SiteLock
Livre du mois Le Petit futé Kinshasa 14,95 € Communiqué de presseGuide Kinshasa 2017 (petit futé)Neocity
Boek van de maand Zoon in Congo 15% korting + gratis verzending Zoon in Congo Lanoo Uitgeverij
   Webmasters Delcol Martine Eddy Van Zaelen De webmaster Delcol MartineEddy Van Zaelen
  Helpt U mee en stuur je ons uw boeken in ruil voor een publicatie op de site  Sponsor Site
Kasai Rencontre avec le roi des Lele Kasaï , rencontre avec le roi Prix exclusif Grâce a Congo-1960 Sans limite de temps 29.80 € frais de port inclus  -Editeur Husson
L'état indépendant du congo a la recherche de la vérité historiquecongo 1957-1966 TémoignageLes chemins du congoTussen vonk en omroep , draadloze communicatie in België en CongoLeodine of the belgian CongoLes éxilés d'IsangiGuide Congo (Le petit futé)Congo Ya Kalakala, avec mes remerciements a Mr Paul DaelmanCongo L'autre histoire, avec mes remerciements a Charles LéonardL'Héritage des Banoko , avec mes remerciements a Mr. Pierre Van BostL'année du Dragon avec mes remerciements a Mr Eddy Hoedt et Mr Peeters Baudoin

Uitreksel ivm Russen in Belgisch Congo - ontmoetingscentrum Antwerpen.

Vladimir Ronin is een historicus en schrijver van onder andere het boek `Russen in Belgisch Congo`.

Persoonlijke informatie

Vladimir Ronin (°1958, Moskou) is doctor in de geschiedenis en licentiaat Slavische filologie. Hij studeerde geschiedenis aan de Universiteit van Moskou en slavistiek aan de KU Leuven. Sinds 1992 werkt hij als docent Russisch en geschiedenis van Rusland aan Lessius Antwerpen. Sinds 2008 is hij eveneens gastdocent aan de KU Leuven. Auteur van o.a. Antwerpen en zijn ‘Russen’, 1814-1914 (1993); Russen en Belgen: is het water te diep? (1998); Regiony Rossii (19961, 19992), Geschiedenis van Hongarije van Árpád tot Árpád Göncz (2003); de tweedelige monografie ‘Russkoe Congo’, 1870-1970 (2009) over mensen uit Rusland in Belgisch Congo; de eerste Russische cultuurhistorische gids over Antwerpen (2009), en enkele handboeken over de Russische taal. Verder publiceerde hij ook nog tientallen artikelen over de geschiedenis van Centraal-Europa en over de relaties tussen Russen en Belgen door de eeuwen heen. Hij is bovendien vertaler en houdt regelmatig voordrachten in verschillende verenigingen over historische en actuele aspecten van Rusland en over de Russen in België.

Meer dan 700 mensen die uit Rusland afkomstig waren, bezochten tussen 1870 en 1960 het grootste land van Midden-Afrika. De meesten woonden en werkten daar jarenlang. Van de Russen die zich in die tijd in België bevonden, deed ruim 6 % op de een of andere manier koloniale ervaring op. Er zijn maar weinig oude Russische emigrantenfamilies in Brussel, Luik of Antwerpen waar niemand ooit in Congo is geweest. Sommigen maakten daar zelfs een carrière van 30 tot 40 jaar. Noch in Frankrijk noch in Groot-Brittannië of Nederland nam zo'n hoog percentage van de inwijkelingen uit Rusland dienst in de koloniën en nergens was het voor de plaatselijke Russen zo vanzelfsprekend als in België. Maar ook in België is het thema "Russen in Congo" tot nu toe nauwelijks bestudeerd.

De lijsten van de blanke bevolking in de jaarboeken van de kolonie vermelden honderden namen van de mensen van wie we dankzij allerlei andere bronnen kunnen vaststellen dat ze uit het toenmalige Rusland afkomstig waren. Ook hun beroepsfunctie en postadres worden meegedeeld. Nog meer namen, vooral voor de periode van vóór 1920, komen uit de archieven van het voormalige Ministerie van Koloniën die vandaag in het Archief van het Ministerie van Buitenlandse Zaken te vinden zijn. De Russische emigrantenpers in verschillende landen vertelde sinds de jaren 1920 af en toe over het leven van de landgenoten in de Belgische overzeese gebieden. Zowel de schrijfster en journaliste Zinaïda Sjachovskaja als agronoom Vladimir Drasjoesov (Drachoussoff) en mijningenieur Kirill Charkevitsj (Kharkevitch) publiceerden later hun herinneringen of dagboeken over hun ervaringen in Congo. We konden bovendien heel wat onuitgegeven memoires, dagboeken en brieven in de familiearchieven raadplegen en hadden zowat 100 vraaggesprekken met de Russische ex-kolonialen in België of met hun gezinsleden.

De meeste Russen kwamen naar Belgisch Congo vanaf 1920, toen er na de revolutie van 1917 en de burgeroorlog in Rusland duizenden vluchtelingen zich in België vestigden en vandaaruit naar het Belgische deel van Afrika begonnen te vertrekken. Toch dateerde de Russische aanwezigheid in Congo nog uit de periode van vóór de Eerste Wereldoorlog en zelfs uit de 19de eeuw. In het verhaal van wat we "Russisch Congo" zouden kunnen noemen, is dit eerste hoofdstuk ook het minst bekende.

Er waren al mensen uit het Russische tsarenrijk onder de grote Europese ontdekkingsreizigers in het hart van Afrika in de jaren zeventig en tachtig van de 19de eeuw. De beroemde botanicus en geograaf Georg-August Schweinfurth die in 1870 vanuit Soedan het noord-oosten van de huidige Democratische Republiek Congo bezocht en als eerste Europeaan de rivier de Uele ontdekte, was een Russische Duitser uit Riga en onderdaan van de tsaar. Toen hij ten zuiden van de Uele de woonplaats van "koning" Munza van het Mangbetu-volk bereikte, hield de reiziger daar voor drie weken halt en stak hij volgens zijn brief aan zijn moeder boven zijn tent «den stolzen Schmuck der Trikolore» uit, de wit-blauwe-rode vlag van Rusland. Zo maakte een Russische onderdaan reeds zes jaar vóór Stanley een belangrijke reis door een stuk van Congo. Voor zijn tweedelige werk Im Herzen von Afrika (1874), met o.a. een gedetailleerde beschrijving van de natuur en de cultuur van de Azande- en Mangbetu-volkeren, kreeg Schweinfurth, die toen in Berlijn woonde, van tsaar Alexander II een ordeteken.

De reis en het boek van Schweinfurth maakten een nog grotere indruk op koning Leopold II, die toen zijn koloniale plannen in Midden-Afrika begon te smeden. Op de Internationale Aardrijkskundige Conferentie van 1876 in Brussel was ook Schweinfurth aanwezig, die er samen met een landgenoot van hem Rusland vertegenwoordigde. Intussen trad een andere Russische Duitser, dokter en oriëntalist Vasili (Wilhelm) Junker uit Sint-Petersburg, in de voetsporen van zijn voorganger en bestudeerde hij in 1877-1878 en 1879-1884 het gebied van de waterscheiding tussen de Nijl en de Congorivier, meer bepaald het systeem van de Uele. Het werd hem duidelijk dat de Uele in de Congorivier uitmondde, hoewel hij de monding net niet kon bereiken. De plaatselijke zwarte vorsten kregen van hem Russische boerenhemden in bonte kleuren cadeau, terwijl hij zijn unieke antropologische en etnografische verzamelingen, met meer dan 1000 voorwerpen van de Azande- en Mangbetu-volkeren, aan de Russische Academie van de Wetenschappen zou schenken. De meest waardevolle, heel precieze landkaarten die hij van het noord-oosten van Congo gemaakt had, werden in 1889-1890 in het driedelige boek Dr. Wilh. Junkers Reisen in Afrika 1875-1886 gepubliceerd.

Toen Leopold II in 1885 zijn Congo Vrijstaat stichtte, in feite zijn persoonlijke koloniale onderneming, werden er door zijn administratie en enkele grote privé-bedrijven heel wat buitenlanders in dienst genomen, waaronder Russische onderdanen. Sommige van hen hadden al vroeger banden met België, zoals Stefan Mikoszewski uit het aan de tsaar onderworpen deel van Polen. Tien jaar nadat hij aan de Gentse universiteit was afgestudeerd en naar huis had teruggekeerd, vertrok hij in 1885 als ingenieur-topograaf naar Beneden-Congo. Door het zware klimaat werd hij ziek en moest hij al na een paar maanden terugkeren naar Europa. Pas sinds 1889 was er weer sprake van Russische onderdanen in de Congo Vrijstaat: volgens het Bulletin officiel de l'Etat Indépendant du Congo woonde er tegen 1890 één Rus, een handelaar in de hoofdstad, het havenstadje Boma. Twee jaar later vonden de autoriteiten geen Rus meer in Boma, maar wel één in Katanga en nog één aan de Stanley Falls in de middenloop van de Congorivier. Een van die Russische pioniers in Congo stond misschien model voor de jonge Russische handelaar in Joseph Conrads Heart of Darkness. De Pool Konrad Korzeniowski, de latere Joseph Conrad, ook hij een gewezen onderdaan van de tsaar, had kennelijk in 1890 als zeeman twee maanden op een stoomboot tussen Leopoldstad en de Stanley Falls gevaren.

Verschillende administratieve inschrijvingsregisters voor de blanke bevolking van de Congo Vrijstaat, die als een deel van de Belgische koloniale archieven in het Archief van het Ministerie van Buitenlandse Zaken worden bewaard, vermelden enkele namen van de «Russes», die in het Afrikaanse machtsgebied van Leopold II gediend hebben. Ze droegen Duitse, Russische of Poolse namen. De meesten voeren rond de eeuwwisseling op de Congorivier als scheepsmechanicien of –timmerman, maar soms ook als eerste officier op een stoomboot. Hier en daar vinden we op die lijsten nog eens ingenieurs met een Belgisch diploma, die aan de prille Congolese spoorwegen werkten, eerst tussen Matadi en Leopoldstad, daarna ten zuiden van Stanleystad, langs de bovenloop van de Congorivier. Door het klimaat bleek hun verblijf in Afrika vaak veel korter dan voorzien en moesten ze met allerlei ziektes meteen vertrekken. De 28-jarige scheepstimmerman Aleksandr Fedotov uit Nizjni-Novgorod werd in 1893 als eerste Rus in Congo begraven.

Toch groeide het aantal onderdanen van de tsaar in Congo zienderogen: van 8 in 1899 tot 14 in 1900, 23 in 1904, 41 in 1905 en 55 in 1907. Ze concentreerden zich grotendeels in Leopoldstad en Boma. In 1907 werden de «Russes» voor het eerst in alle districten van de Vrijstaat gesignaleerd. Soms luidde hun adres gewoon «Sur le fleuve», dus ging het hier om de zeelui. Een groep apart vormden vele tientallen bemanningsleden met Finse en Zweedse namen, uit het toen eveneens aan de tsaar onderworpen Finland; toch werden ze in de statistieken niet als «Russes», maar als «Finlandais» opgenomen. Ook zij waren radertjes in het grote mechanisme van economische uitbuiting dat in het Congo van Leopold II zoveel slachtoffers maakte onder de plaatselijke bevolking.

Één van de Russische zeelui bleef langer op de Congorivier varen dan de anderen, en dan nog als kapitein. Pjotr Nikitin, een stafofficier uit Tiflis, die ook als zeeman in de Zwarte Zee enige ervaring had, trad in 1903, met 27 jaar, in dienst van de Vrijstaat. Waarschijnlijk volgde hij het voorbeeld van een zekere Ivan Nikitin, ook uit Tiflis en mogelijk een familielid van hem, die samen met tientallen andere Russische officieren in 1900 voorlopig ontslag namen uit het leger om in Zuid-Afrika tegen de Britten te vechten aan de zijde van de Boeren. Kapitein Pjotr Nikitin bestuurde tijdens zijn eerste jaren in Congo een stoomboot tussen de monding van de rivier en de havenstad Matadi, werd in 1905 «commissaire maritime» in Boma, maar keerde anderhalf jaar later terug naar de brug van een stoomboot in Beneden-Congo.

De Congo Vrijstaat, die, zoals bekend, door de wreedheden van de agenten van Leopold II en van grote concessiehouders hopeloos gecompromitteerd raakte, werd in 1908 als kolonie door de Belgische Staat overgenomen. Voor mensen uit Rusland die in dienst waren in dit stuk Afrika (ze waren al met 68 in 1909), veranderde er eigenlijk niets. Voor kapitein Nikitin en vele anderen was voortaan het Ministerie van Koloniën hun werkgever. Na zijn zoveelste verlof van zo'n halfjaar in Europa keerde Nikitin in juni 1914 terug naar Afrika. Zowat een maand later was de wereld in oorlog en wilde de Russische officier zo snel mogelijk opnieuw zijn plaats in het leger van de tsaar innemen. Maar pas in juli 1915 werd hem toegelaten na 12 jaar trouwe dienst zijn contract met de Belgische overheid op te zeggen. Hij kwam terug naar zijn vaderland, trad als onderluitenant in een kozakkenregiment aan het Kaukasische front en sneuvelde nog geen jaar later bij de havenstad Trabzon, in het noord-oosten van Turkije.

Tegen 1912 werd Katanga de "Russische" plaats bij uitstek in Congo. Van 117 Russische onderdanen in de kolonie woonde er 68 op de hoogvlaktes van Katanga. Het waren bijna uitsluitend joden, die door de bittere armoede en de pogroms naar het buitenland werden gedreven en via Engeland en de Britse machtsgebieden in het zuiden van Afrika naar Katanga trokken. Ze vestigden zich daar als kleine handelaars en ambachtslui rond de eerste kopermijnen. De lijsten van de ondernemers in Katanga (1911 en 1913) bevatten een dertigtal namen, met de vermelding «Russe». We kennen ook hun geboorteplaats in het westen van Rusland, hun adres in Congo en hun beroep. Van de hele groep behaalden de gebroeders Simon en Arnold Barman uit het gouvernement van Minsk (hun echte naam was Tsyrinski) het grootste succes. Ze begonnen in 1909 als leurders in textiel en verkopers van sterke drank en verhuisden daarna met hun eerste geld naar Stanleystad. Ze stichtten daar een aantal bedrijven, waaronder het oudste hotel in de stad, vele winkels, een houtzagerij enz. Na de Eerste Wereldoorlog behoorden de Barmans tot de rijkste en het meest gerespecteerde zakenlui in Belgisch Congo.

Niet alle Russische joden in het hart van Afrika waren ondernemers. Niet minder belangrijk was dokter Jakov (Jacques) Schwetz uit het huidige Letse Rezekne. Na zijn studies in Zwitserland ontmoette hij daar in 1908 toevallig de leider van de Belgische socialisten Emile Vandervelde die hem overhaalde om in Congo duizenden mensenlevens te gaan redden. Na een korte opleiding in de tropische geneeskunde in Brussel trad Schwetz in 1909 in overheidsdienst als koloniale arts. Zijn boeiende carrière als strijder tegen de slaapziekte begon in Oost-Congo. Jaar in jaar uit bezocht hij het ene dorp na het andere om de zieken te vinden en van de gezonden te isoleren. Vaak kwam hij in de plaatsen terecht waar ze nog nooit een blanke hadden gezien. Zo bracht hij tientallen dorpen aan de bovenloop van de rivier de Lomami als eerste op de landkaart van de kolonie. Tegelijkertijd bestudeerde hij verschillende soorten tseetseevliegen. De door hem aan de rivier de Kwilu ontdekte soort heet dan ook Glossina Schwetzi. Van 1920 tot 1923 leidde hij in de districten Kwango en Kasaï een speciale missie die de slaapziekte moest bestrijden. In zijn talrijke publicaties vertelde hij over die prille periode in de Congolese gezondheidszorg. Wellicht het grootste probleem was het wantrouwen van de bevolking.

Tussen 1914 en 1919 gingen drie jonge mensen uit Kiev één na één als ingenieurs aan de slag in de Belgische kolonie. Van Lev Barabasch en Valentin Jesjtsjenko weten we dat ze hun diploma in Luik hadden behaald. De mijningenieur Barabasch werd vlak vóór de Eerste Wereldoorlog door de Union Minière du Haut-Katanga aangenomen en bracht het tien jaar later tot directeur van de belangrijkste mijn. De ingenieur-electricien Jesjtsjenko daarentegen vertrok pas in 1919 naar Afrika. Belgisch Congo telde op dat moment slechts 53 «Russes», twee keer minder dan in 1912: velen verlieten het land tijdens de oorlog, maar vooral meteen na de wapenstilstand. Volgens de lijsten van de blanke inwoners, die jaarlijks in het Annuaire du Congo Belge administratif, commercial, industriel et agricole verschenen, was Jesjtsjenko in de jaren twintig ondernemer in Leopoldstad.

In totaal deden zo'n 150 mensen uit het Russische tsarenrijk dit stuk van Afrika aan tussen 1885 en 1920. Hun geschiedenis vormde een soort proloog op het indrukwekkende verhaal van de Russen in Belgisch Congo na de revolutie van 1917 en de burgeroorlog. De nieuwe generatie Russische kolonialen bestond uit haveloze vluchtelingen, voornamelijk officieren van de Witte legers van Denikin en Vrangel. Ze behoorden tot die kleine 9000 gevluchte Russen die tussen 1920 en 1925 om allerlei redenen in België kwamen aangespoeld. De meeste waren nog jong en droomden ervan om een diploma hoger onderwijs te behalen, wat ze in Rusland door de oorlogen en revoluties niet hadden kunnen doen. In België kregen velen van hen financiële en logistieke steun van verschillende humanitaire stichtingen, in de eerste plaats van de katholieke Aide Belge aux Russes. Dankzij deze steun gingen honderden jonge mensen naar de Belgische universiteiten en hogescholen en vonden ze daarna een baan, vaak in de verre kolonie die zich toen op volle toeren ontwikkelde. Ook de oudere emigranten kregen soms met de hulp van hooggeplaatste Belgen, zowel kardinaal Mercier als liberale professoren en bedrijfsleiders, de kans om goed betaald werk te vinden in Afrika.

Zinaïda Sjachovskaja herinnerde zich hoe zij en haar man zich in de late jaren twintig, zoals vele landgenoten van hen, naar Belgisch Congo begaven: "Les Russes ont découvert, eux aussi, la route du Congo. Quand on leur dit 'c'est loin', ils demandent, désabusés, 'loin de quoi?'". Voor vluchtelingen uit Rusland die duizenden kilometers weg van hun vaderland waren beland, waren de afstanden nooit een probleem. Maar wat zette hen ertoe aan om voor twee of drie jaar, dikwijls moederziel alleen, naar onbekende verre streken met ongezond klimaat en vol andere gevaren te vertrekken?

Het belangrijkste motief was prozaïsch: geld. Zelfs een staatloze vreemdeling verdiende in de tropen vier tot vijf keer meer dan in België en kon niet alleen zijn in Europa gebleven gezin of zijn ouders onderhouden, maar zelfs een beetje sparen. In dienst treden in Belgisch Congo, bij de overheid of een privé-bedrijf, was vooral voor oudere vluchtelingen, van boven 40 jaar, zo goed als de enige uitweg uit de bittere armoede. Zo betekende het vertrek van kolonel Aleksandr Koltsjinski in 1924 een echte redding voor hem, zijn teringlijdende vrouw en hun zoon, een scholier. Als bediende bij de Compagnie du Kasaï werd hij viermaal beter betaald dan als mechanicien in een Brusselse garage. Vele jongere Russen gingen naar Afrika meteen na hun huwelijk, eerst alleen om later hun vrouw al dan niet over te halen zich bij hen te voegen. Na 1925-1926 gebeurde het hoe langer hoe meer dat het jonge paar samen aan boord ging van een stoomboot van de lijn Antwerpen – Matadi.

Of er in bepaalde jaren meer of minder Russen naar de tropen vertrokken, hing vaak af van de ups en downs in de economische situatie in België. De galopperende wisselkoers van de Belgische frank, de grote stakingen en personeelsinkrimping op vele bedrijven zorgden ervoor dat het aantal Russische nieuwkomelingen in Congo in 1925 een absoluut hoogtepunt bereikte. Minstens 47 “émigrés russes” gingen toen voor het eerst aan de slag in de Belgische kolonie of in het pas gecreëerde mandaatgebied Rwanda-Urundi (een jaar ervóór waren ze slechts met 15). En dan gaat het hier nog alleen over de mensen die we door ons onderzoek bij naam kennen. De terugkeer van de Franse en Belgische bezettingstroepen in 1925 uit het Duitse Ruhr verslechterde de werkloosheidsstatistieken in de respectievelijke landen. Nog meer Russen in België en Frankrijk zagen zich dan ook genoodzaakt hun geluk elders, namelijk in Midden-Afrika te zoeken.

Met de gedeeltelijke stabilisatie van de financieel-economische toestand in het kleine koninkrijk in 1926-1927 verminderde het aantal vertrekken van de Russen naar hun eerste betrekking in Belgisch Congo: voor het jaar 1927 zijn bv. maar 25 namen ons bekend. Toen er zich één jaar later in de Belgische industrie weer symptomen van een malaise begonnen af te tekenen, werd de drang voor de plaatselijke Russen om koers naar Congo te zetten meteen veel sterker. Het waren in de eerste plaats de afgestudeerden die er terecht voor vreesden in België geen degelijke baan te kunnen vinden.

Telkens als er onder de Russen toen en later sprake was van een landgenoot die een koloniaal contract had afgesloten, vielen de woorden “geluk”, “meevaller”, “bofkont” voortdurend. Het vertrek naar Afrika werd gezien als een soort happy end, een uitbraak uit de dagelijkse ellende en uitzichtloosheid van het emigrantenbestaan. Reeds in 1925 verscheen er in de Russische pers, eerst in Belgrado, dan in Berlijn, een stukje over het werk in de Belgische kolonie, waarbij de naamloze auteur vanuit zijn ervaring aan de diamantmijnen in de Kasaï alle twijfels de kop indrukte: “Afrika is voor ons, vluchtelingen, de best mogelijke manier om tijdelijk aan werk te komen en in acceptabele, om niet te zeggen goede omstandigheden in twee jaar tijd 25.000 tot 30.000 frank te verdienen…”.

De sociale status van de uitverkorene ging pijlsnel omhoog en ook zijn zelfbewustzijn. Één voorbeeld uit de hele reeks is de openingsscène van de onuitgegeven autobiografische roman Dat is Afrika van vorst Andrej Orbeliani, ingenieur-electricien uit Leuven, die eerst in Angola en sinds 1937 in Belgisch Congo werkte. Zijn hoofdpersonage, een jonge Russische ingenieur in België, komt naar huis met een stralend gezicht en roept triomfantelijk naar zijn vrouw:

“- Masja, – hoor je mij? – ik heb een baan. - Wat voor één? – antwoordde zijn vrouw. – Een koksjongen in een restaurant? - Nee, schat, ik zal de elektriciteitsafdeling van een grote mijn in Afrika gaan leiden”.

Niet alleen de hoge lonen trokken de Russen naar de Belgische overzeese gebieden aan. De oudere emigranten grepen de kans met beide handen aan om zich terug in een actief beroepsleven te storten, dat al was het maar iets met hun vroegere activiteiten in Rusland te maken had. In Belgisch Congo, schreef ingenieur Oleg Bakaldin in 1934, “werden Russische dokters uit taxichauffeurs opnieuw dokters, met respect omgeven en omringd door veel dienstpersoneel. Zeekapiteinen die als kelner hadden gewerkt, konden weer stoomboten besturen. Ingenieurs, gewezen stouwers, kregen ineens arbeiderscolonnes van 500 of meer zwarten onder hun bevel”. Toen de Société Coloniale de Matériaux et d’Entreprises in 1926 de voormalige hoofdingenieur van de scheepsbouwwerf in het Oekraïnse Nikolajev, Aleksandr Charkevitsj, naar Leopoldstad stuurde om de montage van stoomboten te inspecteren, vertelde hij opgetogen in een brief aan zijn vrouw: “Ik ben, bijzonder blij en gelukkig dat al de kennis en ervaring die ik tijdens mijn werk vóór de revolutie opgedaan heb, niet voor niets geweest zijn, maar dat ze me nu zo nuttig blijken te zijn”. Twee maanden later was zijn enthousiasme nog altijd even groot: “Ik voel me hier als een vis in het water”.

Voor de Russische artsen was een koloniaal contract überhaupt hun enige kans op een volwaardig beroepsleven. In België noch in Frankrijk mochten ze geen praktijk uitoefenen. Ondanks hun grote ervaring, grotendeels als legerarts aan het front, brachten ze het in de emigratie in het beste geval tot doktersassistent. Omdat Congo en Rwanda-Urundi een permanent tekort aan geneesheren kenden, waren de regels daar echter veel soepeler en konden de mensen die hun medisch diploma aan de universiteit van Moskou of Charkov behaald hebben, meteen aan de slag als volwaardige dokters. In het Belgische deel van Afrika kregen ze in dat opzicht meer mogelijkheden dan in de Franse koloniën.

Talrijke jongere emigranten verkozen een koloniale carrière omdat ze daar op een interessant, grootschalig, zelfstandig en veel perspectieven biedend werk konden rekenen. Baron Andrej von Tiesenhausen uit Sint-Petersburg, die aan de KUL als ingenieur-electricien afstudeerde, zag Congo naar eigen zeggen op voorhand al als “een plaats waar je jezelf kon bewijzen en waar niemand je een spaak in het wiel zou steken”. In een brief aan zijn toekomstige schoonvader vertelde Afanasi Korobkov, stafkapitein in het Witte leger, die in België mijningenieur was geworden: “De jonge ingenieur voelt zich in Congo zo goed als een vorst en het succes van zijn opdracht hangt uitsluitend van zijn eigen werk af, terwijl hij in Europa meestal een loopjongen is voor zijn ontelbare bazen en al hun grillen moet uitvoeren”. Ook heel wat andere Russen namen toen graag dienst in Midden-Afrika om op grote schaal en op een zelfstandige manier te kunnen werken, zonder dat hun baas de hele tijd over hun schouder zou kijken.

De Belgische kolonie bood staatloze vluchtelingen een unieke kans om zeer snel carrière te maken. Voor de jonge emigranten die in het toenmalige België niet op dezelfde startpositie konden hopen als de Belgen, betekende de situatie van een baas over tientallen, zoniet honderden zwarte arbeiders een geweldige psychologische compensatie. Op onze vraag aan de 94-jarige Tiesenhausen waarom hij in 1926 naar Congo was vertrokken, antwoordde hij kort en niet zonder een knipoog: “Ik wilde vanaf de eerste dag al een baas worden, zo zat nu eenmaal mijn karakter in elkaar…”. Met bijna dezelfde woorden legde Orbeliani in zijn roman uit waarom zijn hoofdpersonage zo graag naar Afrika wilde: “Het belangrijkste was voor hem zijn positie als een baas. Tot dan toe was hij gewoon een landmeter en ondergeschikte. Hij kreeg geen mogelijkheid om zich als ingenieur te bewijzen”.

Menig Russische emigrant had bovendien ook dieper liggende motieven om in Antwerpen een stomboot naar Boma of Matadi te nemen. De terugkeer naar het geliefde vaderland, waarop ze in de prille jaren twintig allemaal zielsveel hoopten, bleek niet voor morgen te zijn en sommigen trokken met een contract van twee of drie jaar naar de tropen om, zoals Aleksandr Grablenov, licentiaat in de handelswetenschappen uit Leuven, in 1923 aan kardinaal Mercier verklaarde, “een leegte van het bestaan te vullen” en “de ontgoochelingen en het verdriet van het leven als een zwerver met vernieuwde moed verder te dragen”. Ook bij andere Russische kolonialen uit de jaren twintig vinden we aanwijzingen dat ze in hun koloniaal werk een mogelijkheid zochten om hun ballingschaapsdrama psychologisch te verdringen en zich ervan te laten afleiden.

Ongetwijfeld speelden een gewone nieuwsgierigheid en het hunkeren naar het exotische eveneens een rol bij die romantische Russen. Ze raakten nog als kind door het verre continent van de zwarte volkeren gefascineerd. Het was weliswaar uit geldnood dat kolonel Boris Svezjevski in 1929 als topograaf naar Congo vertrok. Toch verwees hij in zijn latere onuitgegeven memoires eerst en vooral naar een andere beweegreden van hem: “Toen ik nog in de cadettenschool van Odessa zat, las ik over Stanley en zijn bijna vreedzame verovering van Congo en begon ik van dit geheimzinnige land te dromen. Een ongerepte natuur, wilde mensen en dieren, ondoordringbare wouden...”. Naar Midden-Afrika gaan betekende voor hem een vervulling van zijn oude droom. Volgens ingenieur Bakaldin was dit toen nagenoeg bij alle “Russische Congolesen” het geval. Wat uiteraard ook behoorlijk veel invloed op de Russen in België had, was de toenemende belangstelling van de Belgen zelf voor hun overzeese gebieden. Toen er in 1928 de spoorweg tussen Katanga en de Kasaï werd geopend, die in feite het oosten en het westen van Congo verbond, verhoogde het de aantrekkelijkheid van de kolonie in de ogen van de Belgische samenleving. In hetzelfde jaar, met de reis van koning Albert en koningin Elisabeth door Congo, werd Afrika zelfs een modieus thema, en al zeker bij de zeer koningsgezinde Russische emigranten. Zij merkten de toegenomen interesse van hun gastland voor diens stuk Afrika onmiddellijk: “Vroeger”, vertelde een Russische journalist in 1928 vanuit België, “werd hier aan iemand die zich naar Congo wilde begeven, gevraagd wat hij allemaal uitgespoken had dat hij uit zijn land moest vluchten, maar nu benijden ze degenen die vertrekken en droomt elke Belg ervan om een tijd in het verre Afrika te verblijven...”. Het was des te meer waar voor de plaatselijke Russen die geen huis, geen goede betrekking en meestal ook geen familie in West-Europa hadden en hierdoor veel gemakkelijker konden wegtrekken.

Er worden in het archief van het Aartsbisdom van Mechelen tientallen brieven uit in 1922-1925 bewaard waarin de Russen uit België, maar ook uit Frankrijk, Joegoslavië, Estland of Egypte kardinaal Mercier smeekten om hen naar een baan in Belgisch Congo te helpen. Ze bestookten hem zelfs op de koop toe met allerlei projecten om hele groepen Russische vluchtelingen, bv. de kozakken, in Congo als landbouwers te vestigen. Volgens de brieven was men bereid om alles te laten staan en hals over kop naar Afrika af te reizen. Ook uit andere bronnen weten we hoe de Russen van overal een beroep op hun Belgische kennissen of op hun landgenoten in België deden om de toegang tot de minister van Koloniën of de bestuurders van de grote koloniale privé-bedrijven te vinden. Meestal was het inderdaad absoluut noodzakelijk om hoge katholieke of liberale connecties te gebruiken. Heel wat sollicitanten moesten trouwens van een koude kermis thuiskomen: hun namen staan uiteindelijk niet op de lijsten van de blanke bevolking in Annuaire du Congo Belge, het adresboek van de kolonie.

Vingen bepaalde Russen bij Belgische ambtenaren of bedrijfsleiders bot, dan weigerden ze gewoonweg te geloven dat er op dat moment inderdaad geen vacatuur was of dat zij niet voor de job geschikt waren. Ze schreven hun mislukking eerder toe aan de anti-Russische houding van de bewuste persoon of aan het feit dat ze met een aanbevelingsbrief uit de katholieke hoek per ongeluk bij een liberaal of een jood terechtkwamen, of omgekeerd. Het gebeurde dat een bedrijf voor een tijd geen Russen meer wilde aannemen. Zo verklaarde de directeur van het grote diamantenbedrijf Forminière in 1924 aan een Russische sollicitant dat “onlangs nog twee Russen zich misdroegen in Congo. De ene wilde een kapitein in zee gooien en de andere was nauwelijks aangekomen of hij een Congolees een schouder heeft gebroken”. Toch stellen we in de bronnen geen reëele discriminatie van de Russen vast. Dezelfde Forminière nam er in 1925 weer een hele groep in dienst. De ambtenaren, toen ze iemand afwezen, lieten af en toe aan diens Belgische beschermheer weten dat een Rus met een andere beroep wel welkom zou zijn: “Si toutefois vous avez parmi vos protégés un bon comptable industriel, je vous serais infiniment reconnaissant de me l’envoyer”.

Overal waar in de jaren twintig de Russische emigranten woonden, was de vraag naar informatie over de mogelijkheid om in Belgisch Congo aan werk te komen, enorm groot. Daarom nam de Russische pers in Belgrado, Praag, Berlijn en Parijs regelmatig materialen op over de leef- en werkomstandigheden van de landgenoten in Congo. De Unie van de Russische studenten in Tsjechoslovakije stuurde in 1925 speciaal een brief naar haar gewezen bestuurslid, Rafail Trachtenberg die in Midden-Afrika verbleef, met de vraag hoe het leven daar was. Het antwoord van de jonge jurist, eerste luitenant van het Witte leger, werd eveneens gepubliceerd en bevatte een heleboel inlichtingen niet alleen over het klimaat en de lonen in Congo, maar eveneens over de houding van de zwarten tegenover de blanken en van de Belgische kolonialen tegenover de Russen. Waarom was uitgerekend het Belgische deel van Afrika zo aantrekkelijk, ook voor de Russen die in Frankrijk gevestigd waren? Trachtenberg rapporteerde aan zijn kameraden in Praag dat hun landgenoten in Belgisch Congo op de voet van gelijkheid stonden met alle nationaliteiten en dat de Belgen daar zelfs geen meerderheid vormden. Dat laatste klopte niet, maar het overwicht van de Belgen (63,2 % in 1925) over de andere Europeanen in Congo was toch aanzienlijk kleiner dan de dominantie van de Fransen in hun Frans Equatoriaal Afrika. In Belgisch Congo heersten de blanken en niet enkel de Belgen die volgens de afspraken van 1885 de deuren van hun stuk Afrika wijd open moesten houden voor alle Europeanen. De vluchtelingen uit Rusland konden daar veel gemakkelijker dezelfde positie opbouwen als de Belgen zelf. “Le Congo leur apporte non seulement la possibilité de sortir de leur misère, mais encore l’égalité des droits dont ils ne jouissent pas dans les pays européens”, lezen we in de memoires van Sjachovskaja. “Au Congo, la nationalité ne joue aucun rôle”.

Het tweede belangrijke voordeel van Belgisch Congo in vergelijking met de Franse koloniën was het feit dat er in de Belgische gebieden meer vacaturen was voor vreemdelingen. “De Belgen namen in hun kolonie op grote schaal Russen in dienst…”, merkte de gewezen Russische militair attaché in België terecht op. Ook zijn landgenoten in de Franse koloniën wisten goed dat er “gemakkelijker was een baan te vinden in Belgisch Congo, aan de spoorwegbouw, waar echt tekort is aan ingenieurs, artsen en andere specialisten”. De Russische journalist Vladimir Tkatsjov uit Parijs, die in 1928-1929 de Franse én de Belgische gebieden in Afrika bezocht, zette Belgisch Congo resoluut op de eerste plaats voor wat de verscheidenheid van de mogelijke beroepsactiviteiten voor Russische emigranten betrof.

Als we Tkatsjov mogen geloven, lagen de lonen in de Belgische kolonie toen een stuk hoger dan aan de overkant van de Congorivier, bij de Fransen. Bovendien moesten de Russen die in een Franse kolonie wilden gaan werken, soms maandenlang op de toestemming van de autoriteiten wachten en allerlei politiecontroles ondergaan, terwijl er veel minder formaliteiten waren om zich met een contract in Belgisch Congo of Rwanda-Urundi te vestigen. Ook bij de Russen die in het Portugeze Angola werkten, stond het Belgische deel van Afrika bijzonder hoog genoteerd. De burgeroorlog in Rusland was in de zomer van 1920 nog niet voorbij of de eerste “witte” vluchtelingen al in dienst traden in Belgisch Congo. Het waren marineofficieren en ze werden hoofdzakelijk door de overheid aangesteld als hydrografen. Omdat België nauwelijks hydrografen van eigen bodem had, konden vele Russische zeelui in de jaren twintig werk vinden in de hydrografische dienst van Beneden-Congo (tussen Matadi en de monding van de Congorivier) of van Boven-Congo (tussen Leopoldstad en Stanleystad). Een hele groep Russische hydrografen voer in 1928-1929 met het schip “L’Hirondelle” aan de benedenloop van Congo, onder leiding van schout-bij-nacht Boris Vilkitski. Ooit had hij als één van de eersten de kustlijn van Siberië en de eilanden in de Noordelijke IJszee bestudeerd en een grote archipel ten noorden van het Tajmyr-schiereiland ondekt. “Notre amiral arctique, devenu amiral tropical”, noemden ze hem nu in de Belgische kolonie.

De overheid was niet de enige werkgever voor Russische marineofficieren in Congo. Belangrijke transportbedrijven zoals Unatra en Compagnie des Chemins de Fer du Congo Supérieur aux Grands Lacs Africains engageerden ze als kapiteinen voor hun stoomboten op de Congorivier of op het Tanganyikameer. De Belgen hielden nooit rekening met de militaire rang en de vroegere staat van dienst van hun Russische werknemers, waardoor een verdienstelijke kapitein-ter-zee die tijdens de Eerste Wereldoorlog het bevel over een grote slagkruiser had gevoerd, in Afrika dezelfde functie kreeg en dezelfde loon ontving als veel jongere dekofficieren.

De tweede aanzienlijke groep mensen uit Rusland in Belgisch Congo waren dokters. Na de Eerste Wereldoorlog leverde België serieuze inspanningen om het systeem van gezondheidszorg in Congo en Rwanda-Urundi uit te bouwen. Er was schrijnend tekort aan artsen en vanaf 1920 namen tientallen geneesheren van Russische of Russisch-joodse afkomst dienst bij de koloniale overheid en in grote bedrijven. Vaak leidden ze jarenlang een bescheiden “lazaret pour indigènes”, verloren in het eindeloze equatoriaal woud van de Evenaarsprovincie of van de Kasaï. Naast de dokters die nog vóór de revolutie in West-Europa hadden gestudeerd, waren er zoals gezegd ook oudstrijders van de Witte legers en sinds 1930 stond een jongere generatie emigranten op de voorgrond, die hun medisch diploma in Leuven, Luik, Gent of Brussel hadden behaald, maar ook elders in Europa. De praktijk nam heel hun tijd in beslag, maar af en toe slaagden ze er toch in om een wetenschappelijk artikel over tropische ziektes of over de organisatie van bepaalde medische diensten te publiceren.

Er werd in het Belgisch Congo van de jaren twintig de ene spoorweg na de andere gebouwd. En overal waren er Russen te vinden, ingenieurs en bedienden die met de prospectie in de brousse bezig waren of op de bouwwerken toezicht hielden. De prospector baron Fjodor Taube, kolonel en gewezen commandant van een kurassiersregiment, stuurde tussen 1923 en 1928 vanuit de Kasaï een hele reeks brieven naar de Russische krant Roel in Berlijn, een onuitputtelijke bron van informatie over het dagelijkse leven van een Russische officier in het hart van Afrika en over zijn complexe verhoudingen met zijn zwarte arbeiders en maîtresses. De Compagnie des Chemins de Fer du Bas-Congo au Katanga en de Vicicongo, die de spoorwegen bouwden en onderhielden in verschillende streken van de kolonie, telden in 1926-1928 zelfs twee Russische generaals onder hun personeel, namelijk Vladimir Ilovajski en Aleksej Chaperon du Larrêt. Nog veel meer Russische ingenieurs en technici zochten hun geluk in de kopermijnen van de Union Minière in Katanga, de diamantmijnen van de Forminière in de Kasaï en de goudmijnen van de Société des Mines d’Or de Kilo-Moto in het noord-oosten van Congo. De generatie die een ingenieursopleiding in Sint-Petersburg, Moskou of Kiëv had gevolgd, maakte al snel plaats voor de alumni van de Belgische universiteiten. Na 1930 was een groot aantal jongere Russische mijningenieurs en geologen vooral in het oosten van Congo en in Rwanda-Urundi aanwezig, in de bedrijven zoals de Compagnie Minière des Grands Lacs, de Cobelmin, de Symétain, de Minétain enz., op de vindplaatsen van kassiteriet, het tinsteen.

Laten we ook Russische ingenieurs-electriciens niet vergeten die de waterkrachtcentrales hielpen optrekken, alsook scheikundige ingenieurs in chemische fabrieken en tenslotte bouwkundige ingenieurs die zich in de overheidsdienst aan de wegenbouw wijdden. Naast de zeeman en de arts was de ingenieur ongetwijfeld de meest typische figuur in “Russisch Congo”. Sommigen brachten heel hun beroepsleven door in Congo. Kort na de Tweede Wereldoorlog bereikten ze in hun bedrijven de positie van tot hoofdingenieur of plaatselijke directeur.

Nog indrukwekkender waren hun professionele verwezenlijkingen. Ondanks het latere economische verval van het onafhankelijke Congo worden vele vindplaatsen die door Russische geologen tussen 1930 en 1960 werden gevonden, nog altijd geëxploiteerd. Op de lijst van de mineralen die in Oost-Congo worden gewonnen, staan de anthoiniet en de lueshiet die respectievelijk door Nikolaj Varlamov (1947) en Aleksandr Safjannikov (1959) werden ontdekt. Aan de geoloog Varlamov, een rasechte Donkozak, herinnert eveneens een ander mineral dat zijn naam draagt: de varlamoffiet. Talrijke mijnen en waterkrachtcentrales waaraan de Russische ingenieurs meewerkten, zijn nog steeds in gebruik.

De faculteiten agronomie in Leuven en Gembloux leverden op hun beurt al in de jaren twintig een hele groep Russische agronomen en landbouwingenieurs die meteen naar Congo vertrokken. De ene trad in de overheidsdienst zoals Konstantin Leontovitsj die de bevolking van het noord-westelijke district Congo-Ubangi jarenlang met veel geduld de cultuur van katoen zou bijbrengen. De andere kwam in een privé-bedrijf terecht om in het noorden of het noord-oosten van de kolonie koffieplantages in te richten. Enkele waardevolle boomsoorten die door bosbouwkundige ingenieur Aleksandr Michelson werden ontdekt, een zoon van Ruslands gewezen militair attaché in Berlijn, dragen dan ook zijn naam: Ocotea Michelsonii en Michelsonia microphylla. Vanaf 1934 telde ook het Institut National pour l’Etude Agronomique au Congo altijd emigranten uit Rusland onder zijn medewerkers. Na de Tweede Wereldoorlog waren ze op verschillende proefstations van het Instituut, over heel het land, met veredeling van landbouw- en tuinbouwculturen bezig.

We hebben hier natuurlijk niet alle beroepssectoren kunnen noemen, waar men tussen 1920 en 1960 in het Belgische deel van Afrika de Russische emigranten kon tegenkomen. De snelst groeiende en zeer interessante groep waren de “colons”, de zelfstandige ondernemers. Hun verhaal begon zoals we weten nog vóór de Eerste Wereldoorlog, met vooral de joodse handelaars en ambachtslui in Katanga. Maar ook de “witte” vluchtelingen van 1920 begonnen zich met de tijd aan een eigen zaak te wagen.

De eerste die we kennen, was de oorlogsvlieger Michail Lavrinovski, die ook ritmeester van een kurassiersregiment was en gewezen prefect van de adel in het district van Gomel (Wit-Rusland). Na enkele jaren als piloot voor een privé-bedrijf in de Evenaarsprovincie verliet hij in het midden van de jaren twintig de dienst en vestigde hij in de buurt van zijn vroegere vliegveld een eigen houtzagerij en meubelmakerij. Hij leerde de zwarten hoe ze uit boomstammen raamkozijnen, deuren en meubels moeten vervaardigen. Later kreeg hij een eiland in concessie, waarop hij velden en weiden inrichtte. “Il vivait très près du Noir, un peu comme un grand seigneur, mais jamais comme les seigneurs féodaux durs et égoïstes”, lezen we over Lavrinovski in de meerdelige Biographie Coloniale Belge. Na 1925 traden nog een paar landgenoten van hem in zijn voetsporen, de ene als zelfstandige fotograaf in Leopoldstad, de andere als koffieplanter aan de grens met Angola en nog één startte zonder veel succes een transportbedrijf aan het Kivumeer.

De economische wereldcrisis van de prille jaren dertig was voor de Russische aanwezigheid in Midden-Afrika een echte ramp. Terwijl de officiële statistieken het in 1929 over 182 “Russes” in Congo en 13 in Rwanda-Urundi hadden (de minderjarige kinderen niet meegerekend), was hun aantal twee jaar daarop al in vrije val. Op 1 januari 1933 telde de kolonie slechts 113 “Russes” en het mandaatgebied 6. Deze cijfers hielden uiteraard geen rekening met de Russen die intussen Belgische staatsburgers waren geworden, maar die vormden toen nog een quantité négligeable. Nog nooit sinds het einde van de Eerste Wereldoorlog was het aantal mensen uit Rusland in Congo zo sterk gedaald. Zowel de overheid als de privé-bedrijven lieten personeel afvloeien en vreemdelingen vlogen niet onverwacht als eerste buiten. Pas van 1934 af groeide de Russische aanwezigheid in de Belgische gebieden in Afrika opnieuw, maar bereikte ze het peil van de late jaren twintig nooit meer. Tussen 1935 en 1960 schommelde het aantal Russische emigranten in Belgisch Congo altijd rond 140-150.

De economische ravage van 1930-1933 spoorde menig koloniaal aan om van werknemer zelfstandige ondernemer te worden. Ook steeds meer Russen zochten na hun eerste of tweede termijn als bediende geen nieuw contract meer, maar namen stukken grond in concessie en stichtten hun eigen plantages. Ze teelden er koffie, maar ook kinabomen, palmbomen, thee, groenten, geneeskrachtige planten enz. Sommigen hadden eveneens een veeboerderij, met een melkerij of een worstmakerij. De planters en veefokkers waren grotendeels in het oosten van Congo geconcentreerd, meer bepaald in het gebied Ituri of aan het Kivumeer, alsook tussen de heuvels van Rwanda-Urundi. In al die streken ontstonden er al in de jaren dertig Russische “eilandjes”, waar de landgenoten elkaar goed kenden en af en toe bezochten.

Niet alleen in de landbouw kwam de ondernemingsgeest van Russische zelfstandigen tot uiting. Er waren kleine handelsbedrijven, garages, eigen steengroeven en goudmijnen. Georgi Rovnitski, een jurist uit Odessa, werkte van 1923 tot 1930 voor verschillende handelsfirma’s in Rwanda-Urundi en het district Kivu. Daarna stichtte hij zijn eigen zaak: hij importeerde uit de Delhaize-winkels in België levensmiddelen voor blanken en bracht ze in Zuid-Kivu met een vrachtwagen rond. Bovendien bezat hij ook koffieplantages. In 1938 verhuisde hij met zijn vrouw naar Stanleystad en werd hij er zaakgelastigde en bemiddelaar in rechtsgeschillen. Hij had blijkbaar toch niet erg veel om handen, want tegelijkertijd gaf hij jarenlang zijn eigen krant L’Echo de Stan uit, één van de vijf dagbladen in de Belgische kolonie.

Tijdens en na de oorlog van 1940-1945 werd de drang naar een zelfstandig bestaan als “colon” bij de Russen in Midden-Afrika nog sterker. Na vele jaren als agronoom of ingenieur in een privé-maatschappij verlieten ze één na één hun dienst om een eigen plantage, een veeboerderij, een mijn, een transport- of bouwbedrijf of een zelfstandige dokterspraktijk te starten. Vooral in en rond Costermansstad, het huidige Bukavu, aan het Kivumeer, vormden de families Sokolski, Skoeridin (Scouridine), Koetsjin (Koutchine), Michelson en anderen in het begin van de jaren vijftig een opvallend Russisch wereldje. Omdat ze bijna allemaal van adellijke bloede waren, werd de internationale en elitaire uitstraling van de toenmalige provincie Kivu, het rijk van de planters, door hun aanwezigheid nog eens extra geaccentueerd.

De Russischtalige diaspora in de Belgische kolonie was in het begin een echte mannenwereld. Pas in de tweede helft van de jaren dertig steeg het aandeel van de vrouwen in “Russisch Congo” tot ca. 30 %. Het waren natuurlijk echtgenotes die samen met hun man aankwamen of zich later bij hem voegden. Met de hulp van ontelbare zwarte knechten zorgden ze voor het huiselijke comfort. Maar er waren toch ook uitzonderingen, met name de Russische vrouwen die in Belgisch Congo een tijd lang beroepsmatig actief waren. Zo kennen we uit de jaren 1922-1927 drie verpleegsters die toevallig ook naamgenotes waren: Marija Varsjavskaja, Marija Pogoriletskaja en Marija Koedrjavtseva (Koudriavtseff). De twee laatsten waren vriendinnen sinds de burgeroorlog, toen ze beiden in het Witte leger zieken en gewonden verzorgden. Ze kwamen dan ook samen naar België en traden in de koloniale overheidsdienst. Meteen na hun aankomst in Congo (1925) trouwde Pogoriletskaja in Boma met een landgenoot en verliet ze de dienst, terwijl Koedrjavtseva wel twee jaar als verpleegster zou werken om pas dan op haar beurt met een Rus in het huwelijksbootje te stappen.

Een nog grotere uitzondering was de vrouwelijke dokter Genja Sokolskaja-Bragar. Ze behaalde haar medisch diploma aan de universiteit Gent. Haar man, scheikundige ingenieur Michail Sokolski, stichtte in 1929 als eerste emigrant uit Rusland een eigen plantage aan het Kivumeer. De man hield zich met allerlei agrochemische experimenten bezig en de vrouw werkte als officieel erkende praktiserend arts. Uniek was ook de korte koloniale carrière van Natalja Anitsjkova-Pantsjenko, scheikundige ingenieur (1936-1939). De bazen van de Union Minière vertrouwde haar een interessante job toe in een van hun chemische laboratoria in Elisabethstad.

Zeldzaam waren ook de Russische vrouwen die in Congo een eigen zaak hadden. Toen de 61-jarige Anna Nebolsina, weduwe van een tsaristische vice-admiraal, in 1933 haar zoon naar de Belgische kolonie volgde, wilde ze apart wonen. Ze vestigde zich in hun privé-huis in het gebied Ituri, niet ver van het Albert-meer, in concessie en stampte er een veeboerderij uit de grond. Met ongeziene energie begon ze varkens en geiten te kweken om kort daarna tonnen boter, kaas, ham en worst in heel het noord-oosten van Congo te verkopen. Haar charcuterie had een uitstekende reputatie en “de admiraalsweduwe”, zoals ze achter haar rug wel eens werd genoemd, dreef de productie steeds verder op. Niet eens twintig jaar later wilde de hoogbejaarde dame aan haar leeftijd toegeven. Meer nog: zoals vele “colons” na de Tweede Wereldoorlog ging Nebolsina haar business diversifiëren. Voortaan stonden de kinaboom en de aardbeien eveneens in haar assortiment. Met 83 jaar richtte ze daarenboven, samen met haar dochter en schoonzoon, haar aandacht op de productie van blikfruit en blikgroenten en bracht ze ook nog pluimvee op de locale markt. Als een groot Belgisch bedrijf in Congo soms een tiental of meer Russen in dienst had of als er enkele “colons” uit Rusland niet ver van elkaar woonden, ontstonden er zoals gezegd hier en daar echte Russische “eilandjes”. De landgenoten ontmoetten elkaar op zondag aan een bridgetafel, op een diner of bij een fles vodka en ze verzonken in urenlange nostalgische gesprekken over de goede oude tijden in Rusland onder de vaderlijke hand van de tsaar. Ze waren bijna allemaal officier in de oorlog van 1914-1918 enof in de burgeroorlog en dachten samen terug aan hun regimenten, slagvelden en gesneuvelde kameraden. De jongeren, die Rusland als kind hadden verlaten, wisselden eerder herinneringen uit aan hun studentenjaren in Leuven of in Luik.

Zowat driekwart van de Russische emigranten in het Belgische deel van Afrika behoorden tot eenzelfde sociale stand, namelijk de adel. Ook politiek zaten ze in de regel op dezelfde rechtsconservatieve, monarchistische golflengte. Velen hadden elkaar al vroeger, in België, leren kennen en hadden een heleboel gemeenschappelijke vrienden. Toch kwamen er in Belgisch Congo nooit eigen Russische verenigingen tot stand. De meeste Russen in Congo woonden verspreid over twee duizend kilometers en beschouwden bovendien hun verblijf in Afrika als iets tijdelijks. Hun maatschappelijke, politieke en culturele organisaties, hun kerken en hun kranten bleven in Europa. Toen ze na twee of drie jaar in Afrika hun verlof van een halfjaar in België of in Frankrijk doorbrachten, sloten ze zich dikwijls meteen opnieuw aan bij de bestaande emigrantenstructuren. Intussen koesterden de Russische kolonialen hun banden met het thuisfront dankzij de briefwisseling met familieleden en vrienden en dankzij de Russische kranten en tijdschriften die ze in Congo toegestuurd kregen.

Het spreekt vanzelf dat we in dit korte overzicht lang niet alle aspecten van het thema “Russen in Congo” hebben kunnen aansnijden. Hun privé-leven, hun culturele interesses, hun houding tegenover de andere blanken en tegenover de zwarten moesten we voorlopig buiten beschouwing laten. We verwijzen de lezer hierbij graag naar onze publicatie over de memoires, dagboeken en brieven van de Russische emigranten in de Belgische kolonie. Uit deze documenten spreekt het bitterzoete geluk van hun auteurs dat ze zich in Afrika – anders dan in Europa – niet langer als haveloze en sociaal gedegradeerde vluchtelingen voelden. Samen met alle blanken genoten ze automatisch de status van “bwana”, een heer, en dit was balsem voor hun gekwetste, vernederde ziel. Door hun macht over de zwarte arbeiders en knechten, door de paternalistische relatie die ze met hen opbouwden, gebeurde het vaak dat ze in hun verbeelding terugkeerden naar… hun vaderland, naar hun Russisch of Oekraïns landgoed met sluwe, maar uiterlijk eerbiedige boeren of naar het schip of de legereenheid waarover ze het bevel hadden gevoerd. Het koloniale Congo werd voor hen in die zin een soort surrogaat-Rusland.

Of er in bepaalde jaren meer of minder Russen naar de tropen vertrokken, hing vaak af van de ups en downs in de economische situatie in België. De galopperende wisselkoers van de Belgische frank, de grote stakingen en personeelsinkrimping op vele bedrijven zorgden ervoor dat het aantal Russische nieuwkomelingen in Congo in 1925 een absoluut hoogtepunt bereikte. Minstens 47 "émigrés russes" gingen toen voor het eerst aan de slag in de Belgische kolonie of in het pas gecreëerde mandaatgebied Rwanda-Urundi (een jaar ervóór waren ze slechts met 15). En dan gaat het hier nog alleen over de mensen die we door ons onderzoek bij naam kennen. De terugkeer van de Franse en Belgische bezettingstroepen in 1925 uit het Duitse Ruhr verslechterde de werkloosheidsstatistieken in de respectievelijke landen. Nog meer Russen in België en Frankrijk zagen zich dan ook genoodzaakt hun geluk elders, namelijk in Midden-Afrika te zoeken.