Kolwezi.

1978

Kolwezi 1978

Special Kranten Kolwezi 1978

Dankzij het ontvangen van fotos van Kolwezi 1978 kan U een exclusieve reportage lezen en video bekijken over de evenementen van Kolwezi 1978
Al deze artikels zijn verschenen in kranten of tijdschriften en zijn me toegestuurd per e-mail waar mogelijk heb ik de bron weergegeven. Gelieve mij te contacteren indien het artikel niet conform is met de auteursrechten

Op krukken door het Paradijs

Dossier Zaïre

“ Ik kom net terug uit Kinshasa waar ik van het Zaïrese leger de indruk opdeed dat het gespuis (letterlijk "A RABBLE") is, meer uit op het plunderen van de bevolking dan om haar te beschermen tegen god weet welke buurlanden.”  (Stephen Solarz, voorzitter van het Subcomité voor Afrika van het Amerikaanse Huis van Afgevaardigden, 14 februari 1979),

Gespuis in uniform

De reputatie van de Zaïrese strijdkrachten is zeer kwalijk. Denk maar aan de koldereske televisiebeelden uit de eerste  Shaba-oorlog in maart 1977, toen doodsbenauwde soldaten bij het naderen van het strijdperk hun jeeps keerden en met een blik vol panische angst in.achteruitversnelling stapvoets naar het front reden, klaar om bij de eerste gelegenheid als hazen op de vlucht te slaan,

Tijdens Shaba I overrompelden de opstandige Katangese gendarmes de provincie tegen zo'n hoog tempo dat Mobutu zeker gevallen zou zijn, als de Belgische en de Franse para's hem niet, via een militaire interventie ter hulp waren gesneld, Tijdens Shaba II, in mei 1978, namen de zwakbewapende soldaten van het Front National de Libération du Congo, het Nationaal Congolees Bevrijdingsfront, de mijnstad Kolwezi zonder slag of stoot in. Andermaal stuikte het Zaïrese Leger als een kaartenhuisje in elkaar. Opnieuw werd het Mobutu-regime gered door Franse en Belgische para's; later diende een Inter-Afrikaanse troepenmacht van overwegend Marokkaanse soldaten maandenlang ter plekke te blijven" om de plaatselijke bevolking te beschermen tegen de rooftochten en plunderingen van het Zaïrese Leger". Studies wezen uit dat het merendeel van de minimum duizend slachtoffers van Shaba II, waaronder honderddertig blanken, door de Zaïrese strijdkrachten waren vermoord.

Mobutu's leger toonde zich een ongedisciplineerde bende plunderaars zonder moreel, die bij de eerste acties massaal naar de tegenstander overliepen. Het feit dat zij soms maandenlang geen soldij ontvingen, was daar zeker niet vreemd aan. Je moet al goed gek zijn om je hachje te riskeren voor die vijfhonderd luttele franken soldij waar je niet eens een behoorlijk paar schoenen mee kan kopen. Het nationale vaandel pro deo verdedigen doen maar weinigen graag.

In het vuur van de strijd scheerde de corruptie hoge toppen. Rantsoenen die voor de soldaten in de vuurlinie bestemd waren, vonden hun weg naar de zwarte markt; met tientallen tegelijk rapporteerden officieren zich gewond (met een snee in hun vinger). al beletten die verwondingen hen niet tijdens de aftocht, met het geweer in de aanslag, huizen binnen te dringen en alles wat niet heet of te zwaar was in hun jeeps te kieperen. Dantes inferno, als het ware.

In Kolwezi verloor het Zaïrese Leger zijn laatste glans. De Generale Staf bestond het om tegen de evidentie in over die  “Achtdaagse Veldtocht" een duur en omvangrijk naslagwerk in veelkleurendruk in de handel te brengen, waarin de heldhaftige strijd van het vaderlands heir nog eens over werd gedaan onder de leiding van Generaal Mobutu, die zich ontpopte als een briljant strateeg van het gehalte van illustreren als Maarschalk Montgomery. Dat hoort er in Zaïre nu eenmaal bij.

Tijdbom in kaki

Iedere militaire dictatuur legitimeert zich met de macht van de wapens; maar Mobutu's militaire politiek heeft van zijn Strijdkrachten een tijdbom gemaakt die vroeg of laat tot ontploffing zal komen, en iedere dag dat Mobutu aan de macht is, brengt die ontploffing dichterbij. _' _

Telkens als hij het wenselijk achtte, bedacht Mobutu complotten van hoge militairen die hem zogezegd ten val wilden brengen, om zijn ijzeren greep te verstrakken.

In juni 1975 werd zo een vermeend complot ontmaskerd: meer dan veertig militairen werden gearresteerd. Het "'bewijs"' van die samenzwering bestond vrijwel uitsluitend uit een bekentenis van een van de verdachten. Meer dan de helft van de hogere officieren verdween daardoor in de gevangenis. en opmerkelijk was dat een groot aantal onder hen tot de Tetela stam behoorde (ondermeer drie kolonels - Dumba, Mampa en Fallu - en generaal Ochudi).

In maart 1978 werd het allemaal nog 's overgedaan. In de nasleep van de eerste Shaba-oorlog zag Mobutu de kans schoon om een grootscheepse zuivering onder zijn troepen uit te voeren. Andermaal was een zogenaamd complot zijn alibi om tweehonderdvijftig legerofficieren te ontslaan. Dit keer was het de beurt aan alle hogere militairen afkomstig uit de Luba-stam in Shaba; dertien daarvan stierven voor het vuurpeloton.

Sommigen dichten de Grote Gids de verdienste toe de stammentwisten die in de jaren vóór 1965 aan duizenden Zaïrezen het leven kostten, beëindigd te hebben. Maar wie verder kijkt, weet wel beter. Zes van de negen provincies hebben geen of maar enkele hogere officieren mogen leveren. In augustus van vorig jaar benoemde Mobutu bovendien zichzelf tot minister van Defensie, kennelijk omdat Generaal Babia het conflict tussen de officieren van de Evenaar en van Haut-Zaïre niet de baas kon. Mobutu' s grillige benoemingen ontslag politiek spaart het Leger en de Veiligheidsdienst niet: Generaal Singa werd op een goede dag uit het Leger weggezonden wegens ongehoorzaamheid (aan Mobutu) en het beramen van nog maar eens een complot. Maar vandaag vinden we diezelfde Singa weer als opperbevelhebber van het Leger. Mokoio wa Mpombo werd zelfs tweemaal na elkaar gedegradeerd als Chef van de Nationale Veiligheid wegens "hoogverraad" en "het verkopen van staatsgeheimen". Telkens werd hij gerehabiliteerd in zijn zelfde functie, om uiteindelijk Ambassadeur te worden op de belangrijke post Parijs. Vandaag zijn zo goed als alle generaals van het Leger uit Mobutu's Evenaarsprovincie afkomstig of met groot ritueel in zijn Ngbandi-stam ingelijfd: Generaal Singa (Stafchef van het Leger), Generaal Babia (voormalig minister van Defensie). Admiraal Lomponda (Chef van het Militaire Huis van de President). Generaal Veka (Chef van de Gendarmerie), Brigadier Kikenda (Chef van de Luchtmacht), Generaal Boteti (Chef van de Landmacht), Generaal Likulia (Auditeur-generaal van.. de Strijdkrachten), Generaal Bulozi (Chef van de Inlichtingendienst, gehuwd met Mobutu's zuster) en Brigadier Eluki (Hoofd van de Eerste Militaire Regio te Shaba). Eluki stond in 1979 terecht wegens activiteiten op de zwarte markt, maar bleef in functie, ondanks protest van de troepen.

Het Zaïrese leger vertoont niet langer de kenmerken van een nationale krijgsmacht. De rekrutering gebeurt buiten de provincies Shaba en de beide Kasai's, en de laatste tijd wordt ook de streek van Kwilu Kwango in Bandundu geweerd. Nieuwe elite-eenheden als de DITBL (Divisie van Tank-troepen) bestaat voor bijna honderd procent uit soldaten van de Evenaar. Ook in de Officierenschool van Kananga zijn geen of bijna geen rekruten uit de zgn. "geïndexeerde provincies" te vinden.

Vechten op een lege maag

Het is overigens merkwaardig dat tot op heden niemand zich de vraag gesteld heeft wat er eigenlijk allemaal is geworden van die zwarte piloten die door de Italiaanse luchtmacht zijn opgeleid, van die parachutisten die maanden trainden in Israël met zijn zo gevreesde militaire apparaat, van de honderden officieren die in de loop der jaren een opleiding volgden in België, Frankrijk, West-Duitsland, de Verenigde Staten of Groot-Brittannië. Heeft iemand die nog gezien? Of is het niks geworden?

Is het eigenlijk wel bevorderlijk voor de eenheid van een leger dat troepen getraind worden door ideologisch zo uiteenlopende landen als België en China, Frankrijk en Noord-Korea? Globaal is het peil van het leger sinds de Shaba-oorlogen geen zier verbeterd. Alleen twee elite-afdelingen, de vijfduizend man sterke Kamanyola Divisie - onder leiding van Koreanen, en de door ons land getrainde 21ste Infanteriebrigade van tweeduizendvijfhonderd man in Shaba halen een behoorlijk niveau. De andere tachtigduizend militairen leven in een vacuüm. Hun allereerste bekommernis is hun loon. Terwijl die Ionen vroeger maanden te laat arriveerden of vaak helemaal niet uitbetaald werden, gebeurt de honorering tegenwoordig met een zekere regelmaat. Maar dat betekent nog niet dat de militairen tevreden zouden zijn met hun salaris. De eerste januari van 1979 werd de soldij verdubbeld. Maar een onderzoek wees uit dat soldaten met een lagere graad dan Kapitein ook met die verhoogde soldij niet genoeg hadden om maniok of rijst voor hun gezin te kopen. .

Daarnaast verkeren ook de transportmiddelen en het materiaal in een gevorderde staat van ontbinding. De 240 miljoen dollar die Zaïre tussen 1967 en 1976 aan wapens besteedde, zijn in vele gevallen tot schroot herleid. Het Amerikaanse Huis van Afgevaardigden toonde zich niet geneigd dit vat zonder bodem te blijven vullen en adviseerde bijgevolg een opschorting van de 10,5 miljoen dollar wapenhulp voor 1980-'81. Van de zes geleverde C-130 transportvliegtuigen stonden er twee wegens mankementen in de loods; een derde kan nooit meer vliegen; alle boord apparatuur is eruit ontvreemd. En wat luchtwaardig bleef, gebruikten sommige hoge militairen vaak voor lucratieve privé-handeltjes.

De erbarmelijke kwaliteit van het materiaal maakt het soldatenbestaan niet eenvoudiger. Stel: je krijgt bevel om wacht te gaan lopen bij de luchthaven zestig kilometer ver van je kazerne. Een vrachtwagen brengt je ter bestemming, maar hoe je 's avonds weer terug komt, moet je zelf uitzoeken. Wat doet een soldaat met zo'n hongerloon? Hij houdt met zijn wapen een wagen staande, gebiedt alle passagiers, op de chauffeur na, uit te stappen en laat zich met zijn makkers naar huis voeren. Zelfs de zwaarste drill en de meest gewijde zedenpreken van de aalmoezenier kunnen de soldaten er niet van weerhouden 's avonds de volkswijken op geld en voedsel te stropen. Je moet immers al de rang van Kolonel hebben bereikt voor je een leefbaar salaris van 12.000 frank per maand verdient. Generaals (met 110.000 F) kennen natuurlijk geen zorgen; meestal staan die bovendien met anderhalf been in de ondernemerswereld. Discipline moet men dan ook niet verwachten in het Zaïrese Leger, zolang de krappe soldij de manschappen tot stelen dwingt.

Wat is er van de_landbouw

In zijn Programmarede van december 1965 hing Mobutu een somber beeld op van de toestand in zijn land. Over de zeer belangrijke sector van de Landbouw zei de Gids: « Onze landbouw is een zinkend schip. er wordt bijna niets meer voortgebracht.» 1968 werd dan ook met dikke accolades uitgeroepen tot" Jaar van de Landbouw" ; sedertdien figureert de landbouw in elke grote redevoering als de "Prioriteit boven alle Prioriteiten". De realiteit ontmaskert Mobutu echter als een eminent demagoog. Wie er de Begrotingen op navlooit vindt dat Zaïre in de periode 1968-1976 MINDER DAN TWEE PROCENT van de Begroting aan zijn landbouw besteedde. Van landbouwexporteur is Zaïre landbouwimporteur geworden.

In 1968 bedroeg het aandeel van de landbouwproducten in de uitvoer nog 30 % ; in 1977 was dat al minder dan de helft (13 %). Ook de nabije toekomst biedt geen sprankelt je hoop, als we de Amerikaanse Frères Lazard Bank mogen geloven, die in opdracht van de Zaïrese Regering een studie maakte waarbij een verdere afbrokkeling van het landbouwaandeel in de export werd voorspeld; 11,1 % in 1979, 10,7 in 1980 en 10,04 in 1981. In 1978' bijvoorbeeld kostte de import van voedsel de Schatkist 9 miljard frank.

Geen enkele tak van de economie is er in Zaïre slechter aan toe. Vandaag de dag moet Zaïre zelfs zijn basisbehoeften invoeren: maïs (139.862 ton in 1977 tegen niets in 1950), rijst (25.000 ton in 1978 tegen 10.114 ton in 1975), suiker (82.000 ton in 1978 tegen 9.345 ton in 1975) en tarwe (192.000 ton in 1978 tegen 94.562 ton in 1975). Maniok, het weinig opwindende basisdieet van de Zaïrees, viel tussen 1965 en 1977 terug van negen op zevenhonderdduizend ton.

In 1960 was palmolie nog de trots van Zaïre, met 412.000 ton was het de op één na grootste wereld producent; negentien jaar later bracht Zaïre daar nog maar een vierde van voort; aan uitvoer viel nog nauwelijks te denken.

Ondertussen heeft de Zaïrese TV het ononderbroken over de opleving van de landbouwbedrijvigheid, het gevierde P.A.M. of Plan Agricole Minimum (Minimum Landbouw Plan) waar de bevolking fluks een eigen benaming voor vond: "Plan d'Amaigrissement Maximum" (Plan voor Maximale Vermagering). Het failliet van de Landbouw is het resultaat van de niet bestaande landbouwpolitiek, de ongelooflijke verloedering van de infrastruktuur van wegen en transport, en - als een rode draad - de systematische corruptie. De !;gevolgen zijn dubbel: de boeren (toch nog altijd 80 % van de bevolking) plooiden terug op overlevingslandbouw terwijl een kleine kaste rijken zich tegoed deed aan de fraude. Rijst, katoen, of koffie, of ze nu ingevoerd worden of uitgevoerd: men kan er altijd mee frauderen. De Regering is gewoon tuk op smokkelen; alle landen die met de Vader van de Natie handel drijven weten dat.

De corruptie

In Amerika durft men zich daar nog wel eens over op te winden. In december 1977 startte de Regering Carter het voedselhulpprogramma PL-480 voor de uitgehongerde bevolking van de provincie Kiev. Iedere maand arriveerde in de haven van Matadi vijfduizend ton Amerikaanse rijst. Het festijn kon beginnen. Minister Nyembo van Landbouw kende de verhandeling van de partijen rijst toe een een handvol zakenlieden en/of politici uit Mobutu' s entourage: onder andere Bomboko (de nieuwe minister van Buitenlandse Zaken), Nendaka en Mobutu's oom Litho. Zij legden alle door de Amerikaanse Regering geëiste regelingen naast zich neer. Waar de Amerikanen als voorwaarde stelden - het ging tenslotte om voedsel-"hulp" dat de rijst tegen strikte maximumprijzen verkocht zou worden, werd hij van in de beginne gehamsterd en op de zwarte markt aangeboden. Zo rekenden Mobutu's paladijnen in MbujiMayi, de belangrijkste stad van de provincie West-Kasai, honderddertig Zaïre (1.300 frank) voor een zak rijst van vijfenveertig kilo, waar volgens het contract niet meer dan vijfendertig Zaïre mocht worden gevraagd. In januari 1978 kwam aan het licht dat citoyen lIunga, Regionaal Commissaris van de provincie Bas-Zaïre, op enige dagen ettelijke honderdduizenden

franken achterover gedrukt had door voor eigen rekening een belasting te heffen op alle uit Amerika komende rijst in zijn District. Vervolgens ontdekten de Amerikanen dat een gedeelte van hun rijst bedoeld om duizenden mensen van de hongerdood te redden -- van Matadi in smokkelboten over de  Zaïrestroom zijn weg vond naar het naburige Congo-Brazzaville.

En ga zo maar door.

Veel is er na 1977 niet veranderd. In augustus van 1980 moest in opdracht van de Nationale Spoorwegmaatschappij SNCZ en de Office National du Transport een partij van drie honderd ton rijst geleverd worden aan de firma Nsenda Muana in West-Kasai ; bij aankomst bleek zeventig ton spoorloos - en niemand die iets wist.

Van de rijst naar de katoen. Cijfers hiervan zijn niet bekend maar zeker is dat bijna alle katoen uit de streek van Goma in prauwen zijn weg vindt naar de buurlanden Burundi en Uganda.

Tenslotte het belangrijkste agrarisch exportproduct: koffie. In 1978 kwam driehonderd miljoen dollar (of 75 % van de opbrengst van de oogst) frauduleus op Westerse bankrekeningen terecht. De vorige Financieel Directeur van de genationaliseerde koffiemaatschappij Sozacaf, citoyen Tubila, ging de gevangenis in, nadat hij op een dag met een miljoen frank de wijk had genomen. En van de koffieoogst van 1980 verlieten, aldus zakenkringen in Kinshasa, eventjes 22.000 ton koffie op illegale manier de provincies Kivu, Haut-Zaïre, Evenaar, Boma en andere havens.

De tragiek van Zaïre is dat de linkerhand in het Westen om landbouwdeviezen bedelt, die de rechterhand kwistig verdeelt onder de elite van het systeem.

Maar de problemen in de landbouw gaan dieper dan dat.

In een zo uitgestrekt land is een goede wegeninfrastructuur een conditio sine qua non voor de productie. Op de grens tussen de provincie Kivu en Oost-Kasaï ligt de zone van Kibombo, van er namelijk een gewoonte van oudsher een van de vruchtbaarste streken waar rijst, maniok, maïs, katoen en apenoten werden verbouwd. Uitgestrekte koffieplantages, in 1960 door Belgen achtergelaten, zijn mum van tijd door de tropische jungle overwoekerd. Kibombo is typisch voor het Mobutu-syndroom in de Landbouw. Door het gebied loopt één grote weg naar de steden Kibombo en Kindu. De weg kruist zeventig kilometer vóór Kibombo de nauwelijks vijftig meter brede Lueki-rivier, waarover de Belgen decennia geleden een houten brug sloegen. Die heeft het in 1976 begeven en is nog steeds niet hersteld. De oogst bleef dus enkele jaren rotten, en ten einde raad schakelden de boeren over op overlevingslandbouw. Wie vandaag zijn product kwijt wil, moet de rivier over in een prauw en dan te voet verder. De jungle heeft de weg namelijk herleid tot een antilopenpad; auto's rijden er allang niet meer. Treinen, wegen en vrachtwagens: het is één grote puinhoop in Zaïre.

In een klein stationnetje

Op de Nationale handelsbeurs van Kinshasa werd de prijs voor de mooiste stand vorig jaar toegekend aan de Société Générale des Chemins de Fer Zairois SNCZ, de Nationale Maatschappij voor de Spoorwegen.

De mooiste stand, dat wel, maar nauwelijks de meest efficiënte onderneming. Bij gebrek aan deviezen om vervangstukken uit het buitenland te laten komen, rijden de helft van de treinen niet meer. De enige wagons die nog in dienst zijn, hebben meer van beestenbakken dan van een reizigerstrein. In de Eerste Klas vind je met moeite een ongeschonden zetel: de passagiers maken er namelijk een gewoonte van om de similileren bekleding netjes uit te snijden: da's handig om er thuis hun stoelen mee te bekleden. In de Tweede Klas moet je tevreden zijn met een zitje op blote spiraalveren. De Derde Klas is een zwijnenstal; de vensters zijn stuk, iedereen gooit zijn bananenschillen, aardnotendoppen en andere etensresten op de grond. De Wc’s zijn volgepakt met koopwaar en dus doen de passagiers hun behoefte in de gang. Van een uurregeling is nauwelijks sprake. Voor het traject Lubumbashi IIebo moet je rekening houden met een vertraging van tien tot achttien uur. Met krediet van de Wereldbank, en een nieuwe Direkteur-Generaal, (de heer Gunst, van Belgische afkomst) proberen de Spoorwegen. nu enige honderden goederenwagons weer op de rails te zetten.

En dan is er ook hier weer de corruptie. In september van vorig jaar gaf de SNCZ-afdeling Reizigersverkeer aan het Centrale Atelier (dat in dezelfde loodsen is ondergebracht) de opdracht om alle treinbanken van een nieuwe bekleding te voorzien. Toen het karwei geklaard was, werden de banken weer aan de afdeling Reizigersverkeer overgedragen. Groot was de consternatie toen bleek dat bij die overdracht de banken door overijverige ambtenaren opnieuw waren gestroopt: er hing geen reepje simili meer aan.

De wegen weg - Zo de treinen, zo de wegen.

In 1960 had Zaïre nog een prima weggennet. Daar is nu niet veel meer van over. Van 145.000 kilometer onderhouden wegen in 1960 telt het land nu nog slechts 58.000 kilometer berijdbare wegen, waarvan de Dienst Wegenwerken amper 26.000 kilometer onderhoudt. Hoe het bij deze Staatsdienst toegaat kan iedere Zaïrees u vertellen: « Onderafdeling X van de Dienst Y van het Ministerie krijgt opdracht om rijweg Z te bestraten. De arbeiders vertrekken dus vroeg in de morgen met het nodige alaam, kiezel en kokende pek. Eerst maakt de vrachtwagen echter een ommetje bij kantoorchef Van Overslag waar men "en passant" de oprit asfalteert. Bij rijweg Z gekomen is er natuurlijk asfalt te kort, zodat het werk slordig uitgevoerd wordt. Op het einde van de dag rijden ze naar de loods en pikken in de vlucht nog een borstel of een schop mee die ze dan 's avonds op de markt ruilen voor een halve krat bier. »

Het wegennet van Kinshasa dateert uit het begin van de jaren vijftig. Het woord "wegenpolitiek" , is twintig jaar geleden uit de Zaïrese Van Dale geschrapt en dat is nu duidelijk merkbaar. De tropische regens hebben diepe putten gegraven in de stadswegen en als je daar niet omheen kunt, moet je d'r maar door hobbelen. Op een regenachtige avond reed ik in hoog politiek gezelschap door de buitenwijk Funa ; de chauffeur reed in het donker pal in zo'n krater, . de voorband gaf een knal en we stonden stil. Het duurde een uur voor we weer op weg waren; in die tijd hadden al vier auto's ons voorbeeld gevolgd met lekke banden en in één geval een vernielde vooras als resultaat. “Die putten noemen de mensen de gaten in het Mobutu-Plan”, verklaarde mijn gezel. Op mijn vraag of er hier dan geen Dienst Wegenwerken bestond luidde het: « Dat gat blijft daar tot de een of andere minister of hoge bons er zijn wagen de vernieling inrijdt. Als dat gebeurt. is het de volgende dag al verdwenen. » Je kan natuurlijk ook wachten tot Koning Boudewijn of Paus Johannes Paulus nog 's op bezoek komen: dan wordt het voorziene parcours met nieuw asfalt bedekt en met lantaarnpalen afgezoomd...

Dat wanbeleid heeft uiteraard kwalijke gevolgen. De levensduur van autobussen en de vrachtwagens is vijfmaal kleiner dan bij ons. Drie op vier autobussen en vrachtwagens zijn bij gebrek aan wisselstukken geïmmobiliseerd. Langs de weg van Kinshasa-centrum naar de luchthaven van Ndjili is er een monsterkerkhof. waar tweeduizendzevenhonderd autobussen staan te verkleuren in de zon. hoewel de helft ervan slechts lichte mankementen vertoont. Maar Mobutu pakte het anders aan. Op de zwarte markt verhandelde hij vorig jaar een paar duizenden ton kobalt waarmee hij bij de Franse autobusconstructeur Berliet, een dochter van de Régie Renault, een bestelling van tweehonderd dure autobussen plaatste. Voor dat geld had men wel duizend Leylands weer kunnen oplappen. Maar goed. de Renaults rijden nu in Kinshasa en Lumumbashi en dat is een vooruitgang. Hoewel... Een kaartje kost nu één Zaïre (tegen 60 of 80 makuta voordien - er gaan 100 makuta in één Zaïre) wat voor iemand met een maandloon van 50 Zaïre onbetaalbaar is. Daarom ook begeven duizenden mensen zich langs de Boulevard Lumumba of de Avenue Kasavubu of andere invalswegen te voet naar hun werk, een wandeling van 2 à 3 uur. De oude man die voor mijn hotelkamer instond, vertrok elke morgen om half vijf voor een wandeling van dertien kilometer naar zijn werk. 's Avonds, als de fooi goed was geweest, durfde hij wel eens een tula-tula (de voor reizigersvervoer omgebouwde containervrachtwagens en minibusjes) van tachtig makuta nemen. « Maar de jongste tijden hebben de kaartjesverkopers nooit wisselgeld zodat het je toch nog één Zaïre kost. »

Het rijgedrag van de automobilist is een heel ander hoofdstuk. De wegcode is in de praktijk een lachertje. Ben je finaal gezakt voor je rijexamen. dan is daar met het nodige geld altijd wel een mouw aan te passen - alles is te koop. Auto's met twee lichten zijn een zeldzaamheid, vele rijden gewoon zonder licht. Het goeie voorbeeld wordt gegeven door de vrachtwagens van het Leger: die ontsteken nooit hun lichten. en wie zal ze een bekeuring geven. Politieagenten regelen op de belangrijke verkeersaders vanuit verkleurde verkeerstorentjes met zijn tweeën het verkeer. Maar even vaak vindt men ze onder een boom op de stoep: grote drukte is voor hen niet altijd een reden tot arbeid.

« Als een agent op zijn fluitje blaast, moet je alleen harder gaan rijden», leert mij mijn taxero. Op een keer rijdt mijn taxi door een rood licht over een van de drukste lanen van de stad. Vijftig meter verderop doet een agent verwoede pogingen om onze taxi tot stilstand te bewegen. Maar in plaats van te stoppen vertraagt de taximan alleen maar en steekt de agent door het venster een briefje van vijf Zaïre toe. Als ik verrast achterom kijk. zie ik de agent begrijpend met de gestrekte hand tegen de pet tikken.

In Kinshasa kun je alles zien: auto's die in een scherpe bocht een deur verliezen, waarna de bestuurder de wagen aan de kant zet en doodgemoedereerd de gevallen deur van het wegdek opraapt en weer inhaakt. of tot autobus omgebouwde Landrovers met zeventig rechtstaande passagiers achterop, zodat de voorste wielen bij de start in de lucht bengelen of chauffeurs die een lekke band vervangen door een volledig kale band waar hier en daar zelfs de binnenbedrading bloot ligt. of dertig passagiers die een achteruitrollende autobus in gang proberen te duwen. Men blijft er onverstoorbaar bij.

Het binnenland in

De dag voor Kerstmis bemachtigde ik een zitplaats in de laatste van de drie bussen die sedert juli 1980 het transport tussen Kinshasa en Kikwit verzekeren. Sinds een half jaar kan je de vierhonderd vijftig kilometer naar Kikwit n één dag overbruggen met één van de nieuwe bussen. Die bussen zijn echte limousines: een stoffen bekleding, individuele nachtlampjes en luchtblazers als in een vliegtuig. De prijs van een ticket zorgt oor een natuurlijke selectie: duizend frank is namelijk een verdubbeling van de voordien gebruikelijke tarieven. Bovendien zijn schapen en kippen taboe in deze luxebus: kleine kooplieden blijven dus aangewezen op de zogenaamde "taxi verts" of open vrachtwagens, die bovenop hun lading plaats bieden aan reizigers.

Maar goed, de betere middenklasse kan nu comfortabel reizen, en sinds enige jaren is de weg naar Kikwit over de hele afstand geasfalteerd. Buiten de hoofdstad biedt het landschap een desolate aanblik. Honderden en honderden kilometers land liggen er verlaten bij, het landschap gaat van een eindeloos zachtgroene savanne in frisse vochtige bossen over, waar de palmbomen hun olie ongerept weten.

Eén van de schreeuwende paradoxen is dat er honger kan zijn in een land met de onmetelijke landbouwreserves van Zaïre. Wie vroeger een beetje persoonlijk initiatief aan de dag legde, heeft nu de moed allang opgegeven. Langs de weg naar Kikwit zie je de boeren met ananassen zwaaien terwijl op de markt van Kinshasa - nauwelijks enkele uren ver - bijna geen ananas te vinden is. Hoe verder je van de grote steden weggaat, hoe schaarser de variëteit aan producten wordt. Overal waar de bus stopt verdringen kleine kinderen zich onder de ramen en steken hun maïskolven, apenoten, pilletjes tegen tandpijn, hoofdpijn, reisongemakken en wat nog meer hoog in de lucht. Een blinde vrouw, aan de hand van haar kleindochter, wordt uit de schaduw onder de bomen gehaaid en krijgt een paar muntstukken toegeworpen. Een jonge vrouw haalt ook wat geld binnen door haar borstjes te laten bewonderen, tot groot jolijt van de jonge kerels op de bus. De veldwachter van het dorp, met een buik als een vat, kijkt monkelend toe. Voor het café aan de overkant wiegen twee jongetjes en een man in trance op de tonen van een krakende smartlap.

Bij valavond bereiken we Kikwit. En dat is pech: slechts een miniem deel van de stad heeft elektriciteit; in de volkswijken is het stikdonker. Voor onze bus verdringen zich tientallen pakdragers om de passagiers naar hun bestemming te begeleiden. Ze weten dat de meeste passagiers er niet veel voor voelen om vijfmaal meer dan het normale tarief te betalen voor het enige vervoermiddel op dit uur van de avond: een gammel VW-busje zonder knalpot dat nog nauwelijks de tweede versnelling haalt. Terwijl het vehikel zich sukkelend omhoog hijst tegen de helling naar de volkswijken, passeren wij andere passagiers en hun pakdragers: te voet van het centrum naar de cités is toch nog altijd zo'n uurtje lopen. Nadat wij een 'onderkomen hebben gevonden gaan we op zoek naar een hapje eten. Langs de weg licht kaarslicht stalletjes met zeep of sigaretten of bonbons op met daarachter zwijgende vrouwen met een of meer kleuters die onder een laken op hun schoot liggen te slapen. Even opkijken als er een blanke ("mundélé" heten wij) passeert want die zijn er in Kikwit niet veel.

Kikwit

Kikwit is met zijn honderdzestigduizend inwoners de vijfde stad van het land maar dat is nauwelijks te merken. Als het licht wordt halen de vrouwen en meisjes met kruiken op hun hoofd water aan dat ene kraantje dat een hele wijk van water voorziet. De meeste inwoners van Kikwit maken geen gebruik van het openbaar vervoer: de tien frank die de passagiersvrachtwagen kost wordt alleen betaald als men zwaarbepakt is. Duizenden mensen lopen dan ook over de enige asfaltweg uit de omtrek.

De publieke markt lijdt in de eerste plaats aan een algeheel gebrek aan koopkracht. De grootste ruimte nemen hier de tweedehandse kleren in beslag, meestal donaties van Westerse liefdadigheidsinstellingen die via in de handel zijn beland. Op de maniok na - die kost 450 frank voor een zak van veertig kilogram en is van een uitmuntende kwaliteit - is alles onwezenlijk duur. Een zakje soep (6 borden) kost 85 frank, een brood van één kilo vijftien frank, een doos (uit Peru ingevoerde) pilchards in tomatensaus van 450 gram: 63 frank; één batterijtje voor een radio - en voor zo'n ding heb je er vier nodig: 20 frank; een plakje gerookte vis van honderd gram: honderd frank.

De cités hebben geen riolering en de tropenregens toveren de stoffige wegen om in modderige beken. Waterleiding en elektriciteit zijn hier geen verworven recht. Behalve dan voor de "ayants droit", de zgn. "rechthebbenden", die je bijna op de vingers van één hand kunt tellen.

Zo'n ayant droit is de voormalige Staatscommissaris Takizala, eigenaar van het exclusieve Hotel Kwilu, een gebouw dat in schril contrast staat met de rest van de streek. Binnen informeer ik uit louter nieuwsgierigheid naar de kamers: ik word door een kamerdienaar rondgeleid. Een gewone kamer kost 1.480 frank, maar er zijn ook Suites voor de kokette som van 3.240 frank inclusief. En de kamerdienaar die me rondleidde, verdiende vijftig Zaïre per maand, dat is vijfhonderd frank voor dertig werkdagen. Ofwel drie maanden loon voor een nachtje in de eenvoudigste kamer. Die man is gedoemd te voet naar zijn werk te komen, voor transport zou hij op zijn loon moeten toeleggen. In de grote schoenenzaak van het internationaal bekende merk Bata, waar je een gewone herenschoen zo'n zevenhonderd frank betaalt, verdient de winkelbediende krap duizend frank. Eigenlijk is hij onderwijzer, maar er was geen werk, vandaar.

Kikwit is een stad in verval.  Zelfs in het oude centrum waar de huizen niet van leem maar baksteen zijn, is het leven hard. Kleermakers zitten bij het licht van een petroleumlamp op hun stoep achter een met de voet aangedreven Singer-naaimachine. Met de Zaïrisering van 1973 werd de handel hier een gevoelige slag toegebracht. De Grieken en de Portugezen, die de behendigste kooplieden waren, verlieten het land. In Kikwit is sindsdien niet veel meer te rapen.

De enige Bank die de stad rijk is misstaat in haar omgeving. In en rond dit bankgebouw speelde zich een klein deel af van wat de geschiedenis in zal gaan als een van de grootste hold-ups van de moderne tijd: de "Demonetisatie".

Waarde landgenoten, uw geld is niks meer waard

Eind '79 vaardigde President Mobutu, zonder het Parlement te raadplegen, een draconische maatregel uit die tot doel had zwart geld naar de oppervlakte te doen komen en de grote fortuinen van speculerende Zaïrezen de genadeslag toe te brengen. Iemand vertelt me hoe dat in Kikwit in zijn werk is gegaan.

« Op Kerstdag hoorden wij via de radio het ontstellende bericht dat alle biljetten van vijf en tien Zaïre (in Zaïre is er briefgeld van 1, 5 en 10 Zaïre) vanaf dat ogenblik niets meer waard waren. De volgende dagen zou men in de Bank zijn oude biljetten kunnen inwisselen tegen nieuwe. Kleine ondernemingen konden maximum 20.000 Zaïre inwisselen en particulieren ten hoogste 3.000 Zaïre (30.000 frank). De volgende morgen om half acht stond er voor de enige Bank in de stad al een file van tweehonderd meter lang en vier mensen breed. Maar op de enkele blanken en de weinige zusters en paters na, kwam niemand erin. De mensen hebben drie dagen in de rij gestaan en toch geen Zaïre kunnen wisselen. Alles bij elkaar zouden er tussen drie en zeshonderdduizend Zaïre zijn gewisseld. In Kikwit was iedereen van de ene op de andere dag geruïneerd. Kleine handelaars die met veel zweet een spaarpotje hadden aangelegd, waren eraan voor hun moeite. Veel dorpelingen hebben overigens geen radio en waren dus niet eens op de hoogte van de maatregel. Sommige mensen waren zo kwaad dat ze hun ouwe bankbiljetten in brand staken of er de muren mee beplakten. De Bank van Kikwit is overigens in een straal van tweehonderd kilometer het enige bankgebouw. De Regionale Commissaris verklaarde dat er bijna geen geld uit Kinshasa was gearriveerd. Na die ramp was men de eerste weken op ruilhandel aangewezen. Langzaam is het geld weer beginnen binnensijpelen langs diegenen die rechtstreeks zaken deden met Kinshasa.

De schuldigen aan deze ramp sloegen. naar Zaïrese gewoonte, zelf munt uit de demonetisatie. Mobutu zelf bijvoorbeeld wisselde over het hele land miljoenen Zaïres - wie zou hèm wat doen? Idem dito voor zijn camarilla. De grote sigaar rookten andermaal de kleine mensjes. Alleen statistisch al kon je voorspellen dat de demonetisatie vooral de boeren-bevolking zou treffen. Hoewel tachtig procent van de bevolking op het platteland woont, ligt vijfennegentig procent van de Banken in de steden. De demonetisatie heeft de tegenstellingen alleen maar aangescherpt. Wie toen armoezaaier was is vandaag pauper. Melk, vlees en vis zijn voor de inwoners van de cité niet te betalen; hun dieet bestaat uit maniok, rijst of maïs.

Geen geld voor gezondheid

In Kikwit kan je terecht bij vijf artsen, dat is één arts per 32.000 inwoners. En toch is hier één van de zindelijkste klinieken van de hele republiek, een instelling die recht gehouden wordt door twee Belgische dokters en een stel Italiaanse verpleegsters. Ook hier krijgt men weinig steun van de Overheid. Eén van de Zaïrese dokters wacht nu al een jaar op zijn loon, alleen idealisme houdt hem aan de slag en sociale ambities kan hij voorlopig niet koesteren. Zijn toekomstige vrouw wacht nog steeds in haar dorp tot hij een bruid schat bij elkaar heeft om met haar te trouwen en haar naar de stad te laten overkomen. Eén van de verplegers heeft nog meer reden tot klagen: hij wacht nu al vier jaar op zijn loon: « Sinds enige jaren is de Administratie in Kinshasa op de computer aan het overschakelen. Je moet dus in die gegevensbank raken om je loon te krijgen en daarvoor moet je de bedienden omkopen. Ik heb pas voor de vierde keer mijn hele dossier opgestuurd want ik kan niet elke keer weer naar Kinshasa gaan. Ik weet het, als ik ginder enkele honderden zaïres rondstrooi en een schaap of zo, komt alles dadelijk in orde. Maar waar haal ik dat geld vandaan?» Op zijn gezicht nochtans geen spoor van opstandigheid: hij heeft recht op 120 zaïres per maand, nu betaalt het ziekenhuis hem een maandelijks voorschot uit een eigen sociaal fonds.

Het ziekenhuis van Kikwit zit al twee jaar zonder stromend water, maar daar wordt nu eindelijk aan gewerkt. Vroeger had men slechts twaalf uur per dag elektriciteit en 's nachts gebeurden operaties bij het licht van een olielamp; nu is er een eigen generator voor de nacht. Gebrek aan materiaal blijft een eeuwige beperking. Ondanks alles is het ziekenhuis bijzonder schoon en heeft men nu ook twee mobiele ploegen die uitstekend funktioneren. De patiënten blijven de prijs van een consultatie hoog vinden, maar dat is niet helemaal terecht: een chirurgische ingreep kost nauwelijks twintig Zaïre, een keizersnede plus een week ziekenhuis vijftig Zaïre (vijfhonderd frank), en zonder staatshulp is een lagere prijs uitgesloten. Het enige bezwaar van de dokters hier is dat ze zich moeten bezighouden met het oplappen van de "Laissez-faire" politiek van de Regering. Zegt iemand van de ziekenhuis staf: « Aan de basis van alles ligt de felle achteruitgang van de socio-economische toestand. De meeste ziekten zoals tuberculose en koishorkor zijn te wijten aan ondervoeding of gebrek aan hygiëne. Ondervoede kinderen kunnen wij met een gezond dieet oplappen, maar wat heeft dat voor zin: als daar thuis niets verandert, zijn ze na een maand weer ondervoed. Zolang van Staatswege geen medische opvoeding uitgebouwd wordt, zuilen kinderen met twee Zaïre liever een flesje cola dan een portie apenoten kopen. Moeders zullen hun zuigelingen poedermelk blijven geven in plaats van de eigen melk, die als afweerstof veel beter is. Wraakroepend ook is de zwendel met geneesmiddelen. Overal op straat kun je medicijnen kopen van handelaars die niks van geneeskunde afweten. Als de mensen buikpijn hebben, halen ze bij zo'n sjacheraar vier capsules tetracycline, net genoeg om de mikrobe immuun te maken en de buikpijn te verergeren.

» Bijna het enige wat er aan preventieve geneeskunde bestaat zijn de vaccinatiecampagnes die vrij efficiënt zijn: in Kikwit moet dat bij jongeren om en nabij de zeventig procent liggen. Maar op het platteland zijn er gewoon geen vaccinatiecampagnes. Een goeie barometer van het voedings- en gezondheidspeil is altijd een ziekenhuis. Hier hebben we tegenwoordig per week vijf nieuwe gevallen van zware ondervoeding: dat heeft men hier nog nooit meegemaakt. »

Om zijn woorden kracht bij te zetten, neemt hij me mee naar een zijvleugel van het ziekenhuis waar in een bed in de hoek een oude man ligt, dertig kilo knoken, niet meer. Zijn familie heeft hem hier op een nacht binnengebracht. Hij ligt op zijn kant als een zieltogende koe, een even afgrijselijke aanblik als een foto uit de Sahel. « Dat hebben wij hier nog nooit meegemaakt », is het commentaar.

Het verhaal van Kikwit geldt voor heel Zaïre. Met dit verschil: Kikwit bleef, ook dank zij een goede ontwikkelingssamenwerking van twee Belgen en een handvol Italianen, gevrijwaard van de kanker die corruptie heet.

Sterven door je land

Volgens bepaalde bronnen zou in Zaïre één kind op twee sterven vóór de leeftijd van vijf jaar. Zelfs de nationale krant Elima drukte in haar editie van 30 september 1980 de resultaten af van een onderzoek door het Nationaal Centrum voor Voedingsplanning, waaruit bleek dat 42 procent van de kinderen aan chronische ondervoeding leed, en vol parasieten en infecties zat. Geen wonder als je weet dat het verbruik van vlees tussen 1970 en 1976 stationair bleef en dat van vis tot de helft terugviel. In een stad als Lubumbashi had de bevolking in 1960 het nog goed: vis stond er op het dagelijks menu. Vandaag is verse vis een voorrecht van de begoede klasse, want tweehonderd frank per kilo is niet haalbaar voor de gewone man. Zelfs op de populaire pilchards wordt bezuinigd. Een kilo vlees betaal je minstens 150 frank, een kilo kip 200 frank, één ei kost vijftien frank. Aan de vooravond van de onafhankelijkheid produceerden de melkerijen van Lubumbashi 20.000 liter melk per dag, vandaag nog 2.800 liter. Het grote Sendwe-hospitaal van Lubumbashi - de stad die pronkt met het epitheton "Hoofdstad van het koper" - heeft sinds kort een vleugel van driehonderd bedden moeten openen om aan de toeloop van koishorkorkinderen tegemoet te komen. Koishorkor is een ziekte die men in de regio in geen twintig jaar meer gezien had, en die het gevolg is van eenzijdige voeding en proteïnegebrek.

Elders wonnen de laatste jaren epidemies en hongersnood onweerstaanbaar terrein. Kivu wordt sinds enkele jaren geplaagd door cholera, een ziekte die veroorzaakt wordt door een gebrek aan hygiëne. In oktober van 1978 kwamen daar meer dan drieduizend mensen om ; de regering hield het bericht maandenlang geheim om het toerisme in de streek niet in gevaar te brengen. De Belgische hulporganisatie Caritas zond toen een vracht entstoffen maar die werden door de plaatselijke autoriteiten verduisterd en te koop aangeboden tegen dertig frank voor één ampul. Begin maart van vorig jaar brak in verschillende zones van Zuid-Kivu (Walungu, Kabare, Kalehe) hongersnood uit; de mannen spoelden daar hun verdriet weg met kasiksi, een plaatselijke brandewijn op basis van bananen. Rond de jaarwisseling van 1979 laaide de cholera opnieuw op, dit keer op de grens van Haut-Zaïre en Kivu, en eiste alweer duizenden slachtoffers. Eind 1978 brak aan het andere eind van het land, in de Bas-Zaïre, een onrustbarende hongersnood uit in Tshela en Lukula: de internationale hulptransporten (van o.m. de Amerikanen) vloeiden op ruime schaal af naar de zwarte markt.

De Nationale Begroting laat over de bezorgdheid om gezondheid vanwege de Zaïrese machthebbers geen twijfel bestaan. In 1955 haalde Volksgezondheid nog 10 % van de begroting binnen, in 1975 was dat nog amper 1,5 % ; in 1978, een jaar van hongersnood en epidemies, steeg dat cijfer weer naar 5 %. De Gezondheidszorg heeft einde 1980 een absoluut dieptepunt bereikt. Een van de recentere medische rapporten ging over de provincie Oost-Kasai, met hoofdplaats Mbuji Mayi. Midden vorig jaar bleek de situatie veel dramatischer dan men voor mogelijk hield; onder de meest courante ziekten noteerde men malaria, slaapziekte, mazelen, t.b.c., ja zelfs melaatsheid. Nog geen vijfentwintig kilometer buiten de hoofdplaats noteerde men in de eerste helft van het afgelopen jaar zevenenveertig gevallen van slaapziekte; in Mbuji Mayi zelf eist de mazelen bij kinderen een hoge tol wegens een acuut gebrek aan 'vaccins. Ziekten die door de tseetseevlieg en andere insecten overgedragen worden zouden eigenlijk makkelijk uitgeroeid kunnen worden als de nodige insecticiden voorhanden waren.

In de ziekenhuizen is de toestand ronduit slecht. In de eerder genoemde Sendwe-kliniek van Lubumbashi zijn de hospitalisatiekosten vorig jaar van zes tot zestig zaïre opgelopen. Begin september werd een vrouw amper één dag na een chirurgische ingreep van haar bed gelicht en aan de deur gezet omdat haar echtgenoot de tweede tranche van de rekening nog niet had vereffend. Een andere vrouw die men' s nachts na een verkeersongeval voor dood van de straat had opgeraapt. kreeg geen toegang tot de spoedafdeling. omdat ze de vereiste documenten niet bij zich had. Het Mama Yemo ziekenhuis van Kinshasa krijgt per jaar ettelijke duizenden ondervoede kinderen binnen. waarvan volgens Amerikaanse inlichtingen de helft ter plaatse overlijdt.

De inschrijving in de kliniek kost al dadelijk enkele zaïres en daarna mag je wat verder de gang op waar je alweer lichter gemaakt wordt. Voor je een arts of een verpleger te zien krijgt, ben je tientallen zaïres armer. De geneesheer met dienst rekent je op zijn beurt nog eens vijftig zaïre aan en stuurt je vervolgens met een voorschrift naar een welbepaalde apotheek waarvan hij vaak zelf de eigenaar is. Om in Zaïre een apotheek te beginnen, heb je geen diploma nodig, wel de nodige kontakten om aan pillen te komen. Dokters en  verplegers weten moeiteloos de hand te leggen op zowat alles wat een ziekenhuis aan geneesmiddelen binnenkrijgt, wat hen een aardige winst oplevert. Voortdurende geneesmiddelenschaarste is daar het gevolg van.

Een gewone inspuiting is in Zaïre vaak al gevaarlijk, want een ontsmettingsmiddel is niet altijd voorradig zodat de patiënt het risico loopt met een infectie ingespoten te worden. Een ander ziekenhuis in Kinshasa, het Makala-sanatorium, dat aan vierhonderd patiënten onderdak verleent, zat de eerste vier maanden van 1979 zonder lopend water en dat terwijl het gebouw van de Nationale Watermaatschappij, "Regideso", vlakbij is. Enig schaamrood houdt de President-Stichter daar niet aan over. Zijn 35-jarige eega Bobi prijkte minzaam op de voorpagina van de kranten van 10 november vorig jaar, ter gelegenheid van een persoonlijke schenking van drie ton geneesmiddelen aan het ziekenhuis van Bunia.

« Mijn landgenoten zullen in 1980 de gelukkigsten en de welvarendsten zijn van heel Afrika », zei Mobutu toch in 1968 ?

Dirk Vandersypen.