In 1951 werd ik in de schoot van Afrika geworpen.

In 1960 werd Afrika mij brutaal ontnomen.

Congo 1960: bulletin periodique

Getuigenis van : Solange Lamin

In 2010 droom ik nog steeds van Afrika.

Ooit begon ik aan een dagboek. Mijn leven verliep te hectisch en te snel.

Ik moest belangrijke momenten uit mijn leven noteren zodat ik ze nooit zou vergeten. Als ik me onrustig voel begon ik te schrijven en herinneringen terug te halen en uit die woorden probeerde ik rust te vinden. Vandaag is mijn dagboek mijn uitlaatklep geworden.

Dit verhaal is een heel belangrijk keerpunt in mijn leven geweest.

Manono, onze laatste thuisbasis, te vinden ergens in Belgisch Congo, Zaïre, Afrika, Congo of hoe je het ook noemen wil. Waar het ligt weet ik niet meer. Mijn moeder wees het mij ooit aan op de kaart van Belgisch-Congo, ergens beneden.

Mijn geboorteplaats is Mongbwalu, dit dorp was nog moeilijker te vinden. Ooit ging ik naar het Afrikamuseum in Tervuren om te vragen of iemand wist waar mijn geboortedorp lag maar helaas ook daar was het niet te vinden. Nu met het internet en dankzij Google earth is mijn zoektocht eindelijk ten einde. Ik heb nu alles netjes op een kaart kunnen vinden maar telkens ik terug aan Afrika denk ben ik weer eventjes van slag.

Dit prachtige land, dat mij nooit meer losliet sinds onze vlucht in 1960 zit nog steeds in mijn bloed, mijn ziel en zeker in mijn hart. Ik hunker naar herinneringen, naar mensen die ons gezin gekend hebben. Die mij mooi of misschien ook minder mooie verhalen kunnen vertellen die mijn moeder nooit meer over haar lippen kreeg na onze vlucht.

Bij ons in Congo was het altijd zonnig en warm. Alleen tijdens het regenseizoen was het iets frisser maar toch nog warm genoeg om in je onderbroekje buiten in de pletsende regen te springen en te dansen in de plassen.

Het jaar 1960!

De juiste maand herinner ik mij niet meer maar ik was toen negen jaar.

Het is zondag. Dat weet ik nog heel goed omdat er dan gevoetbald werd. Vader speelde telkens mee. Voetbal was zijn grootste hobby. Hij leerde de congolezen, die ons omringden, voetballen.

Plotseling, iets na de middag kwam onze boy de oprit opgelopen, uit de adem en fel gesticulerend. Wat hij aan moeder probeerde uit te leggen moet erg geweest zijn, want vanaf toen verliep alles in een stroomversnelling. Wij sliepen vanaf die dag gekleed, zelfs met schoenen aan, vrienden en buren zagen we in allerijl vertrekken, moeder kreeg van onze buurman, een dokter, die een plaatsje had kunnen bemachtigen op een vliegtuig, een revolver om haar te verdedigen. Ik dacht toen tegen wilde dieren. Tegen wie zouden wij ons anders moeten verdedigen ? En moeder deed verschrikkelijk zenuwachtig.

Vader verbleef – omwille van gezondheidsredenen – voor een paar maanden in België, mijn oudste broer om er te studeren. Dus bleven wij, mijn moeder, mijn jongste broer en ik achter in Congo. Achterblijven vond ik toen een verkeerde uitdrukking, hoe kun je nu in godsnaam in je eigen land en thuishaven achterblijven.

Ondanks het spelen en ravotten met mijn congolese vriendjes en –vriendinnetjes zette dit een zware domper op ons dagelijks leven. Ik mocht niet meer naar school, ook niet naar het lager gelegen huttendorp waar ik de mooiste uren uit mijn jeugd doorbracht, vreemden werden niet meer aangesproken zelfs niet meer gegroet. Wij moesten constant in de nabijheid van moeder blijven ingeval er een jeep zou stoppen van de Belgisch para’s. Zij stond steeds op de uitkijk naar alles en nog wat. Maar naar wat ???

Ik begreep er toen echt niets meer van. Hetgeen ik voelde was dat er een angstige sfeer in huis heerste die ons zelfs als kind kippenvel deed krijgen.

Het was weer zo een prachtige ochtend, vol zonneschijn en typische tropengeluiden. Wij zaten zoals steeds aan het ontbijt onder de goede zorgen van onze boy, toen plotseling een jeep voor de deur stopte en ons melde dat er 3 plaatsen vrij waren in een flying boxcar, een vrachtvliegtuig dat normaal geen passagiers vervoerde. Er werd onmiddellijk vertrokken. Ik wou bij mijn lekker roerei blijven zitten. Geen tijd meer, iedereen de jeep in. Toen ik al mokkend naar buiten liep duwde mijn moeder mij een klein blauw sabenavaliesje in mijn hand en dat was alles wat wij meenamen en ik dacht: ver is het in ieder geval niet waar we naartoe gaan aan de bagage te zien.

Bij het buitenkomen zag ik onze boy staan, helemaal opgekleed (zoals een Congolees zich toen netjes kon kleden) en met een valies in de hand. Hij kwam naar ons toe en zei vastberaden dat hij ons niet achterliet, dat hij meeging want wie ging er anders voor ons al die tijd zorgen. Hij liet wel een vrouw en 3 kinderen achter om ons te volgen. Moeder probeerde hem duidelijk te maken dat er slechts 3 plaatsen vrij waren op het vliegtuig en dat hij bij zijn gezin moest blijven.

Toen pas realiseerde ik mij dat er iets vreselijks aan de hand was. De manier waarop moeder en onze teergeliefde boy mekaar huilend in de armen vielen was gewoon verschrikkelijk. Ik begreep toen dat hier definitief afscheid genomen werd (hoe klein ik ook was) en liep naar onze boy (Koy noemde ik hem) en sprong in zijn armen, sloeg mijn armen rond zijn hals en kneep zo hard ik kon zodat niemand mij van hem kon losrukken. Na lang sleuren en trekken lukte het mijn moeder mij los te krijgen, toen ik bijna in de jeep zat rukte ik mij terug los om weer naar Koy te lopen, ik klampte mij terug vast aan zijn been en riep constant in het Kiswaeli – wat toen, naast het Frans mijn moedertaal was -, dat hij me goed moest vasthouden en me niet mocht verlaten. Na veel getrek en geween lukte het mijn moeder om mijn broertje en mezelf in de jeep te krijgen.

Wat ze toen deed is me altijd bijgebleven, ze deed de voordeur dicht, draaide ze op slot, keek met veel verdriet naar haar sleutel, kuste hem en gooide deze weg, zover ze maar kon. Ze stapte vooraan in de jeep en zei al huilend tegen de soldaat: “ Wat ik zojuist samen met die sleutel weggooide was mijn hart. Afrika is mijn land en zal dat altijd blijven. Mijn lichaam vertrekt maar ik laat mijn hart hier”. Die dag was ik negen jaar, droeg sandalen met witte sokjes, een mooi luchtig zomerjurkje en droeg mijn lange haren met een wit strikje los op de schouders.

Wij werden in ijltempo naar Kamina gevlogen. Tijdens de vlucht (die verschrikkelijk was), werden we in dat vrachtvliegtuig zodanig door mekaar geschud dat praktisch iedereen ziek werd, kotszakjes waren niet voorhanden, dus dan maar in de middengang. Het stonk er verschrikkelijk. De baby’s lagen in kleine hangmatjes die aan de zijkanten van het vliegtuig vast gehecht werden. Het geluid van brakende mensen en huilende baby’s is me altijd bijgebleven.

Kamina was een dorp omringd en beschermd door de Belgische para’s. Dit dorp was het verzamelpunt voor al de vluchtende Belgen die uit gans Afrika opgepikt werden. Bij het binnenkomen van het dorp kreeg iedere vluchteling een militair deken (ook zoiets om nooit te vergeten, een zwartgrijs deken met een gele en rode streep in, nog altijd doet dit me aan Kamina denken als ik ze zie) en werden we in huizen van particulieren ingedeeld. Daar verbleven we meer dan een maand, slapend op de grond in ons ruw deken zonder de mogelijkheid om zich te wassen, onze kleding te reinigen en wat voor mij erger was, ik kon mijn lange haren niet borstelen. Met honderden stonden we te wachten op een plaatsje in het vliegtuig dat ons eindelijk naar België zou brengen.

Uiteindelijk mochten we mee.

Na de landing op Zaventem ging de deur van het vliegtuig open en een koude wind sloeg over gans mijn lichaam, ik trok mijn ruw deken dicht tegen me aan en voelde bij het dalen van de trap, koude druppels op mijn aangezicht. Ik zag mijn vader en grootouders weer die al meer dan een maand kampeerden op de luchthaven, hopend op onze komst en ik weende bittere tranen, niet alleen om die voorbije weken maar ook omdat ik de warme zon weer wilde voelen op mijn huid, verzorgd en vertroeteld wilde worden door Koy, om mijn mooi lang haar dat ik zou moeten laten knippen omdat het vol knopen zat en onmogelijk te ontwarren was, maar vooral, ja dan vooral, om Afrika, mijn Afrika, mijn wondermooi land.

Ik ben nu 58 jaar en ik moet eerlijk toegeven, mijn hart ligt nog steeds in Afrika. Ik kan nog steeds ons huis zien in Manono en alles tot in de details beschrijven.

Ik ben sinds ik terug ben altijd onrustig en ongeduldig geweest. Het ergste was – ondanks mijn drukke bezigheden – de verveling. België bleef een nors en saai land. Ik ben steeds op zoek geweest naar iets en ik weet nog altijd niet naar wat. Misschien naar mijn roots, ik weet het niet, wat ik weet is dat ik zelden tevreden ben met hetgeen ik ben. Ik leefde heel lang te fel toekomstgericht en vergat daardoor een groot deel aan herinneringen uit mijn puberteit, waar ik nu enorm spijt van heb.

Het avontuur zit me in het bloed, ik probeer telkens weer van alles nieuw, neem allerhande uitdagingen aan.

Rusten kan en wil ik niet.

De reden hiervan is mijn Afrikaans bloed denk ik en mijn onophoudelijk hunkering naar mijn geboorteland.

Ik denk en hoop dat ik bij het opnieuw ervaren van dit fantastisch land, mijn geboorteland, ik pas innerlijke rust ga kennen.

Solange Lamin

 

Info

Ook op het internet gelden de auteursrechten. Werken die auteursrechtelijk beschermd zijn, zoals tekeningen, foto's, muziek, film en software, mag u niet verspreiden via het internet zonder de uitdrukkelijke toestemming van de auteur.
Een auteur van een programma kan de namaker van zijn werk strafrechtelijk laten vervolgen, maar dat kan alleen als het namaken kwaadwillig of bedrieglijk is gebeurd. Niet alleen de namaker is strafbaar, ook wie namaakprogramma's voor handelsdoeleinden verkoopt, in voorraad heeft voor verkoop of invoert in België, overtreedt het auteursrecht.
Delcol Martine