Getuigenis : André Monbaiu

Honderdduizend kolonialen kunnen spreken over Congo, maar hebben achteraf nooit Zaïre gekend.

Het Donker Hart Van Afrika Ex-kolonialen over Ex-Belgisch Congo 25 jaar na de dipenda
© Getuigenissen verzameld door de auteur Gust Verwerft
Verschenen in het tijdschrift "DE POST" in 1985, ter gelegenheid van 25 jaar onafhankelijkheid. Niets uit deze webpagina mag op enigerlei wijze worden gekopieerd of vermenigvuldigd zonder uitdrukkelijke schriftelijke toestemming van de webcreator of de auteur. Ik dank Dhr Verwerft voor zijn toelating om te publiceren op de site. Indien uzelf een verhaal heeft geschreven over 1960 als reporter of journalist aarzel niet deze te laten publiceren op de website congo-1960.be Terug naar 25 jaar na de dipenda : Getuigenissen van : Jean, Ann, Madeleine, Ernest, Jos, Jack, Gusta, Piet, Gil en Bernard, Theo, Frans, Albert, Louis, André , René, Jan

 

André Monbaliu, een boerenzoon uit een groot gezin uit Lissewege.

Op 30 juni a.s. viert Zaïre met veel bombardie en feestvreugde de 25ste verjaardag van zijn onafhankelijkheid. De geboorte van de nieuwe natie was een bloedige, en voor vele blanke kolonialen zwaar traumatiserende gebeurtenis. Vijf en twintig jaar later kunnen of willen de Belgen,nog, altijd geen afstand doen van hun Afrikaans verleden. De "Dipendance" heeft hen voor het leven getekend. Van de 109.000 Belgen die nog in Kongo aanwezig waren, kort voor de onafhankelijkheid over het land raasde, zijn er weinigen achtergebleven in de voormalige kolonie. Een telling uitgevoerd begin1985, wil dat thans, nog zo 14.300 Belgen in de .republiek Zaïre vertoeven. Slechts een klein aantal onder hen beleefde ter plaatse de dramatische weken en maanden voor en na de "Dipendance". De meeste keerden voorgoed terug naar België, hadden de grootste moeite om hier hun draai te vinden. Hoe kijken op hun koloniale verleden terug? Mensen-uit-het-Kongo van toen krijgen het woord. Zij hebben hun levenswijsheid en hun visie op de gebeurtenissen niet gehaald Dit studieboeken, gepopulariseerde of ideolo¬gische lectuur. Zij spreken met hun hart over het verlies van iets waarvan ze vast geloofden dat het niet verloren kon gaan. Kongo, hun Kongo.

Honderdduizend kolonialen kunnen spreken over Congo, maar hebben achteraf nooit Zaïre gekend. Diegenen die, na 1960, uit België naar het rijk van Mobutu kwamen, hadden dan weer weinig uitstaans met het vroegere Congo of het kolonialisme. Ze waren meestal aangelokt door een of andere roep om ontwikkelingshulp. Het bindteken tussen de Congo - Belgen en de Zaïre-Belgen was de bereidheid hard te werken, zich gedurende jaren veel te ontzeggen in de hoop, nadien, in België een snelle sociale promotie te maken. Beide groepen getuigen meestal dat ze zich teleurgesteld en bedrogen voelden en dat aan de zwarte samenleving in wezen niets is veranderd. De omschrijvingen waarmee men zowel in de periode 1950-60 als in de periode 1970-80 de inlanders karakteriseerde, klinken opvallend gelijk. Hooguit zijn de «hutten» vervangen door «appartementen». Voor het overige brandt de zon even fel en heerst nog steeds een sfeer waarin zogoed als geen beschotten bestaan tussen zorgeloosheid en angst, correctheid en corruptie.

Ge zou met mij moeten verkeren , want ik heb een vrouw nodig om naar congo te vertrekken

André Monbaliu, een boerenzoon uit een groot gezin uit Lissewege, begreep dat er thuis teveel zonen waren en dat hij de boerderij niet zou kunnen overnemen. Heroïsche verhalen op school over Congo en een aantrekkelijke brief, gestuurd naar alle oud-leerlingen van de Roeselaarse landbouwschool, openden voor hem wijdse perspectieven: onbeperkt werken, onbeperkte vrijheid, onbeperkt geld verdienen en uitzicht op een zwaar pensioen. Eigenlijk bleef er maar één hindernis: de Belgische staat stuurde liefst GETROUWDE mannen naar Congo, om te verhinderen dat de blanke man te vaak op zwart wild zou jagen, en aan die jacht zou ten onder gaan. André Monbaliu was niet getrouwd, zelfs niet verloofd. De rest van het verhaal vertelt Ireen Van Dierendonek: «Nee, wij verkeerden niet. Ik was nog geen twintig en een vrijage zei me niet veel. Op een dag kwam André bij mij. 'Ik ben van plan naar Congo te gaan. Ik zou moeten getrouwd zijn. Wat peinsde gij daar van?' vroeg hij. Ik antwoordde: 'Doe het! Na drie jaar eerste term ben je nog niet dood'. Hij naar Brussel om formulieren in te vullen. Niet vergeten, we zagen mekaar alleen 's zaterdagsavonds. Dat is niet zoals nu. Hij kwam terug en zei: 'Ik ga naar Congo. Als je niet meegaat, dan ga ik alleen . Het kwam erop neer dat hij mij ten huwelijk vroeg. Ja, zo gaat dat in het leven. Het was toen november 1950. Vier maanden later zaten we al in de brousse rond Mueka. Bij ons maken ze niet veel complimenten rond die dingen. We gingen niet naar daar om, zoals dat nu heet, de Derde Wereld te helpen. Ik geloof dat geen enkele koloniaal van dergelijke gedachten was bezeten. De kost verdienen: dat was onze motivatie. Het is waar, wij hebben aan negen jaar Congo een centje overgehouden. Mijn man werkte, en ik met hem, in de diepste brousse als agronoom. Hij moest ervoor zorgen dat de zwarten aan landbouw deden, zaaiden en oogsten, om op die manier hele streken in het eigen onderhoud te laten voorzien, in plaats van te rekenen op voedselhulp der blanken.

Het feit dat we nu een spaarpot hebben, heeft niets te maken met fabelachtige salarissen in staatsdienst, maar eenvoudig omdat we niet de kans kregen ons geld op te maken. Vele kolonialen denken met nostalgie terug aan hun verblijf in de brousse. Maar weinigen hebben zo intens het leven der zwarten gedeeld als wij. Soms heb ik de indruk dat wij de enige échte broussards waren. Uren in het rond zagen we geen blanke. Hoe hadden wij ons geld moeten verteren? Er was simpelweg niets te koop. We waren al ruim twaalf maanden in Congo toen wij voor de eerste keer naar een bioscoop gingen. Het heeft drie jaar en drie maanden geduurd voor we onze eerste boterkoek aten. Wij leefden in huisjes opgetrokken in takkenbossen met spleten in de muren.

Elektriciteit en stromend water hebben we vanzelfsprekend nooit gehad. We bakten ons eigen brood, en moesten dagelijks tegen de dieren vechten om ons schaarse voedsel te beschermen. Ik moet zowat één der jongste vrouwelijke kolonialen zijn geweest. Nog geen twintig, en al in de broesse. Vijf kinderen zijn geboren in Congo. Daarbij een tweeling. Naar verluidt de eerste blanke tweeling die ooit in Luebo werd geboren. Een fait-divers dat destijds bij alle kolonialen in Kasai bekend was. Ons verblijf in de kolonie begon met een serie tegenslagen, en is geëindigd met een reeks emotionele schokken. We vertrokken eind maart 1951, samen met tientallen andere kolonialen, met het schip 'Léopoldville'. Dat was voor ons ook een huwelijksreis, maar het schip was nauwelijks los van de kade van Antwerpen of het ging al mis. Er bleken te veel kolonialen aan boord te zijn, zodat twaalf personen in twee hutten moesten slapen. Dus zes vrouwen in één hut, zes mannen in de andere hut. Tijdens onze wittebroodsweken hebben we dus apart moeten slapen. In de Middellandse Zee kreeg het schip motorpech, zodat de reisroute moest worden gewijzigd. In plaats van aan te leggen in Matadi, werd het Lobito in Angola. Daar twee dagen wachten op een trein omdat de felle slagregen de sporen had weggesleurd. In Dilolo misten we de aansluiting naar Kasai. Nieuwe bestemming: Elisabethstad. In de trein werd mijn man ziek. Dysenterie. Hij moest een week in het ziekenhuis blijven. Ik, jonge bruid op huwelijksreis, zat ondertussen triest en alleen in een stad, in een wereld, die mij volslagen vreemd was. Toen we, met bijna veertien dagen vertraging, uiteindelijk bij de administrateur van Port Francqui arriveerden, had niemand ons nog verwacht. Als ouverture kon dat tellen. En toch was het nog maar een voorproefje, de hele tijd bleef die tegenslag duren. Zaten er geen slangen in ons huis, dan hadden dieren uit het oerwoud ons voedsel opgegeten. Hadden we in de brousse uiteindelijk een ietwat aanvaardbare woning kunnen bouwen, dan kwam het bericht dat we moesten verhuizen. En dat alles verliep in een mensvijandige omgeving. De mens is een bedreiging voor de natuur, dus verweert de natuur zich.»

De zwarten noemden ons fatalisten omdat we te veel aan de toekomst dachten. zij verkozen te leven van dag tot dag

«Och, tegenslagen? Eigenlijk alleen op materieel gebied. Van de Congolezen hadden we niet te klagen. Het zijn brave mensen, maar het blijven Congolezen. De grote fout van de beschaving is geweest dat men van de zwarten blanken heeft willen maken. Dergelijke pogingen zijn bij voorbaat tot mislukken gedoemd. Misschien dat ze zoiets niet begrepen achter hun schrijftafels op ministeries en zo, maar de blanke werker ter plaatse had dat vrij snel begrepen. Volgens mij hadden ze de macht aan de stamhoofden moeten laten. Intact. De zonen van de stamhoofden had men moeten laten studeren om hen, na een of twee generaties, de macht te geven. We waren nog maar een paar weken in de brousse of we beseften al dat we, hoewel het maar 1951 was, eigenlijk te laat waren gekomen. De kolonialen die de vooroorlogse periode hadden beleefd, voelden dat des te duidelijker aan. Er was iets op til, maar men kon het niet onder woorden brengen. Een missionaris vertelde ons: 'Ik heb hier vijftig jaar van mijn leven doorgebracht. Ik vraag me nog altijd af waarom. Die woorden zijn ons altijd bijgebleven. Vanaf de eerste Congolese weken waren we, in gedachten, erop voorbereid dat de hele uittocht een dramatische afloop zou kennen. Onlangs hadden we hier, in Duinbergen, een koloniaal op bezoek. “Er is daar helemaal niets veranderd in tachtig jaar, «Men had de macht aan de stamhoofden moeten laten.” herhaalde hij de hele avond. Mijn man was agronoom, met veel ervaring uit de dagelijkse boerenstiel. Ik als dochter van een Heistse visser kende de zee en de vissers. Wij weten dus goed waarover wij spreken. Niet te geloven hoeveel blunders men heeft begaan doordat men de levensgewoonten van de zwarten kost wat kost wilde veranderen. Neem nu Port Francqui en Mueba. Het volk van Bakuba is een vissersvolk, van traditie. Tijdens het droge seizoen waren dat telkens hele volksverhuizingen. Hele dorpen vertrokken om op de Kasaï te gaan vissen. Van bovenuit beslisten de blanken dat het veel beter zou zijn om van deze mensen landbouwers te maken en om hen te verplichten akkers aan te leggen, te zaaien, te maaien en te oogsten! Vanzelfsprekend gebeurde dat met veel tegenzin. De bedoeling was goed, maar kon alleen maar van technocraten afkomstig zijn... Het was precies de taak van mijn man om lotissementen, verkavelingen dus, aan te leggen nadat vooraf een prospectie gebeurde van de streek. Hij moest bepalen welke gronden voor welk gewas geschikt waren, of er bossen waren, of er voldoende bevloeiing zou zijn, enz... Dat alles in het kader van een twintigjarenplan waardoor de hele Congolese bevolking rijkelijk haar eigen voedsel kon kweken en misschien ook uitvoeren. Congo, de graanschuur van Afrika?

congo 1960Hard werk, zonder enig comfort. Als staatsagent vertegenwoordigde André de Bula-Matari, en dat dwong respect af bij de stamhoofden, en in de dorpen. Meestal kreeg hij het opgevorderde zwarte werkvolk mee. Mijn man, een stevige West-Vlaming, was binnen de kortste keren, overal gekend bij de zwarten. Ze noemden hem kashami, de 'luipaard'. Merkwaardig, wij hebben de hele provincie doorgereisd, en overal waar wij kwamen noemde men hem 'kashami'. Het leek wel alsof ze dat met hun tamtams doorseinden. Ik heb me door hen laten uitleggen wat ze met kashami bedoelden. Ze vertelden me de parabel van de kippen die, wat ze ook proberen, altijd door de sluipende luipaard worden gevonden en opgegeten. Gaf de zwarte hiermee uiting aan een bewondering of een afkeer? Ik heb het nooit goed geweten, maar ik kan getuigen dat mijn man de Congolezen erg goed kende, en gezag kon uitoefenen. Ze vreesden hem. Hij sprak goed Sjiluba en Sjikuba

Onze eerste boy poogde Frans te spreken. Dat wilde ik niet. Ik wilde HUN taal begrijpen om niet te moeten meemaken dat er dingen om mij heen gebeurden die ik niet zou verstaan.

congo 1960Nog een blunder die de blanken begingen: ze begrepen onvoldoende de taal van de zwarten. Diegenen die beslissingen moesten nemen, hadden te weinig omgang met de inboorlingen en voor de rechtbanken ontstonden allerhande wantoestanden inzake taalgebruik. Het was een stuitende onrechtvaardigheid dat de mensen die, namens de rechtspraak, moesten oordelen en veroordelen, de taal van de zwarte niet begrepen.

Jawel, er bestonden zwarte tolken, maar die vertaalden in het voor- of het nadeel al naar gelang de matabich die ze hadden ontvangen, of.naargelang hun sympathie voor deze of gene stam. Het schandaal van de tolken, dat was een kanker in de Congolese rechtspraak.

Wij, als Vlamingen, hadden ons kordater tegen deze wantoestand moeten afzetten. Als Vlaming hadden wij toch ook ooit dergelijke toestand in eigen land meegemaakt, met tribunalen waar de voertaal Frans was, en waar de Vlaming doodgeplet werd. Ook het systeem van de lijfstraffen werkte, op lange termijn, nadelig voor de blanken. De zwarte werd vernederd, en zon op wraak. Tweemaal hebben we zo'n bestraffing meegemaakt: een variante op de zweepslagen. Fumboo, noemden ze dat, olifantenleder op bloot vlees. Wat dacht men daarmee te bereiken? De zwarten wilden niet rijk worden met werken. Ze hadden geen besef van het woord 'rijkdom'. Met die mogelijkheden die hun land bood zouden ze schatrijk kunnen worden indien ze méér dan drie uur per dag wilden werken. Voor velen was dat al een maximum. De zwarten noemden de blanken fatalisten, omdat wij alleen bezig zijn met te denken aan dingen die ZOUDEN-KUNNEN-MISLOPEN. Een spaarpotje, de grond bemesten voor later, planten om over enkele jaren te kunnen oogsten. De Congolees had daarover zijn eigen logica: «Waarom zou ik zoiets doen? Ik kan morgen dood zijn, en dan zou ik voor iemand anders hebben gewerkt? Mijn man moest soms boetes geven omdat ze achterop waren geraakt met het binnenhalen van de oogst, of zaaizaad voor volgend seizoen hadden bewaard, of alle voorraden hadden opgegeten. Denken aan morgen doet een zwarte NOOIT. Hij leeft het leven vandaag, precies omdat in Afrika de dood altijd alomtegenwoordig is. Diegenen die momenteel voor ontwikkelingshulp vertrekken naar zwarte landen, zullen daarmee botsen, en totaal ontgoocheld weerkeren.»

We waren met zijn allen weer samen de rest kon ons niet schelen. de zwarten mochten alles behouden

We werden verrast door de Dipenda. We woonden in de brousse. Niemand die ons kwam waarschuwen. We zaten in Lusambo, maar ondertussen was heel Luluaburg al geëvacueerd. Als de schepen vergaan, verlaten de ratten het schip. Diegenen die verondersteld werden over ons te waken, behoorden tot de eerste vluchters. Verwarring heerste alom. De blanken hadden al vroeger, in colonne, over de Angolese grens willen rijden, maar muitende soldaten aan het Mukambameer maakten dat onmogelijk. Dagenlang zaten we in ons huisje. Ik was bereid hier op het allerergste te wachten. Met mijn vijf kleine kinderen zouden de zwarten me wel met rust laten. Dat geloofde ik toen. Maar ineens was er geen houden meer aan. Het gonsde van alarmerende berichten over muitende en moordende soldaten van de Force Publique. Wij zijn toen overhaast gevlucht met achterlating van alles. Ik had alleen enige broden bij me. Eerst heb ik al mijn kippen de nek omgewrongen. Geen Congolees zal mijn kippen opeten. Dat was MIJN wraak. In een volgeladen vliegtuig, met niets dan vrouwen en kinderen, stegen we op, richting Usumbura. Mijn man was achtergebleven, zoals alle mannen trouwens. Met honderden werden we ondergebracht in een school, de Stella Matutina. De radio meldde niets anders dan afgrijselijke berichten over dood en vernieling. Ik was wanhopig. Zou ik mijn man nog ooit terugzien? Zou ik, 29 jaar oud, achterblijven als weduwe met vijf kinderen? Ineens riepen mijn kinderen die uit het raam naar de binnenkoer van de school zaten te kijken: 'Mama, daar is papa!' Inderdaad, wenend stond André voor mij. Hij had de raad gevolgd van een makker die hem had gezegd: 'Monbaliu, maak dat je wegkomt, want als je hier dood achterblijft, zit je vrouw daar met vijf kleine kinderen. Eerlijk gezegd, ik was niet ontevreden met de afloop. Mijn kinderen waren stilaan te groot geworden. om in Congo te blijven. Veel lieten we daar niet achter want, amper één maand na de Dipenda was, om een of andere reden, het hele huis, met inboedel, afgebrand. 37.000 Fr. heb ik daar ooit voor gekregen, in plaats van de 100.000 Fr. die we hadden gevraagd. We wachten nog steeds op het saldo. In het vliegtuig naar Zaventem zat ik al te denken aan wat we in België zouden beginnen om aan de kost te komen. Ik voelde me feitelijk opgelucht, in tegenstelling tot mijn man die jaren heeft zitten dubben. Tenslotte is hij, als tuinier, weer aan de slag gegaan. Pas na jaren begreep hij dat de Belgische staat hem niet meer nodig had, ondanks de vele gedane beloften. Hij is er vandaag nog altijd van overtuigd dat, als minister Buisseret in 1954 geen sociale slogans was komen roepen in Congo alle kolonialen hun loopbaan hadden kunnen beëindigen, in plaats van te worden weggejaagd. Er bestaan weinig Congo-Belgen die dat zullen tegenspreken...

congo 1960

 

© 2002 Gust Verwerft - Congo-1960

Info

Ook op het internet gelden de auteursrechten. Werken die auteursrechtelijk beschermd zijn, zoals tekeningen, foto's, muziek, film en software, mag u niet verspreiden via het internet zonder de uitdrukkelijke toestemming van de auteur.
Een auteur van een programma kan de namaker van zijn werk strafrechtelijk laten vervolgen, maar dat kan alleen als het namaken kwaadwillig of bedrieglijk is gebeurd. Niet alleen de namaker is strafbaar, ook wie namaakprogramma's voor handelsdoeleinden verkoopt, in voorraad heeft voor verkoop of invoert in België, overtreedt het auteursrecht.
Delcol Martine