Weg uit Congo

Het drama van de kolonialen

Weg Uit Congo door Peter Verlinden

In 1955, 5 jaar voor de onafhankelijkheid, voorzag een Belgische hoogleraar pas over 30 jaar een zelfstandig Congo. De meeste Belgen vonden die termijn absurd kort. De ontwikkelingen in de rest van het Afrikaanse continent dwongen echter tot spoed. De veranderingen voltrokken zich in een zodanig tempo dat vrijwel niemand deze kon bijbenen en zeker niet de meesten van de 100.000 Belgen, waaronder 20.000 koloniale ambtenaren. Er is veel geschreven over de begintijd van Congo's onafhankelijkheid, maar erg weinig over de Belgen die de soevereiniteitsoverdracht in Congo hebben meegemaakt en in paniek gevlucht zijn voor de daarop gevolgde chaos. De auteur heeft dagboekfragmenten van en interviews met Vlaamse oud-kolonialen verzamelt en in een chronologische volgorde geplaatst. De persoonlijke belevenissen verbindt hij met het relaas van de feitelijke gebeurtenissen. Dit boek levert een waardevolle bijdrage aan de koloniale geschiedenis van Congo over de periode 1930 tot 1960.

Uitgeverij Davidsfonds, 2002.

Op 30 juni is het 49 jaar geleden dat Congo onafhankelijk werd. Maar de Belgisch-Congolese machtsoverdracht is onvoorbereid. Het geweld barst los. Muitende soldaten en losgeslagen bendes koelen hun frustratie op de blanke kolonialen. Paniek doet tienduizenden blanken hun tweede vaderland ontvluchten.

Pas nu, na bijna vijftig jaar, vertellen tientallen ex-kolonialen over de pijnlijke ontnuchtering. In 1960 al riep de overheid hen op om hun gruwelverhaal te doen bij politie of rijkswacht. Het eindrapport, geschreven door een speciale onderzoekscommissie, wordt tot op vandaag angstvallig verborgen gehouden. Peter Verlinden schreef een beheerst en vrijmoedig verslag over de explosieve gebeurtenissen in de ex-kolonie Congo. Slachtoffers en getuigen komen aan het woord en geven zo een nieuwe kijk op de dekolonisatie.

De aangevulde heruitgave van Weg uit Congo bevat vele bijkomende gegevens uit het Onderzoeksrapport Congo 1960 dat nog altijd niet officieel vrijgegeven is. Voor het eerst wordt er zo uitvoerig uit dit onderzoeksrapport geciteerd! Nieuwe getuigenissen bevestigen dat zich in enkele weken tijd het grootste humanitaire drama heeft afgespeeld dat Belgen hebben gekend sinds de Tweede Wereldoorlog. Een drama waarover tot vandaag gezwegen wordt.

Hoe komt het toch dat de Vlaamse media steeds Congolezen voor de microfoon halen die terug blijken te verlangen naar "de tijd van de Belgen", de "ooms" die het zo goed voor hadden met Congo?

"C'est quand la fin de l'indépendance?", staat het in de proloog van het nieuwe boek van VRT-journalist Peter Verlinden. Zulke Congolese stemmen zijn er misschien genoeg te vinden, maar dat voortdurende citeren verraadt een behoefte aan bevestiging van onze westerse superioriteitsgevoelens. "Als zelfs de Afrikanen het zeggen..." Wie een beetje verder graaft in de Congolese samenleving zal heel wat kritischere stemmen vinden over de koloniale periode, vaak gecombineerd met een afkeer van de postkoloniale regimes.

Bovendien is het weinig relevant te speculeren over hoe de geschiedenis er anders uit zou gezien hebben zonder de onafhankelijkheid, want de geschiedenis kan je niet terugdraaien.


Kroniek - Chronique

De ondergang van de kolonialen Over Peter Verlindens Weg uit Congo, de sociale herinnering van de kolonialen en de wetenschappelijke geschiedschrijving (01)

Auteur Rudi Van Doorslaer

In juli 1960 kwam er een einde aan meer dan driekwart eeuw Belgische kolonisatie van Kongo. Zeker de helft van de naar schatting honderdduizend Belgen die toen het land van ca. 13 miljoen zwarten bestuurden, vluchtte na de indépendance het land uit. Eerst ordelijk, daarna in steeds grotere paniek.
Dit is het verhaal dat VRT-journalist Peter Verlinden vertelt : de collectieve getuigenis van de Belgen voor wie de onafhankelijkheid van Kongo hét keerpunt in hun leven is geworden. Het was, zo schrijft de auteur reeds in zijn inleidende pagina’s, “een gedwongen keuze, de vlucht voor het geweld, voor de doodsbedreigingen, voor de verkrachters”.
Het bronnenmateriaal voor dit boek is niet het klassieke materiaal van een historische studie. Verlinden steunde zijn onderzoek vooral op een vijftiental uitgebreide interviews van getuigen, sprak daarnaast met tien anonieme Belgische en Kongolese getuigen en verwerkte ten slotte de neergeschreven getuigenissen van enkele Belgische vluchtelingen.
De auteur is ervan overtuigd dat dit materiaal model kan staan voor de 30.000 à 40.000 Belgen die in die zomermaand van 1960 uit Kongo zijn weggevlucht om er nooit meer terug te keren.
Daarin zijn volgens zijn aanvoelen de overheidsfunctionarissen oververtegenwoordigd : de missionarissen of ondernemers bleven vaak langer in de ex-kolonie of keerden daarna toch voor korte of langere tijd terug.
Dit is dus niet de geschiedenis van de dekolonisatie, beklemtoont Verlinden, maar wel die van de kolonialen. Dit is het verhaal van hoe de vluchtelingen zichzelf zien.
België en zijn kolonie, België en Kongo/ Zaïre, het blijft, zo blijkt toch opnieuw uit het onderzoek van de Kamercommissie Lumumba, een stuk onverwerkt verleden voor zo goed als alle medespelers.
De invalshoek die Verlinden heeft gekozen vertelt het verhaal van één onder hen : de Belgische kolonialen voor wie het einde van hun Kongolees avontuur een “mentale breuk” heeft teweeggebracht waarmee velen meer dan veertig jaar later nog niet in het reine zijn gekomen.

Om het in zwart-wit termen uit te drukken : vormden zij nu de door de geschiedenis uitgespuwde racistische verdrukkers van het Kongolese volk of de (hoogstens paternalistische) hoeders van een superieure beschaving die slachtoffer werden van een onrechtvaardige uitzetting vanwege ondankbare of misleide zwarten ? Werden zij het slachtoffer van een door een minderheid van nationalistische Kongolese politici opgezweepte bevolking of was er toch meer aan de hand ? Laten wij eerst even nagaan tot welke besluiten de auteur komt, om daarna des te nadrukkelijker terug te keren naar de grondvesten van iedere wetenschappelijke geschiedschrijving : de bronnen.

Het koloniale paradijs

Verlinden geeft de visie weer van de kolonialen op hun eigen verleden en die is niet zo absoluut eenzijdig als men vaak geneigd zou zijn te denken (althans bij diegenen die de auteur heeft geïnterviewd).
Velen onder hen kijken kritisch aan tegen de relatie tussen blank en zwart aan de vooravond van de onafhankelijkheid. In feite, zo blijkt uit de meeste interviews, bleven het twee gescheiden werelden, blanken en zwarten leefden naast elkaar en als er nauwere relaties waren was het als knecht-meester of in het beste geval als vader-zoon.
In feite bestond er, zo stellen sommige getuigen, een apartheidssysteem. Ieder woonde in zijn eigen wijken (met dan wel de villa’s voor de blanken), elk had zijn eigen ingangsdeur in de winkel.

Precies om rassenvermenging tegen te gaan zet de overheid de potentiële kolonialen er na de Tweede Wereldoorlog toe aan getrouwd naar Kongo te komen. Ondertussen zijn er wel al minstens 4.000 metissen geboren die in de meeste gevallen door de blanke vader in de steek zullen worden gelaten. Maar met de komst van de blanke vrouwen – in grote getale vanaf de jaren vijftig – verbeteren de relaties tussen blank en zwart niet, wel integendeel.

De zwarte ménagère heeft nu voor goed afgedaan en de rassenscheiding wordt rigoureus in stand gehouden. In 1955 wordt de zgn. colourbar, die zwarten verbiedt in openbare plaatsen zoals café’s en bioscopen te komen, afgeschaft. Maar fundamenteel wijzigen de rassenrelaties niet. De eerste zwarte kinderen verschijnen rond die periode wel op de blanke scholen, maar het fenomeen blijft marginaal. In het schooljaar 1955- 1956 volgen nauwelijks 5,5 % niet-blanke kinderen het technisch onderwijs volgens het ‘Europees stelsel’, de anderen zitten in het ‘Onderwijs voor inlanders – Kongolees stelsel’. M.b.t. het vermogen is de wanverhouding nog duidelijker : de ca. 1 % Europeanen bezitten 95 % van het kapitaal in de kolonie.

Het einde van de jaren vijftig

1958 is een sleuteljaar : het is het jaar van de eerste lokale verkiezingen, van de stichting van de belangrijkste politieke partijen, maar ook het jaar van de gemiste kansen. De afrikanisatie komt maar erg traag op gang. In januari 1959 breken de eerste ernstige onlusten uit in Leopoldstad. Een meeting van de Abako-partij van de latere president Joseph Kasa Vubu wordt door de gouverneur verboden en het komt tot rellen die uit de hand lopen. Officiële documenten spreken over 42 doden, officieuze – o.m. van gewestbeheerder Ryckmans – vermelden 70, mogelijk zelfs 85 doden.
Dat is veel meer dan er tijdens de dramatische maand juli 1960 aan blanke doden zullen vallen. Maar laten we niet vooruitlopen op de gebeurtenissen. De onlusten van 1959, zo schrijft Verlinden, hebben ook een sociale achtergrond. Leopoldstad heeft in de jaren vijftig een bevolkingsexplosie gekend. Eén-vierde van de zwarte bevolking is er werkloos en de sociale ellende in de zwarte woonwijken is groot.

Het beleid van Brussel en van het gouvernement-generaal anticipeert onvoldoende op deze evolutie : het 10-jarenplan (herzien in 1954) heeft wel een sociaal luik, maar het is allemaal te weinig en te laat. In 1959 is het enige antwoord repressie, althans nu de Weermacht (= de Force publique, het koloniale leger) nog bereid is de bevelen van de blanke officieren op te volgen. Radio Belgisch-Kongo brengt geen woord in de ether over de onlusten : de koloniale topadministratie censureert de berichtgeving. Inmiddels blijven de Belgische plannen met Kongo erg vaag en zijn er nog nauwelijks Kongolezen opgenomen in de administratie. Het razendsnel aan populariteit winnende nationalisme kan dus op geen enkel punt worden gekanaliseerd. Iedereen blijft blind voor wat er fout loopt in de Weermacht. De Kongolese politieke partijen worden, net als de kolonialen trouwens, door Brussel niet rechtstreeks betrokken bij de gesprekken over het onafhankelijkheidsproces. Inmiddels radicaliseert de Mouvement national congolais van Patrice Lumumba aan een hoog tempo. In oktober 1959 wordt Lumumba in Stanleystad onder aanhoudingsmandaat geplaatst, nota bene op het ogenblik dat zijn partij er een congres bijeenroept. En opnieuw barst het geweld los. Luttele weken later kondigt minister De Schrijver in het Belgische parlement aan dat er een rondetafelconferentie komt en dat Kongo in 1960 onafhankelijk zal worden. Op 20 januari zitten alle Belgische politieke partijen met Kongolese afgevaardigden aan tafel; Lumumba, die nog gevangen zit, komt na zes dagen de Conferentie vervoegen, maar de 100.000 blanke kolonialen krijgen geen vertegenwoordiging. De gewezen gouverneurgeneraal Pétillon schrijft dat later toe aan de slechte reputatie die de kolonialen in het thuisland genieten, veroorzaakt door de “verwaandheid” en “naïeve uitstalling van (de) financiële luxesituatie” van een minderheid onder hen die zich trouwens op vakantie in België al net zo onuitstaanbaar gedraagt als in de kolonie. Er wordt beslist dat Kongo op 30 juli 1960 onafhankelijk zal worden.

De onafhankelijkheid

In mei 1960 worden provinciale en nationale verkiezingen gehouden en de MNC-Lumumba behaalt samen met haar bondgenoten 71 van de 137 zetels in de Kongolese Kamer van Volksvertegenwoordigers. Daarnaast scoort ook de Abako van Kasa Vubu niet onaardig, maar dan regionaal geconcentreerd in de BasCongo en in de hoofdstad. Uiteindelijk worden, zoals geweten, Lumumba eerste minister en Kasa Vubu president. Op 30 juni zijn er dan de feestelijkheden in het Palais de la Nation, met de toespraken van koning Boudewijn en Kasa Vubu en het niet geplande antwoord van Lumumba dat tot op de dag van vandaag stof doet opwaaien. Veel lijkt nog diezelfde namiddag te worden bijgelegd en de soep lijkt niet zo warm geconsumeerd te zullen worden als ze werd opgediend. Maar dat is slechts schijn, de wrok blijft en koning Boudewijn vergeeft het Lumumba ook later niet meer. In het verslag van de parlementaire onderzoekscommissie Lumumba zijn daaromtrent behartigenswaardige bladzijden te lezen. En al even belangrijk : op 1 juli 1960 is de Kongolese schatkist leeg. Er zijn reeds 50 miljard schulden en dat zal de manoeuvreerruimte van de nieuwe regering wel erg klein maken. Vier dagen later, op 5 juli, breekt muiterij uit onder de zwarte soldaten van de Weermacht in Leopoldstad en Thysstad; de vlucht van de kolonialen zal vanaf dan niet meer te stuiten zijn.

De opstand van de zwarte piotten van de Weermacht

Op 4 juli was er reeds een eerste waarschuwing geweest in het kamp Leopold II, het hoofdkwartier van de Weermacht in Leopoldstad. De opstandelingen worden er gekalmeerd. Over het gehele grondgebied verspreid telt het koloniale leger 25.000 zwarte soldaten en 1.000 blanke officieren. De 5de juli houdt opperbevelhebber generaal Emile Janssens zijn beruchte redevoering waarin hij in alles behalve diplomatieke bewoordingen duidelijk maakt dat er van een snelle afrikanisatie van het officierenkorps geen sprake kan zijn : “de Force publique gaat gewoon door zoals vroeger” zegt hij. En om daaromtrent zeker geen misverstand te laten bestaan schrijft hij met krijt op het bord : “Avant indépendance = après indépendance”. Vele soldaten reageren woedend op deze provocatie. Diezelfde avond slaat de muiterij over naar het kamp Hardy in Thysstad, twee uur rijden van kamp Leopold II verwijderd. Daar had een bataljon het bevel gekregen het begin van muiterij in Leopoldstad neer te slaan. ’s Nachts vallen de muiters de blanke officieren aan. Pas de dag daarop, de 6de juli ’s avonds, worden ze ontzet door Kongolese bemiddelaars; er vallen drie zwaargewonden te betreuren. Ondertussen zijn groepjes soldaten uit Thysstad op weg naar de hoofdstad : ze nemen officieren en andere blanken gevangen. In de regio worden ook de eerste blanke vrouwen verkracht door de muitende soldaten. De woede en de wraakgevoelens bij de vaak dronken en henneprokende soldaten is groot. Op 6 juli neemt de Kongolese regering maatregelen : ze ontslaat generaal Janssens en belooft de zwarte militairen een bevordering met één graad. Zo hoopt Patrice Lumumba de muiterij onder controle te krijgen. Maar de berichten over de opstand verspreiden zich heel snel over het ganse land. Een dag later trekken de muitende soldaten door de straten van Leopoldstad : bij de blanken slaat de angst en de paniek toe. Generaal Janssens vlucht met vrouw en dochter uit zijn huis weg en wordt in de nacht met een militaire helikopter naar Brazzaville overgevlogen. Ook in de havenstad Matadi barst nu het geweld los. In een hotel in het stadscentrum worden 1.500 blanke vluchtelingen door muiters belegerd. President Kasa Vubu en eerste minister Lumumba komen hen daar op 10 juli bevrijden, maar blijven willen de blanken niet meer. Iedereen vlucht naar de schepen die in de haven aangemeerd liggen. De volgende morgen beschieten Belgische oorlogsbodems Matadi en er vallen vele zwarte doden. Tien dagen na de onafhankelijkheid is er van een Belgisch-Kongolese gemeenschap al duidelijk geen sprake meer.

De vlucht van de kolonialen

Op 9 juli wordt op vraag van de Belgische regering een luchtbrug opgestart tussen Brussel en Leopoldstad. Ondertussen slaat de onrust over naar de tweede stad van het land, Elisabethstad in Katanga. Dan beslist de Belgische regering, zonder de toestemming van de Kongolese regering te vragen, dat de in Kamina gestationeerde Belgische troepen zullen worden ingezet. Een dag later controleren zij het kamp van de Weermacht en de stad. Nog een dag later roept Moïse Tshombe de onafhankelijkheid van Katanga uit (maar dit is uiteraard een ander verhaal). Later herhaalt dit scenario zich in Luluaburg (Kasai). Als gevolg van deze ontwikkelingen breekt de 11de juli voor de tweede maal een opstand uit in het militaire kamp van Thysstad. De vele doden in Matadi de dag voordien hebben de zwarte soldaten tot wraakgevoelens gebracht. De officieren worden ontwapend en zwaar mishandeld. Hun vrouwen worden bijna systematisch en herhaaldelijk verkracht. Kongolese autoriteiten bemiddelen, als gevolg waarvan de zwaar getraumatiseerde slachtoffers de 12de en 13de worden vrijgelaten. Hun aankomst in Leopoldstad zorgt er voor een ware paniekgolf. Duizenden blanken willen nu weg. Zeker wanneer, diezelfde 12de juli, de minister van Afrikaanse zaken De Schrijver beslist dat alle ambtenaren van de Weermacht, uit het onderwijs, de overheidsdiensten en de magistratuur, een nieuwe betrekking zullen aangeboden krijgen in het thuisland, is er voor heel velen echt geen reden meer om nog langer te blijven (ook al zal die reïntegratie in de praktijk dikwijls jaren aanslepen). Sommigen getuigen in het boek dat het niet de gewone Kongolese bevolking is die het op de blanken gemunt heeft. Het geweld gaat duidelijk uit van de militairen : “De Kongolezen wilden niet dat we vertrokken, maar in die omstandigheden kon het niet anders meer”. Na hun interventie in Elisabethstad en in de havensteden Matadi en Boma, bezetten Belgische paracommando’s de 13de juli de luchthaven van Leopoldstad en de belangrijkste plaatsen in de stad zelf. De nacht van de 13de op de 14de vraagt de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties België zijn troepen terug te trekken en beslist meteen tot het sturen van blauwhelmen. Een dag later verbreekt Lumumba de diplomatieke betrekkingen en de 15de komt reeds een voorhoede van de internationale troepenmacht aan in de hoofdstad. Vanaf de 20ste trekken de Belgische troepen zich langzaam maar zeker terug. Op 27 juli valt de grote vlucht stil. Tussen de 9de en de 28ste juli zijn 34.484 vluchtelingen overgevlogen. Ondertussen trekken vele Belgen uit Kongo naar Katanga. In augustus zijn ze in de ‘onafhankelijke’ koperprovincie (bij gratie van de Union 2 In de wetenschappelijke terminologie van Maurice Halbwachs (La mémoire collective, Parijs, 1950) beschrijft de auteur de sociale herinnering, terwijl het onderzoeksrapport Delahaye een eerste bouwsteen kan zijn voor de historische herinnering die zich m.b.t. van de evenementen van 1960 blijkbaar nog moet vormen (zie verder in de tekst). minière du Haut Katanga) reeds met 20.000. Maar dit is, zoals gezegd, een ander verhaal.

Sociale herinnering

Voor vele oud-kolonialen zit de frustratie over het ‘verloren paradijs’ erg diep. Zij schuiven de schuld voor het dramatisch gebeuren op de kortzichtigheid van de politici in Brussel : “zij hebben ons werk kapotgemaakt”, is de veelgehoorde conclusie. Anderen met een wat bredere visie, zoals de weduwe Ryckmans (in een later leven PSC-volksvertegenwoordiger; haar man werd door muitende soldaten in 1960 vermoord), spreiden de verantwoordelijkheid tussen bepaalde Belgische en Kongolese politici, maar vermelden ook nadrukkelijk generaal Janssens van de Weermacht. Peter Verlinden heeft met zijn boek bij velen ongetwijfeld een gevoelige snaar geraakt. Getuige de tweede druk waar het boek inmiddels aan toe is, leeft dit drama nog bij het grote publiek. Door de onderzoeksmethode die de auteur heeft gekozen bevestigt hij, of beter nog beschrijft hij, de sociale herinnering van de kolonialen (02) . Hoewel de auteur wellicht niet de bedoeling had een eenzijdige kijk te bieden op het gebeuren, beperkt hij zich tot één groep (de blanke kolonialen), waarbinnen hij dan een selectie heeft gemaakt (vijftien ‘uitvoerige’ interviews) waarvan je niet echt te weten komt of ze wel representatief is. Toch valt het op hoe weinig missionarissen of religieuzen hij wel heeft gesproken; ook de blanke officieren van de Weermacht hadden blijkbaar niet veel zin om te getuigen (of heeft Verlinden hen niet opgezocht ?). Wanneer je dit vaststelt, valt het des te meer te betreuren dat de auteur de rapporten van de onderzoekscommissie Delahaye niet heeft kunnen inzien. Laten wij even kijken of deze iets aan de resultaten van de enquête van Verlinden hadden kunnen toevoegen.

De onderzoekscommissie Delahaye

De ‘Informatiecommissie’ samengesteld uit acht magistraten onder voorzitterschap van de raadsheer bij het Verbrekingshof Pedro Delahaye werd opgericht op 16 juli 1960, twee dagen nadat België door de Verenigde Naties was gevraagd zijn troepen uit de oud-kolonie terug te trekken. België wou zich dus kennelijk snel kunnen indekken tegen de verwijten uit het buitenland dat zijn militaire interventie neokoloniale politieke doeleinden moest dienen. De Commissie kreeg als opdracht mee de gewelddaden tegen personen, bedreven in de Kongolese republiek na 30 juni, te onderzoeken. De Commissie bracht achtereenvolgens op 4 en16 augustus en dan uiteindelijk op 22 oktober verslag uit aan de minister van Justitie. Het verslag van 22 oktober draagt als titel “Vierde verslag…”; wanneer het derde verslag werd uitgebracht is op basis van het ons beschikbare bronnenmateriaal niet duidelijk. In ieder geval bevatten de eerste rapporten ellenlange geografisch geordende opsommingen van wandaden die telkens per categorie worden geklasseerd. Wat ons in het kader van deze problematiek toch het belangrijkst lijkt, zijn de besluiten van de Commissie. In haar vierde verslag, dat van 22 oktober 1960 dus, denkt zij daartoe te kunnen komen : “De Commissie is van mening dat zij haar werkzaamheden mag besluiten. Zij heeft gepoogd vast te stellen of de haar tot op heden ter kennis gebrachte mishandelingen waar zijn, ofwel uit te maken wat daarvan waar is, om zodoende de belangen van beide landen tegelijk te dienen” (03) . De Commissie heeft zowat 16.000 personen verhoord of doen verhoren, dat zijn naar haar mening zowat alle volwassenen die na de onafhankelijkheid naar België zijn teruggekeerd. Zij beklemtoont de objectiviteit van die getuigenissen : “Zelden is daarin vooringenomenheid of een gevoel van wrok jegens de Kongolese bevolking te merken” (04) . Het is haar wel opgevallen dat de spontaneïteit en volledigheid van de verklaringen mettertijd afnam, omdat de getuigen na verloop van tijd begonnen te twijfelen aan het nut van hun getuigenis. “Dat er van de werkzaamheden der Commissie een zo discreet gebruik gemaakt is”, dat m.a.w. de regering geen direct politiek nut meer zag in het gebruik van de resultaten van de Commissie, zat sommige slachtoffers blijkbaar hoog. Ook het verzamelen van de getuigenissen over de verkrachtingen is minder volledig geweest dan door de Commissie gewenst : sommige vrouwen wensten daar liever niet op in te gaan. Nochtans had de Commissie daartoe een bijzondere vrouwelijke afdeling onder de leiding van de jonge Brusselse substituut Eliane Liekendael opgezet. Ten slotte wijst de Commissie zelf op andere belangrijke hiaten in haar onderzoek “…men (mag) zich niet ontveinzen dat het werk aan nauwkeurigheid zou gewonnen hebben, indien het de Commissie mogelijk geweest was haar investigaties ook in de Republiek Congo te houden” (05) . In het bijzonder wijst zij erop dat de slachtoffers werden gehoord en niet de daders. De uiteenzetting der feiten is dus in de ogen van de Commissie per definitie onvolledig. Welke besluiten kan de Commissie dan toch trekken? Hier moet worden gezegd dat het verslag niet bepaald uitblinkt in analytische kwaliteiten, zodat de elementen die hier worden geformuleerd in feite de opnieuw samengestelde en geordende feitelijke besluiten van de Commissie kunnen genoemd worden. Bekijken we eerst de gepleegde feiten, vervolgens de daders en tenslotte de motieven. Vooreerst valt het op dat er erg weinig doden te betreuren vallen : “In feite hebben er geen algemene moordpartijen plaats gehad” besluit de Commissie (06) . Opvallend is trouwens dat de meeste doden – precieze cijfers worden niet genoemd, maar een “twintigtal” waren geïdentificeerd – in Katanga vallen, waar de Belgische troepen het eerst tussenkomen en onmiddellijk daarna een pro-Belgisch bewind rond Tsjombe aan de macht komt. De categorie van de gruweldaden – waaronder bijvoorbeeld de grove verminkingen – wordt door de Commissie met veel aandacht bekeken. De verhalen van de afgehakte handen en vingers zijn in de eerste dagen van de grote vlucht breed in sommige Belgische persorganen uitgesmeerd. Sommige personen die reeds lange tijd in Kongo verbleven, verklaarden evenwel aan de Commissie “er van overtuigd te wezen dat dergelijke daden slechts bij uitzondering zouden verricht zijn, daar de Kongolezen geenszins verlangden zich de verontwaardiging van de ganse wereld op de hals te halen” (07) . Als voorbeeld geeft de Commissie het geval van de getuigenissen over bij kinderen afgehakte vingers. Zowel uit Leopoldstad en N’Djili (de internationale luchthaven), als uit Kamina en enkele andere plaatsen melden er zich getuigen die kinderen met dergelijke gruwelijke verminkingen hebben gezien. Toch kan de Commissie geen enkel slachtoffer van dergelijke feiten identificeren : “Zijn het personen die niet in België aangekomen zijn ? Hebben zij de geconstateerde letsels opgelopen bij een ongeval buiten verband met de gebeurtenissen ?”, vraagt de Commissie zich af. Maar haar besluit staat wel vast : “Daar de Commissie alleen die feiten voor echt kan houden die het haar gelukt is op te helderen, is zij van oordeel, in de huidige stand van haar nasporingen, dat het bewijs van deze gruweldaden niet genoegzaam geleverd is” (08) . Waaruit bestaan de geweldplegingen dan wel. Uit grove vernederingen en uit verkrachtingen. Zo worden brillen en hoofddeksels afgerukt, moeten schoenen worden afgegeven en wordt men verplicht blootsvoets te lopen; baarden worden afgeknipt, men wordt verplicht zijn klederen uit te doen en wordt dan naakt of met een slip aan rondgevoerd; velen moeten ook dansen; ’s avonds wordt men met water overgoten en opgesloten; sommigen krijgen een koord om de hals en moeten het hoofd voorovergebogen houden of moeten knielen met de handen in de lucht; men doet hen op handen en voeten lopen of grond eten; militairen worden van hun rangkentekens ontdaan, zij worden geslagen, soms verbrand met sigarettenpeuken… Opnieuw meldt de Commissie : “Er dient aangestipt te worden, dat de aanvallers over het algemeen niet de bedoeling hadden te doden, dat zij schrokken wanneer zij meenden hun slachtoffer omgebracht te hebben en dat hun in dergelijk geval door een makker vaak een wandaad verweten werd tot het plegen waarvan zij niet gemachtigd waren” (09) . Wat bij deze dikwijls met geweld gepaard gaande vernederingen opvalt is het hoog symbolisch gehalte dat ze vaak vertonen. De traditionele externe kenmerken van de fundamentele ongelijkheid tussen blank en zwart worden als het ware gespiegeld en te kijk gesteld in een Afrikaanse charivari. Een opmerkelijke gradatie in de geweldplegingen is voor de Vlamingen voorbestemd : wie een sale Flamand is wordt meer mishandeld of wordt een hoger losgeld opgelegd. Een sluitende verklaring hiervoor heeft de Commissie niet, maar enkele hypothesen schuift ze wel naar voor : de Vlaming werkt harder en doet zijn arbeiders harder werken, hij gebruikt het Nederlands om iets voor de Kongolezen te verbergen, hij heeft schuld aan de verplichting die de Kongolezen

wordt opgelegd om het Nederlands te leren op school. Ook in dit anti-Vlaams ressentiment lijkt mij de symboolwaarde groot te zijn; ook hier weer wordt m.i. een factor van fundamentele ongelijkheid geviseerd : het Frans verenigt blank en zwart, het Nederlands verscherpt de apartheid. M.b.t. de verkrachtingen kan er merkwaardig genoeg iets gelijkaardigs worden vastgesteld. De Europese vrouw, zo schrijft de Commissie, “werd in het openbaar behandeld met een consideratie welke de inlander verbaasde en maakte haar tot een vrouw van een ander slag, die voor hem onbereikbaar was” (10). Het is deze uitzonderlijke status die bij de verkrachtingen wordt geviseerd wanneer voornamelijk vrouwen van blanke officieren van de Weermacht stelselmatig slachtoffer worden. “Bovendien” merkt de Commissie, “dat, inzonderheid in de streek van Thysstad (zie hoger) het aantal verkrachtingen soms proportioneel was, d.w.z. dat, hoe hoger de rang van de man in de hiërarchie was, hoe vaker zijn vrouw verkracht werd” (11). Hoe de Commissie deze vaststelling kon koppelen aan het “seksueel instinct” dat door sommigen werd “botgevierd” is niet even duidelijk. De bedoeling van de verkrachtingen was volgens de Commissie de blanken – of preciezer wellicht : de blanke officieren van de Weermacht – uit het land te verjagen : “De Kongolees weet ook dat hij, door de vrouw te verjagen, tevens de man verjaagt, en dat weinig vrouwen die in hun intiemste wezen diep gekwetst zijn, zullen blijven onder diegenen die hen aldus hebben doen lijden” (12). De Commissie lijkt dus een patroon te ontdekken achter de geweldplegingen : “Het is niet mogelijk dat het altijd uit eigen beweging handelende enkelingen geldt, wanneer dezelfde mishandelingen, soms vernederender dan schadelijk, door verschillende daders op verschillende plaatsen herhaald worden” (13). De daders zijn immers niet dé zwarte bevolking die zich vergrijpt aan dé blanke kolonisatoren; neen, de daders zijn “mannen, meestal militairen en politiemannen, die hem (= hun slachtoffer) niet kennen, enkele gevallen van persoonlijke wraakneming niet te na gesproken” (14). De mishandelingen die de zwarte militairen plegen, zijn, zo besluit de Commissie, “erg genoeg om terreurdaden op te leveren die volstonden om de vreemdelingen te verjagen, zelfs zo het mag betwijfeld worden of dit wel het door de Kongolese bevolking in haar geheel beoogde doel was; immers, vaak heeft men gemerkt dat deze bevolking het vertrek van de Europeanen belemmerde” (15). Ook, zo voegt de Commissie hieraan toe, kan het geweld tegen de blanke officieren van de Weermacht (de Commissie beklemtoont dat er, behalve in

Katanga, geen enkele officier werd gedood) en in het bijzonder tegen hun vrouwen, niet verklaard worden door de ‘krachtige’ weerstand die ze boden (in Thysstad en Leopoldstad) tegen hun ontwapening. De ontevredenheid van de zwarte piotten woekerde m.a.w. reeds langer en zat ongetwijfeld veel dieper. Het is niet aan ons, stelt de Commissie verder, om de oorzaken van dit ongenoegen verder op te sporen, maar de vingerwijzing is duidelijk (16). De houding van de Kongolese bevolking beschrijven vindt de Commissie “kies”, want ze heeft inderdaad geen enkele Kongolees gehoord. Toch meent ze uit de haar voorgelegde feiten te mogen besluiten “dat de inlandse bevolking geen spontane gevoelens van vijandigheid jegens de Europeanen laten blijken heeft, maar dat zij beïnvloed werd door de uitlatingen tegen ‘de blanken’, onder meer in de door de radio uitgezonden redevoeringen en berichten, door geruchten die de ronde deden en vooral door het voorbeeld en de brutaliteiten van de Congolese militairen en politiemannen” (17). En ten slotte wat de Kongolese autoriteiten betreft : “zo de Belgische vluchtelingen hun vaak verwijten het door hen geleden kwaad gesticht te hebben, dikwijls ook wordt hun hulde gebracht voor het moedige, ja zelfs heldhaftige optreden van sommige personaliteiten die aan de macht waren” (18). De oorzaak van de ‘ondergang van de kolonialen’ zocht het eindverslag van de Commissie Delahaye dus niet bij de zwarte bevolking en eigenlijk ook niet hoofdzakelijk bij de regering Lumumba, maar bij de dieper liggende rancune van de zwarte soldaten uit de parel in de kroon van het koloniale België, de Weermacht. Het is duidelijk dat de Belgische regering moeilijk met een dergelijk verslag in het buitenland kon uitpakken om haar militaire interventie te verklaren. Zit hierin de ware reden van

Het koloniale racisme bij de Force publique

In wezen, zo leren wij dus uit de besluiten van de Commissie Delahaye, is de ondergang van de Belgische kolonialen veroorzaakt door de muiterij van het koloniale leger. Een opstand van het zwarte voetvolk tegen de gehate blanke officieren met duidelijk dieper liggende oorzaken. Daar, veel meer nog dan elders, zit de angel verscholen van opgekropte woede- en wraakgevoelens die in de aanloop tot de onafhankelijkheid blijkbaar door niemand werden onderkend. Hoe die blindheid te verklaren ? Op een colloquium in 1999 stelt de historicus van de Weermacht Louis-François Vanderstraeten zich wellicht niet voor de eerste keer de vraag (19). Hij komt tot het besluit dat niemand het in de aanloop tot het onafhankelijkheidsproces heeft voorzien. Is de afrikanisering te traag verlopen ? Wellicht; het is generaal Janssens trouwens reeds in 1960 door de Belgische regering ten kwade geduid. In 1954 is een eerste voorbereidende middelbare school opgericht voor zwarte militairen in Luluaburg. Zeven jaren later moeten daarvandaan, als alles volgens plan verloopt, de eerste onderofficieren doorgestuurd worden naar de militaire school in Brussel. In 1956 vraagt de toenmalige minister van Koloniën Auguste Buisseret “of de snelle sociale evolutie het nog toelaat om de opname van Kongolezen in de Europese kaders van de Weermacht op een zo lange termijn te zien”. Op advies van generaal Janssens reageert de koloniale administratie afwijzend op de vraag van de minister. Inmiddels komt het binnen het koloniale leger tot geen enkele dialoog tussen het blanke officierenkorps en de elite vanzwarte onderofficieren. Precies daar ligt het probleem : die onderofficieren zijn er op het eind van de jaren vijftig helemaal niet in geïnteresseerd tien jaar later onder het bevel te komen van zwarte generaals met universitaire diploma’s. Niemand in de Weermacht vraagt aan de zwarte onderofficieren welke hun aspiraties zijn. Volgens Vanderstraeten denken die niet aan bevelvoering, maar aan een zekere vorm van participatie aan die bevelvoering. In ieder geval wordt geen enkele Kongolees tot officier bevorderd. Om de verantwoordelijkheid van het blanke officierenkader en van de Belgische politiek echt diepgaand te onderzoeken zou het uiteraard nuttig zijn ook over het in februari 1961 afgesloten Verslag van de Commissie De Rycke te kunnen beschikken. Zoals gezegd werd ook dit niet openbaar gemaakt. Volgens Emmanuel Gerard, die het stuk kon inkijken in het kader van zijn mandaat bij de parlementaire commissie die de moord op Lumumba onderzocht, bleek uit de besluiten van de Commissie dat “niet alles de schuld was van Lumumba en dat het geweld het gevolg was van de politiek die de Belgische regering voor de onafhankelijkheid had gevoerd” (20). Wanneer met de onafhankelijkheid Patrice Lumumba minister van Landsverdediging is van de Republiek Kongo worden de zaken er niet eenvoudiger op : hij wantrouwt het blanke officierenkader en wordt daarin gesterkt door de reactie van generaal Janssens die laat weten dat er met de onafhankelijkheid niets verandert. Hiermee steekt hij het vuur aan de lont. Het is dus in het leger dat de fundamentele koloniale tegenstellingen van 1960 het scherpst en duidelijkst naar voren komen : het was in de tweede helft van de jaren vijftig reeds moeilijk zoniet onmogelijk geworden om in Kongo de mentale afstand te overbruggen tussen de koloniaal en de gekoloniseerde. Wat de blanke minderheid had gezien als een paradijs, was voor de zwarte Kongolees veeleer een dagelijkse strijd geweest om te overleven en om zijn waardigheid te bewaren. Eigenlijk werd er (wederzijds ?) nooit echt geloofd in het samenleven van zwarten en blanken, van Kongolezen en Belgen. Precies daarin dient in wezen de oorzaak te worden gezocht van de ondergang van de kolonialen

Tussen sociaal geheugen en geschiedschrijving

België laat Afrika en in het bijzonder Kongo (annex Rwanda en Burundi) niet los. Niet alleen zijn er de vele politieke initiatieven, maar tevens is er het blijvend sociaal geheugen van ‘onze’ aanwezigheid op het zwarte continent. De vele reacties op het boek van Peter Verlinden vormen daarvan de zoveelste getuigen. Maar tezelfdertijd lijkt het mij dat wij in een overgangsfase zitten, waarin fel strijd wordt geleverd tussen de vaak emotioneel geladen getuigenisliteratuur (onder meer gereflecteerd in Verlindens boek) en het wetenschappelijk onderzoek dat de Kongocrisis en de Belgische kolonialen met de nodige afstand en kritische zin wenst te benaderen. Wanneer wij vaststellen dat nog steeds belangrijke officiële documenten niet worden vrijgegeven en er over de ondergang van het Belgische koloniale rijk (en over de reïntegratie van de kolonialen) heel vaak slechts polariserende en thesebevestigende studies verschijnen (bijvoorbeeld in het geval van de moord op Patrice Lumumba, wat de aanleiding vormde voor de oprichting van de parlementaire onderzoekscommissie), mogen wij dan niet over een belangrijke leemte spreken ? Een vijftien à twintig jaar geleden konden wij iets vergelijkbaar bemerken in de evolutie van de historiografie over de Tweede Wereldoorlog. Het lijkt erop dat de wetenschappelijke geschiedschrijving niet alleen moet wachten op het openstellen van de bronnen, maar tevens op het deels verdwijnen van de generatie die met haar sociale geheugen een allesoverheersende stempel heeft gedrukt op dergelijke sterk emotioneel geladen sleutelgebeurtenissen. Toch vormde toen de confrontatie van dat sociaal geheugen met een kritische vraagstelling – denken wij maar aan de televisiereeks(en) van Maurice De Wilde – de motor tot het opentrekken van het debat (over collaboratie en verzet) en tot een grote progressie in de historische kennis. Dat kon omdat er tijd was overheen gegaan, omdat er nog voldoende getuigen in leven waren én omdat eindelijk de juiste vragen werden gesteld. Daar zijn wij nu, met de kolonialen, ook aanbeland. Het wordt mijns inziens dus tijd dat allen die wetenschappelijk geïnteresseerd zijn in de geschiedenis van Afrika en de Belgische aanwezigheid aldaar (en ik denk hierbij niet enkel aan historici maar zeker ook aan politicologen en antropologen) hun inspanningen bundelen en de sociale getuigenis niet laten afsterven vooraleer met haar in debat te zijn getreden.

Auteur Van Doorslaer

Om dieper in te gaan over de periode 1950-1960 neem eens een kijkje in het document Attitude des noirs vis a vis des blancs

De ondergang van de kolonialen

Over Peter Verlindens Weg uit Congo, de sociale herinnering van de kolonialen en de wetenschappelijke geschiedschrijving 1 Rudi Van Doorslaer

01 Peter Verlinden, Weg uit Congo. Het drama van de kolonialen, Leuven, Davidsfonds, 2002

02 In de wetenschappelijke terminologie van Maurice Halbwachs (La mémoire collective, Parijs, 1950) beschrijft de auteur de sociale herinnering, terwijl het onderzoeksrapport Delahaye een eerste bouwsteen kan zijn voor de historische herinnering die zich m.b.t. van de evenementen van 1960 blijkbaar nog moet vormen (zie verder in de tekst).

03 Vierde verslag van de onderzoekscommissie, (Brussel, 22.10.1960), p. 75.

04 Idem, p. 87.

05 Idem, p. 90.

06 Idem, p. 83.

07 Idem, p. 80.

08 Idem, p. 83.

09 Idem, p. 76

10 Idem, p. 79.

11 Idem.

12 Idem, p. 78.

13 Idem, p. 76.

14 Idem, p. 77.

15 Idem.

16 Hiertoe werd bij MB van 19 augustus 1960 een andere Commissie opgericht, de z.g. Commissie De Rycke. In februari 1961 was deze Commissie klaar met haar werkzaamheden. De bevindingen van deze Commissie werden evenmin openbaar gemaakt.

17 Vierde verslag van de onderzoekscommissie (Brussel, 22.10.1960), p. 89.

18 Idem.

19 “La Force publique et la préparation de l’indépendance”, in Olivier Lanotte, Claude Roosens & Caty Clément (ed.), La Belgique et l’Afrique centrale. De 1960 à nos jours, Brussel, Editions Grip, 2000, p. 99-106.

20 Humo, 23.4.2002.

 

Weg uit Congo: het drama van de kolonialen / Peter Verlinden

Leuven: Davidfonds, 2002, 232 p.

Vier besprekingen 
(eerder verschenen in Actief, tijdschrift van het Masereelfonds, 2002, nr. 3)

eerste reportage van Peter Verlinden over de reis van Boudewijn naar Congo in december 1959 (VRT: CONGO VROEGER EN NU do 28/01/2010)

 

Boeken melden voor de lezers van congo 1960Uw boek melden in de rubriek boeken ?

Stuur een tekst van minium 2 pagina's A4 bij voorkeur in een word document.

Stuur ook een afbeelding van je cover en achterflap van je boek via mail naar : congo-1960.

Bericht voor de uitgevers en of auteurs.

 

Boeken congo 1960Heeft U een interessant boek gelezen ?

Stuur ons uw info en of link door via mail of sociale media.

Of stuur ons uw opinie over het boek en beveel deze aan aan onze lezer van de website.

mail : congo-1960

Dat is alles ..

 

Info

Ook op het internet gelden de auteursrechten. Werken die auteursrechtelijk beschermd zijn, zoals tekeningen, foto's, muziek, film en software, mag u niet verspreiden via het internet zonder de uitdrukkelijke toestemming van de auteur.
Een auteur van een programma kan de namaker van zijn werk strafrechtelijk laten vervolgen, maar dat kan alleen als het namaken kwaadwillig of bedrieglijk is gebeurd. Niet alleen de namaker is strafbaar, ook wie namaakprogramma's voor handelsdoeleinden verkoopt, in voorraad heeft voor verkoop of invoert in België, overtreedt het auteursrecht.
Delcol Martine