Congo 1960

Zijn verleden, zijn evolutie een wereld vol herinneringen, geschiedenis en nostalgie

Congo 1960: bulletin periodique
Het Donker Hart Van Afrika Ex-kolonialen over Ex-Belgisch Congo 25 jaar na de dipenda
© Getuigenissen verzameld door de auteur Gust Verwerft
Verschenen in het tijdschrift "DE POST" in 1985, ter gelegenheid van 25 jaar onafhankelijkheid. Niets uit deze webpagina mag op enigerlei wijze worden gekopieerd of vermenigvuldigd zonder uitdrukkelijke schriftelijke toestemming van de webcreator of de auteur. Ik dank Dhr Verwerft voor zijn toelating om te publiceren op de site. Indien uzelf een verhaal heeft geschreven over 1960 als reporter of journalist aarzel niet deze te laten publiceren op de website congo-1960.be Terug naar 25 jaar na de dipenda : Getuigenissen van : Jean, Ann, Madeleine, Ernest, Jos, Jack, Gusta, Piet, Gil en Bernard, Theo, Frans, Albert, Louis, André , René, Jan

Gil Claes vertelt hoe ze op het nippertje ontsnapte aan de rebellen.

  • Mevrouw, ik smeek u, vertrek voor zondag, want dan zal iets vreselijks gebeuren.
  • Ze roofden de koffers leeg terwijl we bezig waren in te pakken
  • .Ik verkoos zwarten die protestant waren. dat gaf meer zekerheid
  • .De wetten beschermden de zwarten erg goed. Indien wij hem “Makak” noemden moesten we 500 Fr boete betalen”
  • Bij de verkiezingen was op iedere stembus een foto geplakt. Wie niet voor Lumumba koos, werd ter plaatse doodgeslagen.
  • Een zwarte boy in huis, maakte het verschil tussen hel en paradijs De zwarten vonden het maar normaal dat wij voor hen zorgden.
  • Wie niet voor Lumumba stemde, werd doodgeslagenBwana, mijn vrouw bedriegt me
  • De taal van het geweld is iets wat de zwarte nooit verkeerd begrijpt

Wij ontvingen thuis allerhande artiesten en auteurs op bezoek gehad; Wies Andersen, Tone Brulin, Marnix Gijsen, Dora Vandergroen. ..

De dochter van Gil en Bernard Claes ; Patsy Claes is eveneens auteur van verschillende boeken waaronder ook een tekst over Bukavu waarvoor ze een prijs in ontangst mocht nemen

Bernard ClaesVan 1946 begon de Belgische vrouw haar ontdekkingstocht onder de Evenaar. Het Belgenbestand in Congo liep van zo’n 30.000 in 1940 tot 66.000 in 1951 om in 1959 de piek van 109.000 te bereiken. Feitelijk verhoogde het aantal blanke mannen niet. Het ware hun vrouwen en kinderen die de statistische gegevens de hoogte injoegen. Eén van die vrouwen was Gil Claes-Smeets uit St. Truiden. Vandaag 63 jaar, binnenhuisarchitecte en galeriehoudster.

Congo Reis Mar Del PlataMet haar man woonde ze van 1948 tot 1960 in Bukavu, in de provincie Kivu. Dicht bij de strategische brug die doorgang gaf naar Rwanda. Bukavu: sommigen kennen deze rustige stad nog uit de lessen vaderlandse geschiedenis als Costermanstad. Rustige stad? Jawel, want de dag van de Dipenda verliep geruisloos, alsof niets hoefde te veranderen. De rust die op 30 juni 1960 heerste in Bukavu, stak vol misleiding. Zeker voor het echtpaar Bernard Claes - Gil Smeets. Beiden waren zich nauwelijks bewust van de orkaan, vol bloed en geweld, die op datzelfde ogenblik over Congo raasde.

Waarom hadden ze ook moeten denken aan zo’n brutale breuk met het verleden? Bernard Claes was al sinds twaalf jaar een nauwgezet ambtenaar van het Gouvernement-Générale en had de hele tijd streng, rechtvaardig en probleemloos samengewerkt met de zwarten. Veel van zijn vrije tijd had hij besteed aan het geven van avondlessen aan inlanders die hogerop wilden.

Ook Gil Smeets zou geen enkele reden weten waarom een of andere zwarte wraak haar zou treffen. Als huismoeder had ze de zorg gehad om twee dochtertjes. Daarnaast was ze een bezige bij geweest in het sociale leven als organisatrice bij de Vlaamse Vriendenkring. Ook zij had onderricht gegeven aan de zwarten. Ze leek helemaal te zijn aanvaard door de autochtone bevolking. Gil Smeets was, en is, erg fijngevoelig. Haar literaire aanleg inspireerde haar tot enige dichtbundels, en publicaties over het samenleven van blank en zwart. De treurnis om wat daar binnen de kortste keren verloren ging, is steeds niet afgesleten. Bernard Claes bleef enige weken langer dan zijn vrouw in Bukavu, en kwam terecht in de sfeer van terreur en geweld die de stad vergiftigde na militaire oproepen van de Lumumbisten. Het vertrek was voor hem een bevrijdende vlucht.

Gil Smeets daarentegen was al in België toen de gesel van het geweld ook op de provincie Kivu neerkwam. Ze liet een paradijselijk Congo achter, waarvan ze in gedachten nog steeds geen afscheid heeft kunnen nemen.

Ze zegt: «Ik besef dat wij ontzettend veel geluk hebben gehad. Het bloedbad is aan ons voorbij gegaan. Hoewel, naderhand bekeken waren de voortekens onmiskenbaar. Rumoer bij de stammen, opstandigheid in de scholen en bij het huispersoneel, bange verhalen in de kranten. La Libre Belgique was de enige krant die wij, met nauwelijks één of twee dagen vertraging, in Bukavu , konden lezen. Daarin werd gemeld dat er vreselijke slachtpartijen aan de gang zouden zijn tussen de Hutsi’s en de Toetsi’s, waarbij de ene stam de benen afhakte van de andere. Toen maakten wij ons de bedenking dat alleen maar de rivier Ruzizi en een brug ons scheidden van Rwanda, en dat die rellen wel erg dicht bij ons gebeurden. Toch drong de draagwijdte van het drama niet helemaal tot ons door. Tot die keer dat ik vàkantielessen ging geven aan de zwarten. Jongens die eigenlijk niet hadden gestudeerd maar, in het. vooruitzicht van de Dipenda, een versnelde opleiding moesten krijgen om te promoveren van monitor tot leraar. Een dolle toestand, maar met dergelijke zaken hadden wij Ieren leven. Ik herinner mij die dag, alsof het gisteren was. Ik zou die lessen, die uitzonderlijk goed werden betaald, geven in «de Beige, een nabijgelegen heuvelrug waar de zwarten hun huisjes bouwden.

Een klas met een dertigtal leerlingen, volwassen eigenlijk die al dadelijk over de komende ‘Dipenda’ begonnen te redetwisten. Na enige minuten werd ik ongerust. Dodelijk ongerust. Ik merkte op dat ik tussen drie blinde muren zat, met alleen een paar kleine raampjes hoog in de omheining. De enige uitgang bevond zich helemaal achterin het klaslokaal, waarin niets dan zwarten zaten. Ik, als enige vrouw. Van les geven was geen sprake. Ze begonnen me uit te dagen. Langzaam schoven alle zwarten vooruit. Ik bemerkte dat ze me helemaal omringden. Aan hun gezichten zag ik dat ze van plan waren me vast te grijpen. Ik moet toen alle moed hebben bijeen geraapt en zo luid ik enigszins kon riep ik toen dat ik met dergelijk gedrag hoegenaamd niet gediend was, en dat in deze omstandigheden de les uit was. Vastberaden stapte ik naar de uitgang. Ik weet dat zwarten de grootste bewondering opbrengen voor iemand die geen angst toont. Ik bereikte de trap, holde naar beneden, en naar mijn auto. Ik hoor ze nog achter mij komen aanlopen. Maar ik was gered...» Bernard Claes kreeg een doodsbange echtgenote thuis. Hij wist ook dat de toestand alleen kon worden gered met moed en onverschrokkenheid. Mét zijn vrouw, reed hij opnieuw naar ‘de Belge’, waar de aspirant-leraars nog altijd zaten. Hij stapte naar voren en vroeg: ..”0ù sont les courageux? Waar zijn de moedigen die mijn vrouw willen lastig vallen?”. De zwarten waren stomverbaasd. Ze kenden mij sedert lang. Ik speelde al twaalf jaar voetbal in het plaatselijke elftal, en ik telde onder hen honderden supporters die mij ‘Simba’ noemden, omwille van de vele voetbalduels die ik won, en de vele goals die ik maakte. Ik heb hen kort en goed gezegd dat hun gedrag schandalig was, en dat mijn vrouw voortaan geen les meer zou geven. Toen we thuis kwamen, borrelde in ons voor de eerste maal ernstige twijfel op. Twijfel die we naderhand zélf onderdrukten. We wisten toen nog niet helemaal dat we onze beste tijd onder de Evenaar gehad hadden en dat Dipenda voor de zwarten op de eerste plaats betekende:

    1. een blanke vrouw bezitten,

    2. een auto kopen

    3. geen belastingen betalen.

Zodra de zwarte had begrepen dat géén van die drie dingen iets te maken had met de Dipenda, was het al te laat. Voor hem en voor ons.

Lumumba en zijn aanhang Patrice Lumumba in volle verkiezingscampagne. “Ik grijp de macht” wist hij zelfverzekerd. "Zelfs de zwarten kregen schrik van zijn militante taal”, zegt C1aes

Gil Smeets: « Onze boy Johan deed al vele weken geheimzinnig. Hij schreef briefjes, en stelde allerhande rapporten op. We mochten zijn geschrijf niet meer lezen. Twaalf jaar was hij bij ons, maar de band van kinderlijke genegenheid leek plots afgebroken. Later is duidelijk geworden dat hij ons bespiedde in opdracht van de Lumumbisten, en dat hij hun opdrachten slaafs uitvoerde. Zeker wat betreft het uitproberen hoe ver zijn ongehoorzaamheid mocht gaan. Ik betwijfel of hij ooit goed heeft beseft waarmee hij bezig was, en of hij de Dipenda zag als een breekpunt tussen blank en zwart. Jaren later ontvingen we van hem een brief, waarin hij meldde werk te hebben, en het goed te stellen. Daarna een stilte die nooit meer werd verbroken. Een paar dagen voor onze dochtertjes Patsy en Puk naar België met vakantie zouden vertrekken, ging ik met hen wandelen. Geen afscheid, nee. We dachten dat ze over een paar maanden terug zouden komen. Vooral Patsy was helemaal vergroeid met dit land. Het feit dat ze niet meer kon terugkeren, werkte nog jarenlang traumatiserend. We liepen over een donkere binnenweg. Een groepje Congolezen stond te praten bij een wegkromming. Eén van hen, de bestgeklede, las luidop voor van een blad. Onderaan de tekst zag ik dezelfde tekening als op de pagina’s die onze boy Johan de jongste maanden dagelijks volkrabbelde. Ik begon plots te rillen van de angst, en repte me naar huis. Ik voelde me anderzijds opgelucht omdat we hadden besloten de meisjes naar België te laten vertrekken. Een paar dagen later kwam, als een donderslag, het nieuws van de rellen in Thijsstad, Leopoldstad, Elisabethstad en Luluaburg. De boys spraken niet over deze feiten maar uit hun houding viel duidelijk op te maken dat ze wisten wat er was gebeurd, en wat er te gebeuren stond. Urenlang zaten we bij de radio te luisteren, in de hoop iets op te vangen over het lot van de vele vrienden en familieleden die over heel Congo verspreid zaten. Wij waren nu eenmaal, sedert generaties, een familie van kolonialen. We voelden dat er ook in Bukavu iets broedde. Alles scheen te wachten. Maar wie wachtte op wat? Het werd een naamloze angst die iedereen aangreep. Zélf bleef ik, tot mijn eigen verbazing, erg kalm. Misschien bij de gedachte dat de kinderen veilig waren, en dat mijn man een ijzersterke persoonlijkheid was, die alle problemen de baas zou kunnen. Maar WIJ WISTEN NOG NIET...

Ik heb nog gezegd: toon de zwarte nooit dat je angst voelt. Het tegenovergestelde gebeurde. Een halve blanke stad begon te hameren, te kloppen en koffers te pakken. Iedereen wilde weg. Hoe sneller hoe liever. Mijn man, kreeg als staatsambtenaar de geschreven opdracht te blijven. Dat deden we. Onze boy Johan werd met de dag onrustiger. Een blanke Exodus had hij niet verwacht. Hij vroeg wel vijftigmaal per dag: “Jullie gaan toch niet weg? De kinderen zullen toch terugkomen, niet?” Ik knikte dan «ja», want ik was jong en koppig, en vastbesloten te blijven. Wat er ook zou voorvallen. Maar Johan schudde raadselachtig het hoofd. Een zwarte heeft voorgevoelen en intuïties die de blanke niet kent. Op een dag, rond einde juli, kwam Johan bij mij. De Dipenda werd al sedert één maand alom in Congo gevierd, maar het bloed stroomde bij beken. Wij wisten het niet. Of wilden we het niet weten? Ik herhaal, in Bukavu bleef alles betrekkelijk rustig. Zeker in de ogen van diegenen die niet wilden zien. Johan zag grijs van angst en hij stotterde: “Madame, iI faut partir. Méér kan ik niet zeggen, maar vertrek vóór zondag. Ga, voor het te laat is.” Onze boy scheen vreselijk in de war, maar wilde geen verdere uitleg geven. Ik voelde dat het ernstig was. Bovendien, was ik blind geweest? Had ik dan niet WILLEN zien dat nagenoeg de hele blanke wijk was leeggelopen, en dat iedereen overhaast was vertrokken? Had ik niet willen zien dat de zwarten in de huizen van de blanken waren gaan wonen en dat ze de huisraad hadden buiten gedragen? Samen met Johan, en met mijn man, hebben we de hele dag en de hele nacht gepakt. Niet vergeten dat wij hier al twaalf jaar woonden, en in België nauwelijks iets bezaten omdat wij nooit zinnens waren geweest uit Congo te vertrekken. Johan, die ik zo vaak had moeten berispen om zijn traagheid, had nu zes benen en acht armen, en was overal tegelijk. Maar het was niets gekort. Van overal kwamen de zwarten op de buit af. Ze werden telkens driester en driester. Nu begonnen ze al in onze koffers te grabbelen, terwijl we bezig waren de auto vol te Iaden. Johan vocht als een razende om ze uit het huis te houden. Terwijl ik binnen dekens haalde, gapte men achter mijn rug de lakens uit de koffers. Arme Johan! Hij kon niet overal tegelijk zijn, beefde van razernij en beweerde zich te schamen over het gedrag van zijn rasgenoten. Voor Johan hebben we altijd een warm hart gehad. Ook onze kinderen, met wie hij de beste maatjes was. Toen het uur van vertrekken was genaderd, zaten we doodop in de zetel. Uitgeput van de plotse verhuizing, binnen uitgehold van de emoties. Met angst en verontwaardiging in zijn stem, vroeg Johan me wat moest gebeuren met de vele dingen die niet werden ingepakt, die nog niet gestolen waren en die dus moesten achterblijven? “Al wat we moeten achterlaten, is voor jou. Neem het mee naar je huis in de Belge” en geef het aan je vrouwen kinderen. Wij zullen je nooit vergeten. Neem ook de duiven mee, Johan, de duiven van onze kinderen.» Toen heeft onze Johan geweend. Nooit gedurende al die jaren in Congo, zag ik een zwarte huilen, maar hij deed het wel. Och, niet uit dankbaarheid om wat hij kreeg, en misschien ook niet uit verdriet om ons vertrek, maar uit een overweldigend gevoel van verlatenheid. Hij was voortaan hulpeloos en alleen. Bij ons was hij een deel van de familie geweest. Die duiven waren een symbool voor hem. Aangezien we ze nu weggaven, kwamen de kinderen vast nooit meer terug. Dat had hij ineens begrepen. Hij zat daar, als een hond die men achterlaat in een leeg huis. Vandaag denk ik ook nog wel eens terug aan hem. Hij zit nu wellicht in een hut, oud, doelloos en vol herinneringen, zich afvragend wanneer die Dipenda eindelijk voorbij is, wanneer de blanken terugkeren en wanneer hij opnieuw dat gevoel van geborgenheid in de omgeving van de blanke zal hebben. Ik vrees dat hij nog spijt heeft over die rapporten die hij schreef te goeder trouw, zonder de zin ervan te begrijpen, zonder te beseffen dat “De zwarten vonden het maar normaal dat wij voor hen zorgden” hij mee het net weefde waarin spin Lumumba alle blanke wilde vangen.. .»

Gil SMEETS: «De keuze van een boy was buitengewoon belangrijk in Congo.

Van hem hing het in hoge mate af of je in een hel of een paradijs zou leven. Wij hebben geluk gehad met de onzen, alhoewel we gedurende die twaalf jaar hulpjes in huis hebben gehad die de meesten tot wanhoop zouden brengen. Ze luisteren niet naar ons, en ook niet naar de boy die hen eigenlijk opdrachten moest geven. In de Vlaamse Vriendenkring praatten we geregeld over het zwart personeel. Ik heb altijd gezegd dat ik er de voorkeur aan gaf een zwarte in huis te halen die door de protestanten was bekeerd. Daarmee bedoel ik dat ik geen hoge dunk had van de massale ‘bekeringen’ der katholieke missionarissen. Ik heb nooit kunnen geloven dat hele zwarte families of stammen tegelijk katholiek waren geworden. Daar moet zeker een of ander voordeel mee zijn gemoeid geweest. Een door protestanten bekeerde zwarte was meer individueel bewerkt, en je had in dat geval meer zekerheid dat hij bijvoorbeeld minder zou stelen. Ik weet wel, de zwarte beschouwde zoiets niet écht als dieverij. Hij hanteert andere normen dan wij. Volwassenheid volgens onze criteria heb ik bij hen zelden gezien. Ze bleven kinderlijk in hun doen en denken. Hun leugentjes waren zo doorzichtig. Wanneer er weer eens peren ontbraken op de fruitschaal, bleven ze bijvoorbeeld met een stalen gezicht beweren dat die in de afvoerbuis van het bad waren gevallen. Ze kenden tientallen smoesjes, die zo doorzichtig waren dat je eigenlijk niet écht kwaad kon zijn omdat je in hen het grote, kleine kind herkende. Zij aanvaardden ons paternalisme. lij vonden het goed en normaal dat wij voor hen zorgden, dat wij voor hen geld spaarden, dat wij kleren meebrachten en dat wij hen allerhande dingen leerden. De zwarte voelde zich veilig en geborgen bij de blanke, en wanneer je een boy of hulpje zocht in de huishouding, stonden ze dadelijk met dozijnen gereed. Als blanke leerde je ook met hun kleine kantjes te leven. Je vergaf hen veel omdat ze meestal erg goed met de kinderen konden opschieten, en vice versa. Wij mogen niet zeggen dat wij niet bij voorbaat werden gewaarschuwd voor het drama dat ons trof. Toen mijn man in 1948 naar Congo vertrok, en er op rekende de ambtelijke loopbaan van 17,5 jaar te kunnen volmaken, werd ons al voorspeld dat hij die termijn nooit zou halen. Het is uitgekomen. Na 12 jaar stonden we opnieuw in België, rijk aan ervaringen, maar arm aan illusies. Wij geloofden toen dat wij op een of andere manier zouden worden opgevangen als ex-kolonialen. Helaas, wij vergisten ons opnieuw... In Bukavu heb ik, via de Vlaamse Vriendenkring, allerhande artiesten en auteurs op bezoek gehad: Wies Andersen, Tone Brulin, Marnix Gijsen, Dora Vandergroen. .. Enorme belevenissen die ze me nooit meer kunnen ontnemen. Als ik aan onze boy denk, en aan de andere zwarten, moet ik weer glimlachen. Je moet weten dat je ze met het minste blij kon maken. Al wat niet te klein voor ze was, paste hen en trokken ze aan. Ze liepen soms als verkleden op een carnaval, maar ze zagen het toch zo serieus op dat je niet de moed had hen te zeggen dat ze, in blanke ogen, eigenlijk op lachwekkende wijze waren gekleed. In de loop der jaren begon ik daar anders over te denken en herkende ik hun logica in veel gedragingen. De zwartjes, ondanks alles, heb ik ze altijd graag gemogen.. .» De hamvraag blijft onveranderlijk: hoe dicht leefde de blanke bij de zwarte in koloniaal Congo Belgische ambtenaren waren omringd door zwarte klerken. Huispersoneel was exclusief zwart. Hoe lag - in de sfeer van iedere dag – de onderlinge verhouding tussen zwart en blank? Was het een haat-liefde relatie? Of een verkillende omgang zoals tussen baas en knecht? Bestond er een sociale scheidingsmuur zoals in het Britse televisie-verhaal ‘Upstairs-Downstairs’? Een eerste rij stories daarover gegrepen uit het Congolese leven publiceerden we reeds vorige week. Maar er is méér. Bernard Claes en Gil Smeets uit St. Truiden, hebben er samen vierentwintig koloniale jaren opzitten. Hij was in Bukavu ambtenaar van het ‘Gouvernement Générale’, belast met landbouwcoöperatie. In het zicht van de ‘Dipenda’ werd hij in de federaal gestructureerde regering van Kivu ‘ordonnateur trésorier’ en raadgever bij de pas benoemde zwarte minister van Financiën. Gil Smeets, zijn echtgenote, was ginds huismoeder, maar werd vaak ingeschakeld als tolk en in het onderwijs. De overhaaste vlucht naar België had een traumatiserende uitwerking op hun twee dochters. Het gezin Claes had nadien de grootste moeite zich weer aan te passen in een België, waar zij vaak op onbegrip stuitten omtrent hun werk in Congo en soms zelfs de schuld kregen dat alles was ‘misgelopen’ in de vroegere kolonie.

ZWART HUWELIJK OP WITTE PANTOFFELS

Mevrouw Gil Claes-Smeets: «En ooki, onze boy, kwam me vertellen dat hij ging trouwen zoals hem dat door de Paters was voorgeschreven. Hij was amper zestien, zij veertien. Een leeftijd waarop je onder de evenaar voldoende rijp bent. Ik wou het nieuws eerst niet geloven, want ik wist niet eens dat onze boy verliefd of verloofd was. Enoki liep nochtans altijd met het hart op de tong. Dat dachten wij toch. Ik wilde dus wel wat meer weten omtrent deze beslissende liefde. ‘Ze is mooi’, beweerde hij, ‘nog dikker dan madami’ . Ik probeerde hem wijs te maken om over die trouwerij nog eens na te denken, maar hij leek vastberaden munt te slaan uit de toestand: ‘Mina lomba congé’. Negen van de tien gesprekken draaiden steeds uit op ditzelfde thema: te veel werk, te weinig verdienen en niet voldoende vakantie. Ik wilde genereus zijn en bood hem vier dagen vakantie aan, het dubbele van wat de Belgische Staat karig aan zijn agenten toebedeelde. Enoki bekeek me alsof ik gek was: ‘Vier dagen, dat is impossibili!’. We hebben daarover dan gepalaverd, alsof het een staatszaak betrof. We haalden er de hoofdboy bij, plus de boy van onze buren, plus mijn oom die het raffinement van het Swahili in al zijn schakeringen kent. Uiteindelijk moest ik me gewonnen geven: een betaald verlof van acht dagen, plus een dikke matabich, drinkgeld. Acht dagen? Ik had moeten weten dat een zwarte zich niet stoort aan cijfers en afspraken en bovendien niet eens moeite doet om precies te weten wat acht dagen betekent. Acht dagen, tachtig dagen: voor hem is dat precies hetzelfde. Enoki wist met zijn bruid ook al waar hij wenste in te trekken: in ons houtkot. Wij zeiden: goed. We konden niet anders. De volgende weken zocht ik in koffers en kasten naar alles wat we konden missen en in wat het nieuwe huishouden van het jonge echtpaar te pas zou komen. Het waren spannende uren voor mij, voor onze kinderen en voor Enoki zelf die dagelijks de lof zong van zijn liefje. Voor zijn bruidje had hij reeds drie nieuwe pannen gekocht, een geit voor haar vader, en een kostuum voor zichzelf. Een maatpak, want hij had al viermaal een namiddag vrijaf genomen om de ‘tailleur’ te bezoeken. Eindelijk was het zovér! In Congo wil de gewoonte dat een jongen, wanneer hij trouwt alles, maar dan ook a-l-l-e-s, meeneemt wat hij bezit. Enoki had twee dagen nodig om in te pakken. Al mijn papier en touw had hij opgebruikt. Op de dag van zijn vertrek hadden we moeite ernstig te blijven. Hij droeg een nauwsluitend zwart pak, een felrode das en witte tennispantoffels. Op zijn kroeshaar prijkte een blauwe matrozenmuts met lange linten, die ik hem ooit had gegeven na een gekostumeerd bal van de Vlaamse Vriendenkring. Wie had ooit gedacht dat dit hoofddeksel nog eens zou dienen als huwelijkstooi? Hij had ook een zonnebril gekocht, die vele maten te groot was en telkens half van zijn neus zakte en daar bleef hangen, want hij had zijn handen nodig om zijn spullen vast te houden die, in een bonte sprei geknoopt, op zijn rug hingen. Bovenop prijkte het toppunt van zijn rijkdom: een grote blinkende koffiekan.»

HET GELUID DAT WORDT GEMAAKT DOOR VRIJENDE ZWARTJES

Mevrouw Claes moet er nog mee lachen en vertelt verder: «Enoki vertrok en de dagen gingen voorbij terwijl wij ons - zo goed als het ging - uit de slag trokken. We misten onze boy een week, tien dagen. ‘ Hij blééf weg. Totdat wij vuur spuwden. Na veertien dagen kwam hij opdagen. Glunderend van pret. Hij scheen niet te begrijpen waar om ik kwaad was. Ik besefte dat ik een blunder had begaan. Veel te goed is half gek. Geef een vinger en ze nemen een arm. Ik kende die spreekwoorden ook, maar nu stond ik zélf aan te kijken tegen de gevolgen. Maar ik kon niet volharden in mijn boosheid. Enoki was zo fier op zijn Maria en zo verbaasd over mijn donderspeech dat ik in lachen uitbarstte omwille van zijn beteuterde snuit. Dat gelach werd mijn ondergang. Mijn vonnis was bezegeld, want vanaf dat ogenblik was met Enoki niets meer aan te vangen. ‘s Morgens stonden onze ongepoetste schoenen op hem te wachten. Hij versliep zich steeds. Stond hij toch op, dan sloop hij na een uurtje weer zijn huisje binnen, bij Maria. Hij vrijde ‘s morgens, tijdens het middageten, bij het vallen van de avond. Hij zat vrijwel steeds in zijn houtkotje, waar we voortdurend gekir en kittelgelach hoorden. Aanvankelijk vonden we het grappig, maar na een tijdje begint zoiets op je zenuwen te werken. Ik voelde er niets meer voor om het grootste gedeelte van zijn werk zélf te doen, hem toch te betalen en ook op te draaien voor zijn eindeloze huwelijksnacht. Wanneer Enoki niet in zijn huisje lag, was hij in de keuken bezig lekkere hapjes gereed te maken voor zijn dikke Maria: tomaten, uien, knoflook. Vaak stond hij buiten haar kleren te wassen en te strijken of hij laadde zijn hele hok uit en begon te schrobben. Maria voerde geen slag uit. Ze was op de duur te vadsig om haar mond open te doen om te eten. Toch moet ze veel hebben binnengespeeld want binnen twee maanden was zij tweemaal zo dik als voorheen, zonder zwanger te zijn. Ze werd bolrond, glom van het vet en haar achterwerk leek een ballon. Ik had geen keuze meer: ik moest hen buitenzwieren. Nu of nooit. Onze boy Johan ging de bruidegom diens ontslag melden. Toen heb ik, voor de eerste maal, het ware gezicht van Enoki gezien. Hij brieste van woede, verweet me dat hij bij ons slavenarbeid had moeten verrichten en dat hij uit vrije wil opstapte. Na nog een uitbarsting van woede, is hij, beladen als een muilezel. verdwenen op de zandige, gele stofbaan. Hij had zijn bed, zijn pannen en zijn koffiekan en zijn Maria bij zich....

ONZE BOY GAPTE NIET, EN DAT WAS VOOR ONS EEN DAGELIJKSE BRON VAN VREUGDE

Mevrouw Claes put verder uit haar herinneringen: «Naar een boy hoefde je nooit lang te zoeken. Ze boden zichzélf aan. Maar een goede vinden, dat was moeilijker. Onze eerste gapte. Het begon met suiker, het ging verder met sigaret ten, het eindigde met twee dozen eieren. Ik verdacht hem allang, maar hij kon met zo’n stalen gezicht liegen, dat ik aan mezelf begon te twijfelen. Een ijskast kan men niet afsluiten, en je kan toch geen voorraadboek aanleggen van hetgeen er in zit. Op een schone dag had hij ‘s avonds vierentwintig eieren gegapt en ’s anderendaags had hij het lef mij ze mij opnieuw te koop aan te bieden! Cijfers en hoeveelheden behoorden niet tot het zwarte denkpatroon, maar kon die boy niet vermoeden, I dat wij zijn dieverij zouden ontdekken? Ik heb hem op staande voet ontslagen. Een andere boy pleegde eveneens kruimeldiefstallen. Hij kon het niet laten onze pralines op te eten. Telkens beweerde hij onschuldig te zijn. En je moet toch iets kunnen bewijzen, want als andere zwarten rumoer gingen maken, was het voorgoed gedaan met je rust. Ik heb hem op heterdaad kunnen betrappen, met een draagbare bandopnemer, die we uit België hadden mee gebracht. Stel je voor, een recorder in de jaren vijftig. Dat was een tovertuig! Ik had de opnameknoppen ingedrukt, en het apparaat verborgen opgesteld. De opname liet horen hoe onze boy binnen kwam, de deur sloot, het deksel van de does met snoep haalde, zijn mond volpropte, en weer wegging... Ik riep hem bij me, en liet hem de opname horen. Voor hem moet zoiets toverkunst zijn geweest, want hij werd bleek van schrik, begon te krijsen en ging op de loop. We hebben hem nooit meer teruggezien. Ik hoefde niet op zoek te gaan naar een nieuwe boy. Hoe het precies werkt, weet ik niet, maar ‘s anderendaags s’morgens stonden reeds tientallen kandidaat-boys op het terras te wachten. Rond negen uur ‘s morgens had ik er al zesentwintig gekeurd, gewogen en te licht bevonden, en stapels vettige werkboekjes doorsnuffeld. Rond elf uur had ik er een kleine vijftig ondervraagd en een vijftal weerhouden. Zo is Johan is ons huisgezin gekomen. Nog het meest omdat de kinderen hem hadden uitgekozen. Hij werkte vlug, maar niet erg precies. Zijn wassen was zwak, maar strijken was sterk. Zes jaar is hij bij ons gebleven. Zijn grootste kwaliteit: hij gapte nooit, zelfs geen klontje suiker. Voor ons een dagelijkse bron van vreugde. Van 1954 tot 1960 was hij bij ons. Zonder de ‘Dipenda’ zou hij wellicht nog deel hebben uitgemaakt van ons kleine gezin. Hij had wel van die kleine eigenaardigheden, Hij vroeg nooit iets mondelings, maar gebruikte steevast briefjes die hij ergens neerlegde waar we verplicht waren ze te vinden. Waarom deed hij dat? Het schijnt dat andere boys ook zoiets deden. Twijfelde hij aan zijn eigen overredingskracht of wilde hij uitpakken met zijn schrijfkunst? Nochtans schreef hij vaak fonetisch, zodat ik verplicht was hem zijn eigen briefje te laten voorlezen om te weten wat hij precies bedoelde. Nadat hij drie jaar bij ons was, wilde hij een fiets. Hij kon niet begrijpen hoe onze dochtertjes zonder de minste moeite geleerd hadden een fiets te berijden. Op een ochtend vond ik een briefje om een voorschot, --want hij kon ergens goedkoop een fiets op de kop tikken. Wat hij precies bedoelde met ‘bon marsjee’ weet ik niet, maar een nieuwe fiets kostte evenveel. Hij kreeg zijn voorschot én onze toestemming, op voorwaarde dat wij het vehikel eerst mochten keuren. Wij vonden voor hem een stevige, met dikke banden. Onverslijtbaar, en betaalbaar. ‘s Anderendaags kwam hij werken. Te voet. Wat was er gebeurd? ‘Mijn fiets is niet goed, de fiets van mademoiselle heeft een betere bel.’ Eén dag later kwam hij werken, met twee bellen op zijn fiets. Maar hij liep er fier naast. Waarom werd ons snel duidelijk: Johan kon niet fietsen! Hij wilde trouwens niet dat wij het hem leerden en reed nerveus van hellingen naar beneden om stuurvaardigheid aan te kweken, Iedere dag verscheen hij, bebloed en vol blutsen, op zijn werk. Na drie weken lukte het eindelijk. Hij fietste echt en voelde zich in de stad huizenhoog superieur boven de andere boys. Zijn volgende maandgeld besteedde hij aan het kopen van een bril, een kepi, een witte jas met gouden epauletten. ‘Nu gaan ze denken dat ik klerk ben’, glorieerde hij de hele tijd. Dezelfde boy, Johan, onze Johan, is ons naderhand beginnen te bespioneren en maakte dagelijks rapporten voor de Lumumbisten...» De ronde tafel conferentie Waar zaten op de Rondetafelconferentie de afgevaardigden van de kolonialen, van de mensen die ginds tien of twintig jaar hun brood verdienden met keihard werken

OP DE RONDETAFELCONFERENTIE ZAT NIEMAND DIE IETS AFWIST VAN DE BANTU-LOGICA.

Bernard Claes is een struise, geblokte zestiger. Na zijn bruusk afgebroken loopbaan als territoriaal agent in Kivu, leefde hij een tijdlang in de waan dat hij in Belgische staatsdienst zou worden opgevist als één van ‘de boys’ van minister Fayat. Hij was 39 jaar toen hij, na de ‘Dipenda’ via een geheime route uit brandend Congo wegvluchtte. In Leuven studeerde hij voor het diploma Arbeidsorganisatie, maar kwam niet meer aan de bak omdat hij intussen 40 jaar was geworden. Hij zette een zaak in bouwmaterialen op, verwierf daarmee enige welstand, maar geraakte nooit genezen van het Congolese stigma. Reden waarom hij - naar eigen zeggen - liever niet meer praat over een periode die in zijn hart opstandigheid wekt en zijn rechtvaardigheidsbesef een felle deuk heeft gegeven. Het verklaart eveneens waarom de heer Claes, terwijl zijn echtgenote Gil Smeets met veel fijngevoeligheid haar gekwetste fierheid verwoordde over de Congoperiode, meestal verkoos te zwijgen en hooguit enige kanttekeningen bij de verhalen van zijn echtgenote plaatste. Toen de duisternis viel en wij klaarstonden om afscheid te nemen, moet er ook bij Bernard Claes toch iets zijn opengebroken. Ruim anderhalf uur duurde zijn Congolese Vertelling, en dan moest hij zich nog beperken tot krachtlijnen: « Iedereen die lang in Congo verbleef, is in staat een boek te schrijven. Het ontbrak ons niet aan tijd, maar aan moed om zoiets te doen. Niets is pijnlijker dan eigen onmacht te beschrijven. Daarbij kwam dat je jaren in de hoop leeft, dat het misschien toch nog allemaal weer goed wordt. Wanneer de werkelijkheid echter tot je doordringt, namelijk dat Congo voorgoed verloren is, begint de moedeloosheid vergiftigend te werken. Hoe verder die periode van mij wegschuift, hoe duidelijker het wordt dat, tijdens die fameuze Rondetafel-Conferentie in Brussel, de ene historische blunder na de andere werd begaan. Was de onkunde die daar werd gedemonstreerd soms geen echte misdaad tegen volk en staat? Bekijk de portretten van die Rondetafelconferenties in Brussel. Wie zaten daar? Waren het Congo-kenners? Nee, ambtenaren die regeerden vanachter hun schrijftafels. Ministers die geen weet hadden van de specifieke toestanden in Congo en alleen maar electoraal belang voor ogen hadden, of de partijpolitiek dienden. Waar zaten de afvaardigingen van de kolonialen, van de mensen die ginds tien of twintig jaar hun brood verdienden met keihard werken en wier enige beloning eigenlijk het schitterende klimaat was? Waar zaten de stamhoofden die in het Congo van toen, en ook nu nog, eigenlijk de échte machthebbers zijn? Nee, men kon blijkbaar niets anders bedenken dan het bijeenbrengen van partijcreaturen of maffe bureaucraten om over de toekomst van een dierbaar stuk van onze wereld te gaan beslissen. Wij, kolonialen in Congo, konden eerst niet geloven, dat die domme delegaties de zaak gingen regelen. Van zodra het tot ons doordrong dat het géén grap was, wisten we dat Congo verloren was. Niet alleen voor de blanken, maar meer nog voor de zwarten. De hongersnood en de anarchie zouden toeslaan. De zielige figuren die namens de ‘zwarten aan de Ronde Tafel zaten, beoogden alleen het vestigen van de eigen macht. Zij hadden dadelijk doorzien dat hun blanke tegenspelers uiterst zwak stonden en grepen de gelegenheid aan om de macht naar zich toe te halen en als kleine évolués, in één klap, de stamhoofden voorbij te streven. Hoelang duurde het voordat iedereen begreep dat die zwarten met hun wit hemd en hun maatkostuum, in Brussel bijlange niet het echte Congo vertegenwoordigden? De ‘Dipenda’ was nog niet uitgeroepen en de stammengevechten begonnen al! Daarbij komt dat blijkbaar géén enkele blanke onderhandelaar enig inzicht had in de logica der Bantoes. De Bantu-logika! Iedere koloniaal had daarmee te maken, en kon er na een tijdje perfect op inspelen. Met één voorbeeld kan ik veel duidelijk maken. Zwarten kwamen voedsel of materiaal bij blanken aan de deur verkopen. Dagelijks stonden ze op de barza te leuren. Ze vroegen bijvoorbeeld 50 frank voor hun zak groenten. Als ik dadelijk met die prijs instem, en 50 frank betaal, is de zwarte er heilig van overtuigd dat hij bedrogen is, en zijn groente méér waard zijn dan 50 Fr. Ergens logisch, want de blanke klant deed geen enkele poging om de prijs te drukken, alhoewel de zwarte koopman zulks had verwacht. In alle aankopen en verkopen, in alle onderhandelingen, werd ditzelfde principe toegepast. Je moet geen 50 frank, maar 10 frank bieden, totdat je uiteindelijk akkoord raakt op 25 frank. Beide partijen hadden daarbij het gevoel voordeel te hebben gedaan, en de verstandhouding bleef opperbest. Maar nee, aan de Ronde Tafel werd op deze geestesgesteldheid niet ingespeeld! De blanken deden het daar anders! De zwarten kwamen naar Brussel om 100 frank te vragen. Zonder enig ‘gemarchandeer’ kregen ze 150 frank, hoewel zij tevreden zouden zijn geweest met 40 frank. Daar werd een historische blunder begaan, want de zwarten hadden vanaf de eerste dag het gevoel dat zij bedrogen waren gewoonweg omdat de blanken dadelijk bereid bleken op al hun eisen in te gaan. Vandaar ook hun gemopper en ophitsende slogans achteraf. In de Bantoeziel leefde vanaf dat ogenblik de overtuiging dat de blanke de zwarte had bedrogen. De gevolgen kent men...!»

DE WETTEN BESCHERMDEN DE ZWARTEN ERG GOED. INDIEN WIJ HEM MAKAK NOEMDEN, MOESTEN WE 500 FR. BOETE BETALEN

Bernard Claes was in Congo bovendien een voetbalvedette die alle verhoudingen in acht genomen de uitstraling had van een Willy Geurts of een Horst Hrubesch bij ons. Hij had als midvoor bij St. Truiden VV gespeeld, speelde in Congo bij FC Bukavu, in de ploeg van het College en in die van het Atheneum, en zat in de selectieploeg van Kivu, de ‘Rode Duivels’ van ginder. Alle blanken kenden hem, hetzij van zijn forse duels tijdens de match, hetzij van verhalen uit de kranten. Voor de zwarten was hij een soort afgod. ‘Simba’ noemden zij hem. Hij vertelt: «Die populariteit had niet alleen te maken met de voetballerij. Ik was als territoriaal agent ook verantwoordelijk voor oogsten en voedselvoorziening. En dat scheelde een stuk in de ogen der inboorlingen. Daarbij komt dat ik acht jaar lang in Bukavu avondlessen heb gegeven die door de ‘Affaires Indigénes Main d’Oeuvre’ werden georganiseerd. Een initiatief van het Gouvernement Central en de Witte Paters. Ik gaf Frans en wiskunde. Geloof me, een zwarte wiskunde aanleren. dat is geen kleinigheid want hij heeft over hoeveelheden en cijfers zo zijn eigen mening. Algebra was voor hen iets onoverkomelijks. Abstract denken lukt hem nauwelijks. Toch kon ik met de meetkunde soms het tweede boek halen, en de beste studenten slaagden erin algebraïsche vraagstukken met twee onbekenden op te lossen. Ik weet zeker dat mijn inspanning door de zwarten werd gewaardeerd en alleen al omwille van de aandoenlijke dankbaarheid, die ik van hen kreeg, waren mij geen inspanningen te veel. Toen de leerlingen ook beseften dat ik na de “Dipenda” van plan was weg te vluchten, hebben zich emotionele taferelen afgespeeld met zwarten, die mij smeekten te blijven, en die zich ellendig verloren voelden als de blanken zouden vertrekken. Ik had op dat ogenblik helaas al teveel meegemaakt om nog aan blijven te denken. Ik zocht alleen maar een ideale vluchtweg om onderweg niet in handen te vallen van het muitende Congolese leger en niet afgeslacht te worden. Over wat bekloegen die zwarten zich eigenlijk? Beseften ze wel, waarmee ze bezig waren als ze de blanken begonnen te verjagen? Nee, het woord ‘Dipenda’ betekende voor hen zoiets als ‘hemel’. Ook dat behoort tot de roerselen van de Bantu-ziel, ze denken nooit verder dan de dag van vandaag. Alle kolonialen zullen u bevestigen dat Congolese wetgeving op de eerste plaats de zwarten erg goed beschermde. Wij bemoeiden ons niet met hun specifieke rechtspraak, en lieten hen in stamverband het leven leiden dat zij wensten. De straffen die zij over mekaar uitspraken, waren vaak vreselijk en wreed. Maar ook de Belgische wetten boden buitengewone bescherming voor de zwarten. Om maar één voorbeeld te geven: het was een zware overtreding om tegen een zwarte ‘makak’ te zeggen. Door een rood licht rijden, of ‘makak’, dat was hetzelfde: een boete van 500 Fr. De zwarten wisten dat erg goed en gingen daarvan gebruik maken. Zij mochten tegen een blanke ÀLLES zeggen. Daar stond geen boete op. Wij moesten zwijgen. Het was de blanke ook verboden wapens te dragen. Hebt u ooit één blanke in Congo met een wapen gezien? Ik vraag me wel eens ai of de ‘Dipenda’ zou zijn verlopen zoals het gegaan is, indien wij burgers wapens zouden hebben gehad? Ook dat heeft te maken met de typische ingesteldheid van de zwarte, die voorheen nooit angst had gezien bij de blanke. behalve dan tegenover dieren. Ja, de zwarte beleefde er dolle pret aan wanneer wij schrokken voor slangen of spinnen. Maar in het zicht van de ‘Dipenda’ bemerkte hij angst bij de blanke, en meteen voelde de zwarte zich meester van de toestand. Hij wist goed dat wij geen vuurwapens bezaten en. dat onze soldaten honderden of zelfs duizenden kilometers verderop zaten...»

BIJ DE VERKIEZINGEN WAS OP IEDERE STEMBUS EEN FOTO GEPLAKT. WIE NIET VOOR LUMUMBA KOOS, WERD TER PLAATSE DOODGESLAGEN.

De heer Claes vertelt voort: .Congo was groot, en eigenlijk was het de bedoeling om het nieuwe beheer op federalistische basis te schoeien. Eén regering per provincie. met daarboven een centraal bewind. Bereken meteen maar eens hoeveel zwarte évolués men eigenlijk nodig had om dat hele apparaat te bemannen. Wij blanke territoriale agenten, hadden het vooruitzicht te mogen blijven als ‘conseiller’. Zo maakte ik het mee dat Jean Nepomucène, die jaar en dag als zwarte klerk mijn ondergeschikte was geweest, van de ene dag op de andere tot minister van Kivu werd benoemd en dus, uiteraard, mijn chef was. In mei 1940 kon ik een pamflet bemachtigen, met daarin communistisch geïnspireerde slogans en theorieën. De oproep tot revolutie was aanvankelijk gericht tot de Bakusu, de stamgenoten van Lumumba, met duidelijke richtlijnen. Daarin stond o.a. te lezen: ‘Onze sterkste wapen is de leugen. De leugen richt onherstelbare verwoestingen aan.’ Ik citeer uit de Franse tekst: ‘L’arme, la plus forte qu’iI faut se servir dés le début est le mensonge car, une fois excité la masse, I’acussé se verra attaqué et ne pourra plus le concurrencer.’. Punt 12 van de richtlijnen der Lumumbisten was even veelbetekenend: ‘Il est trés nécessaire d’envoyer les notres dans toutes les universités du monde, le plus grande nombre en Russie ou nous aurons beaucoup de privilèges. Les finances que notre chef politique Loemoemba a touché sont uni. quement pour arriver à ce fait.’. Een tijdje later werden in Congo op een drafje verkiezingen georganiseerd om de politieke kaders te vullen. Wie de toestanden daar rond heeft meegemaakt, moet toch weten wat in Congo stond te gebeuren! Stel u voor op iedere stembus werd een foto geplakt. De zwarte kiezers moesten hun stembrief deponeren in de bus met de foto van de kandidaat van hun voorkeur. In de stemlokalen stonden echter Lumumbisten gereed. Wie het waagde om zijn briefje in een andere bus te stoppen, werd ter plaatse doodgeslagen. Onvoorstelbaar! De kiesuitslagen waren uiteraard één grote farce. Na de verkiezingen waren tevoren ondergeschikte zwarten mijn chefs geworden. Eén van de nieuwe bazen riep me bij zich. Ik moest hem omstandig uitleggen waaruit mijn werk precies bestond: maken van betaalstaten, enz. Hij vond dat veel te ingewikkeld en had een andere methode uitgedacht: ‘Installeer een grote brand. kast op mijn ministerie, stop daarin zoveel miljoenen als mogelijk, en betaal iedereen die rekeningen aanbiedt, zoals ziekenhuizen, brandweer, staatspersoneel. Dat is véél eenvoudiger. Geen papier meer nodig!’ Ja, met zulke opvattingen over de administratie en het financieel beheer van een land, gleed Congo de onafhankelijkheid in»

DE ZWARTE MILITIE WILDE MIJN AUTO LEEGSTELEN. IK GAF PLANKGAS

Zoals tienduizenden blanken vluchtte Bernard Claes uit Congo weg omdat hij zich elke dag steeds meer bedreigd voelde. Vrouwen kinderen waren al eerder vertrokken. Hijzelf hield vol tot 15 augustus 1960, zes weken na de Dipenda. Bukavu leek aanvankelijk niet aangetast door het virus van de zwarte anarchie, maar naarmate de Lumumbisten steeds luidere ‘slogans schreeuwden, werd ook deze stad een verschrikking voor de blanken. Waarom bleven de territoriale agenten, die in feite staatsambtenaren waren, dan toch zo lang op post? Wie heeft de dood van tientallen onder hen op zijn geweten? Houdt een en ander verband met een dienstnota van provinciegouverneur Borlee in Kivu, en gericht was aan de Commissaires de District Poswick (Kindu),- Cauwe (Goma) en Jasmin (Bukavu)? De tekst luidde: «Gelieve onmiddellijk alle agenten te verwittigen dat. in uitvoering van het protocol van 12 juli. alle agenten van de administratie. openbare weermacht. magistratuur. parastatalen. geaggregeerd onderwijs. enz. beschouwd worden als zijnde in de mogelijkheid om hun loopbaan in Afrika verder te zetten. Zij kunnen genieten van de Wet van 21 maart 1960. Bijgevolg hebben alle agenten, die het verlangen. de toestemming hun dienst te verlaten. en zich onmiddellijk op weg te begeven. bij voorkeur via Ruanda-Urundi. De volgende diensten moeten nochtans verzekerd blijven: Posterijen. Televerbindingen. Politie. Rijkswacht. Luchtvaartdienst. Geneeskundige Dienst en Résavion. De agenten die deze dienst zullen verzekeren. blijven al hun rechten op waarborgen van de Wet van 21 maart behouden. De Belgische regering richt een dringende oproep tot de agenten van al deze diensten opdat zij vrijwillig op post zouden blijven. teneinde de administratieve en economische structuren die voor dit land onontbeerlijk zijn. te vrijwaren. Deze vrijwilligers blijven hun rechten op de Wet van 21 maart behouden. Er zal ten andere een prioriteit van affectatie voorzien worden ten voordele van de agenten die in dienst gebleven zijn wanneer deze later hun rechten op compensatie zullen doen gelden. De agenten van de diensten die voorlopig moeten verzekerd blijven. alsmede de vrijwilligers waarvan de veiligheid niet op voldoende wijze verzekerd is. mogen zich bij een post voegen waarvan de veiligheid wel verzekerd is. Belangrijk bericht: de agenten die hun post verlaten, moeten ervoor zorgen dat zij hun administratieve verantwoordelijkheid kunnen dekken, bijvoorbeeld de overgave van de comptabiliteit. Bernard Claes uit St. Truiden was één van de agenten die deze richtlijn ter harte nam, en achterbleef : «Het hemelse Bukavu, waar het klimaat de mooiste beloning was voor de blanke, en waar we in 1960 met zo’n vijfduizend blanken samenwoonden, was na de Dipenda geleidelijk aan een onleefbare stad geworden. De eerste week na de Onafhankelijkheid, riep de zwarte provinciale minister van de dienst van Financiën de Belgische agenten samen. Hij deelde hen, kort en bondig, mee dat hij besloten had de totale afrikanisering van de dienst door te voeren. Dit moest gebeuren binnen de drie maanden. Drie agenten moesten dadelijk ophoepelen. De overigen moesten blijven om de remise-reprise te doen. Maar de aversie tegen de blanken luwde niet. Op 9 juli 1960 werd ik ‘s morgens uit mijn functies van ordonnateur-trésorier ontzet, met daarbij het schriftelijk bevel mijn plaatsvervanger Mamert Lukundja dadelijk op de hoogte te brengen van mijn taak. Deze zwarte was een agent van de zevende categorie! Ik herinnerde mij de vroegere dienstnota over de agenten die in de onmogelijkheid verkeerden hun werk verder te zetten, en beschouwde mij als gerechtigd Congo te verlaten, zonder dat mij iets zou kunnen worden aangewreven. Toch verliep alles nog sneller dan verwacht. Op vrijdag 5 augustus 1960, omstreeks 17 uur, werd ik in Bukavu, in het centrum van de stad, aangehouden door zwarte gendarmes. Zij eisten geld, en hadden duidelijk de bedoeling mijn auto leeg te stelen. Mijn voertuig was ondertussen volgeladen, want ik was van plan zo snel mogelijk uit Congo weg te geraken, via een vluchtweg die me naar Zuid-Afrika moest brengen, via een traject waar wij de zwarte, muitende milities zouden kunnen vermijden. «Nous voulons quelque chose de votre voiture», beweerden ze, maar ik raadde hun opzet. Ik speelde het spel mee: «Pourquoi pas?», zei ik, «servez-vous, c’est l’Indépendance!» Gretig openden ze de achterste deuren, en mijn koffer, maar hiervan maakte ik gebruik om plankgas te geven, en dadelijk om de hoek te draaien en bij vrienden een schuilplaats te zoeken. Indien ze me zouden ontdekken, werd ik zeker dadelijk afgeslacht. We bevonden ons met een achttal kolonialen in één woning, waar we de dagen en nachten aftelden en ons ‘s avonds bedronken. Wij wilden tot de uiterste datum in Congo blijven, om onze rechten van reaffectatie niet te verliezen. Pas op 13 augustus, de dag na het sluiten van de Belgische Consulaten, vertrok ik richting Astridville. De auto volgeladen met jerrycans. De vluchtweg naar Kaapstad ken ik nog zo uit het hoofd. Duizenden anderen hebben hem eveneens gevolgd; Goré, Hulinga, Hukafique, Lusahanga, Nyakanagi, Bukomba, Kabana, Isergeja, Iserka, Tinoe, Nzega, Puge, Tabora, Tutubia, Sikonge, Ipole, Kiloli, en dan zonder verder lijfsgevaar naar de zuidpunt van Afrika. Een autotocht van negen dagen.»

 

BEDRIEGT UW VROUW U? NEEM DAN EEN ANDERE VROUW MET MIJN BESTE GROETEN

Bernard Claes: «Toen ze na de Dipenda, de ene muitende groep na de andere, de brandkasten van het ministerie wilden komen leeghalen, ben ik er geregeld in geslaagd om, door kordaat op te treden en met veel lawaai, het verrassingseffect in mijn voordeel aan te wenden. De taal van het geweld: dat is iets wat de zwarte nooit verkeerd begrijpt. Hij kon tegenover zijn zwarte medemens uitzinnig brutaal zijn. Een zwarte is, individueel, best handelbaar, maar wordt gevaarlijk wanneer hij optreedt in groep. Groepen zwarten zijn als groepen wilde dieren, zoals naderhand op schrikwekkende wijze duidelijk is geworden. Ik herhaal, ze hadden een diepe bewondering voor moed en karaktersterkte bij de blanke. Zes para’s konden een groep van driehonderd zwarten de baas, indien ze tenminste als eersten reageerden. » - «Wij, kolonialen, hebben vanzelfsprekend met enorme belangstelling de boeken van Jef Geeraerts gelezen. Eigenlijk zijn wij allemaal een beetje jaloers geworden bij lectuur van zijn belevenissen. Ik geloof dat Jef in Congo de seksuele paradijzen heeft gevonden waarnaar vele generaties kolonialen vruchteloos hebben gezocht. Wat hij ginds in een tijdspanne van drie maanden meemaakte, daar hadden anderen een heel mensenleven voor nodig, en dan nog...» - «Bij mij, in de administratie had ik een zwarte klerk, een zekere Edouard Italé. Een goede kerel. Maar hij had één gebrek, hij dronk veel. En schopte dan herrie, zodat ik Marquet geregeld moest opbellen, de directeur van de Centrale Gevangenis, om mijn bediende uit de cel te halen. Edouard werd met de dag nukkiger en agressiever, en dat had toen niets te maken met de Dipenda die pas over tien jaar voor problemen zou zorgen. Op een dag pakte ik hem over dat gedrag aan. Ik ben altijd erg streng, maar rechtvaardig geweest. Het gesprek verliep ongeveer zo : - «Edouard, waarom altijd zo nukkig de laatste maanden?» - «Bwana Claes, mijn vrouw bedriegt mij.» - «Neem dan een andere vrouw, Edouard!» - «Ik durf niet, bwana, ik ben katholiek.» - «Hoezo?» - «De Witte Pater heeft gezegd dat ik katholiek ben. en dat ik niet van mijn vrouw mag scheiden!» - «Luister, Edouard, indien je niet katholiek zou zijn, zou je dan een andere vrouw nemen?» - «Zeker, bwana, ik ken een andere vrouw, maar...» - «Goed, neem die nieuwe vrouw, zet de andere buiten, en zeg aan de Witte Pater dat bwana Claes gezegd heeft dat alles in orde is, en dat hij aan mij uitleg moet komen vragen.» Zo is alles ook gebeurd. Edouard nam een andere vrouw, de Witte Pater deed of hij het niet merkte, en tien jaar lang heb ik aan mijn zwarte Edouard een modelbediende gehad.» «Wie in Bukavu is geweest, zal zich zeker de affaire Ramazani herinneren. Een zwarte medische helper die het groot lot van de Koloniale Loterij had gewonnen: vijf miljoen Fr., in die tijd voor zwart en blank een gigantisch fortuin. Het feit dat hij zo’n som won, doorprikte de zwarte bewering dat de Koloniale Loterij een corrupt systeem wasdat alleen de blanken voordeel opleverde. Ramazani is erin geslaagd om, binnen- de zes maanden, dit fortuin op te souperen. In die periode had hij vijf Mercedessen stuk gereden en onafgebroken feesten georganiseerd voor zijn stamgenoten die uit de brousse kwamen meegenieten.» «Een zwarte kon kinderlijk aanhankelijk zijn. Ik had eens de voet verzorgd van onze plankton, die zich had verwond. Ik reinigde de wonde en gaf hem penicilline, wat de uitwerking had van een tovermiddel. Sedertdien deed die zwarte voor mij a-l-l-e-s. Dat was een aanhankelijkheid die haast ongelooflijk was.»

Gil Claes tijdens het pinkstertornooi

Het roemruchte Pinkstertornooi van 1951 dat de beste blanke teams van Congo tegenover mekaar bracht. Het elftal van Bukavu won met 8-1 van Stanleystad. We herkennen o.a. Cuypers, Dens,Duchateau, Frederik Ral, Detroye, Broos, Bernard Claes en Beckers.

 

© 2002 Gust Verwerft - Congo-1960

 

SiteLock
share this - partager le site - deel dit document

About Us | Contact | Privacy | Copyright |  
Ook op het internet gelden de auteursrechten. Werken die auteursrechtelijk beschermd zijn, zoals tekeningen, foto's, muziek, film en software, mag u niet verspreiden via het internet zonder de uitdrukkelijke toestemming van de auteur. Delcol Martine