SiteLock
Livre du mois Le Petit futé Kinshasa 14,95 € Communiqué de presseGuide Kinshasa 2017 (petit futé)Neocity
Boek van de maand Zoon in Congo 15% korting + gratis verzending Zoon in Congo Lanoo Uitgeverij
   Webmasters Delcol Martine Eddy Van Zaelen De webmaster Delcol MartineEddy Van Zaelen
  Helpt U mee en stuur je ons uw boeken in ruil voor een publicatie op de site  Sponsor Site
Kasai Rencontre avec le roi des Lele Kasaï , rencontre avec le roi Prix exclusif Grâce a Congo-1960 Sans limite de temps 29.80 € frais de port inclus  -Editeur Husson
L'état indépendant du congo a la recherche de la vérité historiquecongo 1957-1966 TémoignageLes chemins du congoTussen vonk en omroep , draadloze communicatie in België en CongoLeodine of the belgian CongoLes éxilés d'IsangiGuide Congo (Le petit futé)Congo Ya Kalakala, avec mes remerciements a Mr Paul DaelmanCongo L'autre histoire, avec mes remerciements a Charles LéonardL'Héritage des Banoko , avec mes remerciements a Mr. Pierre Van BostL'année du Dragon avec mes remerciements a Mr Eddy Hoedt et Mr Peeters Baudoin

Jean Hellebosch, binnenschipper

  • Je mag blijven, kapitein, als je maar niet beveelt.
  • Na 1963 hoefde ik geen smetteloos wit pak meer aan.
  • Dat was voortaan het voortaan het voorrecht van de zwarten.
  • We werkten 70 tot 80 uur per week.
  • Dat het aan wal zwaar mis liep hadden we niet in de gaten.
  • Toen kwam die brief: U bent te vaak ziek. Wij kunnen u niet meer gebruiken.

Zonder omzien voeren honderden Belgische schippers de Congostroom en de Kasaï af. Een indrukwekkende armada die samen met de spoorwegen het onmetelijke land dooraderde en in leven hield. Vanaf het water was er van de «Dipenda» weinig te merken. Tot er over de scheepsradio de boodschap kwam: «Breek uw normale route af. U wordt ingezet om vluchtelingen op te pikken.»

De Borgerhoutse flat ademt de sfeer van Congo via typische portretten en exotisch meubilair. Jean Hellebosch en zijn vrouw Yolande Detaey verbleven in Congo/Zaïre vanaf juni 1952 tot april 1974. Zonder het ernstige werkongeval waardoor Jean Hellebosch voorgoed invalide werd, zouden ze er tot 1980 zijn gebleven. Het leek wel alsof de hele «Belgisch-Congolese» geschiedschrijving aan hen voorbijging.

Zij arriveerden als telgen uit een geslacht van binnenschippers, in het even onbesproken als onbekende Belgisch Congo dat werd bestuurd vanuit marmeren conferentiezalen van grote bedrijven, en waar gouverneur-generaal Eugéne Jonkers net werd afgelost door Léon Pétillon. Toen ze in april 1974, sneller dan gepland, vertrokken vanuit het grote vuilnisbelt dat Leopoldstad was geworden, bleef van het koloniale Congo niets meer over. Zelfs de namen van de steden werden veranderd, als gevolg van de zaïrisering die voormalig sergeant en ex-journalist Joseph Désiré Mobutu doorvoerde en waarbij hij zichzelf voortaan Mobutu Sese Seko Kuki Ngbendu WaZO-Banga liet noemen. De westerling werd voorgehouden dat deze naamswijziging een hulde was aan een moedige stamgenoot van Mobutu wiens naam hij bij zijn geboorte in het Lisala van 1930 droeg, maar die hem werd «ontstolen» door katholieke missionarissen.

Mobutu liet hiermee zijn volk ook weten dat hij «niet zomaar een zwarte was», maar dat hij behoorde tot de Bangbandistam van Soedanese origine en niet tot de Bantoes. Deze en andere ontboezingen konden dagelijks worden gevolgd voor radio en televisie in de hoofdstad Leopoldstad, voortaan Kinsjasa. De tweeëntwintig jaren die verliepen tussen de aankomst van de dertigjarige werkgrage Jean Hellebosch, en zijn vertrek als lichamelijk gebroken schipper, hadden de wereld er anders doen uitzien. In Congo leek weer rust en stabiliteit te heersen. De opstand der Simba's was neergeslagen. Zwarten hadden opnieuw blanken om hulp gevraagd en hulp gekregen. Maar wat Jean Hellebosch het meest interesseerde: de binnenscheepvaart werkte weer voortreffelijk. Langs de ruim vijfentwintigduizend km. bevaarbare binnenwateren, werd Congo schijnbaar beter bevoorraad dan door het vervallen, ooit zó prestigieuze spoorwegnet.

Het is vandaag de dag niet makkelijk praten met deze schipper op rust. Hij vreest op lange, zwarte tenen te trappen. Jean Hellebosch: «Laat ons klare wijn schenken: als binnenschipper weet je niet wat er feitelijk in het land gebeurt. Wij voerden nauwgezet ons werk uit als werknemers bij de parastatale Otraco, de Office Transport Coloniale, een bedrijf dat terzake het monopolie bezat voor heel Congo. Een schipper werkt, woont en leeft op zijn schip. Voor ons was Congo één waterlijn, een aaneenschakeling van navigatiekaarten, bevaarbare routes, oevers, aanlegposten, bakens.

We konden er viermaal zo veel verdienen als in België. Tot de laatste dag geloofden we dat wij er ook de pensioengerechtigde leeftijd zouden halen. Naar vaste traditie in de schipperswereld, bemoeiden we ons nooit met wat aan wal gebeurde. Het water, dat is onze zaak. Zo ook de dertigste juni 1960, de dag van de Dipenda.

Ik voer met mijn zware «Kasangulu» op de Kasaï, richting Port Francqui. Een lastige rivier, waarvan de bedding zich om de vierentwintig uur verlegde, zodat je volledig geconcentreerd moest zijn om je duwvaartkonvooi niet op een zandbank vast te laten lopen. Voor zulke tochten had je een kleine veertien dagen nodig. Op de Congostroom werd met twee kapiteins dag en nacht gevaren. Op de Kasaï waren nachtelijke tochten onmogelijk, omwille van het grillige karakter van de waterloop. De dag van de Dipenda was voor mij, voor mijn familie, voor de blanke en zwarte bemanning, een dag als een andere.

De zwarten hadden mij al eens gevraagd wat «Dipenda» eigenlijk betekende, maar verder werd daar nooit over gepraat. Wij vermoedden dat er misschien iets zou veranderen, want Louis Major was de zwarten op hun sociale rechten komen wijzen.

Anderzijds weet elke schipper dat zolang er mensen en water bestaan er binnenschippers en vrachtvervoer nodig zijn. Wij werkten al zeventig tot tachtig uur per week. Voor ons zou de Dipenda dus ook weinig veranderen. Onze boot was weliswaar eigendom van de Otraco, maar het was ook ons huis. Mijn oudste dochter was op school in Leopoldstad, mijn zoon kon nog mee met het schip. Dipenda of niet, wij tuften voort over de Kasaïrivier.

Tegen de avond aan, word ik ineens opgeroepen langs de phonie, de rechtstreekse verbinding met de compagnie in Leopoldstad. Tot mijn stomme verbazing krijgen de schippers de opdracht alle eindbestemmingen te vergeten, en zich dadelijk gereed te maken om alom vluchtelingen in de missieposten op te pikken! 's Anderendaags bereikte ik Banningville, het huidige Banduku. Op ons wachtten vrouwen en kinderen, ontredderd en in doodsangst. Ik wist niet wat me overkwam. Wat was hier aan de hand? Congo was toch een onvergetelijk mooi en vredig land? Ik zag opnieuw de beelden uit de oorlogsjaren voor mij, met die colonnes vluchtelingen. Ik had het gevoel dat er diep in mij iets knapte.»

Jean Hellebosch werd met zijn neus op de werkelijkheid gedrukt. Congo begon ineens te bloeden uit talloze wonden, terwijl de blanke «wonderdoctors»vooraf geen symptomen hadden bemerkt. Acht jaar lang had Jean de stromen bevaren. Eerst op een barge, daarna de duwvaart. Nooit iets abnormaals gezien.

«Wij hebben de vrouwen en de kinderen naar Brazzaville gebracht, zo'n driehonderdvijftig km. verderop. De opdracht luidde duidelijk: vrouwen en kinderen. De mannen bleven achter. Ik zie ons nog wegvaren, met dat droef gewuif op de kade. De mannen zijn ginds niet lang gebleven. Een volgende boot nam hen mee.

De zwarte bemanning wist niet wat er aan de hand was. Wij evenmin. De enige verklaring die de zwarten konden bedenken: Kasavubu of Lumumba of allebei, waren gek geworden. De bevolking begreep verdomd goed dat wij, blanke schippers, hard werkten en het hele land bevoorraadden. Als wij zouden wegvallen, was het isolement compleet. Herhaaldelijk hoorde ik zwarten klagen: 'Bwana, asjeblief, maak dat de Dipenda gauw voorbij mag zijn!'. Vanuit de haven van Leopoldstad maakten wij, drie weken lang zonder enige onderbreking telkens de oversteek naar Brazzaville, gelegen aan de andere oever van de Congostroom. Brazzaville, hoofdstad van het voormalige Frans-Equatoriaal Congo, was veilig voor de blanken. Gedurende drie weken heb ik voornamelijk blanken én hun auto's verscheept. Iedereen wilde zijn voertuig meenemen.

Mijn vrouw was tevoren met de kinderen naar Brussel gevlogen. Wij zagen het anders niet zó pessimistisch. Schippers zijn per definitie optimisten. Wij geloofden dat het wel zou koelen zonder blazen en dat het veeleer om een kettingreactie ging, veroorzaakt door paniek. Zelf hadden wij nooit iets gehoord over rellen. Of toch, die januaridagen in 1959, bij een terugkeer uit vakantie in België. In Leopoldstad waren toen onlusten uitgebroken na een meeting van de Abako, een politiek-culturele vereniging van de latere president Jozef Kasavubu. Ik weet dat België van dan af over onafhankelijkheid begon te praten maar dat lag buiten onze belangstellingssfeer.

Het werd menens toen we, na drie weken lang vluchtelingen te hebben overgezet, bij de grote bazen van Otraco werden geroepen. Hun mededeling was bondig, maar glashelder: De herrie rond de onafhankelijkheid maakt Congo erg onveilig. In Leopoldstad hebben jullie nog niets gemerkt van wat zich in andere delen van het land afspeelt. Daarom onze richtlijn: iedereen MOET naar België gaan. Het zal afhangen van de gebeurtenissen tijdens de eerstvolgende maanden of wij hier nog ooit terugkeren. De zwarten hebben aangekondigd dat ze het bedrijf zullen overnemen. Bedankt voor het vele werk en good-luck'. Ik die ervan overtuigd was nog minstens twintig jaar in Congo te zullen blijven, er wellicht mijn kinderen te zien trouwen, stond daags nadien droef op de luchthaven van Brussel. De achthonderd Belgische werknemers van Otraco volgden. Niemand bleef achter. Eén van de zwarte klerken op de boekhouding was al tot directeur-generaal gebombardeerd en zat, bril op de neus, achter een enorme schrijftafel.

Otraco betaalde me nog één jaar loon uit. Daarna leek het Congolese liedje voorgoed uitgezongen. Congo stond in lichtelaaie. Stilaan begon ik erin te berusten dat ik nooit zou teruggaan naar het land waarvan ik eigenlijk nooit afscheid had genomen. We probeerden in Antwerpen een winkel op te zetten, maar dat ging niet zo vlot. Wij stuitten hier, zoals duizenden andere ex-kolonialen het zullen bevestigen, op een muur van wantrouwen en vooroordelen. Wij waren niet welkom in België. Dat gevoel hadden kolonialen vanaf de eerste dag. Dat is misschien in tegenspraak met de hartverscheurende foto's die destijds werden gepubliceerd: van de luchthaven waar het Rode Kruis de vluchtelingen een warm deken om de schouders legde. De kostprijs van die deken werd daarna van je loon afgehouden. De mensen dachten, en denken nog steeds, dat iedereen die uit Congo komt miljonair is. Wie of wat heeft die gedachte hier verspreid? Politieke slogans van toen? Het  is waar dat wij meer verdienden, maar wij werkten ook veel harder. Daar kwam nog bij dat je dubbel zoveel geld moest uitgeven aan voeding en kledij. .Congo is een peperduur land voor de blanke werker, in tegenstelling tot wat vaak wordt beweerd.

Drie jaar ben ik in België gebleven. De Simba's dompelden Congo onder het bloed. Lumumba werd in niet opgehelderde omstandigheden in Katanga vermoord. Diamantprovincie Kasaï en koperprovincie Katanga scheurden af, maar werden weer aangehecht. VN-secretarisgeneraal Dag Hammerskjoeld was in september 1961 met zijn vliegtuig neergestort. Pierre Mulele had van Congo een volksrepubliek willen maken. Telkens weer redenen om de gedachte aan een terugkeer te onderdrukken. Ik wou de Zeevaartschool volgen om een diploma als loods te behalen, maar ik bleek te oud te zijn. Geen sprake van een voorkeursbehandeling voor ex-kolonialen. De jaren tikten weg. Ik probeerde allerhande broodwinningen uit. Begin 1963, drie jaar na ons vertrek, begon ik opnieuw pogingen te ondernemen om weer in Congo in dienst te worden genomen. Ik was éénenveertig jaar, nét jong genoeg om een tweede avontuur aan te durven.»

Jean Hellebosch kon het varen niet laten en in 1963 was het zo ver: met vrouwen kinderen vloog hij weer naar Congo. Hij had zich, drie jaar lang, een banneling gevoeld en nu keek hij uit naar een vernieuwde kennismaking met de Congostroom en de Kasaï waarvan de vergezichten voor het leven op zijn netvlies waren gebrand. Tamba, de vroegere klerk van Otraco-directeur Ronse, zat dus in de fauteuil van directeur-generaal, maar had begrepen dat het met zwart ongeschoold personeel voortdurend fout ging. Hij vroeg de kapiteins van weleer opnieuw naar Congo te komen. Velen gingen daarop in, Jean Hellebosch in de voorste gelederen. Hij herinnert zich' daarover een en ander: «Ik herhaal: Congo, dat was voor mij water. En langs het water woonden brave zwarten met wie ik nooit moeilijkheden heb gehad. Steden, plantages, mijnen, enzovoort daarmee hadden wij, in de praktijk van het dagelijks leven, niets te maken.

Ter plekke bleek dat ik eigenlijk niet werd verondersteld hetzelfde werk te doen als vóór de Dipenda. Ik kreeg wel officieus de rang van kapitein en het navenante salaris, maar de zwarte bazen brachten mij aan het verstand dat er geen sprake meer was van bevelen geven. Een kapitein die geen orders mag geven! Ik werd met titels bedacht als raadgever en inspecteur. Alles werd ondernomen 'om mij te doen vergeten dat ik gezagvoerder was geweest van een bemanning die tot honderd koppen kon oplopen. Omwille van mijn pensioen en mijn directe broodwinning berustte ik. Bovendien: administratief bleef alles zowat hetzelfde. Vóór de Dipenda in 1960 was ik tewerkgesteld bij het parastatale Otraco. Thans heette het bedrijf Onatra, een Congolees staatsbedrijf dat dus Office Nationale du Transport op de documenten liet afdrukken. Er is een periode geweest dat zo'n duizend boten deze armada uitmaakten. Leopoldstad, daarvan kon je soms de illusie hebben dat het en stukje Antwerpen was (De Post 1894). Wij woonden niet langer op een schip, maar wél in de gekende Building Lulonga, langsheen de avenue du Kasaï, dichtbij het station. Aanvankelijk was dit grote flatgebouw best bewoonbaar.

Wij hebben het evenwel gaandeweg zien verloederen, zoals de hele stad trouwens. Het begrip werken was blijkbaar samen met de koloniale periode vervaagd. Rondom het gebouw leek één groot vuilnisbelt te liggen. Wie de building verliet, trok best de broekspijpen op om door de smeerboel heen te waden.

Vanzelfsprekend was ik er graag, maar je stond machteloos tegenover.de zwarten. De évolués wisten dat ze de bovenhand hadden op de blanken, en ze gedroegen zich navenant. Als schipper mocht ik zo nu en dan mee met de zwarte kapitein. Er werd me toegestaan hem raad te geven, maar het waren de zwarten die aan het roer stonden. Over deze tochten moest ik late rapporten opmaken, met verwijzingen naar fouten, advies voor verbeteringen. Rechtstreeks ingrijpen was er niet meer bij. Of mijn rapporten ooit werden gelezen? Geen idee. Vóór de Dipenda stonden wij als kapiteins van de goederenkonvooien op enige étiquette. Een lichter, met alleen de familie als bemanning is één. zaak. Héél anders wordt het wanneer men met konvooien vaart. En flèche, noemden wij dat: één boot met krachtige motor, en daarachter motorloze boten, soms wel tien, aan elkaar tot één langgerekte sliert. Of het ITB-transport, Integrated Tow Boat, een combinatie van vracht en passagiersvervoer.

Hoewel wij soms weken lang onderweg waren, bleven we smetteloze uniformen dragen. Kepi, wit hemd, witte broek, hemd, das, schouderstukken. Mijn vrouw zorgde ervoor dat ik alle dagen een vers pak kon aantrekken. Zo hoorde het, en het dwong ook bij de zwarten respect af. Na 1963 hoefde het niet meer. De zwarten droegen dit uniform, wij stonden er in burgerpak bij.

Ik leerde stilaan aan de walleven, en me te verzoenen met de stapels papieren die ik moest invullen. Mijn vrouw werkte bij het grondpersoneel van Sabena. Ik herhaal, zowat iedere wereldstad heeft dezelfde kenmerken. Wij verdienden goed ons brood, maar het leven was erg duur. Er waren ontspanningsmogelijkheden alom. Van enig rumoer of opstandigheid heb ik nooit iets gezien. Tot in 1974, bij mijn tweede en definitieve vertrek, leek Leopoldstad het vredigste plekje ter wereld.

Het is waar dat wij ons eigen leven leidden. Ons flatje aan de Avenue du Kasaï konden we goed onderhouden. Er was Radio Leopoldstad, er waren de Werelduitzendingen, de kranten I uit België en, zo vanaf 1970, zowaar televisie. Studio Kinsjasa en Studio Brazzaville. Televisie, dat was een nieuwigheid, en dus was iedereen tevreden met de twee programma's 's avonds. Ik herinner me erg weinig van die uitzendingen. Wel was er een mooie omroepster. Op een dag kondigde zij aan dat er zou worden overgeschakeld op kleurentelevisie. A partir de maintenant vous allez me voir en couleur. Dit wekte enige lachlust op , want er veranderde bitter weinig: ze was zwart en ze bleef zwart. Alleen in de achtergrond zag je iets kleurigs.

Die tv-programma's brachten een afspiegeling van de grote, verwarring die zich van de zwarten meester had gemaakt op de kruising van twee culturen. Ze draaiden films, véél films. Zelfs met John Wayne, die was graag gezien. Daarnaast allerhande komische films waarvan ik het grappige niet altijd inzag. Véél voetbal, enorm veel voetbal. Al wat in Kinsjasa tegen een bal kon trappen, werd in beeld gebracht. Op de uitzendingen waren ze eveneens verzot. En op muziek, maar ik herinner me alleen een eindeloze trits tango's. Hoofdbrok vormde dikwijls één of andere politieke speech. Mobutu kwam zowat dagelijks op het scherm.

Denkend aan de rustige dag later, in België, legden Yolande en Jean Hellebosch zich bij de toestand neer. Kinsjasa was veilig, en dat was het voornaamste. De hoop opnieuw als kapitein de Congolese wateren te bevaren, was ondertussen begraven bij . Jean die vanaf 1974, steeds voor rekening van Onatra, aan de wal ging werken. ‘Chef de beach’, om het in een onvertaalbare term te zeggen. Kaaimeester.

Hij werd verantwoordelijk voor lossen en laden, voor het verzenden nadien. «Ze zeggen van Antwerpse havenarbeiders dat het grootmeesters zijn in het ongezien keer je rug niet, of hij werkt niet verder. Niet uit luiheid, maar omdat zijn zelfvertrouwen weg is zodra de blanke is verdwenen.

Hij rekent op de blanke om hem op zijn fouten te wijzen

In 1967 heb ik enige spanning meegemaakt in de stad. Dat had te maken met een nieuwe politieke grote schoonmaak van Mobutu. Hij stichtte de partij MPR, Mouvement de la Révolution. De MPR zou later uitgroeien tot de enig toegelaten politieke partij in Congo. In de stad begon deze MPR allerhande controles uit te oefenen, zoals bv. op autobussen die de blanken naar hun werk brachten. Versperringen op de weg plaatsen, en dan iedereen laten uitstappen. Je leert daarmee te leven. We moesten onze tassen openen en om te tonen of we geen wapens, zoals handgranaten bij ons hadden. Vaak zagen laten verdwijnen van allerhande spullen. Maar ik kan u verzekeren dat de zwarte dokkers van Kinsjasa die van Antwerpen veruit overtreffen. Het zijn tovenaars in die materie. Vergeet niet dat zij in het donker kunnen zien. Via het kleinste gaatje kunnen ze een maximum aan materiaal of goederen weghalen. Dat komt wellicht ook doordat de zwarte een onuitputtelijk geduld heeft. Geef hem een brok ijzer, en zeg hem dat' hij daarvan een scherp mes moet maken. Hij zal het doen, zelfs al duurt het dagen. Maar ze onze boterhammen voor de middag en je kon erop rekenen dat je dat eten moest afgeven. Ze hadden honger, zeiden ze, of ze zaten thuis met een ziek kind. Alle redenen waren goed.

Wilde dieren? Eerlijk gezegd, ik heb nooit last van ze gehad. Op mijn schip was ik vanzelfsprekend door geen enkel beest te benaderen. Slangen heb ik, geloven of niet, zogoed als nooit gezien. Soms zag je in het water in de verte een familie nijlpaarden, maar die maakten dat ze wegkwamen wanneer ze het schip hoorden. Zo.'n schip, dat hoorde je van kilometers ver aankomen.

Je moet weten dat wij 's nachts ook voeren, met twee schijnwerpers van tweeduizend watt. Het traject Leopoldstad - Stanleystad bedroeg 1734 km. en dan weer terug na een rust van 24 uur.

Honderden kilo's insecten in totaal heb ik in die periode 's ochtends op een hoopje geveegd. Stel je maar eens voor wat het betekent met zo'n sterke lichtbundel 's nachts de oevers van de stroom, in de brousse af te tasten. Het was voor mij een vertrouwd beeld, overal die lichtende puntjes te zien. De weerkaatsing van de dierenogen. Langs de oevers zag je 's nachts talloze oranje stipjes, dicht bij elkaar. Dat waren de krokodillen, toen alom aanwezig. Antilopen zag je 's nachts ook.

Dé gruwel voor iedere schipper was de wildgroei van de waterhyacint op de Congostroom en de Kasaï. Eigenlijk was dat een plaag geworden, veroorzaakt door een verstoring van het evenwicht in de natuur. Rond 1954 bracht een Amerikaan een waterplant mee uit de St. John Missouri. Een waterplant die een prachtige bloem voortbracht. Een hyacint. Hij kweekte die in Coquilhatstad, in een vijver die evenwel tijdens een boel aan een stortregen, overstroomde. De planten kwamen in de rivier terecht, en binnen de kortste tijd zorgden die voor enorme overlast. Schitterend voor het oog, deze bloemenpracht, maar door deze tapijten die soms honderden meters lang waren, werden de boeien onzichtbaar, en raakten de scheepsschroeven onklaar. Je moest om de drie uur het schip laten schoonmaken. Deze plant heette, volgens de boeken, eicornia crassipes en vond in de temperatuur en de samenstelling van het water, een buitengewone groeibodem. Al wie ooit op Congolees water heeft gevaren, weet waarover ik het heb.

Hoeveel duizenden mensen meenden niet dat zij op vaste grond traden en tuimelden het water in! Kleine zwarte slangen, een soort paling, woonden temidden van deze hyacinten. De zwarten vingen die serpenten en aten ze op.

Men heeft me verteld dat, vandaag, deze waterplant héél Congo heeft overwoekerd. Wellicht zijn er niet genoeg detergenten om die groei tot staan te brengen. Ik heb Mobutu vaak gezien, bij de te waterlating van schepen. Hij is erg gesteld op ceremonie en uiterlijke praal. Zijn kapiteins kwamen vroeger naar de werf in een Volkswagen-Kever, een erg populair wagentje in Congo. Op zekere dag verbood hij dat. Het paste niet bij hun status. Ze kregen een Mercedes 280 S cadeau.»

Voor Jean Hellebosch is het allemaal abrupt, en pijnlijk geëindigd. In 1971 raakte hij, in de haven van Kinsjasa, betrokken bij een ongeval. Hij viel door het luik in het ruim van een lichter en werd opgeraapt met zware verwondingen aan de rug. Een lijdensweg, met opname in diverse Belgische ziekenhuizen en ziekteverlof in Congo. Hij poogde verder te werken in de hoop de magische pensionering in 1980 te halen. Helaas: in april 1974 terwijl hij opnieuw in België was om behandeld te worden voor een dreigende verlamming, ontving hij op zijn ziekbed een brief, verstuurd door de zwarte directie van Onatra, het bedrijf waarvoor hij al sinds 1952 in Congo werkte. In koele bewoordingen werd hem meegedeeld dat men verder geen geduld noch tijd meer kon opbrengen voor een werknemer die er zo erg aan toe was, en dat hij derhalve om medische redenen werd ontslagen. Onmiddellijk. Anderen zouden zijn werk overnemen.

Jean heeft dat nog altijd niet verteerd. Zijn leven is dof geworden. Hij zegt: “Uiteindelijk raakte ik niet verlamd, ik kan me behoorlijk bewegen. Maar ik had een betere behandeling verdiend. Een tweede overhaast vertrek uit Congo. Mijn vrouw kon niet anders dan ginds haar job opzeggen, en ook naar België komen. Zestien maanden werd ik uitbetaald, daarna zag ik geen frank meer. Ik kan je verzekeren dat je, met twee kinderen thuis, je zuurverdiende geld ziet wegsmelten wanneer je jaren zonder inkomen blijft. Mijn vrouw is weer gaan werken maar ik ben, met mijn invaliditeit aan vijfenveertig procent, niet meer aan de slag geraakt. Alleen als ik terugkeer zou ik misschien enige vergoedingen kunnen ontvangen. Inzake mijn pensioen werd ik eveneens bestolen. Ik heb de hele tijd gestempeld. Wie durft beweren dat ex-kolonialen allemaal rijke mensen zijn?»

 

2 Jean Helleboseh. in zijn beste tijd: het smetteloze uniforn maakte diepe indruk op de zwarten.

3

Het echtpaar Hellebosch-Detaey in betere Congolese dagen, anno 1952.


4

De Dipenda raast over het land. In Leopoldstad proberen de blanken hun auto’s naar Brazzaville mee te nemen.Drie weken lang duren die tochten met Jean Hellebosch aan het roer.

5

Het motorschip Kunzulu: Hier was Jean Hellebosch schipper naast God.