Getuigenis : Louis Vanderbruggen

Drukker van "L'Echo du Katanga".

Het Donker Hart Van Afrika Ex-kolonialen over Ex-Belgisch Congo 25 jaar na de dipenda
© Getuigenissen verzameld door de auteur Gust Verwerft
Verschenen in het tijdschrift "DE POST" in 1985, ter gelegenheid van 25 jaar onafhankelijkheid. Niets uit deze webpagina mag op enigerlei wijze worden gekopieerd of vermenigvuldigd zonder uitdrukkelijke schriftelijke toestemming van de webcreator of de auteur. Ik dank Dhr Verwerft voor zijn toelating om te publiceren op de site. Indien uzelf een verhaal heeft geschreven over 1960 als reporter of journalist aarzel niet deze te laten publiceren op de website congo-1960.be Terug naar 25 jaar na de dipenda : Getuigenissen van : Jean, Ann, Madeleine, Ernest, Jos, Jack, Gusta, Piet, Gil en Bernard, Theo, Frans, Albert, Louis, André , René, Jan

 

Louis Vanderbruggen,

1

  • Eerst riepen ze "Bwana Kitoko" naar Boudewijn, maar plots rolde de Dipendaroep door de stad.
  • Het drama voltrok zich terwijl ik op zwier was in de zwarte Cité.
  • De Blauw­helmen van de UNO werden door de blanken en de zwarten evenzeer gehaat.
  • Ik voelde mij meer Congolees dan Belg.

Niet alle wegen leidden naar Congo. Wie in het kille vaderland wilde opstappen, richting warme kolonie Congo, moest  aan  tal van voorwaarden voldoen voordat alle stempels op zijn documenten stonden. België wilde vermijden dat Congo zou worden overspoeld door allerhande ratés, criminelen, politiek gefrustreerden of armoedzaaiers. De blanke die in koloniaal Congo arriveerde, werd geacht een ongekreukt vertegenwoordiger te zijn van zijn ras. Congo mocht geen Afrikaanse Far West worden. Blank Congo versleet hele contingenten Belgen: militairen, politie, ambtenaren van het Gouvernement Générale,  plus vaklui voor de privé­ bedrijven, wier florissante handelsbalansen jaar na jaar inspireerden tot uitbreidingen en investeringen. Ongeschoolde werkkrachten mochten in België blijven. In de brousse konden voldoende zwarten worden gevonden voor dit soort werk.

Drukkersgast Louis Vanderbruggen uit Eeklo, was 23 jaar toen hij gefascineerd ge­raakte door de talloze adver­tenties die in de jaren vijftig de blanke elite naar zwart Afrika riepen. Normaal gesproken kwam hij niet in aanmerking: te jong, ongehuwd, onvoldoende kennis van het Frans, geen geld of relaties en nog te weinig vakmanschap. Toch bleef hij van 1959 tot 1973 in Congo in goede en in slechte jaren. Maanden van terreur konden zijn passie voor dit paradijselijke land liet doven.

“Driemaal zoveel verdlenen en een zon die nooit ondergaat”

Het is 1959 als het verhaal begint. Men is minder kieskeurig geworden bij het aantrekken van Belgische werkkrachten. De broeihitte van de Dipenda zet steeds méér blanken ertoe aan hun verblijfstermijn (term) niet te verlengen of te bekorten. Congo 1959 heeft zwart geschreeuw te veel en blanke handen te weinig. ander bruggen geraakt zodoende in Congo. Van drukkersgast brengt hij het tot chef d'atelier. Hij trouwt, wordt huisvader en beleeft er zowel de euforie van E'ville 1960 als de verschrikking van de Simba-opstanden in Stanleystad 1964. Tshombe sprak hem aan met de voornaam, een UNO-majoor ranselde hem af, simbaleider Opepe martelde hem, en de Belgische para's konden hem redden terwijl in de straten van Stan­leystad het bloed stroomde bij beken. Toch maakte haat in het hart n Vanderbruggen geen kans. Hij voelde zich altijd één met de zwar­ten, en de zwarten aanvaardden hem als hun gelijke. Ze merkten immers ook dat Louis geen rijk man was, en, net als zij, dagelijks hard moest werken om aan de kost te komen. Hard werken, maar ik verdiende driemaal zoveel als in België, bovendien had ik nauwelijks onkosten en de zon scheen hier altijd. Overdag in drukkerij, 's nachts in de bars.» legt Louis Vanderbruggen uit, negen hoog op zijn kleine flat langs de dijk van Blankenberge. Hij is nu 49 jaar, sedert een drietal jaren uit de echt gescheiden. Hij werkt bij een Brugs constructiebedrijf. Geregeld bekruipt hem de lust te reageren op annonces in de krant waarin de lokroep van donker Afrika weerklinkt. Alles ligt netjes uitgeschreven voor hem. «Drie nachten mee bezig geweest», voegt hij eraan toe. «Zodra ik aan Congo begon te denken, zag ik weer de film van mijn hele leven. Ik schreef alles op om niets te verge­ten, want iets vergeten zou een mis­daad zijn tegenover zwart en blank.»Tijdens zijn verhaal drinkt hij bier uit flesjes. A la Congolaise. Hij is een kettingroker. Mark, zijn veertienja­rige zoon, luistert zwijgend mee. Flarden van vaders levensloop waren hem bekend, maar nooit had hij hem vier uren ononderbroken. over hetzelfde onderwerp horen pra­ten. Het begin. «In de cinemazaal van Eeklo zat ik te kijken naar een propagandafilm over Belgisch Congo. Zulke avonden wer­den bijna dagelijks ergens in België georganiseerd, en waren gelegenhe­den voor vlot pratende heren om de toehoorders murw te krijgen en 'Vive la Belgique' en 'Vive le Congo' te laten roepen. Ik zie me naderhand nog naar huis stappen, doordrongen van de gedachte dat de wereld aan mijn voeten lag. Ik vulde een vracht documenten in, en stuurde die, zoals aangegeven, naar het ministe­rie van Koloniën. Ik was vanzelf­sprekend véél te jong en onbeslagen om in aanmerking te komen, maar een plaatselijke senator wilde dat voor mij wel regelen. En, inderdaad, ik ontving weken later een brief van de 'Imprimérie NouveIle' uit Leopoldstad die een linotypist zocht. Die moesten me tot hun spijt afwijzen wegens mijn gebrek aan talenken­nis. Een tweede brief, uit Kasaï­ (Luluaburg), leverde evenmin iets op. Nogmaals weken later opende ik, al bij voorbaat ontmoedigd, een derde brief uit E'Ville. Een zekere Albert De Coster, een Brusselaar die de krant «I'Echo du Katanga» uitgaf, maakte van zijn vakantie te Brussel gebruik om een rendez-vous vast te leggen. «Dans six mois, vous parle­rez aussi bien que moi, beweerde hij, en hij liet me een contract onder­tekenen voor vier jaar. Nog steeds zie ik dat beeld van mijn huilende moeder toen zij besefte dat ik uit haar wereld zou verdwijnen. Op 2 juni 1959 te Brussel in een DC 6 ge­stapt en 24 uur later, via Rome, Kaïro en Stanleystad geland in Elisabethstad waar ik mijn eerste Congolese les kreeg: er bestaat . slechts één uur tijdsverschil tussen België en Congo.»

“Geld verdiend? hoe kan dat wanneer je leeft als God in Fankrijk, ik sprak swahili; dat was mijn rijkdom”

Louis Vanderbruggen: «Mijn rijkdom steekt in mijn hart. Na zulke ervarin­gen kan je nooit meer arm zijn. Congo leverde mij concreet een zeer degelijke kennis op van de Franse taal. Ik, de volksjongen uit Eeklo, sprak Frans als een Fransman. Ik kende ook Swahili, waardoor ik .de vriend van de Congolezen werd. Ik zat meestal in zwarte bars, ik volgde zwarte voetbalwedstrijden, ik had zwarten als vrienden. Tijdens mijn eerste Congolese weken zag ik koning Boudewijn. Die had ik in Bel­gië nooit van nabij gezien. In december 1959, toen in Congo onrust broedde, kwam hij hals over kop naar Stanleystad en Elisabethstad. Ik zie de stoet nog arriveren, bij ons in de drukkerij. De koning in smetteloos wit pak, naast hem gouverneur Cornelis met zijn bepluimde tropenhoed. Op straat, een massa zwarten. Nooit heb ik zoveel zwarten bij elkaar gezien. Urenlang duurde de roep “Bwana Kitoko, Bwana Kitoko”, wat wil zeggen “mooie mijnheer, knappe mijnheer”. Plots, en voor mij onverklaarbaar, sloeg de stemming om. Terwijl de koning naar de resi­dentie van de gouverneur reed, weerklonk de kreet “Dipenda, Dipenda”. Ik begreep eerst niet wat werd geroepen. Na enige minuten leek het door de hele stad te dreu­nen. Nee, eigenlijk was de sfeer niet vijandig. Weinige zwarten begrepen wat met die ‘Dipenda' werd bedoeld. Louis Vanderbruggen wil niet door­gaan voor de stoere bink.

«Ja, de cafard. De eerste maanden had ik daarvan veel last. Het loge­ment  was niet fameus.  Een kamertje, vijf km van de drukkerij. Ik was op pension in 'Le Ranch', gehouden door Maja, een Portugees uit Angola. 'Le Ranch', de naam kent iedereen die ooit in E'ville was. Dat was de chic van de stad. Het hele uitgaansleven in E'Ville had cachet. Das en goedgesneden pak waren verplicht. E'ville was niet toeval­lig la capitale du cuivre. Distinctie was hier de stijl. Jaren later, toen ik naar andere steden trok, heb ik vast­steld dat deze stijl exclusief was voor E'ville. Iedere avond was het in “Le Ranch” diner-dansant. Toegang sluitend voor blanken. Aan de deur stond een portier die de zwar­ten buitenhield. Ik betaalde voor dit prinsenleven 3.500 Fr. per maand. Tweemaal niets dus. De stad intrek­ken hoefde niet, in 'Le Ranch' was vertier en plezier genoeg. Je ont­moette hier trouwens iedereen. Op zaterdagavond hielp ik in de bar. Ik werd een bekende figuur in blank E'ville. Kort voor de Dipenda heb ik meegemaakt dat een zwarte in 'Le Ranch' een glas wilde komen drin­ken, blijkbaar sterk gemaakt door politieke slogans. Resultaat hij werd letterlijk buiten getrapt door Maja, de patron. Maja had toen al besloten zijn restaurant over te laten. Hij voorvoelde dat na de Dipenda de zwarte vergelding zou volgen. De nieuwe eigenaar was een Brusselaar. We noemden hem 'den Tisch'. Hij liquideerde het restau­rant, en maakte er een nachtclub van, met zwart orkest. Het orkest van Baba Gaston, gespecialiseerd in de cha-cha met, om het half uur de Independance-cha-cha. »

Louis Vanderbruggen bewaart geen merkwaardige souvenirs aan de his­torische datum van 30 juni 1960. Hij, en samen met hem nog enige honderden onverbeterbare optimisten, geloofden vast dat de Dipenda niets fundamenteels zou verande­ren. Zwart zou zwart en blank zou blank blijven. Die geruststellende gedachte werd gecultiveerd door het geregeld beluisteren van Radio Belgisch-Congo of de Vriendschapsbode vanuit Brussel. De luisteraar bleef telkens zitten met de idee dat de Dipenda één groot feest zou wor­den, en dat naderhand eeniedér weer aan de slag zou gaan. Voor Louis. die al maanden tevoren met de zwarten had verbroederd, zou dus schijnbaar helemaal niets veranderen. Louis Vanderbruggen: «De Dipenda? We gingen naar het defilé kijken. Zwarte soldaten, blanke militairen. Ik heb de optocht gefilmd. maar voor ons was belangrijker dat in de bars het feest 's voormiddags reeds was begonnen. We trokken naar de Cité Albert. Niet verwarren met de Cité Kenia, een wijk met ruim tweehon­derd bars. De Cité Rouge, zo werd de Kenia genoemd. De meeste van die tweehonderd bars kende ik. Niet verwonderlijk, de patrons van die etablissementen kwamen in onze imprimerie hun drukwerk bestellen, en ik leverde af. Voor ieder van die bars drukte ik de “bon pour... “. Zon­der zo' n bons geraakte je niet aan drank. Ik kende de bons, en ik kende de vrouwen van die bars. Ik was vrijgezel en er waren weinig blanke vrouwen ter beschikking. Sommige blanken vonden het een schande dat ik met zwarte vrouwen omging. Ik niet, ik vond zoiets dood­gewoon. Dertig juni 1960 was voor ons een zuipdag. In geen enkele bar kregen wij kans iets te betalen. Alles op rekening van de zwarten. Niet vergeten dat wij, met drie kameraden, zowat de enige blanken waren in deze zwarte cité Albert. De ande­ren bleven hier weg, of zaten thuis, vervuld van angst. Ik werd niets gewaar van enig onheil, gewoon omdat ik mij in die periode als een vriend der zwarten beschouwde. In die periode had ik al Swahili geleerd, met behulp van handboeken ge­schreven door missionarissen. Alom in de cité werden des dances indigé­nes gehouden, op het ritme van de tamtams. Wat ik wél opmerkte: de zwarten waren  gedrogeerd. Ze rook­ten hennep, en dat leidt altijd tot uitspattingen.

In de loop van de avond van 30 juni 1960 sijpelden de eerste berichten door over opstanden en slachtpartij­en overal in Congo. De radio had die onheilstijdingen omgeroepen, maar Louis Vanderbruggen merkte er pas 's anderendaags iets van toen hij om vijf uur 's ochtends arriveerde in het atelier van «L' Echo du Katanga». Telexberichten en telegrammen ver­telden dat de jonge staat in vuur en vlam stond, dat de zwarte leiders mekaar naar het leven stonden en dat de blanke militairen zonder harde richtlijnen bleven. De telexen lieten weinig stof tot interpretatie: doden in Thysstad, lijken in Leopoldstad, exodus van blanken uit de steden, enz... Maar in E'ville, dat blanke bolwerk dat bovendien Moïse Tshombe tot loyaal verdediger van blanke belangen had kunnen omvormen, bleef alles kalm. Verdacht kalm. De eerste week na de Dipenda bleven wanklanken uit.

“Een bustehouder en enige lingerie lag op de grond in de drukkerij, pas toen begon ik mij ongerust te maken.”

Louis Vanderbruggen: «De zwarte chefs interesseerden zich voor onze krant, en wilden een stevige greep krijgen op de berichtgeving. Leden van de CONAKAT van Tshombe kwa­men dagelijks over de vloer, meestal kort nadien gevolgd door propagan­disten van de Balubakat van Jason Sendwe. Tshombe was een lid van de Lunda's en familie van het grote opperhoofd Mwata Jamvo, de leider van alle Lunda's in Zuid-Katanga. Zijn tegenhanger was Kasongo Niembo, de grote chef van alle Baluba's, een stam van krijgers, vechters. Het zijn deze grote chefs die Tshombe hebben gesteund toen hij zijn Etât du Katanga uitriep. Ik heb Kasongo Niembo gezien in 'Le Ranch', ooit exclusief voor blanken, maar sedert de Dipenda een insteling met open deuren. Hij droeg zijn kitengi, een Europese colbert, zijn medaille uit de tijd van Leopold II. Alle zwarten in de bar kwamen op hun knieën naar hem toegekropen, trommelend in de open handpalm. Twee maanden eerder zou zo'n scène in 'Le Ranch' onvoorstelbaar zijn geweest: een opperhoofd, in vol ornaat, dat de barhouder een lui­paardvel komt schenken.

Een week na de onafhankelijkheid had ik enige zwarten uit de drukkerij geïnviteerd om in de Quartier Albert een pint je te drinken. Uiteindelijk ging alleen mijn zwarte maat Gaspard mee. Gaspard was een Lunda en had nogal wat relaties in de entourage van Tshombe. Onze vriendschap werd bezegeld toen ik hem een kostuum gaf, gemaakt door mijn vader die kleermaker was in Eeklo. Die dag maakten we er ander­maal een kroegentocht van totdat Gaspard tegen mij zegt: «Monsieur Louis, on s'en va! II faut partir. On rentre en ville. Non, je ne dis pas pourqoui.» Had hij iets gehoord over wat ging gebeuren? Wellicht, maar ik volgde hem niet, en bleef simba­bier drinken. 's Anderendaags, vroeg in de ochtend, wordt er op mijn raam geklopt. Ik herkende de stem van een collega: «Louis, Louis, rap, rap, uit uw bed! C'est la guerre! Wij vluchten naar de missie van de Paters Salesianen.» Ik, die dacht dat ik een Congo-kenner was, lachte hen uit, en sliep verder. Een paar uur later deed ik wat alle blan­ken .in Congo altijd op zondagoch­tend deden: naar de post rijden om hun correspondentie op te halen. Plots besloop mij angst. De stad was leeg en stil. Een aanblik om nooit te vergeten. Op de trappen van het postgebouw zaten drie blanken, met een vreemd verhaal: «Weet gij dan niet wat er vannacht is gebeurd? Zeven b!anken vermoord, o.a. de consul van Italië. Ruim de helft van de twaalfduizend blanken is ge­vlucht naar Kasumbalesa, de grenspost van Rhodesië.» Het drama had zich dus voltrokken terwijl ik.op zwier was in de zwarte cité...»

Terwijl in Brussel de telexen verha­len uitspuwden over bloed en geweld, riep Moïse Tshombe de parachutisten van de basis Kamina ter hulp. Dit elitecorps bestormde het opstandige kamp Masard. Dezelfde avond was de muiterij onderdrukt. Maar zoiets betekende niet dat de rust was weer­gekeerd. Het zaad van de opstand was gezaaid. De wijken der blanken begonnen op vestingen te gelijken. Langs de Avenue Stanley, waar de villa's van de BCK waren gebouwd, werden vrouwen en kinderen onder­gebracht, verdedigd door blanke vrijwilligers. Een nogal vreemde situatie. Vrouwen die pannenkoeken bakten voor een blanke volksmilitie die niet wist waar de vijand zat. Louis Vanderbruggen: «Eerlijk gezegd, we hebben geen schot moeten lossen. Wij zijn gebleven tot de radio meldde dat in de stad alles rus­tig was. Dagenlang ben ik, zoals de meeste blanken, gaan werken, met revolver of geweer naast mij. Op een ochtend arriveer ik, zoals gebruike­lijk als eerste, in de drukkerij. Op de grond vond ik een bustehouder. Verderop lag een corset. Pas toen begon ik mij écht ongerust te maken. Na­derhand bleek dat mijn werkgever, mijnheer De Coster en diens vrouw, zo haastig en nerveus hun koffers hadden gepakt dat overal kleding­stukken lagen verspreid. Ook hij was gevlucht naar Rhodesië. Ik, als jongen van 23 jaar, begreep nog altijd niets van wat om mij heen gebeurde. Ik leefde nog steeds in de veronderstelling dat we een nieuwe start hadden genomen.»

“Dit is de onafhankelijkheids­verklaring van Katanga, gelieve ze morgen af te drukken in uw krant”

Louis Vanderbruggen: «Wat kon ik anders doen dan de leiding overnemen in het atelier? De krant, dat was mijn broodwinning. We verschenen niet meer, maar ik was aanwezig. Op de middag van 9 juli 1960 stapt de joviale en rijzige Moïse Tshombe het bedrijf binnen, vergezeld van zijn lijfwachten. Hij informeerde naar Albert De Coster, maar kwam bij mij terecht. «Vous êtes le chef d'atelier? Bon, je viens vous apporter la décla­ration de L'Indépendance du Katanga. Deze verklaring moet morgen verschijnen, in een édition spéciale...» Met vijf zwarten hebben we de machines op gang gekregen, en 's anderendaags rolde die boodschap van de persen. «Je déclare le Katanga separé du reste du Congo. Wij willen niet toegeven aan de chaos, aan de moorden, aan de opstanden... Aujourd'hui I'était du Katanga est né.» Deze oproep van Tshombe droeg niet ver maar was voor velen een geruststelling. Uit Rhodesië keerden vele blanken terug. Ook mijn patron, Albert De Coster. De drukkerij werkte verder, alsof niets was gebeurd, zij het dan zonder ene journalist Lambert, gevlucht naar Zuid-Afrika, zonder mijn collega Montoisi uit Jemappe-sur-Sambre, ijlings vertrokken naar België. Hij woonde in een villa tegenover 'Le Ranch'. Logisch dat ik nadien introk in die villa, na bijna één jaar op een klein kamertje te hebben gewoond. Ik meende dat ik, na al wat ik had meegemaakt, niet langer le petit gamin van de drukkerij hoefde te zijn en voortaan ook een eigen woning mocht betrekken, temidden van de palmbomen. Zoals de meeste blan­ken die waren gebleven na de af­slachtingen rond de Dipenda, voelde ik mij bovendien evenzeer een Katangees als de Katangezen. Dat gaf een prettig gevoel, want Katanga was synoniem van rijkdom, en die gedachte aan rijkdom had ons toch ooit naar hier gebracht. Wij steunden dus voluit de Katangezen toen die zich afscheurden van een Congo dat voor de blanken een hel was gewor­den. We waanden ons volledig veilig, beschut als we waren door de Katangese gendarmes, en nadien de blanke huurlingen die voor Tshombe een geduchte krijgsmacht beteken­den. We waren niet écht bang meer toen in het noorden van Katanga rond Nyunzu, Kabalo, Manona en Albertstad, een opstand werd gemeld van de Baluba's, aange­stookt door de politieke leider en rivaal van Tshombe, Jason Sendwe. Tshombe bevocht deze opstand, die Katanga opnieuw bij Congo wilde inlijven, met het aantrekken van een onvervalst huurlingenleger, les affreux. Het leek niet zo moeilijk mercenaires bijeen te brengen. Europa had vechtjassen in voorraad, nu in Algerië de oorlog voorbij was en vele parachutisten met hun frus­traties tegenover de Gaulle bleven zitten. Ik heb ze in E'ville gezien: Bob Denard en Jean Schramme als hoofd van de Task Force, een colonne pantsers die optrok tegen de Baluba's.

Van hoge politiek heb ik geen begrip, maar ik kan iedereen verzekeren dat de blanken in Congo, en zeker in Katanga. telkens verbaasd opkeken van de zetten die werden geplaatst op het politiek-internationaal schaakbord. Na een of andere redevoering van Paul-Henri Spaak voor de banken van de UNO, na een scheldpartij van Kroetsjov, en na een speech vol gif van president John Kennedy, zagen wij hoe binnen de kortste keren de Belgische militairen uit Congo moesten verdwijnen en vervangen worden door de blauw­helmen. Zowel blank als zwart haat­ten deze UNO-groepen die niet de minste kennis hadden van de Katan­gese toestand, en zich aanstelden als onmensen, zowel tegenover zwart als blank. Ze vermoedden in iedere blanke een huurling, en beo schouwden elke zwarte als een potentiële doder. In plaats van rust te brengen, veroorzaakten zij de hevigste spanningen die de blanken tot op dat moment hadden moeten doorstaan. De sfeer was anti-UNO, en op mijn platte Heidelbergpers werden' s nachts slogans tegen deze troepen gedrukt. De betrokken­heid van onze drukkerij geraakte bekend en op de radio werd omge­roepen dat Albert De Coster uitgewe­zen werd en 24 uur de tijd kreeg Katanga te verlaten. Voor ons, blan­ken, zou de hel straks losbarsten. . .»

Elisabethstad. dat was de grote chic in Congo. Het uitgangsleven verliep hier obligaat in kostuum. wit hemd en das.

Robert Cogoi bezocht destijds de krant «L'Echo du Katanga». Hij krijgt deskundige commentaar van Louis Vanderbruggen (links) en Roger Heselmans uit Luik.

 

De UNO-troepen hadden geen kijk op de merkwaardige situatie  in deze hoofdstad van een provin­cie die de blanken erg welgezind was, en die door Moïse Tshombe tot afscheuring van de Congolese staat werd aangezet.

 

Zij plaatsten de verkeerde zetten op het Congolese schaakbord. Jason Sendwe (links) vuurde zijn Balubakat aan tot muiterij. Hij werd in 1964 door de Simba's ver­moord. Cyriel Adula (rechts) bracht het een tijdlang tot pre­mier van Congo, na de moord op Patrice Lumumba.

De Baluba's zaaiden na de Dipenda terreur in Elisabethstad. Ze waren leden van een krijgersstam. Hun favoriete wapen was een geslepen fietsketting.

“Geef ons de Blanken wij eten ze op”

Louis Vanderbruggen overleefde als bij mirakel de Hel van Stanleystad

Congo 1960


Wie in Congo heeft gewoond, gewerkt en geleefd, is blijkbaar bereid te allen tijde terug te keren. Sommigen hebben niet eens gewacht tot de verschrikkelijkste herinneringen bedolven geraakten onder het stof van de tijd. De lokroep van het Congolese volk en land moet als een intoxicatie zijn geweest. «Indien ze me nu zouden zeggen dat ik over één uur wordt verwacht op de luchthaven, voor een vliegreis naar en definitief verblijf in Afrika, zou ik dadelijk vertrekken», bekende ons meer dan een koloniaal. Louis Vanderbruggen uit Blankenberge hield het niet bij woorden. Hij keerde driemaal terug. Zelfs na de Apocalyps van de Simba-opstanden. Het verhaal van een waanzinnige verliefdheid op al wat Congo symboliseert. Zelfs het blankvriende­lijke Katanga werd na de Onafhankelijkheid aangevreten door op­standen. De eerste maan­den waren het de zwarten die mekaar afslachtten. Vaak de afre­kening van oude vetes tussen de stammen. Dergelijke bloedige twis­ten zijn er altijd geweest. De zwarte vreest niet de dood, maar wél het lijden en wat daaraan vooraf gaat. Verklaart dit de hui­veringwekkende wrede uitmoor­dingen ? “De blanke met zijn kogels schrikt ons niet af”, zou de zwarte vaak zeggen. ..Dat is een onmiddellijke en zachte dood.» Het afhakken van handen en voeten, het uitruk­ken van ogen of ingewanden, het afsnijden van tong en geslachtsde­len en het toebrengen van vrese­lijke verwondingen met speren of machetes, betekenden evenwel een vreselijke doodstrijd die door de tegenstanders meestal met hysterisch gelach werd begeleid.

De Belgen in Katanga, en meer bepaald in Elisabethstad, wilden nog altijd niet geloven dat een tijd­perk voorgoed was afgesloten. Ook nadat de UNO-troepen de eerste rebellie hadden neergeslagen. Blanke terreur verving zwarte ter­reur. De UNO-troepen werden gehaat, door blank en door zwart. Louis Vanderbruggen: «Mijn patron, de eigenaar van de drukke­rij, was gevlucht. UNO-soldaten kwamen hem zoeken. Brutaal met het machinepistool in de hand. Een verhoor alsof wij, op zijn minst, moordenaars waren. Het was dui­delijk dat géén van deze militairen iets begreep van de specifieke Congolese toestand, dat ze de goe­den en de. slechten niet van mekaar wilden of konden onder­scheiden. Ik zie de zwarten in de drukkerij nog staan bibberen. 'Bwana Louis, wat gebeurt er?' vroegen ze wel honderdmaal. Ik, als blanke, kon voor het eerst geen uitleg geven over het gedrag van andere blanken, soldaten.»

Een optimistisch mens gelooft altijd dat het ergste voorbij is..

Louis Vanderbruggen: «Duizenden blanken bleven na de Dipendance in E'ville. Het waren ongetwijfeld de optimisten die altijd geloofden dat het ergste voorbij was. Ik weet niet hoe de Belgen het beleg van E'ville in hun kranten opgediend kregen, maar de werkelijkheid was heel anders. Boven ons hoofd werden dingen beslist waarvan wij geen notie hadden en die tot onvoorstelbare toestanden leid­den. Zo was er die eerste 'oorlog' van september 1961. Wie tegen wie vocht, weet ik niet, maar wat ik wel weet is dat op een morgen in mijn straat de hel losbarstte. Ik woonde in de avenue Stanley, pre­cies tussen het gebouw van Radio Katanga en, honderd meter verderop, lag het kasteeltje Le CIair Manoire, het UNO­-hoofdkwartier van de Ierse gene­raal O'Brian. Plots, om vier uur 's morgens, geweervuur en tanks. UNO-troepen in mijn tuin. Het was nog donker, en alles werd kapot geschoten. Volle vierentwintig uren duurde dat gevecht. Zoals een angstig dier, poogde ik me overal te verstoppen, tot onder mijn badkuip. Nadat Radio Katanga was ingenomen, leerde ik de ghurka's kennen. Een gesel voor Afrika. Ghurka's zijn die vre­selijke Nepalese mannetjes met ge­kromde messen in hun laarzen. Ze hebben ook in de Falklands meege­vochten. Voortdurend schoten ze in volle straat hun laders leeg op al wat bewoog. Veertien dagen zat ik in de kelder bij een vriend tot het ineens weer stil werd in de stad. Dat was ook zo typisch voor de Congolese Verwarring. De ene dag oorlog, de volgende dag vrede. Wellicht weer iets dat werd be­slist aan een of andere conferen­tietafel. Drie maanden later, december 1961, opnieuw la guerre. De UNO-troepen waren al sedert maanden weg uit de stad, maar ineens stonden ze daar weer. Aan de kruispunten werd op ons gevuurd. Blanken die schoten op blanken die van hun werk terugkeerden. Onvoorstelbaar. Opnieuw een vlucht naar een rus­tige wijk, ditmaal bij mijn vriend Pierrot uit Luik. De stad lag onder kanonvuur. Drie weken hebben we geleefd op macaroni. We wasten ons in het regenwater dat dit sei­zoen in overvloed stroomde. Wie schoot, wisten we niet, evenmin waarom. Tientallen blanken zijn die weken om het leven gekomen. Mijn woning werd vanzelfspre­kend geplunderd. Die ghurka's waren griezels. Op het moment dat ik mijn leeggestolen huis buiten­kom, springen ze naar me toe: 'Hands up, you Katanga, you Katanga', was het enige wat ze schreeuwden. Ik begreep dat ze wilden achterhalen of ik een huur­ling was, en in dat geval zouden ze me zeker ter plekke hebben dood­geschoten. 'No, civiIian', huilde ik, dat leek hen te overtuigen. Naderhand is het me duidelijk geworden dat deze ghurka's veel doden op hun geweten hadden omdat de meeste blanken hun gevraag niet eens begrepen. Twee vrienden van mij werden door de ghurka's doodgeschoten. Kogel in de mond of in het hart. Wat vreemd was: je vond zogoed als nooit een lijk. De ghurka's groeven zelf in volle stad, een kuil om lijken weg te stoppen. In het beste geval werden die, maanden later, na het regenseizoen teruggevonden. Eind 1963 was er de derde en laatste oorlog in en rond de stad. De hele tijd poogden we gewoon verder te werken in de drukkerij. Einde 1963 was dit hoofdstuk voor­bij. De huurlingen gaven zich over, Tshombe verliet Kolwezi, en liet zich gevangen nemen op weg naar Jadotville. Katanga werd Congo. Mijn termijn van vier jaar was voorbij, ik had mijn vliegtuigticket naar België op zak.»

“De ethiopiërs ranselden ons tot bloedens toe”

Louis Vanderbruggen: «België? Na vier jaar was de herinnering ver­vaagd. Ik betrapte mij erop alle gelegenheden aan te grijpen om langer in Katanga te kunnen blij­ven. Ik hield van dit land en van de mensen. Ik kon ook mijn werk gewoon blijven verder doen. Onze drukkerij was opgekocht door 'La Presse Congolaise' van Adula, Bomboko, enz... In oktober 1963 was ik in E'ville aan een laatste kroegentocht toe. 's Anderendaags moest ik het vliegtuig nemen naar Brussel, samen met Pierrot. In één van de bars kregen we het aan de stok met Ethiopische militairen, in burger. De reden? Gewoonweg omdat zij spotten met Katanga en Congo, en wij ons verplicht voelden daar­op te reageren. De zaak liep uit de hand, en wij werden door militaire politie weggesleurd. Wij hebben toen de afrossing van ons leven gekregen. Door mannen in UNO­-uniform, onder toezicht van een majoor, eveneens een Ethiopiër. 's Anderendaags werd ik door blanke UNO-soldaten uit de cel gehaald. Te laat natuurlijk, mijn vliegtuig naar Brussel was al ver­trokken. Heb ik niet altijd gezegd dat de UNO werd gehaat, zowel door blank als zwart? Hadden we daartoe geen redenen?» «Ik had zes maanden vakantie, na drie maanden keerde ik terug. Bel­gië was voor mij te klein, te koud, te benepen. Op 9 januari 1964 ver­trok ik uit Brussel. Naar Stanley­stad, in opdracht van dezelfde drukkerij. Ten vierde male geloofde ik dat het ergste voorbij was en dat de poorten van het paradijs weer open gingen. Het viel me op dat tientallen Belgen opnieuw naar Stanleyville kwa­men. Alsof er geen rebellen als Pierre Mulele of geen Simba's bestonden...» «Ik voelde me de 'ancien' in Stan­leystad, het huidige Kisangani. Samen met Georges Rosa, mijn boezemvriend uit Luik, moesten we daar een drukkerij oprichten en uitbreiden. Daar was ook een journalist bij, François de Beau­fort uit Brussel. Samen gaven wij een klein krantje uit, 'La Gazette', veel gelezen door de blanken.» «In juni 1964 horen wij rumeurs. De rebellen - weer eens - dit­ maal die van Pierre Mulele, zou­den Kindu ingenomen hebben, en ook Ponthierville, zo'n honderdvijf­tig km van Stanleystad. De geruch­ten veroorzaken een angstpsy­chose. Van serieuze voorlichting ter plekke was natuurlijk geen sprake. Misschien dat iemand die in de administratie zat iets zou weten maar wij, werkende men­sen, telden niet mee. De zwarten in de drukkerij doorstonden, op voor­hand, doodsangst. Dat had op de eerste plaats te maken met hun sterk geloof in magie. Magische krachten beheersen trouwens een heel zwart continent. De blanke die zoiets onderschat, tekent zijn doodvonnis. Over de rebellen, de Simba's, liepen sterke verhalen. Over hun onsterfelijkheid bijvoor­beeld. En over hun wreedheid. Ze werden voorgesteld als een troep wilden, aangevoerd door tove­naars. Ook wij, de blanken, kregen daarvan de daver op het lijf, temeer omdat de vertellingen over hun afschuwelijke wreedheid werden bevestigd door allerhande fotomateriaal van slachtpartijen die alom werden aangericht.» «Een paar weken later, einde juni 1964, was menige blanke gevlucht, maar ik bleef. Waarom? Dodelijke verliefdheid op dit land en de levenswijze die wij er, als blanken, op na konden houden.»

Het kongolese leger viel aan in marche-arrière

«Wij verstuurden een telex naar onze hoofdzetel in Leopoldstad. Wat moeten wij doen? Zijn wij in gevaar omdat wij voor een pro­gouvernementeel dagblad wer­ken ? Het antwoord was kort en krachtig: 'HUjven, maar U niet met politiek bemoeien!' Men moet weten. de politieke toestand in Congo was grondig gewijzigd. Nu was Tshombe premier en Kasavu­bu was nog president.» Ik was niet écht ongerust. Na wat ik met de Dipenda. en daarna met de UNO-blauwhelmen in Elisa­bethstad had meegemaakt, geloofde ik dat mij niets meer kon overkomen. Ik beschouwde mij als een Congo-kenner. Ik was niet de enige. Nog een paar duizend andere blanken dachten er zo over. Ik lachte soms zelfs om de angsten van de andere collega's die aan hun eerste Congo-termijn toe waren.» «Dinsdag 4 augustus 1964, ik ver­geet het nooit. De sfeer in de stad, dat onbehagen in het atelier. Zoals ze dat in het Frans zeggen: “On sent l'insécurité”. Men proeft de onzekerheid. Een bepaald gevoel dat je alleen in Congo kan hebben. Niemand zegt iets, er gebeurt niets, maar je voelt dat 'Het Moment' op komst is.» «'s Middags, hop, alle zwarten weg. Ik sta nog alleen in de werk­plaats. Ik rij naar huis. Onderweg, in de verte, geweervuur. Het komt alsmaar dichter. Ik haast me naar de woning van mijn vriend Jean­Jacques, we noemden hem Jiejie. Met een Demoiselle had hij een liefdesnestje gebouwd op de weg naar Ponthierville, waar de Coca-­Cola-fabrieken stonden. Ik haal bei­den uit hun bed, en neem hen mee naar de stad. Dat heeft hen het leven gered, want precies in die straat richtten kort nadien de Simba's hun eerste bloedbad aan.» «Met een tiental blanken betrok­ken we een flat van de bekende building Immo-Equateur, langs de Congostroom, Place de la Poste. We rekenden op de Armée Natio­nale Congolaise, de ANC. Maar dat was een illusie. Dat leger was nochtans goed uitgerust en be­stond uit veel manschappen. Uit­sluitend zwarten, zo te zien. Vanuit onze flat zagen we ze voor­bij rijden, richting rebellen. Nu wil ik opnieuw getuigen wat destijds vaak verzwegen of geloochend werd. Dit Congolese leger, vol ban­gerikken, trok de vijand tegemoet in 'MARCHE-ARRIERE'. Dat wil zeggen dat ze met hun vrachtwa­gens achteruit, in plaats van voor­uit reden. Achterin de camions zaten de soldaten met hun machi­negeweren, en kleine kanons. Maar alles gebeurde in 'marche­-arrière', kwestie van DADELIJK te kunnen vluchten bij de eerste confrontatie met de Simba's.» «Vanzelfsprekend reed dat leger een halfuur later al opnieuw voor­bij. Op de vlucht, en stormend naar de andere kant van de oever, waar ze zich veilig waanden. Toen wisten we dat we voortaan aan de Simba's waren overgeleverd. Vluchten kon niet meer...» «Het was stil in de stad. Je hoorde niets meer. Je zag niets meer. Een stad met tienduizenden inwoners die uitgestorven leek. We wisten echter dat, na de stilte, een orkaan zou losbreken.» «In de verte plots tamtams. Een Congolees gezang. Het geluid komt nader. Omstreeks twee uur in de namiddag zien we de eerste Simba's. We zitten hoog in ons flat­gebouw, maar ik herken de toe­stand duidelijk. De troep wordt voorafgegaan door een tovenaar, een munganga. Aan het hoofd van elk groepje zou zo'n munganga mee stappen. Hysterisch dansend, opgepookt door de hennep. Zonder tovenaars zouden de Simba's nooit zijn vertrokken. Het geloof in hun onsterfelijkheid werd door hen aangewakkerd. Jean-Jacques wilde hen fotograferen vanop het terras, maar één van die wilden had hem gezien en richtte zijn FAL, een automatisch geweer, op ons. De kogels sloegen in op de muur boven ons. Ze konden niet schieten, maar ze hadden uitste­kende ogen.» «De Simba's namen Stanleystad in, zonder noemenswaardige weerstand te ontmoeten. Ze waren gekleed in een semblant-uniform, gestolen op de lijken van Congo­lese soldaten. Ze droegen een dawa, het amulet dat hen onsterfe­lijk maakte. De meesten hadden takken in hun haar en op het hoofd. Verder luipaardvellen, ape­nvellen, koperen banden rond hun , armen. Echte wilden. Het waren , wilden; » «Opeens horen we hen roepen  'Wasungu', de blanken. Blanken, komt buiten, wij willen U geen kwaad. Ik verstond hen, want ik sprak Swahili. Tot een verder ge­sprek kwam het niet, want het Congolees leger begon met kanon­nen te schieten van op de andere oever. Slecht gericht, natuurlijk, en zonder doel te treffen.»

“En dan, die onverklaarbare blinde haat tegenover blanke vrouwen”

Na de eerste dag van de Simba's in Stanleystad, volgde de eerste nacht, en dat werd een gruwelijke heksensabbat. Louis Vanderbruggen: ..Het was al laat in de avond toen de rebellen ons hoge flatgebouw aanvielen. We zaten samen, met twaalf in een woonkamer, op de vijfde verdie­ping. We hoorden schieten, huilen en tieren op het gelijkvloers. Daar­bij steeds de kreet Wapi wasungu, wapi wasungu' - Waar zijn de blanken? We holden doodsbang naar het dak van het gebouw. Wij bleven twee uren roerloos liggen. Onder ons, hoorden we hen alles stukslaan, huilend en tierend 'wapi wasungu, wapi wasungu!' We wisten dat, indien die kerels ons in zo'n toestand zouden vin­den, ze ons zouden kapot maken. Twee uur later was het weer stil in de wijk. Onze flat was vernield, ook glas van de vensters was aan scherven geslagen.» ..We lagen doodop van de doorstane emoties op de grond van de woonkamer. Twaalf sukkels, man­nen, vrouwen en kinderen. Ineens, wéér die vreselijke kreet 'Sim­baaaa!'. Ik hoor dat nu soms nog, wanneer ik 's nachts niet in slaap geraak. Als bezetenen stormden ze weer het gebouw binnen, het ene salvo na het andere lossend. Weer vluchten we naar het dak.» ..Ik vergeet het nooit, de eerste Simba die ik van dichtbij zag. We lagen op het dak, maar één van de Simba's kwam tergend langzaam met het hoofd over het muurtje. Ik zie hem nog voor me: de ene helft van het gezicht rood geschilderd, de andere helft wit. Hij droeg een machinepistool. 'Apa wasungu, apa wasunga, koe ieal' riep hij ­“Kom snel, hier zijn de blanken. Met tientallen liepen ze naar ons toe.” «Ze hadden koperen banden rond armen en benen, ze droegen bel­len, stonken naar wilde dieren. Aline Libert uit Luik was bij ons, met haar man en twee meisjes van 11 en 9 jaar. Met een geweerkolf begonnen ze op Aline te beuken, totdat ze zwaar bloedend en bewusteloos bleef liggen. De blinde haat tegenover de blanke vrouw. Ook François de Beaufort werd tot bloedens toe afgeranseld.» «Het fenomeen Simba's dat is voor een blanke niet te begrijpen. Er waren kinderen bij van negen of tien jaar. Die hadden ook wapens. De krijgers waren ofwel zwaar onder de verdovende middelen, ofwel erg ernstig en zelfs be­schaafd. Hun leiders poogden een of andere revolutie aan de gang te krijgen, en hadden wellicht edele bedoelingen. Maar ze hadden hun krijgsvolk niet onder controle, en zo ontstonden de vele wantoestan­den. De Simba had zelf ook angst. Angst voor de blanke in wie hij een super-tovenaar vermoedde. Daar­om schoot de Simba zo makkelijk een blanke neer, wanneer hij zich bedreigd voelde.» «De rebellen joegen ons de straat op, terwijl ze ons afranselden als beesten. Toen één van de kleine meisjes zo'n Simba vroeg 'Mon­sieur, vous n'allez pas nous tuer?' barstte een hysterisch gelach los. Typisch Congolees. Razernij en vreugdevolle ontladingen liggen dicht bijeen.» «Steeds meer blanken werden bij elkaar gebracht. Honderden zwar­ten, niet alleen Simba's, maar ook het gepeupel van de stad, kwam eveneens naar de Place de la Poste. 'Leda manteka, leda man­teb'. Geef ons de gevangenen, wij eten ze op', riep de massa. Uren­lang hebben we daar op straat een heksensabbat ondergaan. We moesten meedansen, dat was één van de ergste vernederingen die ze konden uitdenken. Ik zou trouwens de daaropvolgende maanden vaak zo'n behandeling moeten onder­gaan. De zwarte houdt ervan ande­ren te vernederen, tot in hun diepste van hun ziel. Dat verklaart misschien die gruwelijke vermin­kingen die hij aanbrengt, waar­door iemand uren nodig heeft om te sterven. Inzake het uitdenken van folteringen is hij een genie.» «Ik zie me daar nog staan, als een sukkel. 'Wat staat gij hier te doen', vroeg ik me af, 'waarom zit gij niet in Weekloon, bij uw moeder?'. Het was voor mij de voorbode van een zenuwinzinking. Oneindig lang hebben ze met ons gespeeld. Tel­kens iets verzinnend, waardoor wij dachten dadelijk te zullen ster­ven. Maar, net als de zwarte, schuwde ik de dood niet. De dood zou een verlossing geweest zijn. Maar ik zweette van angst omwille van de folteringen die ze konden uitdenken. Iemand in de bran­dende zon vastbinden, totdat hij " van uitdroging sterft, bijvoorbeeld. Of gewoon iemand met machete­slagen het lichaam aan stukken hakken, en dan wachten op de dood. Ze hebben hun geweren op ons leeggeschoten, maar meestal misten ze opzettelijk. Wanneer iemand van ons werd getroffen, was dat eigenlijk een ongeluk.» «We werden voor generaal Olenga gebracht. Een berucht rebellenleider die aanvankelijk de blanken wilde beschermen om hen te gebruiken als gijzelaar tegen blanke legermachten die op hen zouden afgestuurd worden. Hij beweerde dat hij het bevel had gegeven de blanken niet te kwet­sen en correct te behandelen. Later gaf hij opdracht alle Belgen en Amerikanen te doden. De para's waren toen op komst.» Louis Vanderbruggen heeft de hel van Stanleystad overleefd. Drie maanden duurde de gijzeling. Een opeenvolging van uitersten. De ene keer waren de Simba's correct, een andere keer was hun wreed­heid grenzeloos. De Simba's, en zeker hun leiders, beseften dat de blanken zouden terugslaan. Hun veelgeroemde onkwetsbaarheid was betrekkelijk. Een Simba die met een vrouw sliep, die omkeek, die een blanke had aangeraakt, of alcohol had gedronken, was vol­gens hun bijgeloof die onsterfelijk­heid kwijt. Ze waren dus gewend aan lijken van doodgeschoten Simba's. Volgens hun gedachtegang was dit het bewijs dat zij een misstap hadden begaan. Moeilijk werd het voor de blanke wanneer een Simba wilde aantonen dat hij immuun was voor kogels en de blanke verplichtte op hem te schie­ten. Naarmate de weken wegtikten. werd de houding tegenover de blanken ruwer. Maar tot slacht­partijen kwam het niet. Althans niet op ons. Wel op zwarten die bij­voorbeeld tot een vijandige stam behoorden. De blanken werden dan verplicht martelingen bij te wonen. Veelal ranselingen tot de dood. Of zwarten die, stevig gebon­den aan handen en voeten of hals, met water werden overgoten en dan in de middagzon gelegd. Naar­mate de touwen opdroogden, werd de foltering heviger, en het ein­digde meestal met een kronkelend slachtoffer dat van uitputting crepeerde. Ook blanke kinderen wer­den verplicht dergelijke taferelen bij te wonen. Trauma's die nooit genezen geraakten. Over het einde onthoudt Louis Vanderbruggen: «Tien, nee twin­tigmaal stonden we op het punt doodgeschoten te worden. Het ver­lossende schot was het enige waarnaar we snakten. Maar, ik zei het al, de dood is niet interes­sant voor de zwarte. Wél het lijden dat daaraan vooraf gaat.» « V oor de zoveelste maal werden we naar Hotel Victoria gebracht. Op de radio, Voice of America, had ik Tshombe gehoord met zijn uitroep 'Demain, nous serons à Stanleyville. Wie voor ons is, draagt een witte band om het hoofd. Wie zoiets niet draagt, is onze vijand en wordt neergescho­ten.'. We geloofden het niet meer. De redding was immers al zo vaak aangekondigd. Wij voelden ons verlaten en verraden. Waar bleef België? Waar bleef Amerika?» «Maandag 23 november, bij het krieken van de dag, schrik ik wak­ker van het geluid dat ik lang niet meer had gehoord. Vliegtuigen, een Hercules C 130, met opschrift USA. De Amerikanen zijn daar! We riepen het in alle talen. Ik heb toen mensen gezien die begonnen te wenen, anderen begonnen te vloeken. Weer anderen knielden om te bidden. Mensen die ik nooit naar een kerk had zien gaan, zei­den gebeden op!» «Een uur lang waren de rebellen in paniek. Daarna organiseerden ze zich. Ze klopten ons de straat op. De mannen werden uit hotel Victo­ria gehaald, de vrouwen zaten in hotel des Chûtes. De beruchte kolo­nel Opepe, kwam ons toeroepen: 'Ik zal U naar uw stamgenoten brengen. Zeg hen dat wij U geen kwaad hebben gedaan. Ik hoop dat U, samen met hen, uit ons land zult verdwijnen en nooit meer terugkomt. Dit land is van ons.'. Hij is niet verder dan honderd meter met ons kunnen opstappen. Zijn eigen manschappen schoten hem dood.» «De Simba's werden ieder moment nerveuzer. Ze hitsten mekaar op met de roep 'oewaoewao', - Dood hen! Plots schoten ze op de groep. De eerste rij blanken viel dodelijk gewond neer. Samen met Georges sprintte ik weg, sprong over een muurtje en bleef liggen terwijl de kogels floten.» «We bleven verscholen totdat ik op de weg iemand Nederlands hoorde spreken en naderhand ook bevelen hoorde in het Nederlands. 'Hee, jongens', roep ik. 'Kom maar naar hier', wenkte de sergeant van de para's, 'het is voorbij. Alles is voorbij, ge zijt gered.'.» De operatie 'Dragon Rouge' werd , een voltreffer. Stanleystad, en daarna Paulis, werd gezuiverd van de verzetshaarden. De para's van kolonel Laurent hadden hun défilé door Brussel verdiend. In dezelfde kleren die hij maan­denlang had gedragen, landde Louis Vanderbruggen, en met hem honderden landgenoten op 26 november 1964, getraumatiseerd op de luchthaven van Brussel. Voor de meesten was het tijdperk Congo voorgoed afgesloten. Niet voor Louis Vanderbruggen. Zes maanden later keerde hij terug naar Elisabethstad dat nu Lu­mumbashi heette. Hij was onder­tussen getrouwd met een Belgi­sche die in Congo was geboren. Vanderbruggen werkte opnieuw in een drukkerij. Ditmaal was zijn standplaats Kinshasa, het vroegere Leopoldstad. Hij maakte een tweede termijn rond in Stanley­stad, en keerde maar in 1973 voor­goed naar België. Zijn slotindruk: «Congo was getemd. De Congole­zen leerden de ijzeren vuist ken­nen van Mobutu die in 1965 aan de macht was gekomen. Alles en iedereen was getemd. Talloze massale slachtpartijen hadden alle verzet uitgeroeid. De angst van de blanke enerzijds, en de almacht van Mobutu anderzijds, maakten Congo opnieuw leefbaar voor ons. Indien het zou kunnen, woonde ik er morgen weer.»

Een stelletje Simba’s. Over deze rebellen werden de gruwelijkste verhalen opgedist.

­ Stanleystad '64. Lijken op de stoep vóór Hotel Victoria, een para die dekking zoekt.

Straatscène van Stanleystad, 3 december '64. Winkels en woningen worden geplunderd.

Simba's waren permanent vergezeld van een munganga (tovenaar) die hen met hennep in een roes bracht waardoor ze helemaal in hun onsterfelijkheid gingen geloven.

Kindu, '64. Congolese soldaten met een onder het bloed zittende rebel. Ze luisteren naar de huurling die beveelt het leven van de man te sparen.

 

© 2002 Gust Verwerft - Congo-1960

SiteLock
share this - partager le site - deel dit document

About Us | Contact | Privacy | Copyright |  
Ook op het internet gelden de auteursrechten. Werken die auteursrechtelijk beschermd zijn, zoals tekeningen, foto's, muziek, film en software, mag u niet verspreiden via het internet zonder de uitdrukkelijke toestemming van de auteur. Delcol Martine