share this

SiteLock
L'Héritage des Banoko , avec mes remerciements a Mr. Pierre Van Bost
Les chemins du congo
congo 1957-1966 Témoignage
L'état indépendant du congo a la recherche de la vérité historique
Kasaï , rencontre avec le roi
Tussen vonk en omroep , draadloze communicatie in België en Congo
Leodine of the belgian Congo
Les éxilés d'Isangi
Guide Congo (Le petit futé)
Congo Ya Kalakala, avec mes remerciements a Mr Paul Daelman

Maanden vol spanning Start van de Ontwikkelingshulp in Leopoldstad/Kinshasa 30 juni-31 december 1960

Vlug bleek dat maar een handvol leden van de vroegere blanke administratie ter plaatse gebleven was. Al wie de onveiligheid niet kon dragen, of hoopte op integratie in de Belgische administratie en niet te laat wou komen voor de weinige beschikbare posten, was vertrokken. De achterblijvers vormden een heterogene groep. Sommigen geloofden dat het mogelijk en nuttig was het land verder bij te staan. Anderen bleven omdat de wedde verder liep. Nog anderen om het avontuur. Ze leerden mekaar nader kennen en een kern noemde zich de doorzetters, ‘les persistants’. Hetzelfde zou overigens ook gebeuren in Coquilhatstad en later in Elizabetstad. De groep in Coquilhatstad zou een vereniging stichten, de ACEMBC, (Association de Conseillers, Enseignants et Médecins Belges à la Coopération). De naam alleen al duidde de verscheidenheid van de leden aan. Zij zou naast de politieke syndicaten uitgroeien tot een apolitieke vereniging van ontwikkelingshelpers met verschillende afdelingen in Congo en zich later uitbreiden over de Belgische ontwikkelingshelpers, in de derde wereld verspreid.

Bij een eerste samenkomst van de doorzetters in Leopoldstad, einde juli, kreeg een toevallige verlofganger voor het ministerie van Afrikaanse Zaken te Brussel een lange lijst van desiderata mee. Bij zijn terugkeer wist hij te vertellen dat, naar hij vernomen had, de Belgische regering haar hulp aan Congo dacht verder te zetten. Zij bleef de garanties van het statuut van het Belgisch overheidspersoneel, dat ter plaatse was gebleven, voorlopig verzekeren en zou zelfs een bonificatie toestaan voor de actieve diensttijd van na de onafhankelijkheid. Dit onderhield bij hen die achtergebleven waren de hoop en het vertrouwen dat alles weer in orde kon komen. Ze onderstelden dat ze zich nog nuttig zouden kunnen maken en waren bovendien van mening dat een jarenlange traditie van rust dank zij het Belgisch beheer, zomaar niet in een handomdraai kon weggeveegd worden. In mijn dienst waren nog een zestal Belgen in de hoofdstad achtergebleven: een landbouwkundig ingenieur, een bosbouwkundig ingenieur, een dierenarts en drie landbouwkundigen van de stadsdiensten. Voor de rest was de provinciale landbouwdienst leeggelopen. Het Congolese personeel van de vroegere administratie kwam zoals voorheen naar het kantoor. Het bracht zijn tijd door met langdurig vergaderen zonder de Belgen op de hoogte te brengen waarover ze het hadden. Toch drongen ze er bij mij en mijn collega's op aan niet te vertrekken en af te wachten totdat de organisatie van de nieuwe administratie zou gekend zijn. De meesten waren vriendelijk en informeerden ernaar hoe wij ons uit de slag trokken en zelfs ook wanneer ons gezin naar Congo zou terugkeren! Ze beseften goed dat wie zonder zijn gezin bleef, bij de eerste de beste gelegenheid kon vertrekken. Dat schenen ze te willen vermijden.

Bij het verbreken van de diplomatieke betrekkingen tussen Congo en België had Frankrijk op zich genomen de belangen van België te behartigen. Kort na het vertrek van de Belgische ambassadeur besloot de Congolese regering dat iedere Belg in Congo een verblijfsvisum moest hebben. Tot op de dag van de onafhankelijkheid resideerden de Belgen in de kolonie op basis van een verblijfsvergunning, hun Belgische identiteitskaart en een Congolese immatriculatiekaart. Het verstrekken van een visum onderstelde het bezit van een internationaal paspoort, dat ter plaatse enkel door de ambassade kon afgeleverd worden. Totdat de diplomatieke betrekkingen tussen België en Congo weer aangeknoopt waren, leverde de Franse ambassade aan iedere Belg een Frans "passeport de protection" af. Om de sliert Belgen die daarvan moesten gebruik maken buiten de Franse ambassade te houden, werd in een woning in Kalina een kantoor ‘chargé des sujets belges’ geopend. Met het Franse paspoort moest men dan een visum verkrijgen van de Congolese immigratiediensten.

Bij deze en nog andere tijdrovende administratieve formaliteiten en controles werden wij, mijn collega’s en ik, goed bijgestaan door Congolezen van onze dienst. Deze merkten wel dat hun interventie niet altijd in dank aangenomen werd door nukkige en veelal onwetende politie‑ en veiligheidsmensen, maar toch deden ze het! Geduldig keerden ze dagen en weken na elkaar terug naar overvolle wanordelijke kantoren, om eindelijk glunderend af te komen met een, soms verloren gewaand, onmisbaar en in regel gesteld document. Niet op alle diensten was dat zo. Sommige Belgen werden gewoon aan hun lot overgelaten en ze moesten zich maar zien uit de slag te trekken. In de totale verwarring moest iedereen het initiatief nemen om een zin aan zijn bestaan te geven. Maar in hun geval was dit nog moeilijker dan bij ons. Met spijt zag ik om mij heen veel verdienstelijke mensen, die de leegte van die dagen en de gedwongen scheiding van hun gezin niet konden verdragen. Gemis aan moed om in die omstandigheden te vertrekken, bracht hen naar de afleiding die voorhanden lag: drank en het tropische nachtleven van de stad, dat welig tierde. Dit kreeg de meesten onder hen klein en deed ze toch uiteindelijk van het toneel verdwijnen. Spijtig!

Ondanks de avondklok, die bijna ononderbroken was ingesteld, en nu eens drastisch dan weer laks werd toegepast, vond ik het verblijf in Leopoldstad toch leefbaar. Van de minister van Landbouw kreeg ik een attest, dat de burgerlijke en militaire overheid verzocht mij in alle omstandigheden te beschermen. Zelfs kreeg ik ook een vergunning om mij tijdens de avondklok te verplaatsen en ik maakte er in de kalmere perioden gebruik van. Anders bleef ik in de spannende perioden 's avonds thuis. Maar stilaan begonnen de vele controles door de wegenpolitie te wennen. Meestal ging het om een verificatie van het rijbewijs en de inschrijvingskaart van de wagen. Die had iedereen steeds bij de hand en men liet ze niet meer zoals voorheen in de auto achter, want diefstallen in de auto's deden zich steeds meer voor. Echte of vermeende overtredingen waren met een "matabich" te regelen. Het meest storend vond ik dat de zwarte gezichten op straat er zo gesloten uitzagen. De eerste de beste gelegenheid was goed voor scheldwoorden aan het adres van eenzame blanken, wat vroeger nooit het geval was geweest. Daar was de opruiende taal van de lokale radio niet vreemd aan.

Steeds meer VN‑troepen waren in de stad te zien. Met grote ogen keken de Congolezen naar de Ghanese soldaten, die onder het commando van hun blanke Engelse officieren door de straten marcheerden. Ook de Nigeriaanse politie werd geleid door Engelsen, maar die waren discreter in hun omgang. Onder de invloed van de toestand in Congo waren deze Engelsen echter allemaal vlug het land uit, waardoor vooral de Ghanese VN‑eenheden rap in moeilijkheden kwamen en met een slechte reputatie Congo verlieten. In de komende jaren zou een vreemde mengeling van VN‑troepen met hun witgeverfde voertuigen en vliegtuigen te zien zijn: kortstondig Egyptische parachutisten, dan Marokkanen, Tunesiërs en Ieren, Canadezen met als tijdverdrijf dagelijkse ochtendparades, Indische Sikhs met tulband, Indonesiërs met officieren die Nederlands praatten, Maleiërs met pantserwagens, Italiaanse vliegeniers met "Flying‑ Boxcars", enz. Een collega kwam zich bij mij beklagen dat de VN, ondertussen ONUC genoemd, ttz. ONU‑Congo, het Royal‑gebouw waarin hij een appartement betrok, voor zich nam en hij bericht had gekregen om in de kortst mogelijke tijd zijn matten te rollen. Omdat hij hield van zijn appartement, dacht hij het been stijf te kunnen houden en te blijven waar hij was. De ONUC beschikte echter over doorslaggevende middelen om zijn koppigheid te breken. Toen hij een paar dagen later thuiskwam, stelde hij vast dat een muur van zijn badkamer was opengekapt. Hetzelfde gebeurde met een muur van zijn salon om dwars door zijn appartement ongehinderd doorgang te verschaffen naar een aangrenzend gedeelte van het gebouw. Hij was een zenuwachtig type maar niet zonder humor en de manier waarop hij het gebeuren wereldkundig maakte, verwekte onder zijn collega's hilariteit, wat in die duistere tijd een graag meegenomen afleiding was. Hem restte niets anders dan de weinige spullen, die nog niet naar België verstuurd waren, in te pakken en ergens elders onderdak te zoeken. Omdat de blanken onverhoeds vertrokken waren en veel woningen leeg hadden achtergelaten, was dat niet zo moeilijk.

Na enkele weken luwde de uittocht wat en de Congolese administratie werkte verder aan haar organisatie. Toen verscheen in de stad een nieuw soort vreemdelingen, essentieel blanken en Engelssprekend, burgerpersoneel aangeworven door de ONUC om zogezegd de Belgen die vertrokken waren te vervangen. Om zich te onderscheiden van de gewone blanke stervelingen zoals ik, droegen zij twee armbanden, één aan elke arm, de ene met het embleem van de VN en de andere met een geblokletterd ONUC. Toen bij de frequente perioden van gespannen verhoudingen tussen ONUC en regering, de soldaten alle burgers met dergelijke armbanden oppakten en enkel uren opsloten, verdwenen deze kentekens als bij toverslag uit het straatbeeld. Dat bleef zo voor de rest van de duur van het ONUC‑bestaan in Congo. Zoals de Belgen verkozen ook zij verder de anonimiteit. Toch bleven ze beschikken over een speciaal pasje en over witte VN‑voertuigen.

In de komende jaren zou ik de gelegenheid krijgen die lui beter te leren kennen. In de beginperiode was het een mengeling van mannen en vrouwen, van wie een deel uit was op avontuur. De mannen waren de ‘experts’; de vrouwen hielden zich bezig met secretariaat. Vooral dit laatste wekte grote verbazing bij de Congolezen, die reed sinds jaren door de Belgen dit werk toevertrouwd hadden gekregen. Vanaf 1961 gebeurde er onder het ONUC‑personeel een grotere selectie en op het ministerie van Landbouw kwam het via de FAO (De Voedings- en Landbouworganistaie van de VN) tot een open samenwerking tussen hen en de Belgische raadgevers. Over het algemeen kwam het tot de beste samenwerking met de oudgedienden van de voormalige Franse, Nederlandse en Engelse koloniën, voor zover deze laatsten niet beperkt waren door hun gebrekkige kennis van het Frans. Ook zwarte landen als Haïti, sinds lang onafhankelijk, stuurden helpers. Iedereen bekeek ze benieuwd. Op enkele uitzonderingen na, die opgeleid waren in de VS of in Europa, trachtten ze hun gebrek aan kennis te verstoppen achter pretentie en veel gepraat. Hun verblijf verliep in mineur en de meesten verdwenen zonder een spoor na te laten.

....... lees verder blz 4

© Valere Deceuninck - Brugge, 20/03/2006

<< terug volgende >>