SiteLock
Livre du mois Le Petit futé Kinshasa 14,95 € Communiqué de presseGuide Kinshasa 2017 (petit futé)Neocity
Boek van de maand Zoon in Congo 15% korting + gratis verzending Zoon in Congo Lanoo Uitgeverij
   Webmasters Delcol Martine Eddy Van Zaelen De webmaster Delcol MartineEddy Van Zaelen
  Helpt U mee en stuur je ons uw boeken in ruil voor een publicatie op de site  Sponsor Site
Kasai Rencontre avec le roi des Lele Kasaï , rencontre avec le roi Prix exclusif Grâce a Congo-1960 Sans limite de temps 29.80 € frais de port inclus  -Editeur Husson
L'état indépendant du congo a la recherche de la vérité historiquecongo 1957-1966 TémoignageLes chemins du congoTussen vonk en omroep , draadloze communicatie in België en CongoLeodine of the belgian CongoLes éxilés d'IsangiGuide Congo (Le petit futé)Congo Ya Kalakala, avec mes remerciements a Mr Paul DaelmanCongo L'autre histoire, avec mes remerciements a Charles LéonardL'Héritage des Banoko , avec mes remerciements a Mr. Pierre Van BostL'année du Dragon avec mes remerciements a Mr Eddy Hoedt et Mr Peeters Baudoin

congo 1960 image foto sans titre

Vlak na de tweede wereldoorlog krijgt het latente, vormeloze verlangen van de Afrikanen naar toekenning van politieke rechten een meer concrete gestalte. Congolezen hebben in de Force Publique aan de zijde van de geallieerden gevochten. Zij hebben voor de eerste keer buiten hun land verbleven en zien wat er gebeurt in andere koloniale gebieden. Zij vernemen dat Brits-Indië en Nederlands-Oost Indië zich bevrijd hebben van de Europese dominantie. Er groeit dus een nieuwe, nationalistisch denkende generatie die het niet neemt dat de overheid ze afschermt van de politieke problematiek[14*DUMONT G. H., “Possitions et affrontements anterrieurs a la table ronde Belgo-Congolaise (1945-1960)].

"Het kolonialisme wordt in de internationale gemeenschap op de helling gezet, o.m. in het handvest van de verenigde naties (1947) en de twee nieuwe supermachten na de tweede wereldoorlog, de Verenigde Staten en de Sovjet-Unie zijn beiden tegenstanders van het Europese kolonialisme."

Al enkele dagen na het uitbreken van de crisis in Congo en de massale exodus van Belgen uit de ex-kolonie begin juli 1960, kwam de regering-Eyskens tot het besluit dat Lumumba onbetrouwbaar was en dat er een nieuwe regering moest komen.

 

"1960" Loodshydrograaf Ernest Van Cauter

“Onze grootste blunder: Wij hebben de zwarten onderschat”

1

  • Congo dat was de absolute vrijheid maar ook de grote verantwoordelijkheid. In Brussel kenden ze daar niets van!”
  • De vakbonden hebben alles om zeep geholpen want de Congolezen geloofden hun sprookjes.”
  • Vroeger waren de Congolezen niet vrij, maar ze hadden het goed. Vandaag zijn ze vrij, maar ze hebben het slecht.»
  • Een zwarte tweeling bestaat niet. Het tweede kindje is voer voor krokodillen.»
  • De zwarte die het best kan imiteren geraakt het verst. Mobutu is daarvan de beste illustratie.»

 

Gediplomeerd kapitein-ter­-lange-omvaart Ernest Van Cauter (57) uit Kapellen is een man die de wereld kent, en Congo. In 1947 kwam hij naar de Belgische kolonie als scheepsofficier. Hij leerde er Laurette Sips kennen en  trouwde met haar. Laurette Van Cauter, zelf in Congo geboren, maakte nog de vooroorlogse periode mee toen Congolo in Katanga een rustig, rijkmakend paradijs was. Ruim 35 jaar bleef Van Cauter in Congo wonen. Hij mag zich bijgevolg een kenner noemen van de Congolese gebruiken en gewoonten. In de onmiskenbaar koloniaal aandoende woonkamer van zijn villa in Kapellen vertelt hij met veel verve over de tijd van toen.

Een verhaal, vertelt met snel­treinvaart. Oog op de klok, want loods Van Cauter moet straks enige zeesche­pen naar de haven van Ant­werpen loodsen. Hoewel hij het niet had gepland, ziet het ernaar uit dat de Antwerpse haven zijn laatste bestemming is geworden. Van Cauter werd geboren in Den­dermonde, in Congo bleef hij vanaf 1953 pleisteren. Als hydrograaf, in staatsdienst. In 1960 hoorde hij, tij­dens een vakantie in België, dat de waanzin Congo te pakken had. Steeds in dienst van de Belgische staat, zij het dan minder afgete­kend naar buiten toe, was hij in 1961 en '62 in het Albertstad van het afgescheurde Katanga, direc­teur der Waterwegen. In 1963 veranderde zijn statuut. Hij werkte toen voor de Verenigde Naties; in Congo ONU genoemd. De dan­teske taferelen van de Simba­opstanden bleven hem niet bespaard.

Ernest Van Cauter leerde het Zaïre van de jaren tachtig kennen als opleider van waterscouts en zee­vaartinspecteurs. “Een ramp”, zo resumeert hij. “Wie moet, kàn het niet. Wie wil, màg niet. Wie hoort te spreken, zwijgt, en wie zijn mond zou moeten houden, heeft het voor het zeggen. Dat is voor mij 'Congo' vandaag. Tussen mijn eerste en laatste verblijf ligt vijfen­twintig jaar, en ik durf te zeggen dat de zwarten er overal op achte­ruit zijn gegaan. Waarom wij met duizenden tegelijk naar Congo trokken? Simpel: om er iets te gaan presteren, om weg te raken uit die lange tunnel die het naoorlogse Europa aan het worden was. Congo was dé grote uitda­ging. Je wist vooruit dat je er een enorme vrijheid zou vinden; ook dat je een grote verantwoordelijk­heid zou dragen, en op jezelf zou aangewezen zijn voor de realisatie van je plannen. Ik geef één voor­beeld: er sterft iemand op je schip. De hele paperasserij moet je zelf afhandelen. Daar kan onze bureau­cratie een punt aan zuigen. Naar Congo gaan, betekende ook: je laten opslorpen door het werk. Je ging erheen om opdrachten uit te voeren, niet om op je horloge te kijken. Als ik het nodig vond om met mijn personeel tot midder­nacht te werken, soms ook tot vijf uur 's ochtends, dan gebeurde dat ook. Niemand die zich daartegen verzette. De zwarten wisten dat ze nadien de overuren konden recu­pereren. Het was dus de periode dat de Belgische syndicaten in Congo nog niet tegen elkaar op kwamen bieden. De zwarten wer­den nog niet verziekt met aller­hande vage slogans.

De Dipenda? Ik geloof dat de kolonialen niet zozeer werden verrast door de eisen of het gedrag van de zwarten, maar veeleer door die vracht onlogische besluiten die in Brussel werden genomen.. Daar werden zaken beslist die iedere koloniaal de adem afsneden. Het was duidelijk dat deze mensen Congo alleen kenden uit schoolat­lassen of vage geschriften. We hebben Congo verloren door de daden van mensen die, op hoog niveau, verantwoordelijkheid droe­gen, maar helemaal niet wisten waar ze mee bezig waren. Niets van wat na 30 juni 1960 is gebeurd, hadden ze voorzien.

De Belgen, die denken Belgisch en dat is hun grote fout. Je moet je kunnen inleven in de gedachten­wereld van anderen. Neem het drama op de HeizeI. De hele toe­stand was berekend naar Belgi­sche maatstaven, zo in de zin van het-zal-wel-zo'n vaart niet lopen. Die gedachtegang is ons al zo vaak fataal geworden in de buiten­landse politiek, want het loopt vaak wél zo'n vaart! Destijds, in Congo, hebben we duizendmaal tegen de macht in Brussel gezegd dat hun berekeningen niet klopten; dat Congo in het bloed zou ver­drinken na de Dipenda. Vruchte­loos, wij voelden ons altijd het lij­dend voorwerp.

Kijk eens: dat niemand komt zeg­gen dat men de ramp niet kon voorzien! Lang van tevoren had­den wij in Boma een 'corps de volontaire' opgericht, met wapens enz. Na de revolte van januari 1959, toen Kasavubu en zijn Abako tientallen slachtoffers had­den gemaakt in het anders zo rus­tige Leopoldstad  vielen in Brussel nóg de oogkleppen niet af. Och, in Congo waren er ALTIJD opstanden en revolten. België hoorde daar zeI­den of nooit iets van, kwestie van de kolonialen niet te ontmoedigen, of andere zwarten tot soortgelijke daden te inspireren. De Batetela's, het ras van Lumumba, zijn nooit 'rustig' geweest. Ik bedoel daarmee dat, rekening houdend met het rumoe­rige Congolese verleden, er hoege­naamd geen reden was om ineens de Abako van Kasavubu officieel te installeren als semi-politieke par­tij. Wanneer in Congo ergens één woord gefluisterd wordt, kent morgen iedere zwarte het. Zodra de Abako werd erkend, wilde 's anderendaags iedereen een poli­tieke partij maken. De Belgische ziekte was naar Congo overge­waaid.

De socialisten met hun pro­paganda, dragen daarin een erg grote verantwoordelijkheid! De socialisten zijn in Congo jarenlang witte pater gaan spelen. Wat constateren we nu? Vroeger waren de zwarten niet vrij, maar ze had­den het goed. Vandaag zijn ze vrij, maar ze hebben het slecht. Heeft er soms iemand de politieke moed om daaruit een conclusie te halen? De zwarten, dat zijn altijd simpele mensen geweest. Grote kinderen, die ook als dusdanig moesten wor­den behandeld. Vaak brave, goed­aardige sullen. Ze verzetten zich zelden. Er bestaan streken waar die echte slavenmentaliteit heerst, waar men alles gelaten ondergaat. Bekijk dat gevecht tussen Hutu's en de Tutsi's. De ene stam maakt tachtig procent van de bevolking uit, de andere twintig procent. Toch laat de meerderheid zich uit­moorden door de minderheid.”

“JAWEL, ZE ZAGEN ZWART. MAAR DE ENE NEGER IS DE ANDERE NIET. NU WIL MEN VAN DE BLANKEN ZWARTEN MAKEN, IN PLAATS VAN OMGEKEERD.”

«De ene zwarte is de andere niet. Net zo min als een Deen, een Spanjaard is. Vanzelfsprekend gaat dat ook in Congo op. Wellicht nog meer dan elders, omdat de afstanden zo groot zijn en het ont­breken van wegen het tribalisme heeft versterkt. Neem nu de zwar­ten uit de savannes. Echte leeu­wen zijn dat. Ze vallen U aan, recht in het gezicht. Zowel in woord als in daad. Dat is een krachtige zwarte met rechtlijnige ideeën. Daarentegen zijn er die andere zwarten, uit de oerwouden. Die zijn geniepiger, verdedigen zich als slangen. Maar Iet goed op voor de zwarten van boven de evenaar. Daar vind je de clan van Mobutu. Die houden het volk van Mayombe en de Kasaï onder de knoet. Deze Mongus, waartoe Mobutu en zijn kliek behoort, zijn heel sluw. De tactiek van het mes in de rug. Dat is hun geaard­heid, met de moedermelk ingezo­gen. Een manier om te kunnen overheersen, iets wat ze ook gelukt is. Veel kolonialen hebben de mond vol over het doen en laten van de zwarten, maar te vaak is dat geba­seerd op vage indrukken. Ik heb met veel zwarten moeten samen­werken, bijvoorbeeld bij het afbake­nen of bestuderen van een water­loop. Met de Lokeelees bijvoor­beeld. Ze leven als zigeuners op het water. Van de geboorte tot de dood. Wel, met die mannen moes­ten wij samenwerken. Het loog er niet om: zo'n zwarte is honderd­maal opmerkzamer dan een blan­ke. Als ik op het water iets fout deed, lachten ze mij uit. Maar nooit heeft zo'n kerel me geholpen een fout te voorkomen. Toch moet je je rol blijven spelen, zoals het de kolonialen werd voorgehouden: je superieur tonen, niet verbroede­ren, je 'standing' ophouden. Wie als blanke met een zwarte vrouw optrok, werd door de andere blan­ken zowat in quarantaine gezet. Die 'standing', dààr kwam het op aan. Zonder de status die wij met alle middelen hoog moesten hou­den, waren wij nérgens, in de ogen van de zwarten. Zodra de politieke partijen, vanuit België, in Congo hun speeches kwamen houden hadden de zwarten onze verdeeldheid door. Onze 'standing' smolt weg. Binnen de kortste tijd hadden we alle vat op hen verloren. Alles, wat ze nu in Congo doen, dat is toch wel de grootste flater die men zich kan indenken. Men trekt de blanken naar onderen. Stanley stond zelfs in de brousse alle dagen zijn schoenen te poet­sen, en hij had altijd een onberispe­lijk uniform aan. Dat was zijn fier­heid, en dat was het merkteken van de blanken. Toegeven tegen­over een zwarte, is je nederlaag definitief maken. Zwarten kennen geen revanche of tweede kans. Eens verloren, altijd verloren. Rond de Dipenda heersten opzet­telijke misverstanden. De zwarte in de brousse wist niet wat het voor­stelde, en maakte zich daarover ook niet druk. Voor hem zou er niet veel veranderen. Rond de Brusselse Rondetafels hadden de zwarte évolués het over ECONO­MISCHE onafhankelijkheid, terwijl de blanken hardnekkig over een POLITIEKE onafhankelijkheid spraken. Zodra de blanke de eerste vinger had gegeven met de erkenning van de ABAKO als pseudo-politieke partij, had de zwarte al een hele arm beet. Op de weg van Boma naar Matadi werd vanaf dan de blanke zowat dagelijks met stenen bekogeld. De Vlamingen konden iets makke­lijker afstand houden. Nederlands verstonden de zwarten niet. Ze noemden een Vlaming 'Bwana Zeg', omdat wij inderdaad nogal wat zinnen begonnen met 'Zeg eens..'

De zwarte die het best kan imiteren, geraakt het verst.

Het is begonnen met het dragen van brillen zonder glazen en het eindigde met het fenomeen Mobutu. Hij is de superman van de imitatie. Kijk die man eens bezig, in gezelschap van koningen, presidenten, keizers, desnoods de paus. Die is altijd op zijn gemak, omdat hij de gave heeft van de nabootsing.

Ik was in 1947 in Congo, en in 1983 werkte ik nog in Congo. Hoewel ik niet de hele periode heb volgemaakt, heb ik de pretentie te stellen dat ik een Congokenner ben. Ik vraag me vandaag nog altijd af wat wij aan de zwarten misdaan hebben om hun laatdunkendheid te moeten ondergaan. Ik weet wel: ze zullen komen aandraven met verhalen over lijfstraffen. Die waren er. Maar de straffen die de blanke toediende, waren vaak strelingen in vergelijking met wat de zwarten elkaar aandeden. Straffen betekende meestal: doden.» «Wij kolonialen konden bijna niet geloven dat onze Belgische poli­tieke leiders de blunders zo opsta­pelden. Eerst werd de ABAKO erkend, daarna werd de wildgroei getolereerd van andere zwarte par­tijen, meestal naar 'stamverhouding' MlP, CONAKAT, BALU­BAKAT, ga maar door. Veertig, vijftig partijtjes die trouwens alle­mààl hun verkozenen hadden in een parlement dat na één week al in staat van ontbinding verkeerde. Eén man was sluwer dan al de anderen: Batetela Lumumba. Uit de hele houding van die man straalde fierheid, vechtlust. Hij behoorde zeker niet tot het slavenvolk. De Batetela's zorgden al voor rumoer en opstanden sinds de eerste dagen van de kolonisatie. Men had kunnen voorzien dat zoiets zou gebeuren. Mij ver­baasde de inhoud van zijn beruchte speech op 30 juni 1960 niet. Ik geloof dat de meeste kolonialen, en zeker degenen die net als ik vier republieken hebben overleefd, allang wisten dat met een zwarte niet kan worden gediscussieerd. Ze hanteren een 'logica' waartegen geen 'blanke bestand is. Ze praten je onder tafel. Ze zijn overtuigd van hun gelijk, en tegen zo iemand is geen kruid gewassen. Zo gingen ze uit van de zekerheid dat de blanke in het krijt stond bij de zwarte, en dat wij dus verplicht waren om te geven. Veel van hun levensgewoonten waren op die logica gestoeld. Een zwarte tweeling? Bestond niet. Het tweede kind werd voor de krokodillen gesmeten omdat de moeder maar zog had voor één kind. Ik vermoed dat het gebruik nog steeds niet helemaal uitgeroeid is. De Bel­gische wetgever probeerde daar iets aan te doen, en soms werden zwarten voor zo'n vergrijp achter tralies gezet. Voor hen was dat evenwel een vreselijke onrechtvaardigheid, en zoiets deed vijandschap kiemen.

Belastingen? Denk nu niet dat ieder dorp in de brousse belastingen betaalde. Ze zagen daar het nut niet van in. Dorpen langs grote wegen, langs waterwegen ook, ontsnapten niet aan de fiscus, maar er bestonden tevens duizen­den dorpen waar géén blanke ooit een voet had gezet. Vanuit de lucht ontdekten vliegtuigen gere­geld dergelijke 'nieuwe' dorpen, maar een blanke kwam nooit ter plekke: hij verdwaalde, vaak mis­leid door de zwarte gids. De zwarte had hoegenaamd geen hoge pet op van de blanke. Voor hem was dat trouwens een levend lijk, omwille van de kleur en de geur. Ja: aanvankelijk had de blanke overwicht door zijn vaardig­heid in het hanteren van allerhande gereedschap, maar een zwarte is zo knap in nabootsen, dat hij de bekwaamheid afkeek. Vraag het maar eens aan de leden van de Force Publique, het blank-zwarte Congolese leger. Een zwarte hoefde maar één maal met een geweer aan te leggen om raak te schieten. Ze hebben tijdens de oorlog meegevochten in Ethiopië. Ze konden dagen marcheren, zonder vermoeid te raken, zonder te eten. Geen blanke die dat tempo kon volgen. Rennen? Marathons? Voor hen was dat een dagelijkse bezigheid. Ik heb. bij herhaling gezien hoe een zwarte, met een brief bovenop een speer gepiest, in opdracht van de blanke naar het volgende dorp holde, dertig kilo­meter verderop. Op een drafje door berg en dal, waterloopjes overstekend. Zonder vermoeid te worden. Dertig km. heen, dertig km. terug. Maar zodra de zwarte dat briefje kon lezen, veranderden alle verhoudingen... Ik meen dat wij ginds ons best hebben gedaan. Maar onze wijze van denken komt niet overeen met de zwarte denkwereld. Ons paterna­lisme was voor de zwarte aanvaardbaar, want hij zag er dadelijk de voordelen van in. Hij was de krijger en wij droegen de verant­woordelijkheid. Anderzijds werd het paternalisme van de missiona­rissen zeer moeilijk begrepen. De godsdienst hield hen immers voor dat ze altijd braaf moesten leven, allerhande opdrachten uitvoeren, terwijl hij de beloning pas zou krij­gen NA zijn dood. De hemel. De zwarte is nu te nuchter om zulks te pikken. Hij is hoegenaamd niet geïnteresseerd in een vage toekomst. Wel in de onmiddellijke baten van doen en laten. Het verschijnsel Simba's heeft het algemene beeld van de zwarte Congolees te zeer vertekend. Simba's waren kinderen, zot gemaakt door de hennep, betoverd door de medicijnmannen. Daar was geen rede tegen bestand. Ik vergelijk dat met de charge van die Engelsen op de HeizeI. Tijdens de dagen van de Dipenda zat ik thuis, in België. Terugkeren kon aanvankelijk niet, maar de staat betaalde mijn loon verder uit. Stilaan is bij de kolonialen VERBITTERING ontstaan. De politici hadden ons beloofd dat we in het moederland een equivalente job zouden krijgen. Daarvan is nooit iets in huis gekomen. Integendeel. Wat moet je al niet uitgevreten hebben eer je als staatsambtenaar ontslagen wordt? Wij kolonialen, vlogen toch aan de deur?! Mag er dan geen reden zijn tot verbittering?

Daarbij kwam de publieke opinie. Die was tegen ons. Wellicht ook het gevolg van politieke opjutterij tegen de 'rijkaards uit Congo'. Onvoorstelbaar onrechtvaardig! Waaraan hadden wij die vijandig­heid van de mensen te danken? Akkoord, we hebben in Congo nu niet bepaald zwarte sneeuw gezien, maar we hebben ons toch ook veel offers getroost. We hiel­den hier vakantie, met een schone cent op zak, maar kijk es naar de zeeman die, na zes maanden grote vaart, thuiskomt. Die heeft óók geld, om de eenvoudige reden dat hij nooit de kans heeft gehad het op te maken. Hij wordt snel dron­ken, want hij heeft in maanden geen druppel gehad. Zo ongeveer ging het met de kolonialen. Kwamen we met vakantie, dan waren de eerste weken bestemd om over­al de familie te bezoeken, en het tweede gedeelte van de vakantie diende om weer afscheid te nemen. Men zag ons dus de hele tijd onderweg, rijdend in de auto die we hier kochten; we woonden in het huis dat we met ons spaargeld hadden gekocht. In de ogen van de mensen waren we net stin­kend rijke lui die eeuwigdurend met vakantie waren. De syndicaten speelden daarop in, met iets als 'pas-op want-die-gaan-hier-de-beste-plaatsen-pakken'.

Zeg nou eens eerlijk: wat konden wij, oud-kolonialen, anders doen dan terugkeren naar Congo, hoe graag we hier ook zouden gebleven zijn?”

“EERST DE KATANGESE WAAN­ZIN, DAARNA DE GRUWEL DER SIMBA'S, TENSLOTTE DE WARBOEL DER BLANKEN, DAN STA JE WEER OP NU.”

«Ik bleef voor de Belgische staat werken, en trok opnieuw naar Congo. Katanga had zich met Tshombe afgescheiden van Congo en we waanden ons betrekkelijk veilig. In Katanga waren het eigen­lijk blanken die het gouvernement uitmaakten. Ik werd directeur van de Waterwegen in Katanga, met standplaats Albertstad aan het Tanganikameer, zo'n beetje het Zwitserland van Congo. Wie beseft hoe belangrijk de waterwegen in Congo zijn, weet meteen hoe moeilijk het was ervoor verant­woordelijk te zijn.

Mijn vrouw was hier in de omge­ving op school geweest, en senti­ment was de beslissende factor om het avontuur te aanvaarden. Niet vergeten dat mijn vrouw in Congo geboren is. De illusie van het rustige Kantanga hebben we niet lang gehad. Katanga was verscheurd door twee groepen: de Balubakat van Jason Sendwe en de Conakat van Moïse Tshombe. Deze Sendwe heb ik, later, voor mijn ogen door de Simba's zien vermoorden met één machtige hauw van een machete. Hoofd eraf. Sendwe was, na het stilvallen van de secessie, een nauwgezet ambtenaar van de rege­ring Mobutu geworden. Een vreemde man, die in februari 1961 trouwens zijn eigen staat Lualaba had opgericht. Afijn, Albertstad lag op de grens die werd gevormd tussen de strij­dende Balubakat en de Conakat. De blanken werden in de strijd veelal ongemoeid gelaten, maar het was toch voortdurend uitkijken niet te veel vriendschap met de ene of de andere te sluiten, want de volgende keer kon je dan als colla­borateur afgemaakt worden. In zwart Congo weet iedereen alles over iedereen. Je te dicht ophou­den bij de ONU? Honderd km. ver­derop kwam de Balubakat dat te weten, en reken maar dat ze een ijzersterk geheugen hebben. In 1963-64 werkte ik voor de Vere­nigde Naties. Ik wilde niet langer in dienst blijven als directeur van de Katangese waterwegen om de eenvoudige reden dat die provincie ten onder ging aan wanorde en onderlinge vijandigheid. Ik had kunnen blijven om, zoals anderen, me vet te vreten dankzij de geld­bergen die in Katanga wel erg hoog waren. Maar ik wilde mijn geld verdienen in de letterlijke zin. Als UNO-technicus kwam ik op­nieuw in Albertstad. Zelfde kan­toor, maar ditmaal met een statuut dat me veiliger voorkwam. Ik was nog niet zo lang ter plaatse toen we door Simba's werden over­spoeld. Zelfs een sluw man als Jason Sendwe verkeek zich op die wilde horde. Als burgervader wilde hij zijn rol spelen, maar de eerste Simba die hij tegemoet liep hakte zijn hoofd eraf. Ik zag dat gebeuren door het raam. Simba's waren wilde beesten. Een lachwekkende maar tegelijk gevaarlijke bende van zwarten die wel schoenen droegen maar ook pluimen en apevellen. Hun geweren hanterend met één hand, zoals de Arabieren. Het Congolese leger van Mobutu werd verondersteld over ons te waken, maar die troepen sloegen geheid twee dagen van tevoren op de vlucht. En als ze niet op tijd konden wegkomen, trokken die soldaten hun kleren uit, en gingen langs de boord van de weg staan juichen met de Simba's. 'n Albertstad, vlakbij het Tanganikameer, geloofden we vast aan de Simba's te kunnen ontsnappen. Wij rekenden op het personeel van de CFL, Chemin de Fer du Lac, om ons tijdig te waarschuwen en met een boot naar de overkant van het meer te brengen. Op een nacht worden inderdaad signalen gegeven door - honderd km. ervandaan - driemaal de stroomtoevoer te onderbreken.

 Het teken van de komst van de Simba's. Iedereen van de CFL ver­trok. ZONDER ons, omdat we niet tot hun personeel. Behoorden.

We werden door de Simba's gegij­zeld. In een huis waar we iedere nacht werden geteld. Met zo'n vijftig man zaten we bij elkaar. Niet wetend wat er zou gaan gebeuren, maar wel luisterend naar de radio die over hun wreedheden verslag uitbracht. Uiteindelijk lieten ze ons gaan, nadat vanuit Usumbura een schip was gestuurd met een Rode Kruisvlag. Ik was daar met m'n vrouwen twee kinderen. Toen de boot vertrok, stond achter ons heel Albertstad in vuur en vlam. Wij moeten zowat de laatste blan­ken zijn geweest die door de Simba's werden vrijgelaten. Op dat ogenblik waren ze in Congo aan de winnende hand. Enige dagen later liepen ze in Stanley­stad zware nederlagen op. Ze koelden vanaf dan hun woede op iedere blanke die ze te pakken kon­den krijgen. Nadat ik in andere gedeelten van de wereld contracten was nageko­men ben ik voor ABOS in 1981 opnieuw naar Congo vertrokken. Wat ik daar zag, viel me zwaar tegen. Vergelijk dat eens met de koloniale periode. Je moest toen werkelijk een 'stielman' zijn, iemand met onmiskenbare kwaliteiten eer je in de kolonie een plaats kreeg. In Congo was geen ruimte voor blanke middelmatigheid. Thans lijkt het tegenovergestelde op te gaan”

 

congo 1960 image foto sans titre

Leopoldstad 1953: de Congolese droom kan beginnen.

4

De Funu van het dorp laat zijn helper eieren aanbie­den als welkomstgeschenk. Voor de blanke bezoeker het signaal dat men bereid was met hem te praten of te onderhandelen.  Naar vast gebruik werd voor dit “geschenk” evenwel een matabich betaald.

3

Zoals de heuvel van Waterloo en het Manneke-Pis van Brussel stuurden de kolonialen onveranderlijk deze prentkaart van Elisabethstad naar vrienden en verwanten. Terril en fabriek behoren vandaag nog steeds tot het stadsbeeld.

Leopoldstad 1953: de Congolese droom kan beginnen.

2

 

© 2002 Gust Verwerft - Congo-1960