Getuigenis : Kamina-pionier Theo Fabes

De verrukkelijke alledaagse waanzin in Kamina..

Het Donker Hart Van Afrika Ex-kolonialen over Ex-Belgisch Congo 25 jaar na de dipenda
© Getuigenissen verzameld door de auteur Gust Verwerft
Verschenen in het tijdschrift "DE POST" in 1985, ter gelegenheid van 25 jaar onafhankelijkheid. Niets uit deze webpagina mag op enigerlei wijze worden gekopieerd of vermenigvuldigd zonder uitdrukkelijke schriftelijke toestemming van de webcreator of de auteur. Ik dank Dhr Verwerft voor zijn toelating om te publiceren op de site. Indien uzelf een verhaal heeft geschreven over 1960 als reporter of journalist aarzel niet deze te laten publiceren op de website congo-1960.be Terug naar 25 jaar na de dipenda : Getuigenissen van : Jean, Ann, Madeleine, Ernest, Jos, Jack, Gusta, Piet, Gil en Bernard, Theo, Frans, Albert, Louis, André , René, Jan

 

Theo Fabescongo 1960

Ik heb er geleefd als in het aardsparadijs.

Mon adjudant, j’ai trois enfants et demi .

Mijn zwarte leerling-schrijnwerker maakte eerst de deurstijl scheef, en schaafde dan de waterpas af tot de luchtbel mooi in evenwicht stond.

Waarom ons haasten met het werk, patron? Als we klaar zijn heeft de blanke alweer een nieuw karwei voor ons.”

In naam van wie of van wat zijn we daar gaan “BESCHAVEN”?

Wij hebben er nooit aan gedacht dat de zwarte man zich gelukkig voelde met de vele vrouwen die hij mocht hebben en die bovendien voor hem werkten. Theo Fabes, thans 72 jaar, uit Diest, werd in 1950 door de Belgische Krijgsmacht uitgestuurd om, samen met vijf andere officieren, in Kamina (Katanga) een Technische School voor het Vliegwe­zen uit de grond te stampen. Een opdracht die, zo leek uit zijn verhaal vorige week, letterlijk moest worden opgevat. Ter plekke bestond inderdaad niets, behalve een uitgehakte vlakte. Deze pioniers werden verondersteld zes klassen, loodsen, een hangar voor de oude Oxford en de SU 4, kantoren en woongelegenheid zélf op te trekken. “Opdracht uitgevoerd”. Zo kon na enige maanden aan Brussel. worden gemeld. Blanke instructeurs waren er. Zwarte leerlingen werden geronseld via de missies die hun meest vlijtige studenten afstuurden uit de hele Congo. Het bijeenbrengen van de zonen van verschillende stammen kon niet anders dan moeilijkheden veroorzaken. Vanaf de eerste dagen ontstonden spannin­gen. Misschien zouden de zwarten het gezag der blanken hebben aanvaard, maar zij spuugden op de bevelen van een lid van een andere stam. Theo Fabes werd als lesgever geregeld geconfronteerd met deze problemen.

Theo Fabes: « Ik zie ons nog Afrika bereiken, na een paar weken van luxe op een pakketboot ».

In Lobito op de trein gestapt voor een kalva­rietocht van zes dagen door Portu­gees-Afrika. Een hitte van rond de vijftig graden. plus onsmakelijk eten. Duizenden blanken zullen zich deze treintochten memoreren. In Kamina: geen elektriciteit, geen stromend water. geen regelmatige bevoorrading. Binnen de kortste keren leden we aan bloeddiarree. En toch konden we niet anders dan ons op het werk storten. Wij heb­ben Kamina zien groeien van een primitieve nederzetting tot een vol­waardige leefgemeenschap en een militaire basis met een internatio­nale uitstraling. Vooraleer het zo ver was. hebben we hier met de zwarten enige verzwegen ­ opstanden gemaakt. Ooit heb ik. tij­dens een ruzie tussen een kapido en zwarte werkers, met één ma­cheteslag een hand weten afhak­ken. Dit beeld heb ik nooit vergeten. We zouden de eerste maanden wel­licht nooit hebben overleefd zonder onze vrouwen. Aanvankelijk wilde de militaire overheid niet dat ze meekwamen. Ik weet nog goed hoe adjudant Lescallier rechtstreeks bij de minister van Landsverdediging binnenstapte om die maatregel ongedaan te maken. Over de intel­lectuele prestaties van de leerlin­gen kan ik niet jubelen. Vijfhonderd leerlingen over een periode van drie jaar en hooguit tien zwarten die naderhand bekwaam waren om op een vliegveld te werken. Een bedroevend schrale oogst, waar­door de oorspronkelijke opzet wel­licht verloren ging. De zwarten heb­ben ongetwijfeld evenveel kwalitei­ten als wij. maar zelfs onze meest eenvoudige technische begrippen waren hen volslagen vreemd. Tel­woorden bijvoorbeeld. Zij gebrui­ken 'géén', 'één' of 'meer dan één'. Vijf, zeven of twaalf, dat maakt voor hen geen verschil uit. Jaren na de Onafhankelijkheid ontving ik een brief van een van mijn leerlingen. Daarin las ik: «Mon adjudant, j’ai trois enfants en demi...» Lichame­lijke prestaties, dans en muziek; daarin waren ze de blanken ver vooruit. In Kamina stichtte ik een voetbalploeg' voor de zwarten: Canaris. De voetballerij bedreven ze met dezelfde hartstocht waar­mee ze dansten of zongen. Veel moest je hen niet leren. Ze bezaten een uitermate ontwikkeld gevoel voor showen waren bijzonder bal­vaardig. Voetbalschoenen hadden ze niet nodig. Ze speelden blootsvoets. Omdat de blanken shoes aan­trokken, en omdat ze nu eenmaal alles imiteerden, kochten we voor hen eveneens shoes. Alleen de moedigste onder hen hielden dat schoeisel een hele wedstrijd aan. Het dichtrijgen van de veters. en het leggen van een knoop op de juiste plaats, betekende voor hen een onoverkomelijk probleem. Op de Fotos is te merken hoe ze hun veters gewoonweg in hun kousen stopten...»

Ransel als rustbrenger

De eerste kolonialen brachten het voetbal mee naar Congo. De sport diende daar als therapie. Vooral op het voetbalveld moest de zwarte de illusie krijgen dat hij de gelijke was van de blanke. Voor de kolonialen was het een beetje gokken. Enerzijds de indruk wekken dat de zwarte, via de sport, zich kon en mocht meten met de blanke heerser. Anderzijds het risico lopen dat het samenbrengen van honderden, ja duizenden zwarten in een sport­stadion dezelfde uitwerking zou kunnen hebben als destijds in de Brusselse Munt de opvoering van 'De Stomme van Portici'. Het staat misschien niet te lezen in alle Kongolese geschiedenisboekjes, maar zowel vanuit de Force Publique als vanuit de Police Territoriale, werd ons verteld dat bij dergelijke voetbalwedstrijden uiterste waakzaamheid was geboden. De dienstorders daaromtrent waren niet mis te verstaan: bij de minste tekenen van een vijandige of onwillige hou­ding dient te worden opgetreden. Aan dat 'optreden' gaf elkeen een vrije interpretatie. In de meeste gevallen werd deze opdracht ver­taald als 'ranselen'. De huidige problemen met rumoerige suppor­ters verschillen niet veel van die waarmee het koloniale Congo werd geconfronteerd. Ranselingen brachten rust. Wanneer een onwil­lige zwarte, die over de omheining was geklauterd en slogans begon te roepen, door de “ordehandhavers” kon worden vastgegrabbeld, mocht men niet zomaar willekeurig geselen. Een officier bepaalde dadelijk hoeveel zweepslagen de zwarte moest krijgen. Het vonnis werd ogenblikkelijk voltrokken, desnoods langs de zijlijnen terwijl de match verder ging. Theo Fabes heeft met dergelijke praktijken nooit uitstaande gehad. Integendeel, dergelijke publieke kastijdingen deden hem walgen. Voetbal in Kamina was aanvanke­lijk niets anders dan een schoolse activiteit. Het waren evenwel de zwarte leerlingen die het erg au serieux namen en de ene wedstrijd na de andere wilden spelen. Theo Fabes vertelt: «Zij zagen de Belgische militairen voetballen, en geraakten gefascineerd door de attributen. Wij. met onze Europese knoken, hadden knielappen nodig, of bandages rond de dij of verstevi­gers van de enkel. Na enige maan­den stond ik met een ploeg zwarten in de wei waarbij letterlijk iedereen zware knielappen droeg. plus been­beschermers en verstevigers. Op voetbalschoenen waren ze gek, alhoewel ze een stuk beter konden spelen zonder schoeisel. Wat er precies moest gebeuren met die lange veters. is iets wat ik hen nooit helemaal goed heb kunnen bij bren­gen.»

Wat wit was, kon ook zwart worden

Het voetbal in Congo was tot de jaren vijftig een aangelegenheid van en door blanken. De zwarten voetbalden ook. maar hun manier van spelen werd niet als voldragen aanzien. Het duurde tot de ene zwarte na de andere (Mokuna. Bonga-Bonga. Lolinga. enz...) de Belgische competitie kwam kleuren vooraleer men zich realiseerde dat die zwarte voetbalbronnen ook ter plekke konden worden aangeboord. Het blank voetbal in Congo bestond in hoofdzaak uit fabrieksploegen die in de steden een liga vormden. en naderhand ook interstedelijke wedstrijden speelden. Kolonialen uit Angola. Rhodesië. Mozambique of Frans-Equatoriaal-Afrika kwa­men in de prachtige stadions van Elisabethstad en Leopoldstad pres­tigieuze internationale wedstrijden spelen. De returns werden dan be­twist in Loanda, Brazzaville of Pointe-Noir. Om de aantrekkingskracht van dergelijke bijeenkom­sten te verhogen, werden aller­hande bekers ter beschikking ge­steld zoals de “Beker Gouverneur­-Generaal Jungers”, of de “Beker Gouverneur-generaal Pierre Ryckmans”, ooit gewonnen door de zwarten van 'Les Dragons'. Na de Tweede Wereldoorlog werd in heel Congo gevoetbald: Boma, Matadi, Thijsstad, Lusambo, Luala­burg, Tshikapa, Jadotstad, Kol­wezi, Manono, Costermansstad, Usumbura, Stanleystad, Coquil­hatstad, de Kilo-Moto en in de ves­tigingen van de Union Miniére. Een blanke aangelegenheid, wel te verstaan. De zwarten speelden even enthousiast, maar namen het niet zo nauw met de afmetingen van het veld en het materiaal waarmee werd gespeeld. Voor hen waren reglementen en spelregels een bedenksel van de blanke, en hoogst zelden werden die tijdens hun voetbalpartijtjes toegepast. Een zwarte, onpartijdige scheids­rechter vinden was moeilijk en een blanke was zelden bereid zoveel zwart geweld te trotseren. Bij het bedenken van namen voor hun clubs, putten de Congolezen uit het blanke repertoire. Hun ploegen heetten Antwerp, Bombardiers, Coqs, Daring, Dragons, Excelsior, Lions, Mercator, Racing, Victory, enz... Om wildgroei tegen te gaan wer­den in Katanga de meeste clubs bijeengebracht onder de noemer van één federatie: Union des Fédé­rations et Associations Indigènes (UFASI). Zoals de Britten gek zijn van het spelen van een Cup final in Wembley, zo was het de droom van elke zwarte om in het prachtige Leopold II-stadion of in het 'Parc General Ermens' van Leopoldstad een of andere finale te halen.

Slimmer dan een waterpas

Vanzelfsprekend had de aanwezig­heid van Theo Fabes in Kamina niet alleen met voetbal te maken. Dat was voor hem een hobby. Ter­wijl zijn vrouw Mia zich op de Sociale Dienst van de basis onledig hield met het oplossen van administratieve en andere problemen, vulde Theo Fabes zijn dagen met al wat men de onderofficier in een kamp kon opleggen: de zwarten technische wijsheid pogen bij te brengen, de haren knippen van al wie erom vroeg, revues en sketches schrijven. Hij vertelt: «Ik heb dat erg graag gedaan, en ik dacht aan­vankelijk ook nooit meer weg te gaan uit een Congo dat een paradij­selijke indruk liet. Het inpompen van de leerstof wekte evenwel ont­moediging. Pas op, ik zal zeker niet zeggen dat het een kwestie was van opzet of van domheid bij de zwar­ten. Nee. het was veeleer het gevolg van het houden aan een ijze­ren logica die ze van hun voor­ouders hadden meegekregen. Ze waren zelfs bijzonder vindingrijk wanneer het erop aankwam bepaalde opdrachten uit de weg te gaan. Je kon niet écht kwaad zijn op hen omdat je onvermijdelijk moest lachen wanneer je ze kon betrap­pen. Zoals met het geval van die waterpas. Wekenlang hadden wij hen geleerd tot wat een waterpas dient, en hoe zoiets moet worden gebruikt. We zouden hen. als prak­tische proef, een deurstijl laten aanbrengen. Toen ik de deurstijl zag. bemerkte ik dadelijk dat die allesbehalve horizontaal was aan­gebracht. Zeker drie centimeter verschil. Ik interpelleer de leerling-­schrijnwerker. maar hij begint te argumenteren dat zijn werk cor­rect is uitgevoerd. Om te bewijzen dat hij ongelijk heeft leg ik de waterpas bovenop de deurstijl. Inderdaad, het luchtbelletje bevindt zich precies in het midden. Dus toch horizontaal? Ik vertrouw mijn eigen ogen niet, en begin alles opnieuw na te kijken. Ik vind niets abnormaals, totdat ik plots vaststel dat de waterpas werd 'aangepast'. De leerlingen hadden er niets beters op gevonden dan eerst de deurstijl te plaatsen, en daarna de waterpas af te schaven totdat het luchtbelletje precies in het midden stond... Dat is één voorbeeld. Zij kenden tientallen van dergelijke truckjes om de blanke te misleiden. Wanneer je hen poogde ervan te overtuigen dat zoiets 'slecht' werk was, begonnen ze te argumenteren dat zij de noodzaak daarvan niet inzagen, en dat begrippen als 'recht' en 'scheef' uitvindingen waren van de blanken. Zoals ook het begrip 'tijd'. Zij bekeken dat op een heel andere wijze. «Waarom zouden wij ons haasten om het werk klaar te hebben? Als het beëindigd is, staat de blanke gereed met nieuwe opdrachten.» Ook dat was een gedachtegang waar je, als Europeaan, niet zo makkelijk iets kon tegenover stellen. Bescha­ving, wat is dat eigenlijk? Achteraf heb ik daarover veel nagedacht, en ik weet nog zo niet of wij het wel volledig bij het rechte eind hadden. Het zijn wij toch die daar het even­wicht gingen verstoren. Anderzijds troost ik me dan weer met de gedachte dat wij in Congo de ziek­ten hebben bedwongen en alvast een einde hebben gemaakt aan de slavernij.»

“Dat is mijn vrouw niet, dat zijn allemaal mijn zusters”

Theo Fabes: «Een ander, ernstig probleem was een van bovenuit opgelegd verbod dat de zwarte meer dan één vrouw zou hebben. Ik begrijp dat wel. met de missies en zo, maar eigenlijk was dat een mis­kenning van de werkelijkheid. De zwarte wist al lang dat de blanke zich evenmin aan één enkele vrouw hield, en bovendien zat de polyga­mie ingebakken in zijn cultuurpa­troon. Wij hadden evenwel onze opdrachten, en mochten dus niet toestaan dat leerlingen meer dan één vrouw meebrachten. Nadat we enige malen hadden moeten ingrij­pen, dreigde de catastrofe want in zo'n gevallen verdwenen de zwar­ten, en je zag ze vrijwel nooit meer terug. Uiteindelijk waren zij het zelf die ons een middel aanbrachten om de toestand te regulariseren. Nieuwe leerlingen waren voortaan telkens vergezeld van 'zusters'. «Ce sont nos soeurs», zeiden ze, met een ondeugende knipoog. Binnen de kortste keren woonden en sliepen ontelbare 'zusters' in het gedeelte van de basis die werd voorbehou­den aan de leerlingen. Van identi­teitskaarten was destijds geen sprake. Wij hadden geen enkel bewijs van het tegendeel. en we lie­ten de broers en zusters dan maar rustig bij mekaar. Zogoed als nooit leverde dat last op, en de letter van het reglement werd niet eens over­treden... Ik heb wel geleerd dat wij, als blanken, nooit goed een zwarte zullen kunnen doorgronden terwijl de zwarte, met zijn oerinstinct en, sterke zintuiglijke waarnemingen, makkelijk in de ziel van de blanke kan kijken. Dat heb ik ervaren tij­dens de zondaguitstappen. Het enige wat we konden doen was, behalve het bekijken van films die we al tien maal hadden gezien, dor­pen in de omgeving bezoeken. Met een zak zout kon je destijds een half dorp opkopen, maar je moest wel de nodige eer betuigen aan het stamhoofd en de tovenaar. Dat waren doorgaans bijzonder schran­dere kerels die de situatie beheersten. en in de meeste gevallen hun zin kregen. Met blanke vrouwen veroorzaakte dat wel eens verve­lende toestanden. Een zwarte vond het destijds niet ongewoon om één van zijn vrouwen of een jong meisje voor een nachtje aan te bie­den aan de blanke. Zo'n stamhoofd verwachtte in zekere zin dat wij hem in ruil een blanke vrouw. ter kortstondige verstrooiing zouden aanbieden. Indien de zwarte bij de blanke iets wou leren. deed hij zoiets louter uit eigenbelang. Al die technische rompslomp kom hem gestolen worden omdat hij dat niet nodig had in zijn eigen milieu. Om het ronduit te zeggen: eens bij de blanke vandaan. verwilderden ze binnen de kortste tijd. Maar wat is 'verwilderen'? Waarom gebruiken wij zo'n woorden eigenlijk? Besef­fen wij wel dat de zwarte eigenlijk in zijn jungle leefde als God in Frankrijk? Zijn vrouwen werkten voor hem en de natuur verschaft hem al wat hij nodig heeft.»

“Mijn instinct bedroog me niet”

Mia en Theo Fabes bleven in Kamina zeven jaar. Zeven vette jaren. Hij ziet het zo: "Ik heb in 1957 geen documenten onderte­kend om een derde termijn in Congo door te brengen. Mijn col­lega's stonden daarover verbaasd. Bij commandant, kolonel en gene­raal heb ik daarover tekst en uitleg moeten geven. Waarom zou iemand weggaan uit een paradijs? Boven­dien, een veilig paradijs. Kamina was een voldragen militaire basis geworden. Toch vertrouwde ik dit­maal op mijn instinct. Een instinct dat ongetwijfeld meer ontwikkeld was geworden door omgang met de zwarten. Als instructeur had ik de opstandigheid voelen groeien. Soms kregen we leerlingen die alleen maar naar Kamina waren gekomen om de medestudenten te overspoe­len met allerhande militante theo­rieën. Het woord 'Independance' dook steeds vaker op in de vele dis­cussies die sommigen van deze op­standige zwarten uitlokten. Soms weigerden ze op pas te stappen. Steeds meer gebeurde het dat zij. bij examens, moedwillig alle vragen foutief beantwoordden, om daarna tegen de blanke te kunnen uitval­len. Vergeet niet, deze leerlingen waren geen militairen en vielen dus niet onder de militaire wetten. Wij stonden machteloos tegenover hen. Het waren niet de slangen of de insecten die me uit Congo deden vertrekken, maar wél de insubordi­natie bij studenten die toch een soort elite vormden. Ik redeneerde zo: indien deze toekomstige évolués ons nu al afvallen, en geloven dat een of andere 'Dipenda' de blanken zal verjagen en van de zwarte een heerser maakt. dan zijn onze maan­den hier geteld. In 1957, drie jaar voor de Indépendance, was ik terug in Diest, met mijn vrouwen mijn zoontje van acht jaar. Ik woonde hier temidden heuvels en weilan­den. en ik had de illusie oud te mogen worden in alle rust, en in een omgeving die soms zo paradij­selijk leek als in Kamina. Totdat de verkavelingen begonnen. totdat de snelwegen werden aangelegd, tot­dat de hele omgeving wegschrom­pelde tot een vlakte van bakstenen en beton. De vrachtwagens rijden nu omzeggens door mijn veranda. Weinigen beseffen hoe intens ik naar Congo terugverlang. Land van zon, ruimte en groen, kameraad­schap...»

Het hoefde, vanzelfsprekend, niet altijd een tranendal te zijn in Congo. Tienduizenden blanken hebben de aanloop naar, en tragedie. van 30 juni 1960, de Dipenda, niet meer meegemaakt. Ze zaten al opnieuw in België of hadden geen termijnverlenging aangevraagd. Theo Fabes, nu 72 jaar, uit Diest, verbleef als militair van 1950 tot 1957 in Kamina. Een militaire basis met een klinkende naam om­streeks 1960. In 1950 evenwel niets meer dan een vlakte waarop pio­niers als Theo Fabes met de meest primitieve middelen een school en enige woningen bouwden. “Ik heb tenminste serieus afscheid kunnen nemen van het Aardsparadijs dat Congo heette. Ik hoefde niet te vluchten of alles achter te laten. Maar ik was niet naïef. Samen met de andere militairen voor­voelde ik wat stond te gebeuren. Congo is voor mij een doos vol herinneringen gebleven. Mooie herinneringen...»

Voetbal voor zwarten

Eén brok levenslust en rustige intelligentie: Theo Fabes uit Diest. 72 jaar. De jaren krijgen op hem geen vat. In het Kamina van 1950 schreef hij grappige revues om de militairen en hun families een avondje relax te bezorgen. Hij is blijven schrijven en, in en rondom Diest, werden geregeld stukken van hem opgevoerd. Zijn loopbaan eindigde als adjudant-tech­nicus bij de luchtmacht, maar de scheppende mens in hem werd nooit gedood. Kortgeleden werd hij te Diest gevierd voor 50 jaar toneel­spelen/regisseren. De eretekens die hij bij die gelegenheid kreeg, draagt hij met minstens evenveel trots als de medailles die hem destijds wer­den opgespeld wegens prestaties geleverd in bevolen dienst, tijdens de oorlogsjaren in België en Enge­land of in de periode 1950-1957 in Congo. De Afrikaanse herinneringen veroor­zaken bij hem geen angstzweet. In zijn woonkamer staan ivoren beeld­jes, portretten, schilderijen, kleine kunstwerken van inlandse makelij als tastbaar bewijs dat Congo geen droom is geweest. De glimlach is nooit weg van zijn gezicht. Met verve doet hij het verhaal van zijn zwartjes die hij, als ex-speler van FC Diest, leerde voetballen. Barrevoets, want shoes verdoofden hun vindingrijkheid en behendigheid. Deze man, met zijn onverwoestbaar opti­misme was niet blind of doof. In 1957 al voorvoelde hij de naderende ineenstorting en weigerde de papie­ren te ondertekenen voor een derde termijn in Congo. .k heb alles rustig kunnen verkopen, en kon op rustige wijze afscheid nemen op een tijdstip dat ik zélf had uitgekozen. Pas tij­dens de troebelen rond, en na de Dipenda, is het tot me doorgedron­gen welke balsem dat is geweest op de wonden die ook bij mij werden geslagen. In 1965 ben ik, als chef d'hangar op het vliegveld van Kleine Broghel met pensioen gegaan. Ik ben nooit meer terug geweest in Congo. Bewust, om te kunnen blij­ven leven met mijn souvenirs aan mijn verblijf in het aards paradijs dat Congo voor mij is geweest.»

Wij bouwden de klassen met onze handen, wij moesten alles "kunners" zijn

Theo Fabes: “Tijdens de oorlog 1940-45 was ik verplicht tewerk gesteld in Duitsland, in de Junkers­fabrieken van Maagdenburg. Daar vernam ik de dood van mijn vader. Ik mocht met verlof naar België en weigerde terug te keren. Jaren van spanning en angst voor deportatie. Aan het einde van de oorlog bereikte ik Engeland. Ik kreeg er mijn oplei­ding bij de Royal Air Force. Ik wilde nieuwe horizonten zien, ik was 37 jaar toen ik de kans kreeg naar Congo te vertrekken. Met vier adju­danten, Gaston Rigaux uit Nijvel, Lescalier uit Luik, Pauwels en ikzelf, plus commandant Jean De Rijcker uit Safraanberg en de Waalse kapitein Lallemand, kregen we de opdracht in Kamina een Technische School voor het vliegwezen op te richten. Wie in de Jaren Zestig Kamina in Katanga heeft gekend als een indrukwekkende militaire basis, kan zich niet voorstellen dat wij hier in 1950 arriveerden in een vlakte waar letterlijk n-i-e-t-s was. Wij bouwden daar klassen en kantoren met onze handen. Wij moesten alles kunnen. Wij leefden als padvinders. Wij wer­den naar Congo gestuurd als instructeurs voor de zwarten, maar te plekke werd van ons verondersteld dat we alles zouden opbouwen. Ik wist dat niet op voorhand, maar ik bekloeg het me niet. Het was een unieke belevenis om een school uit de grond te stampen. Ik zie ons nog steeds, trots als een gieter, met bamboestengels “Ecole Technique” aanbrengen aan de toegangspoort. De eerste fase van ons werk was vol­tooid. Via de missies werden zwarte leerlingen geronseld. Ik weet niet of die zwarten beseften waarvoor ze opgetrommeld werden, maar wij bezaten in ieder geval het heilige vuur en de bereidheid om van hen degelijke, technisch onderlegde werkers te maken. Nee, het is niet volledig gelukt. De zwarte bezit niet die feeling voor techniek. Om het ronduit te zeggen: hij lijkt daarvoor helemaal niet gevormd. Het interesseert hem niet omdat de Congolese natuur zo rijk was dat de zwarte geen behoefte had aan technische hulpmiddelen. Bovendien, wij leer­den hen de technieken aan van het vliegwezen, en de zwarte zag daar­van hoegenaamd niet het nut in. Wat ons opviel: de vijandigheid tussen de verschillende stammen. leerlingen van de ene stam praatten meestal niet met de leden van een andere stam. Ze praatten nog liever Engels om de anderen in verwarring te brengen. Vanaf de eerste dagen zaten wij opgescheept met dergelijke stammentwisten. Aanvankelijk ble­ven de rellen beperkt tot de zwarten, maar vanaf 1956 voelde je opstan­digheid. Het moet zijn dat deze leerlingen overal theorieën opgelepeld kregen uit de hoek van Lumumba.

Ik kon generaal Janssens erg goed begrijpen met zijn historische uitroep aan het standbeeld van Leopold II in Leopoldstad:

«Sire, ze hebben het helemaal verknoeid.»

congo 1960

Matadi 1950. Zo begon de droom van Matadi. De adjudanten Pauwels en Fabes, met in het midden commandant Jean De Rijcker. De eerste loods voor het eerste vliegtuig werd met eigen handen gebouwd.

congo 1960

Matadi 1952: Adjudant Theo Fabes met zijn zoontje Yvo Bij de petroleumtank voor de frigo

congo -1960

De voetbalploeg van het vliegwe­zen van Kamina 1954. Boven: kolonel Galwyck. Giminne (overleden) Rigaux uit Tonge­ren  Brees uit Tienen. For­tomme uit Tie­nen Onder: Ausloos uit Tienen Geor­ges (ex-Cercle) kolonel De Man uit Aalst ex­-Daringspeler Theo Fabes (Diest) en Aerts (ex-Beringen).

congo 1960

Naarmate de jaren wegtikten, werd de basis van Kamina steeds groter.

congo 1960

Theo Fabes organiseerde en schreef revues in Kamina. Hier staat hij op het podium. samen met Piet Van Geel uit Antwerpen en Keldermans uit Brussel

congo 1960De oudgedienden van Kamina moeten zich ongetwijfeld deze “Canaris” herinneren. De ploeg werd gesticht en getraind door Theo Fabes en verloor zelden.  De veters van de shoes worden in de kousen weggestopt..

congo 1960

Kamina 1954. Mia Fabes werkte op het “Economat Militaire”en trok geregeld naar de dorpen, op zoek naar goedkoop vers voedsel. Hier samen met mevrouw De Greef,omarmd door een stamhoofd dat voor de eerste maal een blanke vrouw kon aanraken. Hem werd een tro­penhelm op het hoofd gezet.

congo 1960

Theo Fabes leerde niet alleen de zwarte studenten hoe je een vliegtuig in  mekaar moet steken.De Belgische mili­tairen in Kamina waren doe-het­-zelvers.Fabes was jarenlang de haarkapper van het kamp Hon­derden kwamen bij hem hun haar te laten kortwieken.

congo 1960

In de School voor Administratie in het toenmalige Leopoldstad hing vanzelfsprekend de kaart van het 'moederland' België aan de muur.

congo 1960

Maar in de aardrijkskundeles aan de Protestantse School leerden de kinderen ook waar Zaïre lag.

congo 1960

Hieronder: rector Gillon van de Universiteit Lovanium reikt het diploma uit aan de eerste zwarte Licentiaat, de heer Pierre Lebughe, juli 1959.

congo 1960

Geen Apartheid, wel modern lesmateriaal en gloednieuwe lokalen in het nieuwe college van Usumbura. Een foto uit het jaar 1960.

congo 1960

Zwarte leerling-verpleegsters aan de microscoop in het Opleidingsinstituut van de Kliniek van de Lovanium Universiteit. De studie voor blanke en zwarte verpleegsters duurde drie jaar.


© 2002 Gust Verwerft - Congo-1960

SiteLock
share this - partager le site - deel dit document

About Us | Contact | Privacy | Copyright | Agenda  
Ook op het internet gelden de auteursrechten. Werken die auteursrechtelijk beschermd zijn, zoals tekeningen, foto's, muziek, film en software, mag u niet verspreiden via het internet zonder de uitdrukkelijke toestemming van de auteur. Delcol Martine