Getuigenis : Ann Van Landuyt-Broeckaert

Ze moest nog wennen en vloog bijna in de gevangenis.

Het Donker Hart Van Afrika Ex-kolonialen over Ex-Belgisch Congo 25 jaar na de dipenda
© Getuigenissen verzameld door de auteur Gust Verwerft
Verschenen in het tijdschrift "DE POST" in 1985, ter gelegenheid van 25 jaar onafhankelijkheid. Niets uit deze webpagina mag op enigerlei wijze worden gekopieerd of vermenigvuldigd zonder uitdrukkelijke schriftelijke toestemming van de webcreator of de auteur. Ik dank Dhr Verwerft voor zijn toelating om te publiceren op de site. Indien uzelf een verhaal heeft geschreven over 1960 als reporter of journalist aarzel niet deze te laten publiceren op de website congo-1960.be Terug naar 25 jaar na de dipenda : Getuigenissen van : Jean, Ann, Madeleine, Ernest, Jos, Jack, Gusta, Piet, Gil en Bernard, Theo, Frans, Albert, Louis, André , René, Jan

 

Getuigenis van : Ann Van Landuyt-Broeckaert

  • Ze moest nog wennen en vloog bijna in de gevangenis
  • Madame, we zullen je naar de Malaka-gevangenis overbrengen.
  • Daar worden altijd alle tongen losgemaakt.
  • Men moest overal smeergeld betalen.

Er kan nog zo veel worden gedaan, maar zo veel is misgegaan.

Na de Dipenda en haar dramatische naweeën, werden opnieuw Belgen aangelokt. De zwarten hadden alles en nog wat overgenomen. Nauwelijks iets functioneerde nog. Ann Van Landuyt-Broeckaert  kwam argeloos in het Congolees avontuur terecht. We schrijven augustus 1969. Ze was toen 28 jaar. Een mooie vrouw met twee schattige kinderen en een toegewijde man die, als klinisch bioloog, bereid was te werken in het 'Institut de Médecine Tropicale', in het Leopoldstad dat ondertussen Kinshasa heette.

(foto: Frère Jacques, Ann, Catherine et Tom)

Hier volgt haar vehaal:

Ann Broeckaert: “doodop, met kinderen van vier en twee jaar, geland op de luchthaven van N'Djili. Het was warm en zwoel, volop droog seizoen. Het ging al verkeerd bij de eerste formaliteiten. Om door de douane te raken moest smeergeld worden betaald. En dat wisten wij uiteraard niet. Wij hadden vier gelijkaardige valiezen en werden daarom verdacht van ‘spionage’. Tenzij de gepaste matabish werd betaald. De redding kwam in de persoon van Pater Piet, een neef van mijn mama, die ons kwam ophalen.

Op weg naar Kinshasa. Grijze lucht, grijze stoffige wegen, grijze huizen. Waar was die eeuwige zon en die tropische schoonheid? Langs de cité. Niets meer dan krotten waarin de inlanders woonden. Vuil en troosteloos. Er hing een geur van zweet, urine, ranzige boter. Dichter bij de stad waren de villa-wijken. Prachtige villa’s in koloniale stijl, te midden van prachtige tuinen met zwembad. Overal het opschrift 'Mbua maba'. Kwade hond. Vóór de Dipenda woonden de blanken in deze wijken. Nu waren ze voorbehouden aan zwarte notabelen.

In ons contract stond iets over een woning, maar die was er niet. We kregen voorlopig onderdak bij de gastvrije paters Scheutisten. Weliswaar in één kamertje (paterscel). Koffers op de grond, kleren aan de ramen. Maar het was beter dan niks. Wij zijn de paters nog steeds dankbaar. Het appartement dat ons beloofd was, bleek heel ruim: woonkamer, keuken, drie slaapkamers en badkamer. Maar compleet leeg geplunderd. Bad en lavabo’s maar geen kranen, een wc zonder bril, enz. En alles ongelooflijk smerig. Zelfs met de modernste schuurpoeders kreeg je zoiets in geen weken schoon. Mijn laatste greintje moed verzwond. Ik kreeg toch een beetje heimwee naar België, naar de familie, naar wat gezelligheid.

Alle dagen stonden wij bij de O.N.R.D., (Office Nationale de Recherche et du Développement), verantwoordelijk voor de organisatie van het Tropisch Instituut. Deze dienst moest eveneens instaan voor ons onderkomen en het essentiële comfort. Na weken wachten, gebeurde er toch iets. Twee Congolese schilders, met zoveel potten verf dat ze volledige building konden schilderen, werden op ons toekomstig adres gedropt. Het appartement geraakte stilaan bewoonbaar, na lang aandringen en veel geduld.

Onze koffers waren zowaar in Matadi aangekomen en de vriendelijke paters zorgden ervoor dat ze ook in ons bezit geraakten, want ook daarvoor diende je de weg te kennen. Het duurde vaak drie maanden vooraleer de koffers het traject Matadi-Kinshasa hadden afgelegd, en niet zelden vond je in de koffer vodden en stenen, in plaats van je eigen spullen.

Eindelijk konden we naar onze flat verhuizen. Onze boy heette Omer. Wit pak en zwarte onderdanigheid. Op zijn gezicht stond ongeloof te lezen toen hij de blanke madame zag schuren en schrobben. Zijn Afrikaanse wijsheid veroordeelde dat zenuwachtige gedoe. Hij hield het bij een slepende traagheid. Maar hij was discreet, beleefd en eerlijk. Omer stond in verering voor 'patron' en de 'fils du patron'. 'Madame' was een noodzakelijk kwaad dat er moest bij genomen worden. Het werd tijd om te wennen, aan de hitte, de vochtigheid, de hagedissen op de zoldering, de kakkerlakken in de voorraadkamer en de vide-poubelle. s’ Nachts hoorde je die griezels ritselen tegen de muur en wanneer je er op trapte kraakten ze.

Onze bovenburen, een inlands doktersgezin, telden minstens vijftien leden. Zoals overal in Congo, kwamen alle familieleden (de clan) in het huis wonen van het, vaak enige, broodverdiener.

‘s Morgens stampte een mama maniok op de keukenvloer. Het gebouw daverde. Afwaswater en resten van maniok plensden geregeld op ons terras. Bovendien, bij hen, zoals bij ons, waren alle afvoerbuizen verstopt. Ging ik aanbellen met het verzoek het anders op te lossen, dan knikten ze 'ja' en dachten ze 'nee'. Niets veranderde. Maar na een poos leerden wij berusten.

Weken later arriveerde een vrachtwagen, vol potten verf en druk gesticulerende zwarten in werkplunje. Ze kwamen verven. Opnieuw en onder de deskundige leiding van een blanke aannemer. En er was meer: een zwarte kwam met een beetje geld, gewikkeld in krantenpapier. Voor de aankoop van nieuwe meubelen. Een Congolese vaudeville, het was zelfs te weinig om een deftige buffetkast mee te kopen. Het werden dan maar drie barza (terras)zetels voor ‘het salon’.

Mijn man kwam 's avonds met ontmoedigende verhalen naar huis: “Hoe is het mogelijk? Dit laboratorium is wereld befaamd geweest. Zelfs uit Amerika kwamen ze kijken. Nu blijft er alleen een hoop oud materiaal over, kapotte en beschimmelde microscopen, een kelder vol halfvergane producten. Het zwart personeel: onvoorstelbaar. Een zeldzame uitzondering niet te na gesproken, allemaal familie of relaties van hoge functionarissen. Ze kennen niets, en doen nog minder.”

Mijn man kon niet anders doen dan bestellingen plaatsen om het lab weer functioneel te maken. De levering van dat materiaal heeft hij, gedurende onze tweejarige termijn, niet meegemaakt. Hij heeft zijn plan moeten trekken.

AUTORIJDEN IN EEN STAD VOL MET CORRUPTE AGENTEN

Ik moest een rijbewijs halen. De Congolezen aanvaardden onze Belgische of internationale documenten niet. Een rijtest afleggen, of ondervraagd worden over de wegcode was een klucht in Kinsjasa. Ik geloof trouwens dat er in het verkeer geen codes bestonden. Ik moest alleen mijn naam kennen, vriendelijk glimlachen en een matabish op tafel leggen. Wie zoiets niet deed, kreeg de opdracht een auto te parkeren op een plaats die kleiner was dan de auto...

Vrouwelijke automobilisten waren een bron van inkomen. De agenten zagen het meteen als je nieuw was, en deden je stoppen. Aanvankelijk was het even slikken om het angstgevoel weg te krijgen. Het proces-verbaal wordt opgemaakt. Tenminste als de politieman kon schrijven. Kon hij het niet, dan deed hij alsof. Je kon bij die ondertekening dan makkelijk 'pas d'accord' op het PV invullen. Hoe dan ook ik heb NOOIT een afschrift thuis gekregen. Het enige wat belangrijk was: het smeergeld. Je werd daarin handig, want het werd een dagelijkse bezigheid. Niet te veel geven, en zeker niet te weinig. Berekende je verkeerd, dan was de politie ineens onomkoopbaar, en moest je mee naar het politiebureau. Voor minstens een halve dag, want in Congo hebben ze niets, behalve tijd. Na een paar van dergelijke 'vergissingen', werd het duidelijk dat het doktersinsigne op de auto hen mild kon stemmen. Voor een monganga hadden ze respect, en een kosteloze consultatie sloegen ze nooit af.

Ze hadden het zo druk met hun corrupt handeltje, dat er geen tijd overbleef een oogje te houden op de boefjes en boeven die door de straten van de hoofdstad trokken en overal auto's openbraken. Uit een volkswagentje van drie Karmelietessen werd een tas met 160.000,- BFR. gestolen. C'était la volonté de Dieu. Uit mijn auto werd mijn handtas weggeritst. Nooit was er politie te zien, behalve wanneer ze je tegenhielden om een overtreding te verzinnen (meestal 'excès de vitesse') en hun smeergeld op te rapen. Samen met mijn handtas, waren ook mijn papieren gestolen. Bij de zwarte administratie trokken ze hun schouders op. Het interesseerde hen niet. Wij vermoedden dat zij die dievenbenden goed kenden en, ofwel onder één hoedje meespeelden, ofwel niet durfden op te treden uit angst vermoord te worden. Een andere blanke vrouw vond mijn tas terug, onder een boom. Haar boy had de diefstal gezien, durfde weliswaar niet tussenbeide komen, maar was zo correct het zijn madame te vertellen. De criminaliteit in Kinshasa was nooit ver weg.

Ann Van Landuyt-Broeckaert  woonde, samen met haar man (klinisch bioloog-ontwikkelingswerker) in het Leopoldstad-Kinshasa van 1969. Tien jaar vroeger bejubelden de kolonialen de Congolese hoofdstad nog als een vrolijke, bruisende wereldstad, met de Avenue du 30 juin als Champs Elysées en blanke en zwarte uitgangsbuurten. «Wij waanden ons de hele tijd in Antwerpen", vertelde de weduwe Vanderpol in haar getuigenis. Ondertussen was dit Kinsjasa een broeinest geworden van allerhande opstandige gedachten, een smeltkroes van blanke moedeloosheid en zwarte arrogantie.

Onleefbaar voor de ex-koloniaal die binnen de kortste keren besefte dat de duidelijke afspraken in zijn contract door de zwarten werden weggelachen. Hij kon er maar het beste van maken tot het einde van zijn term en roeien met de riemen diehij had. In Kinsjasa werd het leven met de dag duurder. De blanke ontwikkelingshelper keerde in bepaalde gevallen armer naar België terug dan hij was vertrokken. Ann Broeckaert: «Begin 1970, na de feestdagen, ging ik op zoek naar een bijverdienste. Ik verveelde mij thuis. Omer, de boy, deed het huishoudelijk werk, de kinderen waren ingeschreven in een kleuterschool, mijn man werkte veel en was vaak uithuizig. Voor ons vertrek, had ik als regie-assistente gewerkt bij de BRT. Daarom solliciteerde ik eerst bij Telestar, een tv-station dat met Belgisch geld was opgericht en culturele programma's maakte voor de Congolese televisie. Het gebouw van Telestar behoorde tot de meest luxueuze die op Afrikaanse bodem waren te vinden. Mijn kandidatuur werd evenwel niet aanvaard. Officiële reden: ik zou dan de plaats innemen van een Congolese... Daarna ben ik gaan solliciteren aan de Belgische ambassade, Sabena enz.

We moesten verhuizen. Van de eerste naar de derde verdieping. Overbodig te zeggen dat we andermaal in een zelfde scenario terecht kwamen. Afvoerbuizen verstopt, nergens nog een kraan. Het stonk er naar wilde beesten. Opnieuw dagen schrobben. De O.N.R.D. - in feite de werkgever van mijn man - stuurde schilders die 60.000,- BFR. Op hun factuur zetten. Toch één voordeel: wij hadden een mooier uitzicht… op de tuin van een villa en zijn Congolese bewoners. Een zwart je stond er vaak te dansen op Congolese muziek, met een ongelooflijk gevoel voor ritme.

Ik vond tenslotte werk. Secretaresse bij een Belgisch advocaat, een Congo-veteraan. Hij kende alles en iedereen bij de Congolese justitie. Hij werd bijgestaan door de Congolese Maître Lokwa ,  verder twee zwarte klerken en ikzelf. Later kwam er nog een tweede secretaresse. De advocaat was Membre de l’Ordre du Léopard . Als je daar bijbehoorde, kon je weinig overkomen.

Juni 1970. Bwana Kitoko bezoekt Congo. De feestelijke intrede van Boudewijn en Fabiola in Kinshasa. De stad werd opgepoetst. Er werden gras- en bloemperken aangelegd. De gevels werden wit gekalkt. Vliegtuigen spoten vrachten DDT tegen insecten. De Boulevard-du-30-Juin was versierd met honderden Belgische en Congolese vlaggen. Politiemannen in smetteloos lichtblauw uniform op ronkende motoren, zwarte auto’s met loeiende sirenes als in Amerikaanse feuilletons en jeeps vormden een indrukwekkende haag rondom de zwarte sleeën. Zowat overal werden feesten georganiseerd, die eindigden met een spectaculair vuurwerk in het voetbal stadion . Het vorstenpaar, en de hele suite, hebben vast en zeker een onvergetelijke herinnering  aan deze meer dan warme ontvangst.

Veertien dagen later kon het gewone Congolese leven opnieuw beginnen: alle versieringen verdwenen, onkruid overwoekerde het gras en de bloemperken, corruptie leefde weer op. De voedselvoorraad werd schaarser. De Grote Misleiding was voorbij.

Opnieuw kwam men ons vertellen dat we moesten VERHUIZEN. De Belgische missie wees ons een piepklein appartement aan. Wij zin er niet op ingegaan.

DE ZWARTE IS EEN GOD

foto : ‘Toen wij bij de paters logeerden bleek de douche geen warm water te produceren. De kinderen vonden dat echt niet leuk. Broeder Jacques had toen het lumineuze idee een vuilbak aan te schaffen. In de valavond mochten ze op de barza in bad, tot groot jolijt van de paters.’

Ann Van Landuyt- Broeckaert kon vanzelfsprekend in 1970 niet weten wat Ronald Van den Bogaert in het Kinshasa van 1985 zou overkomen. Er zijn opvallend veel parallellen in beider avontuur. Maar blijven wij bij Anns’ verhaal: ineens besliste een of andere politiecommissaris dat agenten voortaan hogere boeten mochten innen bij overtredingen. Met veel ijver namen de agenten deze opdracht ter harte. Het regende processen-verbaal en vaak werd de schuldige meegenomen naar het politiebureau. In Kinsjasa heerste een onbehaaglijke sfeer. De blanken voelden zich onveilig omwille van de politionele willekeur die op terreur begon te lijken. De zwarten eveneens, maar dan omwille van de naderende presidentiële verkiezingen die de hoofdstedelingen aanvoelden als één grote farce: in het kieshokje hadden ze alleen de keuze tussen president Mobutu en... president Mobutu. De opening van het Academisch jaar aan de universiteit en hogere instituten werd uitgesteld, omdat Mobutu geen contesterende studenten in de hoofdstad wilde. In de krant las ik dat Mobutu werd verkozen met omzeggens honderd procent der stemmen. Iedereen had dus een groene stembrief in de bus gestoken omdat er gewoon geen rode stembrieven voorradig waren. Voor Mobutu de aanzet om, het volgend jaar, van Congo Zaïre te maken en de Zaïrisering door te voeren.

Wij hielden ons buiten het gewoel en poogden een onopvallend leven te leiden. Mijn man vertrok voor een studietocht door Congo, ter bestrijding van de cholera die opnieuw was opgedoken. Een reis met de gebruikelijke moeilijkheden: hotels zonder water en elektriciteit, maar met een overvloed van kakkerlakken en zwarte vrouwen (femmes libres). Daarnaast in iedere vlieghaven de constatering dat er te veel passagiers en te weinig vluchten zijn. De resultaten van die medische kruisvaart anno 1970 waren ontmoedigend: het land stond op de rand van de ineenstorting. De ziektekiemen verspreidden zich alom. Epidemieën braken uit. Vijftig jaar blanke strijd tegen de Afrikaanse ziekten, leek tevergeefs te zijn geweest.

In de herfst van 1970 waaide een nieuw schandaal over Congo. Deviezensmokkel bracht de Socobanque en enige bekende zakenlui in opspraak. De bank werd gesloten, verdachten werden opgesloten. Mobutu verzekerde de bevolking via de televisie dat de Belgisch-Congolese vriendschap duurzaam was en dat deze affaire daaraan niets zou veranderen. Mij interesseerde dit maar matig. Wat had ik met de Socobanque en die deviezensmokkel te maken?

Begin december 1970 vertrok mijn werkgever, advocaat X., naar België. Tijdens zijn afwezigheid  kreeg ik, op kantoor,  een angstaanjagend telefoontje van een Franse zakenrelatie: «Ik heb slecht nieuws, madame. In de affaire van de Socobanque zijn namen genoemd. Ook die van meester X. Waarschuw hem...» Dat deed ik, na zijn terugkeer, maar hij reageerde niet of nauwelijks. Vrijdag 18 december, 17,00 u. Ik keek uit naar een heerlijk, relax weekend. Zwemmen, picknick, enz... Ineens stonden twee  Congolese heren, in regenjas gehuld , voor mij. Als in een tv-film. Alleen de deukhoed ontbrak. “Wij hebben een arrestatiebevel voor madame la secretaire...” Mijn baas, meester X., probeerde tussen te komen, doch vergeefs: “Maak je niet ongerust”, zei hij tenslotte, “ ga gewoon mee. Jij hebt met die zaak niets te maken. Het gaat om mij.” (Wegens het bezit van de Luipaardenorde, was meester X onaantastbaar.Nvdr.)

In een VW-kevertje werd ik weggevoerd naar een mij onbekende bestemming. Naast de chauffeur zat meester Lokwa te grijnslachen. Ik maakte me wel degelijk zorgen. Je wist nooit hoe zoiets zou aflopen. Als ouverture een eerste ondervraging door ene Likita, een alles behalve vriendelijke agent van de Congolese Staatsveiligheid: “Wij weten dat u betrokken bent bij die affaire. Welke verdachte telefoons hebt u gegeven en naar wie, welke brieven hebt u geschreven tijdens de afwezigheid van uw patron?” Ik had weinig of niets te zeggen, want ik wist van die affaire nog de eerste letter niet. Ik kreeg vervolgens de eer om voor de procureur-generaal Lobitch (nu: Léon Kengo Wa Dondo, een métis van Pools-Congolese afkomst) te verschijnen: “Het heeft geen zin te zwijgen, mevrouw,  meester X. is ook aangehouden, en heeft bekend. Welke documenten hebt u vernietigd? Wie belde u op?” Het was duidelijk dat ze telefoons hadden afgetapt, maar toch geen houvast kregen. “Jammer, maar u zult uw twee kinderen en uw man – dokter - nooit meer terugzien”, dreigde Likita. Dat was de aanzet tot een tweede, ditmaal harder, verhoor door de procureur-generaal Lobitch. Ik was wel bang, maar slaagde er in dat te verbergen. Geregeld probeerde ik gevat te antwoorden. Het feit dat ik geen emotie vertoonde, maakte hen woedend. Zij waren er van uitgegaan dat ze een jong en onervaren meisje hadden opgevist, dat uit angst in een oogwenk zou bekennen. Om het even wat. Maar vermits ik niets wist, kon ik ook niets vertellen. Vlaamse koppigheid... Steeds opnieuw dreigden ze dat ze mij naar de beruchte Makala gevangenis (makala betekent ook houtskool) zouden brengen, dat daar altijd alle tongen los worden gemaakt. Dat zou ik nooit overleven.

MIJN DOCHTERTJE WAS APATISCH GEWORDEN

Op een bepaald ogenblik viel de airconditioning uit. Ik kon meteen duidelijk stemmen horen in het kamertje, daarnaast. Een ondervraging. “Beken maar, meester, uw secretaresse heeft toegegeven. Ontkennen is zinloos.” Ik hoorde de advocaat repliceren: “Dat kan niet, mevrouw weet helemaal niets. Neem mijn Ordre du Léopard maar af, en laat haar naar huis gaan.” 's Nachts werd ik vrijgelaten. Althans, ze brachten mij, via een omweg, naar huis. Twee bewakers moesten voor de deur post vatten. Mijn dochtertje Catherine was oud genoeg om te begrijpen dat haar mama in de problemen zat. Mijn man had samen met Pater Piet een speurtocht ondernomen langs alle officiële gebouwen van Kinshasa. Niemand wist waar ik mij bevond. De ongerustheid van haar vader, het nachtelijk uur waarop haar mama terugkwam in gezelschap van de zwarte bewakers, brachten haar zo aan het schrikken dat ze er een trauma aan overhield. Ze praatte niet meer en ze weigerde te eten of te drinken. Algehele apathie, emotionele shock, luidde de diagnose. De zwarte bewakers noteerden elk bezoek, of deden alsof. Die bezoekers waren niet minder dan de Belgische ambassadeur, de ministerraad, het hoofd van de Belgische militaire zending en nog vier diplomaten. De Congolezen demonstreerden nogmaals hun macht, terwijl de onmacht van de Belgen overduidelijk werd. Elke ochtend werd ik rond zes uur opgehaald voor ondervragingen, moest wachten op een barza, vaak in de volle zon. Geen eten, behalve enkele koekjes die ik inderhaast in mijn tasje had gepropt, geen drinken en een bewaker die mij gezelschap hield wanneer ik naar het smerige toilet moest.  Ze dreigden er voortdurend mee mij te mishandelen, maar het bleef bij vernederingen… Uitgerekend op kerstavond van 1970 moest ik mijn paspoort afgeven. Daardoor werd het onmogelijk Congo te verlaten. (Wat slecht aankwam. Catherine werd stilaan een skelet en wij dachten eraan om met haar naar België te gaan). Maar laten wij positief blijven: ik mocht naar huis. “Nous ne sommes pas des bêtes”, zei Lobitch. “Nous aussi nous fêtons Noël en famille. » Ondanks alles werd het een mooie kerstavond, dank zij de morele steun van de paters en een paar goede vrienden. Die avond gebeurde, elders in Kinsjasa, een bizarre transactie. Mijn werkgever stond zijn aandelen in een handelsonderneming, waarin ook de procureur-generaal belangen had, af.

De ware toedracht? Ik kan alleen maar gissen

Procureur-generaal Lobitch was destijds klerk op het kantoor van advocaat X. geweest, en kwam werken per fiets. Nam hij nu de kans te baat om zich tegenover zijn ex-patron te laten gelden? Wat er ook van zij: de overdracht van aandelen leek voldoende om de chantage te doen ophouden. Men liet me verder met rust. Ons dochtertje werd, na een wekenlange behandeling, weer beter. Ik gaf nog vijf maanden les aan de Belgische school. Mijn echtgenoot kreeg een nieuw en verleidelijk contract aangeboden.

In juli (zes maanden na mijn aanhouding) kreeg ik mijn paspoort terug, dank zij de tussenkomst van de ministerraad. Ik kon eindelijk weg uit Congo. Het leven was met de dag duurder geworden. Een potje choco kostte 90,0- BFR. Vijf kg. waspoeder 600,00- BFR. Kinsjasa leefde weer in onrust. Blanken werden in volle straat aangevallen en afgeranseld. We namen het zekere voor het onzekere en ik vertrok naar België. Mijn man volgde twee maanden later. Wij lieten een land achter, niet zonder hartzeer, waar nog veel kon worden gedaan, maar waar veel te veel verkeerd werd gedaan...” aldus Ann Broeckaert.

Op de oever van de Congo stroom

3

De markt in Kinshasa 1960

2

 

l' institut de médicine tropicale "Princesse Astrid"

congo 1960 image foto sans titre

 

De medewerkers van l'institut "Princesse Astrid"

4

 

 

 

 

© 2002 Gust Verwerft - Congo-1960

Info

Ook op het internet gelden de auteursrechten. Werken die auteursrechtelijk beschermd zijn, zoals tekeningen, foto's, muziek, film en software, mag u niet verspreiden via het internet zonder de uitdrukkelijke toestemming van de auteur.
Een auteur van een programma kan de namaker van zijn werk strafrechtelijk laten vervolgen, maar dat kan alleen als het namaken kwaadwillig of bedrieglijk is gebeurd. Niet alleen de namaker is strafbaar, ook wie namaakprogramma's voor handelsdoeleinden verkoopt, in voorraad heeft voor verkoop of invoert in België, overtreedt het auteursrecht.
Delcol Martine