Getuigenis : Piet Meysmans

Politiecommissaris in Elisabethstad,

Het Donker Hart Van Afrika Ex-kolonialen over Ex-Belgisch Congo 25 jaar na de dipenda
© Getuigenissen verzameld door de auteur Gust Verwerft
Verschenen in het tijdschrift "DE POST" in 1985, ter gelegenheid van 25 jaar onafhankelijkheid. Niets uit deze webpagina mag op enigerlei wijze worden gekopieerd of vermenigvuldigd zonder uitdrukkelijke schriftelijke toestemming van de webcreator of de auteur. Ik dank Dhr Verwerft voor zijn toelating om te publiceren op de site. Indien uzelf een verhaal heeft geschreven over 1960 als reporter of journalist aarzel niet deze te laten publiceren op de website congo-1960.be Terug naar 25 jaar na de dipenda : Getuigenissen van : Jean, Ann, Madeleine, Ernest, Jos, Jack, Gusta, Piet, Gil en Bernard, Theo, Frans, Albert, Louis, André , René, Jan

 

Zijn vrouw wilde zo vlug mogelijk vertrekken, het klimaat was ondraaglijk. meysmans2.jpg

meysmans1.jpg

Piet Meysmans (rechts) tijdens zijn hoogdagen in Elisabethstad. Josefien Mortier uit Pulle, Echtgenote Piet Meysmans.
Piet Meysmans (60 j.) uit Antwerpen was adjunct-politiecommissaris bij de territoriale politie in Elisabethstad, in Congo kortweg E'ville genoemd.
  • Dadelijk terugkeren, indien mogelijk. Alleen al omwille van het klimaat
  • Ze gooiden met stenen toen ik aankwam, ze wierpen handgranaten toen ik vertrok.
  • Wij waren nog niet vertrokken of de zwarten hadden de zweepslagen weer ingevoerd.
  • Dat samenhorigheidsgevoel, die kameraadschap onder kolonialen, dat konden ze in het moederland niet begrijpen
  • Honderdduizenden zwarten die een wielerwedstrijd met gangmaking bijwonen en Rik Van Steenbergen uitjouwen omdat hij zijn gangmaker niet voorbijsteekt.
  • Hoe kon er een rechtspraak naar Europese maatstaven zijn?
  • Ik heb boys weten verschijnen voor het tribunaal omdat ze de gewoonte hadden in de koffie van hun baas te urineren.

Was het misschien een vluchtweg. Een ontsnappingsroute ooit geestelijke of materiële nood. De meest voorkomende motivaties waren de lokroep van het avontuur, uitzicht op geldgewin, genezing van frustraties, de versnelde vuurvaste uitbouw van een loopbaan, bevrediging van een superioriteitsgevoel. sociale bewogenheid of de niet altijd even duidelijke , drang tot beschaven en bekeren. Maar ook de immer schijnende zon, de veelheid van onvergetelijke vergezichten en de bedwelming van fauna en flora maakten diepe indruk op de kouwelijke Belg die, tweeënvijftig weken per jaar, reden had om het Belgisch klimaat te verwensen. Vandaag, vijfentwintig jaar na het hocus-pocus van de “Dipendance”, haalt de beschrijving van klimaat en streek nog steeds de boventoon in de vertellingen der oud kolonialen.

De muur

Waarom vertrok iemand vanuit het beschutte moederland België naar de betrekkelijke onzekerheid van een kolonie overzee? Voor sommigen van Rare herinneringen geraakt verweerd, maar de gedachte Ban de zoo die ze ginds achterlieten, veroorzaakt tegelijk moeheid en opstandigheid.

De carrière die hij ginds wilde opbouwen, eindigde met een verwarde repatriëring van vrouw en kinderen. Piet Meysmans hield het met het pistool in de vuist, nog weken vol in een woelig E'ville waar de zwarten eerst mekaar afslachten vooraleer zich tegen de blanken te keren.

Over een zon die alle dagen schijnt.

Mevrouw Michel Moncarey had het al verteld: «In Bunia was het altijd zomer. Wanneer in België de zon schijnt, lijken het plots andere mensen in een ander land. De Congolese zon had op de kolonialen de uitwering van een wonderbalsem. Wanneer ik terugkijk, liet ik enkel zonnige dagen, goedgehumeurde mensen, levenslust en levenskracht. Ik wil er terugkeren, liever vandaag dan morgen, en dat alleen maar omwille van die zalige warmte.

Ook Piet Meysmans, een ronde, joviale ex-koloniaal uit Deurne, put zich telkens weer uit in uitbundige lofzangen op de Congolese natuur. Hoewel hij tijdens zijn loopbaan als blanke politieman, zowel letterlijk als figuurlijk, tot schietschijf voor de zwarten diende, droomt hij meestal weg wanneer hij aan de Afrikaanse zon denkt: «Nee, ik geloof niet dat ik fantaseer wanneer ik beweer dat de zon immer scheen. In Elisabethstad heerste, naar blanke normen, het meest ideale klimaat. Voor de zwarten was het hier te kil, zeker tijdens het koude seizoen, wanneer we 's avonds houtblokken in de open haard stookten.

In den beginne, woonden er rond E'ville weinig zwarten, gewoon omwille van het klimaat. Naarmate de blanken er hun stad bouwden, werden ook de zwarten aangelokt door de veronderstelde welstand. Op de vooravond van de onafhankelijkheid in 1960, hadden de veertienduizend blanken het gezelschap gekregen van ruim honderdduizend zwarten aangelokt door de veronderstelde welstand. Op de vooravond van de onafhankelijkheid in 1960, hadden de veertienduizend blanken het gezelschap gekregen van ruim honderdduizend zwarten verspreid over wijken als Kenia, Katuba, Ruashi, Kasaba en Albert. Wij, met ons beperkt politiekorps temidden honderdduizend zwarten. Je mocht daarover niet te vaal nadenken...

Zeg het met stenen werpen .

In juli 1955 zat het jonge echtpaar Piet Meysmans-Josfien Mortier te dromen op de CMB-boot die hen naar Congo bracht. Piet zou in Congo promotie maken als adjunct-commissaris en hun verblijf zou vele termijnen duren. Piet was aangelokt door een grote advertentie in het Staatsblad waarin kandidaten werden gezocht, om bij het koloniale politiekorps een bliksemcarrière te maken. Piet was niet de enige simpele duif die daarop inging. Het België van 1955 leefde immers in het stereotiepe Belgo-Congolese sfeertje dat werd aangekweekt via Liebigprentjes, chromo's van Chocolade Jacques, boodschappen van de missiebroeders, verzameld zilverpapier, het Congomuseum in Tervuren, de lessen in vaderlandse geschiedenis en gezang over het «Land-waar-uw-vlag-staat-geplant.» Wie kon zich op dat ogenblik voorstellen dat heel Afrika op een smeulende vulkaan leefde, en dat het hele werelddeel zich opmaakte om t gaan vechten om hetgeen als “onafhankelijkheid” werd omschreven. Een begrip waarover iedere stam in zwart Afrika Ben eigen versie op na hield.e De illusies die Piet Meysmans, als dertienjarige, had opgebouwd, werden al stukgeprikt tijdens zijn allereerste opdracht, in augustus 1955. Hij herinnert het zich haarscherp: «Het was me vlug duidelijk dat het hier een kwestie zou worden van hard, keihard werken. Vaak meer uren kloppen dan in België, nachtdiensten, weekends. Daarbij. weinig ontspanningsmogelijkheden. Dat hinderde me niet. Zoals iedere blanke was ik naar Congo gekomen met de bedoeling vooruit te geraken. We wisten dat het geen luilekker leventje zou worden en dat het ontbreken van discipline bij de zwarte bevolking, een job van ordehandhaving verre van makkelijk zou maken. Ik was me evenwel niet bewust van enige vijandigheid tegenover de blanken. Ik vermoed dat wij. zoals alle blanken in Congo, leefden in de veronderstelling dat, volgens de wegen der geleidelijkheid en beschikbaarheid, de kaders beter zouden worden gevormd door zwarten. Wetend hoe weinig évolués al waren gevormd en hoe weinig zwarten zich hadden kunnen of willen aanpassen aan een blanke administratie, leek het als nog tientallen jaren te zullen duren vooraleer wij hier zouden uitgezongen zijn. Ik zat nog niet zo lang achter mijn schrijftafel, toen we met een patrouille moesten uitrukken voor een banaal verkeersongeval in het Quartier Albert van E'ville. Al in die periode - vijf jaar voor de Onafhankelijkheid - kon zoiets aanleiding zijn tot zware rellen. Een verkeersongeval kon ongewild een samenscholing van zwarten veroorzaken, en de blanke kon dan niet voorzichtig genoeg zijn. Ik zie me nog altijd ter plekke verschijnen, onder mijn tropen helm en in korte broek. Binnen de kortste tijd begonnen de zwarte ons met stenen bekogelen. Ik stond stom verbaasd. Het kordate optreden van mijn collega’s redde de toestand, vanaf dat ogenblik wist ik dat, wanneer in België over Congo werd gesproken, een ander Congo werd bedoeld. Voor ons was geen welkom met bloemen, maar met stenen…”

Piet Meysmans: “ Toch waren mijn kongolese jaren de mooiste jaren uit mijn leven.

De zon en het groen maakten veel goed, maar bovenal was het de kameraadschap, dat gevoel van samenhorigheid. Wanneer ik mezelf dat nu hoor vertellen, klinkt zoiets vreselijk oubollig. Clichématig, geknutseld. En toch kan men dat bij iedereen terugvinden. Ik ken auteurs die alleen al over dat het-gevoel-kolonialen-onder-mekaar-te-zijn, boeken hebben geschreven. Je kon steevast op mekaar rekenen. Je kon je aan andere niet voor mekaar verbergen -.zoals dat nu voorvalt in werkmilieus. Iedereen kwam bij iedereen over de vloer. We zochten mekaar 's avonds op. Televisie bestond nog niet.

Het feit dat wij, het politieapparaat van E'ville, zo aan mekaar klitten, had wellicht ook te maken met het zoeken van veiligheid. Wij wisten dat wij agenten niet bekend stonden als sympathieke kerels. Dat kan niet, nergens ter wereld. Dus ook niet in E'ville. Met die gedachte hadden we ons verzoend. Toch betrapten we ons er geregeld op dat we liever niet alleen waren. Omwille van dat samenhorigheidsgevoel, werden ook de taalgrenzen gesloopt. Alles verliep hier in het Frans, op straffe van sanctie. Mogelijk om de zwarten niet de indruk te geven dat er Vlamingen, Walen en Brusselaars bestonden. Een zwakke poging, want na één week Congo had ik begrepen dat iedere évolué wist dat in België de talen voor breuklijnen hadden gezorgd. Hij vond zoiets gewoon, want het taalprobleem was zo oud als Afrika...»

Beginnen met stenen, eindigen met kogels.

Veel later is Piet Meysmans toe aan het verhaal van zijn laatste belevenissen op Congolese grond: «Na de Expo '58 ging het van kwaad naar erger. In geen Belgische krant stand daarover iets te lezen, maar wij wisten hoe laat het was. Steeds vaker weigerden zwarte agenten opdrachten uit te voeren.

Trouwens, het gebeurde vaker dat zij tijdens een opdracht door andere zwarten werden gemolesteerd en dit omwille van stammenverschillen waarop wij, als blanken, nauwelijks zicht hadden. Zwarte brigadiers verschenen 's nachts geregeld niet op dienst, zodat wij de wijzers van de klok moesten rondwerken.

Het fetisjisme begon weer te regeren.

Zwarten die zich in de stad door andere zwarten betoverd voelden, en hun zaak voor de inlandse rechtbanken brachten. Moorden, overvallen op winkeliers en handelszaken. Er heerste een onveiligheid die het best te vergelijken is met die in onze grootsteden nu. Daarover werd gezwegen, en zeker en vast niets bericht in het moederland. De bevolking in België wist niets beters dan dat het aardsparadijs nog altijd aan ons stukje Evenaar lag.

In Elisabethstad zaten wij met een extraprobleem. In dezelfde stad woonden Moïse Tshombe en zijn rivaal Jason Sendwe. Deze twee heren vochten al sedert enige jaren hun vetes uit, maar naar mate allerhande politieke ideologieën werden opgelepeld, nam die strijd toe in alle verbetenheid. Ik kan bij benadering niet meer zeggen hoe vaak wij, de stadspolitie, levende hagen hebben moeten vormen om beiden, en hun aanhangers van mekaar te scheiden. Moïse Tshombe was een Lunda en zoon van een stamhoofd uit Jadotville. Hij had een klein tabakswinkeltje in het Quartier Albert. Hij werkte ook op het parket, voor de Belgen. maar ik kan niet vertellen wat hij daar precies uitvoerde. Jason Sendwe was een Baluba en sedert jaren de aartsvijand van Tshombe.

Na de Onafhankelijkheid probeerde hij een tijdlang in Noord-Katanga de illusie op te houden van een eigen staat: de Lualaba. Op een dag kreeg ik van de gouverneur het bevel beide kemphanen bij hem te brengen. De ene weigerde in hetzelfde voertuig plaats te nemen als de andere. Voor een van de weinige keren tijdens mijn Congolese periode, verloor ik toen mijn geduld. Ik heb ze toen allebei met onzachte hand bij de kraag gepakt, in mijn jeep gesleurd en ik ben met hen recht naar de residentie van de gouverneur gereden. Wij dachten dat beide onruststokers nu een tijdlang uit circulatie zouden verdwijnen, maar 's anderendaags stonden ze alweer op straat de massa op te jutten. Dergelijke voorvallen deden ons begrijpen dat het einde in zicht was. Toch kwam de ineenstorting nog heel onverwacht. In het nabijgelegen kamp Kasapa brak op een nacht de hel los. Van alle kanten weerklonken geweerschoten, en in geen tijd waren tienduizenden zwarten ter plekke. Wij hadden de grootste moeite hen uit het kamp te houden. Wat er in die, zeg maar kazerne, gebeurde, wisten wij niet. Een groep zwarte soldaten had een voorraad munitie weggesleept. Om het verzet te organiseren. Maar het moet zijn dat ze niet tot een gemeenschappelijke actie kwamen, want plots begonnen ze op mekaar te schieten. Gevaarlijk was dat zij talloze kisten met handgranaten hadden uitgedeeld. Het waren tenslotte blanke militairen geweest die de muiterij hebben neergeslagen nadat het kamp een hele tijd geïsoleerd werd. Ik vermoed dat zo'n honderd zwarten om het leven kwamen. Het zouden er wellicht duizenden zijn geweest, indien de muiters met hun vrachten munitie en zeker met die handgranaten, de stad hadden kunnen intrekken. Alle zwarte soldaten werden naar andere garnizoenen overgeplaatst, en in E'ville kwam een nieuwe lichting. Naderhand bleef het maanden weer betrekkelijk rustig, maar voor vele blanken was deze gebeurtenis het signaal lot een stille uittocht...» Piet Meysmans: «Het was me al geruime tijd opgevallen dat in allerhande dienstnota's we degelijk rekening werd gehouden met het uitbreken van onlusten. In de stad bijvoorbeeld werden flatgebouwen vrijgemaakt om de familieleden van het blanke politiekorps onder te brengen. Een plan dat nadien erg nuttig is gebleken. Terwijl de roep om «Dipendance» door de stad groeide, poogden wij ons te beschermen op de commissariaten. Onze families zaten bij mekaar. De repatriëring langs de luchthaven verliep soepel. Wij bleven achter, hopend dat de redelijkheid na de onafhankelijkheidsfeesten zou terugkeren. Twee maanden na de “Dipendance” ben ook ik vertrokken uit een E'ville dat al aan verwildering toe was. De zwarten hadden de sleutelposities overgenomen binnen de stadspolitie en de territoriale politie. Zij zaten achter grote schrijftafels, schreven met gouden pennen, droegen allemaal een bril, een hoed en een wit hemd, lazen de krant en dronken koffie. Wij blanken moesten andere tenues aantrekken, zoals bijvoorbeeld een broek met lange pijpen. De zwarte chefs op het commissariaat waren de eersten om de ranseling en de zweepslagen weer in te voeren en om de cellen vol te stoppen met onwilligen. Werken werd niet meer gedaan. Dat was een begrip uit de koloniale tijd. De ene blanke commissaris na de andere vertrok. Zonder zichtbaar afscheid te nemen. Samen met anderen, geraakte ik met een auto tot in Zuid-Afrika, en vandaar ben ik naar België teruggekeerd. Veel Fotos bezit ik niet. De fotografie was toen niet zo geëvolueerd als nu. Maar eigenlijk heb ik geen beelden nodig om alles weer voor mij te zien. Tientallen anekdotes die me niet meer los laten, zoals die wielerkoers in het sportstadion van Elisabethstad. Of de nervositeit rond voetbalwedstrijden wanneer de supporters, net als bij ons nu, mekaar naar het leven stonden. Het werd pas gevaarlijk als een supporter erin slaagde het veld op te rennen, en een fetisj in het doel van de tegenstander te deponeren. Dan hadden we geen agenten genoeg om een totale overrompeling te voorkomen. Ik herinner me ook nog dat verhaal van de zwarte die veertien dagen in de cel zat, zonder eten en drinken. Dat was een voorval, kort na de Dipendance, toen de zwarten de zorg om de gevangenissen hadden overgenomen van de blanken. Ze vonden het heel gewoon om iemand in de cel te laten creperen. Ik durf er niet aan te denken wat er ondertussen allemaal in die gevangenissen moet zijn gebeurd, want die zwarten hadden heel aparte begrippen over pijn en wreedheid...»

Eind 1960 stond Piet Meysmans opnieuw in Antwerpen, samen met zijn drie zonen en zijn vrouw. Zoals de meeste kolonialen die in Congo in opdracht van de staat hadden gewerkt, heerste onduidelijkheid over hun statuut en over de wijze waarop zij opnieuw in het administratief apparaat moesten worden opgenomen. Piet Meysmans, de Compolice Principal van Elisabethstad die daar een post van hard labeur maar ook van aanzien bekleedde, begon in Deurne opnieuw als gewoon politieagent om slechts in 1972 weer adjunct-commissaris te worden.

Meysmans nodigde ons uit voor een tweede gesprek. De urenlange babbel van de week voordien had méér souvenirs losgeweekt. Hij lag opnieuw wakker, met voor zijn ogen het decor waarin hij van 1955 tot 1960 had gewerkt. geslapen, geleefd. Zijn geest stond weer op scherp. Hij kende opnieuw alle inlandse woorden, citeerde dienstnota' s uit het hoofd en herkende eindelijk weer de gezichten op de portretten, «Ik zou nog een en ander willen vertellen, verduidelijken», legde hij uit aan de telefoon. «Alleen mensen die in Congo hebben gewerkt, kunnen begrijpen hoe wij dachten», begint Piet Meysmans zijn tweede vertelling. «Voor de anderen moet dat overkomen als kinderlijk gepraat. Nochtans, allemaal waren wij doordrongen van de gedachte aan humanitair werk te doen. De vrijheid van de inlandse bevolking stond voorop, Het was voor ons onvoorstelbaar dat de zwarte van zijn vrijheid zou zijn beroofd. Ze kwamen toch vrijwillig naar de steden of bij de blanken werken? Het ging zo ver dat een pasjeswet moest worden uitgevaardigd om een overrompeling van de steden te verhinderen.

Ik denk daaraan als ik tv-reportages zie over Zuid-Afrika. Wat daar nu gebeurt, is gewoon, met vijfentwintig jaar vertraging, een herhaling van de situatie in Congo in 1960. Eigenlijk is dat eenvoudig: ieder lid van een stam wordt verondersteld een «broeden. te zijn. Dat betekent dat. wanneer talloze broeders uit de jungle naar de stad komen, ze zonder veel uitleg hun intrek nemen bij een stamgenoot die er soms jaren woont en, volgens het gewoonterecht van de stam, verplicht is hen bij zich op te nemen. Dat verklaart waarom de Congolese steden zo aanzwollen en nog steeds aangroeien. Het legt ook uit hoe de bidonvilles ontstaan en waarom een stad wordt overrompeld door de misdaad. Alles wat niet te heet of te zwaar was, werd gestolen. Honderd diefstallen per dag, en nooit een dader gevonden..."

Alle adjunct-commissarissan van Elisabethstad moesten na 1958 een spoedcursus judo leren teneinde voorbereid te zijn om confrontaties met opgewonden zwarten. De dienstnota drongen erop aan “geen wapens “ te gebruiken

Er is meer zwart en minder zwart.

Piet Meysmans uit Deurne heeft het gedwongen adieu nooit helemaal kunnen verwerken en wat een gesprek zou moeten zijn, is eigenlijk een lange serie oprispingen. De dag dat in Elisabethstad, in kamp Massart en kamp Simounet, zwarte muiters het Belgisch vaandel verbrandden, is ook Piet Meysmans binnenin gekwetst geraakt, en een relaas verlicht twintig jaar nadien weer de pijn:. «Na een paar maanden Congo had de blanke geleerd dat zwart niet altijd zwart is. De kleur van de zwarte vertoont veel varianten en schakeringen zoals het blonde ras. Niemand zal een Spanjaard verwarren met een Deen. De blanke die geen onderscheidt maakt tussen de zwarten, en veronderstelt dat zwart zwart is, maakt een grote blunder. Wie niet het verschil kende tussen een Baluba-Katanga en een Baluba-Kasaï, kon hevige rellen veroorzaken. Katangese zwarten zijn kleine, bruine ventjes. Oud voor hun leeftijd. De Kasaï daarentegen zijn grote, stevige kleppers. Ze zijn ook slimmer, hebben een rijkere cultuur. De Katangezen spraken altijd minachtend over de Kasaï. Ze konden het woord “Kasaï” uitspreken als spuug. De Katangese zwarten hebben de neiging zich de superzwarten van Congo te voelen. Na de Dipenda is daarover veel duidelijk geworden... Lekker bier .

Piet Meysmans kan zich niet herinneren dat in Elisabethstad blanken waren die het leven leefden van een asceet. Dat lijkt schier onmogelijk in een werelddeel waar de polygamie een heilig recht, is en waar uitermate lekker bier werd gebrouwen. «Het Simbabier. De smaak en de uitwerking hadden een weerklank tot in Europa. Ongelooflijk wat er bijwijlen werd afgedronken.

Het Simbabier was een bindmiddel tussen blank en zwart. In de zwarte cité van Elisabethstad waren 200 bars. De patrons kwamen flink aan de kost. Ik herinner me café «Chez Madame Gerard.., Quartier Albert. Wie in Elisabethstad is geweest, moet die naam kennen. Hier kwamen de zwarte boys hun pocho (weekgeld) en zelfs hun maandloon opdrinken. De dag van de uitbetaling was het kermis.

Dan galmde dagenlang de muziek keihard door de wijk, meestal totdat de politie optrad omdat het wat te gortig werd. De laatste maal dat ik “Chez Madame Gerard”. moest bezoeken, was het feest net afgelopen, bij gebrek aan drank. Op één etmaal hadden ze daar welgeteld 460 bakken bier met twaalf flessen van 1 liter uitgedronken. Niemand die eraan dacht de zwarten deze pleziertjes te ontnemen. Ook de blanken lieten zich trouwens niet onbetuigd. Het uitgaansleven had zijn voordelen. Indien wij bijvoorbeeld een bepaald bericht wilden laten circuleren, volstond het zoiets tegen één zwarte te zeggen. Een half uur later wist de hele stad het...

Loting voor executie.

Wij moesten de meest uiteenlopende karweien opknappen. Zo waren wij, in willekeurige volgorde, bij gelegenheid gevangenisdirecteur, haven kapitein, luchthavencommandant of chef van de brandweer. Tussen de adjunct-commissarissen werd ook geloot om executies uit te voeren. Zo moesten we eens twee zwarten ophangen. Ja, ophangen, nadat de rechtbank vonnis had geveld. Ze hadden in een groot warenhuis een zamu, een slapende bewaker, doodgeschoten. Moord in koelen bloede. De rechtspraak was eenvoudig: de doodstraf. Het kon niet anders, hoe zou je in het Elisabethstad van die tijd een zwarte jury hebben kunnen samenstellen, naar het model van het Europese Hof van Assisen? Voor de rechtbank heb ik boys weten verschijnen die de gewoonte hadden in de koffie van hun blanke baas te urineren. Of die vele overtredingen van het Congolese Strafwetboek, zoals de zwarte die tienmaal zijn huis verkocht en tienmaal het voorschot had opgestreken. Ook opvallend: de afgestudeerden, de évolués, meldden zich het liefst aan als boy in de huishouding. Dat betekende makkelijk werk, goed betaald en geen verantwoordelijkheid. Ik heb me, later in Europa, vaak zitten afvragen wat wij eigenlijk bedoelden met “beschaving”? In naam van wie of wat zijn wij daar gaan “beschaven”? De zwarte leefde ginds kortstondig, maar gerust en betrekkelijk gelukkig. Op hem waren nog geen. doemgedachten losgelaten, de beschavingsziekte had hem nog niet aangetast. Wij kwamen zijn denkwereld verscheuren. We wilden hem opleggen slechts één vrouw te hebben, we wilden hem dingen Ieren die hij niet nodig had. Aan zijn telwoorden en zijn eigen woordenschat had de zwarte voldoende om alles uit te drukken. Wij hebben er nooit aan gedacht dat de zwarte man zich gelukkig voelde met de vele vrouwen die hij mocht hebben. Vrouwen die bovendien voor hem werkten. Wij kwamen naar Congo met de 'idee fixe' dat zwarten zo niet verder konden, en dat zij anders moesten gaan leven en denken. Een opdracht die eigenlijk bij voorbaat tot mislukken was gedoemd. De mannen kwamen nu naar de steden, met hun vrouwen. De mannen gingen werken en schuimden de kroegen af. Thuis zaten zijn vrouwen zich te vervelen in een klein huisje, in een omgeving die de hunne niet was. De verveling en de luiheid begonnen te knagen. Ook een reden, misschien de belangrijkste, waarom plots honderdduizenden begonnen te zingen over de «Dipenda... Ze moeten gedacht hebben dat deze «Dipenda een tovermiddel was tegen alle kwalen, zeker tegen de leegheid en het uitzichtloze.., aldus Piet Meysmans die thans tijd in overvloed heeft en, zoals vele anderen, vastbesloten is zijn memoires op papier te zetten. “Omdat zoiets niet mag verloren gaan, want de mens van morgen zou ons toch niet meer geloven.”

meysmans4.jpg

De boog kon niet altijd gespannen staan. Piet Meysman vertelt in een bar de allerlaatste aan collega's Frans Cornelissen(Baarle-Hertog), Gilbert Allard (Moeskroen) en Marcel Lesenfant (Luik).

meysmans.jpg

Adjunct-commissaris Adolf Tienpondt met een peloton zwarten die werden opgeleid tot agent of brigadier van de territoriale politie in Elisabethstad.

meysmans3.jpg

Alle adjunct-commissarissan van Elisabethstad moesten na 1958 een spoedcursus judo leren teneinde voorbereid te zijn om confrontaties met opgewonden zwarten. De dienstnota drongen erop aan “geen wapens “ te gebruiken

Hoog bezoek. Tilmany (provinciaal commissaris van Katanga), provinciegouverneur Palinckx en de procureur des konings Vogel. klinken op de goede afloop.

© 2002 Gust Verwerft - Congo-1960

SiteLock
share this - partager le site - deel dit document

About Us | Contact | Privacy | Copyright | Agenda  
Ook op het internet gelden de auteursrechten. Werken die auteursrechtelijk beschermd zijn, zoals tekeningen, foto's, muziek, film en software, mag u niet verspreiden via het internet zonder de uitdrukkelijke toestemming van de auteur. Delcol Martine