassing veel moeilijker is. Maar de officiële instanties reageerden allemaal

"IK BLIJF GEWOON KOPPIG DENKEN DAT ER NOG HOOP IS. MAAR JE MOET DE AFRIKANEN DE TUD GEVEN. ZE ZULLEN ER WEL RAKEN, OP HUN MANIER"

Net als haar moeder, die er al twintig jaar weg is, zou Marie-Claire nog altijd terug willen. Maar niet meteen. Redelijk blijven ons motto; we willen hier nu niet leven alsof we direct weer vertrekken. Het is van belang dat we ons aanpassen. Ook voor  de schoolloopbaan van David. Toch is iets in ons wat altijd maar weer weg. Misschien omdat we altijd elders hebben geleefd. Het is ook zo verrijkend: je leert het anders-zijn van de anderen kennen, je leert je daarmee verzoenen. Een soort culturele rijkdom in je hart." Echt alleen maar onder de zwarten ga wonen, ziet ze niet zo zitten. "Dat is toch een roeping, hoor. Iets voor paters en nonnen, die in Afrika trouwens uitstekel werk verrichten. Maar ik denk wel dat altijd blanken in Afrika blijven wonen. Zelfs in Angola, waar een burgeroorlog woedt. blijven ze nog. Ook in Kinshasa wonen vandaag nog blanke gezinnen; ik geloof niet dat ze ongelukkig zijn. Natuurlijk, moet je beter beveiligen: ze hebben wellicht allemaal wapens in huis. Maar daar wen aan, zoals iedereen hier ook gewoon raakt aan het feit dat de belastingen altijd ma hoger worden. Voor het overige moet je je aanpassen: als niet naar een zwarte dokter wilt, de hele. dag wilt flaneren op terrasjes in de stad, elke dag naar het restaurant wilt, dan moet je niet meer naar Kinshasa vertrekken. Het is niet meer de verzorgde, aantrekkelijke stad die het vroeger was. Maar ik heb c allemaal niet nodig." Veel moeite heeft Marie-Claire met reacties van mensen die negatief reageren op haar leven in Afrika. "Het is goed dat België zijn onderdanen bij crisissen uit Afrika blijft evacueren. België is toch ons vaderland. Het is moeilijk om kritiek daarop te slikken. Trouwens, veel van wat we verdienden, investeerden we weer in dit land tijdens onze vakanties." Evenmin woonden Marie-Claire en haar man er voor het grote geld. "Mijn man heeft er een mooie carrière gemaakt, maar hij is ook onderaan begonnen: als elektrotechnicus. Wij woonden zoals de meeste blanken in een huis met een zwembad, maar zijn lang geen miljonair. De meesten van onze generatie vertrokken met een lager salaris en onder minder goede voorwaarden dan onze ouders. Bovendien, ik zeg altijd: wij hadden geen keuze. In Kinshasa zijn we opgegroeid, we leerden er elkaar kennen, mijn man vond er zijn eerste job. Onze kinderen zijn de derde generatie,

Ze gelooft niet in de theorie over de ondergang van Afrika. "Misschien wil ik daar n in geloven. Ik blijf gewoon koppig denk dat er nog hoop is. Maar je moet Afrikanen de tijd geven. Zij doen alles een andere manier dan wij. Zeg niet dat geen cultuur is in Afrika, er is er heel veel. Er leven rijke tradities, die wij niet mogen veranderen. Dat is een te veel gemaakte fout. De Afrikanen zeggen trouwens vaak dat de corruptie waar zij nu zo berucht  zijn, door Europeanen werd ingevoerd. We moeten eens ophouden altijd maar kritiek te leveren. Ze zullen er wel raken, op hun manier. Ook Rwanda. Je kunt alleen maar hopen dat er niet te veel gevochten won En voor Zaïre: dat de onderlinge rivaliteit niet te groot wordt als Mobutu plaats ruil voor een ander. En dat er onder de 'gestudeerde' jonge zwarten iemand opstaat die hun land een nieuw elan bezorgt Het laatste beeld van Afrika in haar geheugen is dat van haar 57 -jarige boy, bij hun definitieve vertrek uit Kinshasa: "Hij stond huilend voor de deur van ons huis. Wat kan zo'n oude man nog terecht? Hij sukkelde al een hele tijd met zijn heup David zei altijd: 'Mama, wees niet boos op hem als hij zijn werk niet zo goed me doet, hij kan er niets aan doen.' We hebben sindsdien niets meer van hem vernomen. Ik vond dat nogal laf van ons, maar wat konden we anders?