Getuigenis : Albert Geeraert

Wie geen zwarte vrouw heeft gehad, kent Congo niet.

Het Donker Hart Van Afrika Ex-kolonialen over Ex-Belgisch Congo 25 jaar na de dipenda
© Getuigenissen verzameld door de auteur Gust Verwerft
Verschenen in het tijdschrift "DE POST" in 1985, ter gelegenheid van 25 jaar onafhankelijkheid. Niets uit deze webpagina mag op enigerlei wijze worden gekopieerd of vermenigvuldigd zonder uitdrukkelijke schriftelijke toestemming van de webcreator of de auteur. Ik dank Dhr Verwerft voor zijn toelating om te publiceren op de site. Indien uzelf een verhaal heeft geschreven over 1960 als reporter of journalist aarzel niet deze te laten publiceren op de website congo-1960.be Terug naar 25 jaar na de dipenda : Getuigenissen van : Jean, Ann, Madeleine, Ernest, Jos, Jack, Gusta, Piet, Gil en Bernard, Theo, Frans, Albert, Louis, André , René, Jan

 

Sterven met Congo in het hart.

  • Wie geen zwarte vrouw heeft gehad, kent Congo niet.

  • Toegegeven, schaamte en medelijden hebben mij gedreven. Ze leden honger in een kamp.

  • Ik wilde ze bij mij, in België hebben!

Congo Reis Mar Del PlataAlbert Geeraert uit Zelzate zal, zoals hij het zelf omschrijft, “sterven met Congo in het hart”. De meeste kolonialen spreken in die zin. Als 'opzichter Openbare Werken, in dienst van de staat, kwam Geeraert in het paradijselijke Congo van 1947 om er op 16 juli 1960, met doodsangst op het lijf, weg te vluchten.

Zijn werkterrein lag in de nauwelijks ontgonnen streek rond Luluaburg, Tshikapa en Luebo. Nog in het vliegtuig dat hem naar Zaventem terugbracht, welde in hem wroeging op omdat hij drie wezens waarvan hij zielsveel hield had achtergelaten: twee kleine zwarte meisjes van de Baluba en zijn zwarte vriendin-huishoudster. Hij won een administratieve veldslag die ruim één jaar duurde, waarbij hij logistieke steun kreeg van Prinses Lilian.

Vanuit een kamp voor vluchtelingen, werden Astrid Ngalula, Anastasia Ntumba en Therése Misengabo naar België overgevlogen. De familie was weer verenigd. In Wachtebeke geraakte men daarover nooit helemaal uitgeroddeld. In Zelzate , waar de familie zich later vestigde toonde men meer begrip. De kinderen spraken ondertussen de taal van de streek, studeerden schitterend, en vonden werk.

Het eerste wat ik in kongo zag was een zwarte die vuistslagen kreeg. ik wist meteen dat ik was belogen

0

Een ruim deel van de Albert Geeraertstory valt buiten het Congolees decor van deze serie. Het is veeleer de koppige strijd op Oostvlaamse bodem van een eerlijk man tegen een blinde bureaucratie en tegen de vooroordelen van een samenleving die niet wilde geloven dat iemand méér door edele motieven dan door de gedachte aan seksueel genot kon worden gedreven. Twintig jaar heeft het geduurd om de adoptieprocedure rond te krijgen en de meisjes de familienaam Geeraert toe te kennen.

Alberts 'ménagère' heeft het niet mogen meemaken.

Minder dan één jaar na zijn aankomst in Wachtebeke, overleed zij aan de gevolgen van een inwendige bloeding. Ze was toen 27 jaar. De twee meisjes waren vijf en zeven jaar, en bleven alleen achter bij Albert.

Ingewikkeld voor de administratie want officieel was Albert nog altijd een alleenstaande, nadat in 1951 een kortstondig blank huwelijk was mislukt. De twee meisjes waren bovendien NIET de kinderen van de zwarte ménagère die, volgens oeroude Congolese stammengewoonte, als atumukasi, zorgde voor de opvoeding van de dochters van haar broer. Indien ik in België de ambtenarij zou hebben verteld dat het MIJN kinderen waren, en dat Astrid Ngalula hun moeder was, en dat ik de vader was en bijgevolg wilde trouwen, zou het wellicht in veler oren duidelijk hebben geklonken en zou de papierberg nooit zo hoog zijn geworden. Helaas, liegen heb ik nooit gekund”, weet Albert vandaag. Die problemen lijken alvast voorbij. Eén meisje is ondertussen getrouwd en heeft een baan als opvoedkundige. Het tweede meisje is ondertussen eenendertig jaar geworden, en woont nog altijd bij Albert. Ze werkt als verpleegster.

Albert is verteller en briefschrijver. Dagelijks vuurt hij zijn epistels af op allerhande gezagsdragers, actieve of rustende politici. Telkens vele vellen over het even welk thema. Hij wordt 66 jaar en vult sedert zijn terugkeer uit Congo zijn leven met het volschrijven van duizenden bladzijden papier. Hij was 41 jaar toen hij uit de kolonie moest wegvluchten. Sedertdien doet hij de huishouding, met broer en zus, en waakt hij over zijn twee zwarte meisjes. Ook nu staat hij iedere ochtend om halfvier op om Miesken, zo heet ze nu, een smakelijk ontbijt te kunnen voorzetten en te vergezellen naar de autobus die haar naar het ziekenhuis brengt.

Eén ding is duidelijk: Albert ziet Congo en de zwarten anders dan vele kolonialen het zagen, of op deze bladzijden getuigden.

In 1947 werden wetten doorgevoerd waardoor de blanken minder beestigheden konden begaan tegenover de zwarten, althans wettelijk. T

och legden de blanken vaak die wetgeving naast zich neer. Als gisteren herinner ik mij mijn aankomst in Congo. Ik zat in trein Matadi-Leopoldstad. We hielden ergens halt, en op het perron, zie ik een blanke van 'de BCK,van de Spoorwegen. In wit tenue, met insigne op de helm. Op datzelfde perron stond een zwarte. Ineens zag ik hoe die blanke op die zwarte begon los te slaan. Wellicht mocht die zwarte daar niet komen, maar ik wilde uit de trein springen omdat ik zoiets niet kon aanzien. Toen vertrok de trein. Dat was mijn eerste contact met zwart Congo. Ik ben daarvan dagenlang ik ziek geweest, te meer omdat de andere blanken zoiets normaal leken te vinden. Naderhand heb ik, als opzichter van Openbare Werken, ook vaak ondervonden dat de zwarte moet worden gedomineerd, en leiding moet krijgen want anders valt hij stil. Maar die manier van optreden was onmenselijk en moest vroeg of laat tot een uitbarsting leiden. 0

Ik wist meteen ook dat ik de hele tijd was belogen. Mijn passie voor Congo was aangekweekt op school waar dikwijls over de zwarten werd gesproken. Ik moet zeven jaar zijn geweest toen mij een kartonnen prentje werd getoond, met daarop kleine Congoleesjes aan de oever van een machtige stroom, begrensd door het oerwoud. Die indruk liet me nooit meer los. Van dat moment heb ik geweten dat daar mijn bestemming lag. Naderhand bleken vele kolonialen uit hun schooltijd dezelfde indruk te hebben overgehouden. “In december 1947 voer ik vanuit Leopoldstad de Congostroom op, en ik zag weer die prentjes voor mijn ogen. Je voelt binnenin een gloed die je niet kan beschrijven. Je komt langs kleine posten, in dat onmetelijke land, en dan zie je daar de Belgische driekleur wapperen. Ik weet wel, dat klinkt sentimenteel en versleten, maar mij ontroerde het telkens weer. Zo'n klein land dat zo'n machtig grondgebied had kunnen inpalmen. Naderhand is bij mij van die droom niet veel overgebleven. Dertien jaar heb ik daar in het paradijs geleefd. Ook een erotisch paradijs, grootmeesterlijk beschreven door Jef Geeraerts. Het zijn meestal gehuwde kolonialen die, uit afgunst, uitbazuinen dat Jef Geeraerts zijn Gangreens heeft verzonnen. Ik kan getuigen dat het de zuivere waarheid is.

In Afrika bestaan er duizenden heizelstadions. daarover werd en wordt nooit geschreven, niet belangrijk, vergeleken bij de delfstoffen

Ikzelf kwam uit een boerengat in Vlaanderen. Ik was niemand en stelde niets voor. Er is zelfs voorspraak nodig geweest om mij, met mijn beperkte kennis, zonder diploma's, in Congo te krijgen. Maar zodra ik daar was, steeg de “verandering ten goede” zodanig naar mijn hoofd dat mijn verder leven niets anders meer was dan een opeenstapeling van stommiteiten ten overstaan van de zwarten. Ja, ook ik. Ik verwijt anderen dus niets. Ik wéét alleen maar, en ik durf dat te biechten. De zon, de vrijheid, de mij toevertrouwde macht als agent van de Kolonie, de machtige onbeschrijflijke natuur, de prachtige meisjes, dit alles werd mij, de boerenlul die ik was, zomaar in de schoot geworpen. Onderdanige boys: ze kwamen zich aanbieden bij trosjes, want werken in dienst van de 'Bula-Matari', gaf hen een zeker status dat ze, op hun beurt, misbruikten tegenover de andere zwarten.

Na vier jaar Luluaburg, als opzichter van Openbare Werken, trok ik de brousse in om, her en der, dispensaria te bouwen. Daar was ik in mijn sas als nooit tevoren. Ik legde wegen aan door het woud, had honderden zwarten te mijner beschikking die bomen omhakten daar waar ik het hen aanwees. We zochten en vonden disma (vette grond) om stenen van te maken. Telkens zo'n gebouw was afgewerkt, beleefde ik' daaraan veel plezier. De schrijnwerker uit Vlaanderen had hier de illusie de architect van de kathedraal te zijn. Geen bemoeienissen van bazen die zich met ons, broussards, niet bezighielden. Verscheen er toch één, dan haalden we de driekwartliters 'Simba' uit de ijskast. Van luieren was evenwel geen sprake. Wij werkten veel en hard, bezeten van een vaag ideaal.

In 1960 kwam daaraan plots een einde. Onverwacht voor velen, maar niet voor diegenen die oren en ogen hadden open gehouden. Ik heb altijd gezegd dat Lumumba niet helemaal ongelijk had, om op de dag van de Dipenda, de blanken enige waarheden in het gezicht te slingeren met o.a. te zeggen 'Generaties lang hebben de blanke kolonialen ons geslagen, vernederd en uitgebuit en onze rijkdommen weggesleept'. Met dit laatste bedoelde hij duidelijk de multinationals en niet de individuele colon.

Zijn klachten over de slagen en vernederingen waren zeker niet verzonnen. De territorials hadden het recht lijfstraffen toe te passen. De blanke ging hierbij uit van de veronderstelling dat het in dit onmetelijke land geen zin had overal tribunalen te bouwen, en zwarten in cellen te stoppen. Dit zou veel te ingewikkeld en tijdrovend zijn, en bovendien leerde hij uit de zwarte denkwereld dat zo'n lijfstraf een passe-partout was voor alle problemen. Dat gebeurde zonder veel complimenten. De inboorling kreeg dadelijk te horen hoeveel zweepslagen hij zou krijgen. Meestal moest hij dan de broek laten zakken, op de grond gaan liggen, en de tuchtiging ondergaan. Ik weet echt niet of zo'n publieke ceremonie voor de zwarten een of andere preventieve uitwerking had. Zelfs indien het om dértig of veertig zweepslagen ging, waren dat volgens de inlandse normen, zachte straffen. De zwarten onder mekaar gingen vreselijk te keer. Zware verminkingen, ja zelfs de dood waren hun rechtsvormen. Iemand vastbinden en laten uitdrogen in de zon, tot de dood volgt was ook één van hun bestraffingen.

Eén ding is zeker: de zwarten waren destijds beter af onder blank bewind dan nu onder zwart bewind. Wij konden tenminste nog enig begrip, ja zelfs medelijden opbrengen voor dit volk. Zwarten onder mekaar zijn wreedaardig. Het was een van de blanke trucs, om bij onlusten, troepen te sturen met soldaten van een ander ras. In Afrika bestaan er duizend Heizelstadions. Congo is één groot kerkhof geweest. Daarover las je zeIden iets. De delfstoffen waren belangrijk. Ik kan niet begrijpen waarom een vorst als Leopold II nooit één voet in Afrika heeft gezet. De beschaving zou dan misschien iets anders zijn geweest dan een slecht gespeelde komedie. Het heeft geduurd tot de dag dat de brave Congoleesjes ons hadden doorgrond, en ons buiten kegelden. om hun land zélf te besturen en het nog slechter te doen dan wij.

Ik kan me voorstellen dat de kolonialen nogal gelachen hebben toen Wilfried Martens uitriep. 'Ik hou van dit land en van zijn leiders'. Ze hadden hem eens vijf km. verder een dorp moeten laten zien waar de kinderen stierven van de honger... In 1960, vóór de Dipenda, moest een zwarte drie dagen werken om vijftig kg maniokmeel te kunnen kopen. Nu, in 1985, moet hij daarvoor achttien dagen werken.. . Ikzelf, ik ben klein naar Congo gegaan, en ik ben even klein terugkomen. Maar met Congo in het hart zal ik in het graf kruipen.

Toegegeven, schaamte en medelijden hebben mij gedreven. ze leden honger in een kamp. ik wilde ze bij mij, in België.

Ieder koloniaal draagt heimwee in zich als een ziekte. Ze kwamen terug uit een wijds paradijs naar een klein land, zonder horizonten, een land als een krant met niets dan slechte berichten en regen, een land van werkloosheid en scheefgetrokken sociale toestanden. Thans zien ze de delirische feesten in Kinshasa, het geroep rond Bwana Kitoko, de speeches van Mobutu. Een hartelijkheid die vals klinkt, want over diegenen die Congo hebben gemaakt, vóór 1960, wordt niet gesproken. Ik ben zo lang mogelijk in Congo gebleven, om het recht op pensioen niet kwijt te geraken, maar midden juli 1960 werd het een wilde vlucht uit Kivu. Mijn laatste post was Meniditu. Vandaar de blanke colonne gevolgd tot in Kamina waar de vliegtuigen naar Brussel vertrokken. Een overhaaste vlucht met achterlating van Astrid Ngalula en de twee kinderen in Meniditu. Ik zie de taferelen van dat afscheid nog voor mijn .ogen. Hen meenemen, dat kon niet. Of liever, ik durfde het niet. Ik was laf, ik vreesde de kritiek en de schuine blikken. Ik zie die kleine kindjes, in hun kleurige bimbala, onbegrijpend staan. Ze hadden vroeger al iets dergelijks meegemaakt, toen ik met vakantie naar België vertrok. Met hun tatumukasi trokken ze dan weer voor zes maanden naar hun dorp, waar ze zich onwennig voelden omdat ze in mijn huis enig comfort gewend waren.

Ik heb hen achtergelaten, snikkend, lopend voor mijn leven. In het vliegtuig voelde ik wroeging. Ik zocht met hen contact, langs de missies en het Rode Kruis. Het werd een lang zoeken, want in de streek waren na het vertrek der blanken, Baluba en Lulua aan wederzijdse uitmoording begonnen. k heb nooit geweten wat precies is voorgevallen maar, hoe dan ook, ze zaten in een vluchtelingenkamp Mibeka, Bakwanga. Zonder Prinses Lilian zou het me nooit gelukt zijn ze terug te vinden. Vanuit Argenteuil antwoordde ze op mijn wanhopige brieven, en er werden zelfs mensen uitgestuurd om hen te vinden. Over dat vele werk dat Prinses Lilian verrichtte, werd nooit veel geschreven, maar ik ben blij ervan te kunnen getuigen. Mijn zwarte meisjes hebben nooit gedacht aan terugkeren naar Congo. Ze kennen noch de taal noch de mensen. Toch werd vaak uit Congo aangedrongen om hen terug te halen.

In Congo worden meisjes VERKOCHT, zoals bij ons koeien op de markt. De stam eist hen op, maar ondertussen heb ik geregeld geld naar ginds gestuurd. Nu eisen ze wéér dat ik de bruidschat voor mijn dochter betaal. Wettelijk ben ik dat niet verplicht, maar ik wil geen herrie met die zwarten. Je weet nooit of ze niet... Ooit is de vader van de meisjes hier geweest, op mijn kosten. Om de Plechtige Communie van zijn dochters bij te wonen. De meisjes vreesden toen dat ze zouden worden meegenomen door die vreemde man, met wie ze niet eens konden spreken. Ik heb voor de twee meisjes geleefd. Ik ben nooit hertrouwd en heb me uitsluitend bezig gehouden met hun opvoeding. Dat is gelukt, want tijdens het eerste leerjaar haalden ze maar dertig procent van de punten. Logisch, ze verstonden niet eens de taal. Maar de Baluba zijn het verstandigste volk van Congo. Na een paar jaren waren ze de eerste van de klas. Trots dat ik was. Vergeten al dat geplaag en dronkemanspraat in het dorp. Ik weet dat 'mijn' meisjes het waarderen dat ik hen daar niet heb laten creperen in dat kamp. De meeste blanken zouden van de zwarte vrouwen hebben geprofiteerd, maar nooit meer naar hen hebben omgezien. Een blanke kan niet over Congo spreken indien hij geen zwarte vrouw heeft gehad. Die vrouwen zijn natuurlijk, spontaan, oprecht. Wanneer je dat vergelijkt met blanke vrouwen, dan heb je de indruk dat blanken slechte actrices zijn in bed. Ik herhaal nog eens,. Jef Geeraerts wist goed wat hij schreef. Die toestanden zijn niet verzonnen. Wie dat tegenspreekt is ofwel een grote leugenaar ofwel een onbenul.

Goed verstaan: indien ik de échte vader zou zijn geweest van die .twee meisjes, zou ik precies het.zelfde hebben gedaan. Ik schaam me daarover niet. Ik was van plan met hun tatumukasi te trouwen, maar de dood heeft ons verrast. De blanken zeggen altijd dat het in Congo is misgelopen omdat men te laat is begonnen met de voorbereiding op onafhankelijkheid. Het is veel simpeler: ze zijn er nooit aan begonnen. Dat leidde tot dramatische toestanden. De dag dat wij. met een colonne auto's, naar Matadi reden, stonden de zwarten langs de weg te roepen 'Blanke blijf! Blanke blijf!'. Ze beseften zeer goed dat, eens de blanken weg, de grote uitmoordingen zouden gaan beginnen. En dat is ook gebeurd... Ik kots ervan wanneer de zwarten clichématig worden voorgesteld als lui, vuil, zonder gevoelens, dom. Ja, er waren zulke Congolezen. Zoals er ook zulke blanken bestaan. Ze hadden wel degelijk hun gevoelens. Mijn ménagère bijvoorbeeld, was razend jaloers. Ze hield andere zwarte vrouwen weg van mij... Ik kan vergelijken. Tijdens een vakantie in België, ben ik in een opwelling getrouwd met een burgermeisje. Zodra we in Congo waren, bedroog ze mij met een adjudant van de Force Publique. We hebben aan dat huwelijk gauw een einde gemaakt. Ik ben blij dat het zo snel stuksprong, zoniet had ik mijn zwarte meisjes nooit gehad. Albert Geeraert wou zijn Astrid Ngalula langzaam integreren in de Belgische samenleving. Wat hem het meest hinderde, was haar strengheid tegenover de twee zwarte meisjes. Het zit ingebakken in het tribaal levenspatroon om kinderen zonder mededogen op te voeden. Zwakheid of toegeeflijkheid bestaat niet. Albert Geeraert herinnert zich: «De kinderen klappen geven, tot daar aan toe. Maar soms ging dat wat te ver. Een tuchtiging bij het minste vergrijp, dat kon niet. Ik wond me daar telkens over op omdat ik dat nu de hele dag zag, terwijl ik vroeger in Congo veel uit huis was. Ik heb het eens meegemaakt dat Astrid de jongste pilipili in de ogen strooide omdat het kind niet dadelijk een bevel had uitgevoerd. Astrid is vlug gestorven. Te vlug voor ons, maar vandaag besef ik dat ze zich nooit in België had kunnen aanpassen.

Mijn zwarte handlanger kwam me zeggen dat hij directeur-generaal van alle magazijnen was geworden. en mijn chauffeur was meteen minister.

De laatste maanden voor de Dipenda, waren de zwarten onhandelbaar geworden. Ook mijn werkvolk. Ze saboteerden het werk, of voerden eenvoudigweg niets uit. Ik moest, met het oog op de verkiezingen, kieshokjes ineentimmeren in scholen. De zwarten stopten zich weg achter de panelen. Ik heb eigenlijk nooit last gehad met hen, maar het volstond dat er een nieuwe bij kwam om de boel overhoop te zetten. Ze moeten hen van alles hebben wijsgemaakt, want er was geen houden meer aan. Mogelijk dat men zoiets niet gewaar werd in de steden, waar men zich in Europa waande. Maar wij, in de brousse, werden dagelijks geconfronteerd met onwilligheid. Vergeet niet, de lijfstraffen waren afgeschaft. Het was het beste voor mij dat ik naar België terugkwam, want mijn temperament speelde mij wel eens vaker parten. Als timmerman kende ik mijn stiel, en tegenspraak of geluier duldde ik niet. Natuurlijk, die mensen verdienden een aalmoes. Kon je dan verwachten dat ze zich, in de zon, zouden moe werken? Ze zagen trouwens ook het nut niet in van al die blanke projecten.

Neem René, mijn boy. Brave jongen, goede kracht. Maar al begin 1960, in de dagen dat het gewoel begon, zei hij tegen mij: 'Ik blijf hier niet. Ik heb ander werk. Vaarwel'. Ik stond stomverbaasd, want ik zag geen enkele aanleiding. Nóg meer verbaasd was ik een paar maanden later, toen diezelfde boy mijn lupango opstapte, gekleed in maatpak, met een tas onder de arm en met een bril zonder glazen op de neus. Hij kwam me vertellen: 'U is altijd goed geweest voor mij en als U ooit werk zoekt, dan zal IK ervoor zorgen dat U werk vindt. Ik ben nu directeur-generaal benoemd van al deze magazijntjes..: . Nog sterker vond ik het verhaal van Odia David, één van mijn zwarte chauffeurs bij de Openbare Werken. Een brave jongen, goed opgevoed door de missionarissen. Wel, deze Odia David kwam mij melden dat hij Minister van Transport in Kasai was geworden. Ik heb die jongen naderhand niet meer teruggezien, maar ik vernam dat hij in Kasai werd vermoord. Wellicht een stammentwist. Pas op, leg mij niets slechts over de zwarten in de mond. Mijn twee zwarte dochters zijn tien prinsessen waard.

Toen ik in Zaventem landde, stond er een vertegenwoordiger van het Hof om ons te troosten. Alles zou in orde komen. We zouden worden geïntegreerd in de binnenlandse kaders. Toch wel schandelijk dat daarvan nooit iets in huis is gekomen. Nochtans, ik weet dat de meeste zwarten een goede indruk hebben bewaard van de Belgische kolonialen. De kinderen-van-toen, zijn de vaders-van-nu geworden. De verhalen over de blanken moeten zijn doorverteld, zoniet zou Bwana Kitoko onlangs niet zo'n triomfantelijk onthaal hebben gekregen in Kinsjasa. Hoe meer ik daarover nadenk, hoe duidelijker het mij wordt dat de blanken daar een uitstekende indruk hebben nagelaten. De zwarte kent immers geen genade, en ziet alles ongenuanceerd. Ik herhaal, het is bij hen alles of niets. In de cellen laten ze de gevangenen gewoon verhongeren. Met vele andere kolonialen vraag ik mij af waarom Karel-Nguza-I-Bond is durven terugkeren? Hem genade verlenen, ligt helemaal niet in de denktrend der zwarten.

Ik zal nog een voorbeeld geven van hun houding tegenover lijden en dood. Eén van de andere ménagères heb ik eens een kip zien klaar maken. Ze kookte water, stak het dier levend in de pot, en zette het deksel erop. Ik gruwelde van afschuw, en eiste dat het beest vooraf zou worden gedood om zijn lijden korter te maken. Om zulke sentimentaliteiten vanwege de blanke, moest de zwarte altijd lachen. 'Waarom', vroeg ze me, 'wij bereiden ons eten altijd op die manier' . De dood was vanzelfsprekend altijd aanwezig in de dorpen. Bij een sterfgeval gebeurde het vaak dat vrouwen uit een ander dorp werden gehaald om te komen wenen. Betaalde klaagvrouwen. Een begrip dat wij in het Westen niet kennen. De rijkdom of de belangrijkheid van de overledene, werden afgemeten aan de hoeveelheid klaagvrouwen en aan het aantal dagen dat de rouw duurde. Dat kon weken, soms maanden duren. Eigenlijk weten wij vandaag nog altijd niet veel af van de manier waarop de zwarten hun doden begraven. Dat gebeurt in plekken van het oerwoud, onvindbaar voor de blanke. Het ritueel is ons onbekend. Zwarten gedragen zich anders onder mekaar, dan wanneer er blanken in de buurt zijn. Ik weet dat de vrouw van een zwarte geregeld mee werd begraven. Levend. Zij verzette zich daar niet tegen. De onderdanigheid van de meisjes was er van bij de geboorte in geklopt.

Het bijgeloof, de magie. Het bepaalt het leven van de zwarte. Wij blanken, dromen ook, of beleven nachtmerries. Naderhand hechten wij aan die droombeelden nauwelijks nog belang. De zwarte evenwel neemt dergelijke dromen als een realiteit. Met Astrid Ngalula heb ik daarover vaak getwist. Ze was ervan overtuigd dat in de Luebo, de stroom, meerminnen zaten. Maar hebben wij, blanken, recht op spreken? Geloven wij ook niet alles wat ons op de televisie wordt getoond, of op papier wordt afgedrukt? Geloven wij ook niet alles wat de politiekers ons vertellen. Worden wij ook niet, alle dagen, misleid en belogen? Zitten wij ook niet vast in een Grote leugen, zodat we de werkelijkheid niet meer zien? Kleine zwarte, kleine blanke: we zijn allemaal sukkelaars, geleid en geleefd van bovenuit.

© 2002 Gust Verwerft - Congo-1960

SiteLock
share this - partager le site - deel dit document

About Us | Contact | Privacy | Copyright |  
Ook op het internet gelden de auteursrechten. Werken die auteursrechtelijk beschermd zijn, zoals tekeningen, foto's, muziek, film en software, mag u niet verspreiden via het internet zonder de uitdrukkelijke toestemming van de auteur. Delcol Martine